Terug naar overzicht

Uitsluiting Joden

Tijdens de bezettingsjaren worden Joden stapsgewijs uit het openbare leven geweerd en verwijderd. Vanaf 1940 brengt de bezetter een administratieve scheiding aan tussen Joden en niet-Joden.

Joden krijgen een J in hun persoonsbewijs en een eigen bestuur: de ‘Joodse Raad’. Ook worden Joden maatschappelijk uitgesloten. Ze mogen alleen nog naar ‘Joodse theaters’ en ‘Joodse winkels’ en ze mogen geen handel drijven of omgaan met niet-Joden. Vanaf 1942 moeten alle Joden in Nederland zelfs verhuizen naar een ‘Joodse wijk’.

De maatregelen van de nazi’s om Joden uit het maatschappelijke leven te weren, gelden vanaf november 1940 ook in bezet Nederland. Alle Joodse ambtenaren worden ontslagen en Joden hebben geen toegang meer tot openbare gelegenheden. Vanaf 3 mei 1942 moeten alle Joden zichtbaar een Jodenster op hun kleding dragen. Op straat lopen zij het risico te worden opgepakt en op transport te worden gesteld.

Om Joden goed herkenbaar te maken op straat, moeten alle Duitse Joden van zes jaar en ouder vanaf 1 september 1941 verplicht een ster op hun kleding dragen. In Nederland wordt de maatregel op 3 mei 1942 van kracht. De zogenoemde Jodenster is een zespuntige gele ster van stof, met daarin het woord ‘Jood’. Het is voor Joden strafbaar is om de ster niet te dragen en zij moeten hem zelf betalen.

Aan het einde van de crisisjaren dertig worden in Noord- en Noordoost-Nederland kampen gebouwd om werkloze mannen te huisvesten. In 1941 ontruimt de bezetter een aantal van deze kampen om plaats te maken voor Joodse werklozen. Deze kampen zijn een voorportaal van kamp Westerbork, van waaruit Joden worden getransporteerd naar de vernietigingskampen in het oosten. Over het aantal werkkampen is nog altijd weinig bekend.