Terug naar overzicht

Cultuur en sport

De Duitse bezetter wil de hele samenleving gelijkschakelen en volgens de beginselen van het nationaal-socialisme inrichten. Dit geldt ook voor de culturele sector.

Niet alle kunst is meer toegestaan, alleen zogenaamde ‘volkseigen’ kunst. De Kultuurkamer moet hierop toezien. Sport komt in de Tweede Wereldoorlog juist sterk tot bloei: veel mensen zoeken afleiding en vinden die op of rond de sportvelden.

In 1941 wordt de Kultuurkamer opgericht. Iedereen die in de kunst- en cultuursector werkt, moet hier lid van worden. Er zijn speciale gilden voor elke groep, zoals muzikanten, schilders en schrijvers. Wie geen lid wordt, mag zijn beroep niet langer uitoefenen. Wie wel lid is, krijgt steun in de vorm van financiële bijdragen of een studiebeurs. De meeste kunstenaars worden wel lid, maar zijn zeker geen voorstander van de kunst zoals die door de nationaal-socialistische bezetter wordt bepaald. De Kultuurkamer wordt geen groot succes en er blijven ook veel kunstenaars illegaal bezig. Na dolle dinsdag wordt de Kultuurkamer opgeheven.

Het theater blijft in de Tweede Wereldoorlog populair. Acteurs moeten zich aansluiten bij de Kultuurkamer en de meesten doen dat ook. Ze vinden dat de mensen recht hebben op ontspanning en bovendien moeten zij gewoon in hun levensonderhoud voorzien. Er worden ook illegale theatervoorstellingen gegeven in huiskamers. Naarmate de oorlog vordert, en vooral na dolle dinsdag, sluiten veel theaters de deuren. Maar her en der worden nog steeds voorstellingen gegeven.

Sport blijft tijdens de Tweede Wereldoorlog een populaire bezigheid. De sportclubs krijgen extra leden. Zoveel zelfs dat sommige clubs niet weten hoe ze deze leden moeten opvangen. Sport biedt afleiding van de zorgen over de oorlog. Zelfs onderduikers komen soms uit hun schuilplaats tevoorschijn om naar wedstrijden te kijken. Voetbal, boksen en de paardensport zijn het populairst.