Todeskandidaten
Gevangenen die al veroordeeld zijn tot de doodstraf of de doodstraf zouden krijgen worden door de Duitsers als vergelding doodgeschoten.

In september 1944 voeren de Duitsers een nieuwe maatregel in: ze heffen de ‘Gerichtsbarkeit’ op. Dit houdt in dat terroristen – zoals verzetsmensen worden genoemd - voortaan zonder vorm van proces doodgeschoten mogen worden. Deze maatregel is bedoeld om de overvolle gevangenissen leger te krijgen en de rechtbanken te ontlasten. Dit betekent nieuwe vergeldingsmogelijkheden voor de Duitsers en een nieuwe strategie. Als de Duitsers een actie van het verzet willen vergelden, doden zij voortaan zogenaamde 'Todeskandidaten': gevangenen die al veroordeeld zijn tot de doodstraf of die in ieder geval de doodstraf zouden krijgen. Deze mensen – bij elkaar ongeveer 325 - zijn dus al gearresteerd voordat zij de status van ‘gijzelaar’ krijgen.
Verschillende aanslagen en liquidaties zijn zo gewroken met de executie van gevangenen. Hun lijken moeten van de Duitsers meestal 24 uur of nog langer blijven liggen op de plek waar ze zijn doodgeschoten. De landelijke leider van de Sicherheitsdienst (SD) en Sicherheitspolizei (Sipo) bepaalt hoeveel mensen er doodgeschoten worden. De plaatselijke Aussenstelle, het regionale bijkantoor van de SD en Sipo waarvan er in Nederland zeven zijn, moet zorgen dat zij dit quotum haalt. Als er ter plaatse niet genoeg ‘Todeskandidaten’ voor handen zijn, overleggen de leiders van de verschillende Aussenstellen. Zij halen vervolgens gevangenen uit de gevangenis van een andere stad of dorp dan die waar zij doodgeschoten worden. De grootste en meest bekende groep die zo wordt vermoord, is die van de executies op Woeste Hoeve die aan 117 mensen het leven kost.