Echte geschiedenis? Mondelinge bronnen in het geschiedenisonderwijs

Onderwijs

door Marc van Berkel – leesduur 7 minuten

Wat betekent de focus op de lokale dynamiek van de Holocaust voor het onderwijs? Met die vraag in het achterhoofd las educatiespecialist Marc van Berkel het proefschrift van Froukje Demant, Verre buren – Samenleven in de schaduw van de Holocaust. Opvallend: de belangrijke rol die mondelinge bronnen innemen in deze lokale geschiedschrijving, die handelt over de manier waarop de Holocaust zich ontrolde in de Nederlands-Duitse grensstreek. Het onderzoek van Demant laat volgens Van Berkel zien hoeveel waarde persoonlijke getuigenissen kunnen hebben, ook voor het onderwijs.

Voor veel jongeren is ‘echte’ geschiedenis de geschiedenis van koningen en andere heersers, van culturele hoogtepunten of van imposante veldslagen en belangrijke vredesverdragen. Dit komt door de klassieke historische focus op politieke en militaire geschiedenis, die maar al te makkelijk de rol van vrouwen en niet-heersende mannen veronachtzaamt. Aandacht voor oral history – mondeling overgedragen en vaak persoonlijke verhalen – is een manier om deze onbalans recht te trekken.

Vanaf 1933 werden overal in het land afdelingen van de NSB opgericht en verspreidden colporteurs de NSB-krant Volk en Vaderland. Hier de ‘groep Denekamp’ met het propaganda-orgaan, met op de voorpagina de kop ‘Democratie in het nauw’. Foto: Beeldbank WO2 – NIOD

Toch is dat nog niet in alle contreien doorgedrongen. Ten aanzien van mondelinge bronnen heerst nog altijd veel wantrouwen en onkunde. Ze zouden niet significant zijn, niet betrouwbaar of niet interessant genoeg. Het proefschrift Verre buren laat zien dat dit onterecht is, en dat het vastleggen van de moderne geschiedenis zonder mondelinge bronnen inmiddels bijna niet meer mogelijk is.

“Zie ik je deze week weer op het veld?”

In 2015 verscheen Froukje Demants proefschrift Verre buren, over het samenleven van Joden en niet-Joden in Twente en aangrenzend Duitsland in de periode tussen de jaren twintig en de jaren vijftig van de twintigste eeuw. Dit proefschrift toont heel mooi hoe belangrijk persoonlijke getuigenissen kunnen zijn. Op basis van ruim honderd interviews met tijdgenoten uit de grensstreek laat Demant zien hoe antisemitisme, uitsluiting en vervolging langzaam maar zeker de nieuwe normaliteit werden in het dagelijks leven van ‘gewone mensen’. Dat was tijdens de oorlog. Ná de oorlog moesten de ‘verre buren’ weer een manier vinden om met elkaar samen te leven, waarbij zwijgen over de verschrikkingen tijdens de oorlogsjaren een belangrijke rol speelde.

Demant begint haar studie met enkele momentopnamen, zoals de dag in april 1933 waarop SA-mannen bij een joodse slagerij in het grensdorp Gildehaus boycotacties uitvoeren. De slagerszoon herkent een van de nazi’s, een voetbalmakker, die hem geschrokken toefluistert: “Hermann, zie ik je deze week weer op het veld?”Zo toont deze studie dat de massamoord op Europese Joden niet alleen het gevolg van politieke besluitvorming was, maar ook kan worden beschouwd als een sociaal proces.

Duitse soldaat in de Molenstraat in Haaksbergen, 10 mei 1940. Foto: Beeldbank WO2 – NIOD

Sociale ontkoppeling

Het idee achter het concept ‘de Holocaust als sociaal proces’ is dat de uitsluiting, toenemende ontrechting en moord op de Europese Joden niet mogelijk zou zijn geweest zonder een verscheidenheid aan sociale actoren – daders, begunstigden, vrijwilligers, profiteurs. De massamoord werd mogelijk gemaakt door tal van sociale processen, en vervolgens leidde deze dynamiek van moord en geweld weer tot nieuwe sociale veranderingen.

Demants onderzoek laat zien dat de traditionele driedeling dader-slachtoffer-omstander lang niet altijd houdbaar blijkt. De slachtoffers zijn weliswaar steeds dezelfden, maar wat de betrokkenheid van niet-Joodse grensbewoners betreft spelen mensen vaak verschillende rollen op verschillende momenten. Zo blijken analytische categorieën als ‘omstanders’ of ‘collaborateurs’ niet doeltreffend; sommige niet-Joodse geïnterviewden waren aanvankelijk bevriend met Joodse families, maar hadden in de loop van de jaren dertig feitelijk weinig tot geen contact meer met hun Joodse buurtgenoten. Er vond – onder invloed van de veranderende morele waarden – een sociale ontkoppeling plaats, waarbij antisemitisme en groepsdruk een belangrijke rol speelden. Demants onderzoek maakt daarmee heel duidelijk dat uitsluitingsprocessen op lokaal niveau samenhingen met de mate waarin mensen wel of niet in deze processen meegingen.

April 1945: een NSB’er wordt opgebracht in Enschede. Foto: Beeldbank WO2- Nationaal Archief

Normaliteit

Een ander belangrijk inzicht uit Demants onderzoek is het verschil tussen ‘existentiële en morele normaliteit’ aan de vooravond van de vervolgingen. De bewoners van de Twents-Nederlandse grensstreek beleefden de stapsgewijze nazificatie van hun gehele bestaan, eerst in Duitsland en na 1940 ook in Nederland. Het dagelijks leven raakte doordrenkt met uitingen van het nationaalsocialisme: vlaggen, parades, jeugdorganisaties, mediacontrole.

Tegelijkertijd veranderde het samenleven met Joodse bekenden in morele zin: het werd in toenemende mate als ongewenst geacht om omgang te hebben met Joodse streekgenoten. Dat betekende dat niet-Joodse inwoners van deze regio zich gedwongen zagen om zich actief op te stellen ten aanzien van de nieuwe nationaalsocialistische morele orde: men moest iets doen. Voor sommigen betekende dat publiekelijk afstand nemen van Joodse bekenden, terwijl men in de privésfeer contacten bleef onderhouden. Anderen reageerden met daadwerkelijk enthousiasme op de nieuwe realiteit.

In april 1942 verscheen op een schoolbord in de hal van de synagoge in Enschede de mededeling dat voortaan jodensterren gedragen moesten worden. Foto: Joods Historisch Museum

“Als je me er nu uitgooit is dat oké”

Wat kunnen we met dergelijke inzichten in de onderwijskundige context? Ik ben van mening dat we met het vertellen van dergelijke verhalen en getuigenissen van tijdgenoten rechtdoen aan de meervoudigheid van de historische werkelijkheid, maar ook aan de interactie tussen mensen die de ‘geschiedenis’ zelf beleefden. Op die manier krijgen jongeren meer inzicht in menselijk gedrag, wat in mijn ogen buitengewoon belangrijk is, omdat hierdoor moreel besef kan worden aangescherpt. In alle vormen van geschiedenisonderwijs krijgen leerlingen naast vele voorbeelden van ‘goed’ en ‘slecht’ gedrag ook de gevolgen ervan voorgeschoteld. Steeds is het de vraag of leerlingen daar werkelijk iets van leren – waarschijnlijk minder dan we hopen. Maar door inzicht te verwerven in het menselijk gedrag in verschillende omstandigheden, krijgen leerlingen meer oog voor de complexiteit van menselijk samenleven in heden en verleden.

Zo beschrijft Demant heel mooi hoe er na de oorlog weer een nieuwe werkelijkheid ontstaat. Een Joodse overlevende krijgt een oude Duitse kennis op bezoek, die vertelt dat hij Gauleiter was geweest. “Heb dit en dat gedaan. Als je me er nu uitgooit is dat oké.” Omdat de kinderen van de mannen op dezelfde zwemvereniging zaten, herleefde het contact tussen de Joodse overlevende en de voormalige Gauleiter na de oorlog, ondanks de enorme gruwelen die tussen hen in waren komen te staan.

In de Nieuwe Hengelosche Courant werd verschillende keren de meldplicht voor Joden onder de aandacht gebracht. Foto: Secondworldwar2.nl

Feiten of verhalen?

Het onderzoek van Froukje Demant biedt ook op een ander front interessante uitkomsten voor het geschiedenisonderwijs. Door het lezen van deze getuigenissen worden de verschillen tussen persoonlijke beleving en de officiële geschiedenis benadrukt. Zo werkt het collectieve geheugen blijkbaar: de emotionele toegang tot een omstreden en soms persoonlijk verleden is vaak in tegenspraak met de officiële versie van de geschiedenis. De oorlogsjaren worden in het onderwijs vaak generaliserend weergegeven. Ook vanwege de ‘didactische reductie’ zijn kritische beschouwingen en tegengestelde duidingen zeldzaam. Alleen al daarom is oral history geschikt voor het onderwijs: we kunnen jongeren hiermee bewust maken van verschillen tussen persoonlijke beleving en officiële versies van geschiedschrijving.

Waarschuwingsbord ergens aan de Duitse grens, 1945. Foto: Library and Archives Canada

Discriminatie en identiteit

Daarnaast biedt oral history volop mogelijkheden om de geschiedenis voor leerlingen persoonlijk, concreet en verhalend te maken. Door het ontbreken van persoonlijke verhalen staat het geschiedenisonderwijs in veel gevallen ver van de leerlingen af. Daarnaast speelt dat jongeren zich vaak comfortabel voelen bij ‘feiten’, wat het belangrijk maakt om deze juist ook te nuanceren.

Helemaal wanneer ze de eigen regio betreffen, brengen de retrospectieve herinneringen van ooggetuigen het verleden dichterbij. Leerlingen kunnen hun familieleden of buurtgenoten interviewen, waardoor de geschiedenis van hun sociale omgeving tot leven komt. Onder docenten en leerlingen zie je daarom de belangstelling voor deze vorm van geschiedschrijving groeien. Hedendaagse thema’s als discriminatie, identiteit of vooroordelen kunnen worden besproken en geïllustreerd met fragmenten uit levensverhalen, bijvoorbeeld van vluchtelingen.

Meervoudige dimensies

Alles overziend geeft Demants proefschrift over ‘samenleven in de schaduw van de Holocaust’ een stem aan groepen die in de traditionele geschiedschrijving ondervertegenwoordigd zijn. Daarnaast ontvouwt zij de complexiteit van de Jodenvervolgingen in de context van sociale processen in de Nederlands-Duitse grensstreek aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog. De verhoudingen tussen Joden en niet-Joden illustreren hiermee meervoudige dimensies in menselijke verhoudingen. Voor jongeren in onze tijd is dat van groot belang: door het tonen van slechts één identiteit kan een eendimensionale tegenstelling bepalend worden voor de onderlinge verhoudingen. Waartoe een dergelijke vereenvoudiging kan leiden, kunnen zij dagelijks ervaren.

 

Over de auteur

 

Marc van Berkel. Foto: Geert Snoeijer

Dr. Marc van Berkel is historicus en lerarenopleider. Hij is gespecialiseerd in de geschiedenis van de Holocaust en Duitsland en bijbehorende educatieve vraagstukken. Hij werkt als docent/lerarenopleider aan de Hogeschool Arnhem Nijmegen, is lid van de Nederlandse delegatie bij de International Holocaust Remembrance Alliance en werkt ook als freelance onderzoeker en (gast)docent. Van Berkel promoveerde op Plotlines of Victimhood. The Holocaust in German and Dutch History Textbooks, 1960-2010 (Rotterdam, 2017). In 2017 publiceerde hij Welk verhaal telt? De oorlogen in Nederlands-Indië/Indonesië 1942-1949 in het geschiedenisonderwijs (Amsterdam, 2017).


Noten:

1 Demant, Verre buren, p. 11