Terug naar overzicht

Stakingen

Sommige maatregelen van de Duitsers stuiten op veel weerstand en soms op verzet. In de bezettingsperiode vinden in Nederland drie grote stakingen plaats, waarbij veel gewone burgers uit protest het werk neerleggen.

Dit zijn de Februaristaking in 1941, de april/meistaking (‘melkstaking’) in 1943 en een staking van het Nederlandse spoorwegpersoneel in 1944. De bezetter reageert op alle stakingen met harde represaillemaatregelen: burgers worden geëxecuteerd of naar de kampen gedeporteerd.

Op 22 februari 1941 vinden in Amsterdam twee grote razzia’s plaats. 425 Joodse mannen worden samengedreven op het Jonas Daniël Meijerplein en met bruut geweld op transport gesteld naar de concentratiekampen. Uit protest leggen tienduizenden Amsterdammers gedurende de drie dagen daarop het werk neer. Trams blijven staan. Winkels sluiten de deuren. Gemeentelijke diensten, kantoren, scheepswerven, confectieateliers en metaalbedrijven liggen stil. Deze proteststaking breidt zich uit naar andere steden en gaat de geschiedenis in als de Februaristaking.

In het voorjaar van 1943 vindt één van de grootste stakingen plaats die Nederland in oorlogstijd kent. Omdat Duitsland aan het oostfront grote verliezen lijdt, moeten Nederlandse mannen naar Duitsland om daar in de fabrieken te werken. Ruim 300.000 mannen worden hiervoor krijgsgevangen genomen. Veel Nederlanders vinden deze maatregel te ver gaan en leggen op 29 april het werk neer. Omdat stakende boeren geen melk meer leveren, wordt deze staking ook de ‘melkstaking’ genoemd.

In september 1944 roept de Nederlandse regering in Londen op tot een spoorwegstaking in Nederland. De staking moet het Duitse troepentransport stilleggen omdat de geallieerden luchtlandingen willen uitvoeren bij Arnhem voor operatie Market Garden. Ruim 30.000 mensen van het spoorwegpersoneel geven gehoor aan de oproep en duiken onder. Helaas valt het resultaat van de staking tegen, omdat de Duitsers eigen treinen gebruiken voor hun troepenvervoer.