Een einde aan de koloniale amnesie

Mensenrechten

door Ellen Rose Kambel – leesduur 8 minuten

Hoe rechtszaken opvattingen over mensenrechten kunnen verbreden

Heeft de rechtszaak die de Rawagede-weduwen aanspanden impact voorbij de directe uitkomst van een excuus en een schadevergoeding? Zeker wel, meent Nicole Immler, die een interessant artikel schreef over deze zaak. De gang van de weduwen naar de rechtbank zet de verbeelding van rechtvaardigheid in gang. Dit inspireert andere slachtoffers van staatsgeweld om voor hun mensenrechten op te komen.

Drie jaar geleden, bij de herdenking van 150 jaar afschaffing van de slavernij, besloot ik in een opwelling mijn familienaam te googlen in combinatie met ‘slavernij’ en ‘Suriname’. Als je, zoals ik, geboren bent in Suriname en een bruine huidskleur hebt, weet je natuurlijk wel dat er ooit iemand in de familie moet zijn geweest die uit Afrika is ontvoerd en op een slavenschip naar Suriname is gezet om daar op een van de koffie- of suikerplantages te werken. Maar hoe ver terug in de familiegeschiedenis dit wie van mijn voorouders overkwam, daar had ik geen idee van.

Groot was mijn verbazing toen vrijwel meteen de naam verscheen van mijn overgrootmoeder, als een van de 35.000 mensen die in 1863 in Suriname uit de slavernij werden bevrijd. Samen met haar moeder, haar broertje en haar oma was zij privé-eigendom geweest van een koopmansfamilie uit Amsterdam. Al gauw kon ik de statige grachtenpanden in Amsterdam traceren waar de toenmalige eigenaren van mijn overgrootmoeder woonden. En niet lang daarna vond ik een foto van de familie zelf, genomen na de afschaffing van de slavernij. Men zat gemoedelijk thee te drinken in een prachtige buitenplaats ergens in de bollenstreek. Veel reden tot klagen had de familie ook niet: alle slavenhouders waren rijkelijk gecompenseerd door de Nederlandse Staat voor het verlies van hun eigendommen. Deze familie had bijvoorbeeld 54.900 gulden ontvangen voor hun Surinaamse slaven, het equivalent van 500.000 euro vandaag. De slaven zelf kregen niets. Überhaupt waren ze pas na tien jaar echt vrij. Tot die tijd moesten ze tegen een geringe vergoeding door blijven werken.

Ibu Tijeng binti Tasim, weduwe van Rawagede, in 2010: “Als ik geld krijg van de Nederlandse overheid, dan bouw ik een huis in de achtertuin van mijn kleindochter.” Foto: Suzanne Liem

Mijlpaal

Met het artikel ‘Human Rights as a Secular Imaginary in the Field of Transitional Justice. The Dutch-Indonesian Rawagede Case’ wil historica Nicole Immler een bijdrage leveren aan het denken over transitional justice. Dit nieuwe vakgebied richt zich op de langetermijngevolgen van mensenrechtenschendingen en de beschikbare instrumenten om hiermee om te gaan. Denk bijvoorbeeld aan strafrechtelijke vervolging, formele excuses, historische commissies en herstelbetalingen. Voor haar onderzoek vergeleek Immler verschillende compensatieregelingen.1

Zij maakt haar punt aan de hand van de rechtszaak die door advocaat Liesbeth Zegveld tegen de Staat der Nederlanden werd aangespannen namens de in- middels hoogbejaarde weduwen van Rawagede, het dorp in West-Java. De staat beriep zich op verjaring. In een gerechtelijke uitspraak wees de Haagse rechtbank dit af en maakte daarmee de weg vrij voor schadevergoeding aan de slachtoffers. Een schikking resulteerde uiteindelijk in een formeel excuses van de Nederlandse Staat en een individuele schadevergoeding van 20.000 euro per persoon aan de overlevenden en de weduwen. De vordering tot schadevergoeding werd overigens op een belangrijk punt beperkt door de rechtbank. Anders dan voor de weduwen en overlevenden was voor de kinderen van de overleden slachtoffers wel de gebruikelijke verjaring van toepassing, zo oordeelde men, aangezien het handelen van de Staat de nabestaanden in een volgende generatie “in minder directe mate” zou raken.

Hoewel de Rawagede-zaak door juristen als een mijlpaal wordt beschouwd vanwege de doorbreking van de verjaringsregel, was er ook kritiek. Die luidde vooral dat de rechtbank niet inging op de door de eisers aangehaalde schendingen van de mensenrechten. De rechtbank noemde Rawagede een uitzonderlijke misdaad, maar benoemde niet het systematische geweld tijdens de dekolonisatieoorlog.

Ibu Tijeng binti Tasim in 2015 op het terras van haar nieuwe huis, dat zij bouwde met het compensatiegeld van de Nederlandse overheid. Foto: Suzanne Liem

Sociale verbeelding

Nicole Immler ziet het ‘verzwijgen’ van dit mensenrechtendiscours echter niet als een beperking. Zij laat zien dat mensenrechten toch van invloed zijn, omdat ze een veel bredere functie vervullen dan alleen een juridische. Ze grijpen ook in op individueel, politiek, sociaal en cultureel niveau. Om haar punt te maken, hanteert zij het concept ‘sociale verbeelding’ (social imaginaries) van Charles Taylor. Deze Canadese filosoof omschrijft sociale verbeelding als de manier waarop mensen een voorstelling maken va hun leven en van de diepere normatieve ideeën en beelden die hieraan ten grondslag liggen. In andere woorden: het is het geheel van verhalen (narratives) die het leven, de wensen en de ideeën van mensen vormgeven. Neem het voorbeeld dat Taylor geeft van een protestdemonstratie. Om zoiets te organiseren, moet het concept ‘demonstratie’ al onderdeel zijn van ons repertoire: we weten dat we samen moeten komen, dat we spandoeken moeten maken en dat we gezamenlijk gaan lopen.

Het is onze capaciteit tot verbeelding die volgens Taylor de sleutel van het mensenrechtendiscours vormt. Door zich een voorstelling te maken van hoe het zou moeten zijn en door te weigeren de status quo te accepteren, komen burgers tot de stap om naar de rechter te gaan om gerechtigheid te eisen.

Ibu Tjammorong uit Sulawesi wachtte in 2015 samen met haar familie nog steeds op compensatie voor de dood van haar man. Inmiddels is zij overleden. Foto: Suzanne Liem

Keniaanse militairen

Voor haar eigen onderzoek interviewde Immler de slachtoffers in de Rawagede-zaak, hun familieleden en de activisten die de rechtszaak hebben aangespannen. Met deze gedegen bottom-up aanpak laat Immler overtuigend zien hoe het inzetten van mensenrechten als ijkpunt, de verbeelding van wat wel en niet mogelijk is aanzienlijk kan oprekken. Wat in 1995 nog juridisch onhaalbaar werd geacht, namelijk de Nederlandse Staat aansprakelijk stellen voor de massamoorden in Indonesië, werd in 2011 met het vonnis in de Rawagede-zaak werkelijkheid. En wat in 2011 door de rechtbank nog als acceptabel werd beschouwd, namelijk het uitsluiten van de kinderen, werd in 2015 in een andere zaak van tafel geschoven, toen bepaald werd dat ook de kinderen gecompenseerd behoren te worden (Rechtbank Den Haag, 11 maart 2015).

De Rawagede-zaak bleek bovendien niet alleen effect in Nederland en Indonesië te sorteren. In navolging ervan zochten en vonden Keniaanse militairen rechtsbescherming voor schendingen begaan door het Britse leger in koloniale tijden. “The realm of what seems possible has increased,” schrijft Immler, “extending the spaces in which people can allow themselves to imagine and desire justice.”

 

Surinaamse Marrons

Dat mensenrechtenzaken in het ene land van invloed kunnen zijn op de sociale verbeelding in een heel ander land, heb ik zelf ervaren in mijn werk in Suriname. Zo’n tien jaar ben ik betrokken geweest bij de voorbereiding van mensenrechtenzaken ten behoeve van de inwoners van het binnenland: inheemse volken (Indianen) en Marrons. Marrons zijn de Afrikaanse tot slaaf gemaakten die ruim een eeuw vóór de afschaffing van de slavernij de plantages ontvluchtten en diep in het oerwoud min of meer autonome gemeenschappen stichtten met eigen talen, tradities en bestuursvormen. Het waren hun nakomelingen die in 2000 besloten om internationaal hun recht te zoeken bij het Inter-Amerikaans Hof voor de Rechten van de Mens in Costa Rica.

De inmiddels allang onafhankelijke regering van Suriname weigerde lange tijd om de collectieve eigendomsrechten van de Marrons op de gronden die zij al eeuwenlang gebruikten en bewoonden te erkennen, en gaf hout- en goudconcessies uit aan derden zonder de Marrons hierin te kennen. En net als bij de Rawagede-zaak werd het in Suriname lange tijd voor onmogelijk gehouden dat de Marrons en de inheemsen aangemerkt zouden worden als juridisch eigenaar van de gebieden waar zij al eeuwen leven. Totdat het Inter-Amerikaans Hof in een zaak tegen Nicaragua oordeelde dat de staat de collectieve landrechten van inheemse volken moest erkennen. Dit inspireerde de Marrons – en al gauw daarna ook de inheemse volken – een zaak tegen de staat Suriname aan te spannen. Het hof stelde de Marrons en in 2016 ook de inheemse eisers in het gelijk.

Ibu Manna, weduwe van Sulawesi, wacht vanwe- ge bewijslastproblemen nog op schadevergoe- ding uit Nederland. Om te zorgen dat haar nabestaanden alsnog recht hebben op compensatie als zij tussentijds overlijdt, startte ze een gerechtelijke procedure. Foto: Suzanne Liem

Nederlandse schoolboeken

Jeffry Pondaag, een Indonesiër die op jonge leeftijd naar Nederland kwam en initiatiefnemer was van de Rawagede-zaak, was een van de personen die door Immler werd geïnterviewd. Zijn zoektocht naar genoegdoening voor de slachtoffers in Indonesië bleek niet zijn enige motief te zijn. Ook zijn persoonlijke ervaringen in de hedendaagse Nederlandse samenleving speelden een belangrijke rol. De ontkenning en de onwetendheid over de koloniale geschiedenis, de discriminatie die hij van jongs af meemaakte: het kwetste en stoorde hem enorm. Met de Rawagede-zaak en andere rechtszaken waar hij sindsdien aan meewerkt, wil hij vooral de stilte doorbreken. Een stilte die ook wel ‘koloniale amnesie’ wordt genoemd: het willen verzwijgen van de structurele misstanden, de bloedbaden, de slavenhandel en de slavernij waar Nederland eeuwenlang actief bij betrokken is geweest en van heeft geprofiteerd.

Ook in Suriname is de omgang met onrecht dat geworteld is in het koloniale verleden moeizaam. De onwil om de uit de koloniale tijd stammende wetgeving aan te passen om zo recht te doen aan de traditionele eigendomsrechten van de inheemse volken en de Marrons, is daarvan een voorbeeld. Een ander voorbeeld is het onderwijs. Inheemse en Marronkinderen krijgen uitsluitend onderricht in de Nederlandse taal. In de klas is het ze verboden hun eigen taal te spreken. Daar komt bij dat de in Nederland aangekochte schoolboeken vol staan met voorbeelden die een urbane, vaak Europese, levensstijl weerspiegelen. De eigen geschiedenis komt niet aan bod. De kinderen wordt niets verteld over de ontberingen die hun voorouders hebben moeten doorstaan om te kunnen overleven in het oerwoud, of over de dorpen die werden ontruimd om plaats te maken voor plantages, wegen of een luchthaven.

Nicole Immler interviewt de kleindochter van ibu Wanti binti Sariman, een van de weduwen van Rawagede. Foto: Suzanne Liem

Het andere verhaal

Eenzelfde merkwaardige stilte ervoer ik tijdens de zoektocht naar mijn persoonlijke slavernijverleden. De eigenaren van mijn overgrootmoeder bleken lokale bekendheden te zijn in het dorp waar zij hun buitenhuis hadden. Er is een straat naar hen vernoemd en op websites en in lesbrieven voor de schoolkinderen wordt de herinnering levend gehouden aan deze ‘rijke koopmansfamilie’ die veel zou hebben betekend voor de lokale economie. Wat de kinderen niet verteld wordt, is hoe deze familie aan haar rijkdom kwam en dat het niet de slaven maar de slavenhouders waren die werden gecompenseerd bij de afschaffing van de slavernij.

De Nigeriaanse schrijfster Chimamanda Ngozi Adichie wees in haar inspirerende TEDTalk ‘The danger of a single story’ op het gevaar van het eenzijdige verhaal. “The single story creates stereotypes, and the problem with stereotypes is not that they are untrue, but that they are incomplete. They make one story become the only story.”2 De roep om herstelbetalingen voor misdrijven die zijn begaan in het verleden stuit vaak op onbegrip in Nederland, vooral als het gaat om de koloniale periode. Immler maakt het belangrijke punt dat claims voor rechtvaardigheid en compensatie niet zozeer gaan over verwerking van onrecht begaan in het koloniale verleden, maar eerder de koloniale amnesie in de hedendaagse postkoloniale samenleving aan de kaak stellen. Het feit dat een gang naar de rechter noodzakelijk is om het ‘andere’ verhaal aan het licht te brengen, is helaas veelzeggend.

Ibu Wanti binti Sariman, weduwe van Rawagede, kreeg € 20.000 schadevergoeding van de Nederlandse overheid. Met het geld kocht zij het huurhuis waarin zij met haar familie woonde. Foto: Suzanne Liem

Achtergrond: de weduwen van Rawagede en Zuid-Sulawesi

In december 1947 werd in Rawagede door Nederlandse militairen een bloedbad aangericht onder een groot deel van de mannelijke bevolking. In december 2009 spanden enkele weduwen van de slachtoffers een rechtszaak aan tegen de Staat der Nederlanden. De staat beriep zich op verjaring, maar in 2011 oordeelde de rechtbank in Den Haag dat de Staat wel degelijk en nog steeds aansprakelijk was voor de moorden.

In augustus 2013 zijn ook weduwen uit Zuid-Sulawesi, wier echtgenoten tussen december 1946 en februari 1947 werden vermoord door het Depot Speciale Troepen (DST), in het gelijk gesteld. De weduwen van Rawagede en Zuid-Sulawesi ontvingen een schadevergoeding van € 20.000,- per persoon en de Nederlandse ambassadeur bood hun officieel excuses aan.

 

Over de schrijfster 

Mr. dr. Ellen-Rose Kambel

Mr. dr. Ellen-Rose Kambel heeft na haar rechtenstudie promotieonderzoek gedaan naar mensenrechten van inheemse volken in Suriname. Zij is momenteel directeur van de Rutu Foundation voor intercultureel meertalig onderwijs en als parttime onderzoeker verbonden aan de Universiteit van Amsterdam.

 

Noten:

1 Het onderzoek van Immler was onderdeel van het onder- zoeksproject ‘Narrated Injustice’ binnen het ‘Transitional Justice Program’ van het NIOD.

2 zie: www.ted.com/talks/chimamanda_adichie_the_danger_of_a_single_story.