De Nederlandse psychiatrie in oorlogstijd

Analyse

door Tom Theeuwen – 21 september 2026

In Duitsland werden tijdens de oorlog meer dan 200.000 psychiatrisch patiënten doelgericht vermoord. Maar wat gebeurde er tijdens de Duitse bezetting met de circa 30.000 patiënten in het Nederlandse ‘krankzinnigenwezen’? Gerichte vervolging trof hier alleen Joodse patiënten (en staf). Dat neemt niet weg dat er ook sprake was van behoorlijke sterfte onder de bredere populatie van psychiatrische instellingen. Tom Theeuwen schetst waar zij in oorlogstijd mee te maken kregen.

Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog telde Nederland vijftig psychiatrische instellingen met een totale capaciteit van circa 30.000 patiënten. De grootste inrichtingen waren het Provinciaal Ziekenhuis nabij Santpoort (1500 plaatsen), Voorburg in Vught (1200 plaatsen) en Maasoord in Poortugaal (1000 plaatsen). Het instellingenlandschap weerspiegelde de Nederlandse verzuiling: naast vijftien neutrale instellingen telde het land negentien katholieke inrichtingen, vijftien protestantse en één Joodse.

De toenmalige patiëntenpopulatie, destijds aangeduid met de term ‘krankzinnigen’, was erg divers. Patiënten met schizofrenie (toen gediagnosticeerd als Dementia Praecox) vormden ongeveer de helft van het bestand. Daarnaast huisvestten de inrichtingen personen met gevorderde dementie, het syndroom van Down en neurologische aandoeningen als epilepsie. Bijna negentig procent van de patiënten was opgenomen in de zogenoemde ‘derde klasse’ (armlastigen), waarvan de kosten door de lokale gemeenten werden gedragen.

Hoewel de economische crisis in de jaren 30 leidde tot stelselmatige bezuinigingen en kostenbesparende personeelsmaatregelen (zoals de inzet van jong, laaggeschoold personeel), vonden er toch belangrijke infrastructurele en medische ontwikkelingen plaats. Er werd geïnvesteerd in nieuwbouw, zoals het Noorder Sanatorium dat in 1935 werd geopend. Ook deden somatische behandelingen zoals de malariakuur, de insulinecomakuur en de vroege elektroconvulsietherapie hun intrede. De introductie van nieuwe, psychosociale vormen van activerende therapie en andere vormen van activatie (zoals sport- en dansclubs) vervingen de traditionele langdurige bedrust. Tegelijkertijd ontwikkelden zich de eerste extramurale voorzieningen, gericht op het voorkomen van klinische opnames en op nazorg.

Het Noorder Sanatorium in 1957. Bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed op Wikimedia Commons (CC BY-SA 4.0).

De ontwikkelingen in Duitsland

Internationaal gezien wonnen vanaf het einde van de 19e eeuw sociaal-darwinistische en eugenetische theorieën – gericht op het sturen van de genetische samenstelling van de populatie – aan invloed. In de 20e-eeuwse jaren 20 voerden diverse westerse landen, waaronder de Verenigde Staten, Denemarken en Zwitserland, wettelijke sterilisatieprogramma’s uit bij specifiek geselecteerde ‘risicogroepen’. Met dit rekbare begrip werd in eerste instantie gedoeld op de ‘onvruchtbaarmaking’ van zedendelinquenten of personen met ‘perverse neigingen’. Nog diffuser werden deze criteria wanneer de onvruchtbaarmaking ter sprake kwam in het kader van een bredere discussie over een mogelijke bevolkingspolitiek en eugenetica. Deze was gericht op bevordering van de ‘volksgezondheid’ en ‘volkskracht’ en vloeide voort uit een angst voor de enorme bevolkingstoename, verarming en veronderstelde geestelijke en zedelijke achteruitgang van het stedelijke proletariaat vanaf het midden van de 19e eeuw.1

Onder het nationaalsocialistische regime in Duitsland radicaliseerde deze ‘biologisering van afwijkend gedrag’. Theorieën van denkers als Ernst Haeckel en het sleutelwerk Freigabe zur Vernichtung lebensunwerten Lebens (‘Machtiging tot de vernietiging van levenonwaardig leven’) van Hoche en Binding uit 1920 classificeerden psychiatrisch patiënten als Ballastexistenzen; een economische en demografische belasting voor de staat. Na de machtsovername in 1933 institutionaliseerde de NSDAP dit denken via de Gesetz zur Verhütung erbkranken Nachwuchses (‘Wet ter voorkoming van erfelijk ziek nageslacht’), wat leidde tot de gedwongen sterilisatie van naar schatting 300.000 tot 400.000 burgers. Dit beleid culmineerde vanaf 1939 in het beruchte euthanasieprogramma, na de oorlog ‘Aktion T4’ gedoopt, waarbij meer dan 200.000 psychiatrisch patiënten werden vermoord, in gaskamers en door middel van doelgerichte uithongering en overmedicatie. Hoewel de geallieerde overheden en delen van de Nederlandse bevolking via radio-uitzendingen van de BBC en gedrukte pamfletten op de hoogte waren van deze praktijken, was het bij de inval van Nederland in mei 1940 niet duidelijk of dat beleid ook hier geoperationaliseerd zou worden.

Aankondiging van de ‘Wet ter voorkoming van erfelijk ziek nageslacht’ in het Reichsgesetzblatt van 25 juli 1933. Bron: Wikimedia Commons.

Nederlandse artsen in bezettingstijd

De directe operationele gevolgen van de Duitse bezetting manifesteerden zich snel. De Wehrmacht vorderde diverse inrichtingen voor gebruik als Kriegslazarett (militair hospitaal). Tegelijkertijd waren er toenemende personeelstekorten in de zorgsector, waardoor instellingen genoodzaakt waren minder gekwalificeerd personeel aan te nemen.

Op ideologisch vlak trachtte de NSB in oktober 1940 via de oprichting van het ‘Medisch Front’ de nationaalsocialistische rassenhygiëne en eugenetica binnen de Nederlandse geneeskunde te populariseren. Deze organisatie was echter erg onpopulair onder Nederlandse artsen en behaalde weinig resultaat. Het nog altijd diep confessionele karakter van de Nederlandse psychiatrie weerhield vele artsen er vanuit hun religieuze overtuigingen van om de eugenetische gedachte (het ‘god spelen’) te omarmen. Ook speelde bij sommige artsen een algemene afkeer van de bezettende macht een rol in hun non-coöperatieve houding. Als formele tegenhanger van het Medisch Front werd in september 1941 de artsenverzetsorganisatie Medisch Contact opgericht, waar het merendeel van de Nederlandse artsen zich bij aansloot. Een collectieve protestactie vond plaats in maart 1943, toen artsen de aanduiding ‘Arts’ op hun naambordjes afplakten om hun ongenoegen over de nationaalsocialistische Artsenkamer uit te drukken.

Mussert spreekt op de derde landdag van het Medisch Front in Utrecht, 1943. Bron: Het Utrechts Archief.

Collaborerende functionarissen werden in de meeste instellingen door de zittende staf geïsoleerd. In Meer en Bosch werd na aanstelling van het NSB-bestuur ook openlijk verzet gepleegd. Desondanks verslechterden de leefomstandigheden van circa tweehonderd patiënten, waarbij historisch onduidelijk blijft of dit het gevolg was van opzet of simpelweg administratieve incompetentie. Ook in het Provinciaal Ziekenhuis Medemblik vond verzet plaats. Drie medewerkers werden gearresteerd en vanuit Medemblik overgebracht naar de gevangenis aan de Weteringschans te Amsterdam.  Begin 1945 werden ze als represaillemaatregel van de bezetter samen met andere verzetsleden aan het Weteringplantsoen publiekelijk gefusilleerd.

Monument bij het voormalig Provinciaal Ziekenhuis Medemblik. Bron: Hans Rob (CC BY 3.0).

Ontregeling door massa-evacuaties

Toch waren zoals we hebben gezien de sterftecijfers binnen de Nederlandse psychiatrie ten tijde van de bezetting uitermate hoog. De belangrijkste oorzaak hiervan was de structurele ontregeling door de vordering van inrichtingen en de gedwongen massa-evacuaties. Gedurende de oorlogsjaren werden ongeveer 7.000 patiënten verplaatst. Een groot deel van deze patiënten moest na de eerste evacuatie wegens ontregelingen op de nieuwe locatie opnieuw worden geëvacueerd. Dit resulteerde in circa 20.000 individuele patiëntverplaatsingen, een gemiddelde van bijna drie verhuizingen per patiënt. NIOD-onderzoekers Eveline Buchheim en Ralf Futselaar stellen dat de meeste geëvacueerde patiënten werden geëvacueerd omdat hun instelling in een gebied nabij de kust lag. Het lot van evacuatie “trof (delen van) 44 Nederlandse gemeenten en bijna 200.000 Nederlanders, inclusief talloze zwakke en kwetsbare mensen, zonder aanzien des persoons”.2 De evacuaties waren dus geen gerichte acties tegen de patiëntenpopulatie van psychiatrische instellingen.

Britse vrachtwagens met personeel en patiënten van St. Anna in Venray op weg naar Eindhoven. Zij werden geëvacueerd vanwege de gevechtshandelingen. Bron: Beeldbank WO2 / NIOD.

De meest omvangrijke evacuatieronde startte in juli 1942, toen de bezettingsmacht besloot zeven grote klinieken in de kuststrook te ontruimen ten behoeve van de aanleg van de Atlantikwall. Duizenden patiënten werden langdurig overgebracht naar inrichtingen in het binnenland, wat daar tot capaciteitsproblemen leidde. Om deze toestroom op te vangen, werden de criteria voor het ontslag van patiënten herzien. Niet de medische prognose, maar het opvangvermogen van de familie werd het leidende selectiecriterium. Dit veroorzaakte een demografische verschuiving binnen de muren: relatief zelfredzame patiënten verlieten de instellingen, waardoor een populatie achterblijvende patiënten ontstond die gemiddeld ouder, zieker en intensiever zorgbehoevend was. Deze populatieverandering kwam bovenop de slechtere omstandigheden waaronder gewerkt moest worden door het verlies aan ruimte door de vorderingen en de evacuaties en het toenemende personeelstekort. Zo kwamen de inrichtingen van twee kanten onder druk te staan.3

De grootste escalatie volgde in de herfst van 1944, na de geallieerde invasie. Tijdens Operatie Market Garden en de Slag om Overloon kwamen psychiatrische inrichtingen zoals die in Wolfheze bij Arnhem en in Venray in de frontlinie te liggen. Bombardementen vernietigden de infrastructuur en dwongen patiënten en personeel tot langdurig verblijf in provisorische schuilkelders. De daaropvolgende nood-evacuaties verliepen onder gevechtsomstandigheden; patiënten werden getransporteerd naar locaties zoals fabriekshallen of klaslokalen, waar basale medische faciliteiten ontbraken.

De psychiatrische inrichting St. Anna in Venray werd door bombardementen in 1944 en 1945 bijna geheel verwoest. Bron: Beeldbank WO2 / Nationaal Oorlogs- en Verzetsmuseum Overloon / Liberty Park.

Patiënten sliepen op matrassen of stro op de grond. Hoewel inrichtingen gelegen in agrarisch gebied voedselvoorraden mochten aanleggen en dus in theorie over meer voedsel beschikten dan inrichtingen in stedelijke gebieden, konden patiënten niet zelfstandig op zoek naar eten of deelnemen aan hongertochten. Een tekort aan brandstof maakte bovendien de reiniging van textiel en beddengoed onmogelijk, wat leidde tot een verslechtering van de hygiëne en een toename van infectieziekten. In combinatie met kou en voedseltekorten tijdens de Hongerwinter veroorzaakte dit een massale oversterfte. Volgens NIOD-onderzoekers Buchheim en Futselaar waren de hoge sterftecijfers in het Nederlandse ‘krankzinnigenwezen’ tijdens de Tweede Wereldoorlog ook in meer algemene zin het gevolg van een combinatie van factoren: de ineenstorting van de zorginfrastructuur én een toename in kwetsbaarheid van de achtergebleven populatie, die ouder, zieker en zorgbehoevender was dan de populatie in vredestijd.4

Deportatie van Joodse patiënten en staf

Tot zover het algemene beeld, want natuurlijk verschilde de positie van Joodse patiënten wezenlijk van die van de algemene populatie. Zij waren wél het object van gerichte vervolging. Vanaf april 1942 verzamelde de bezetter in het kader van de Jodenvervolging systematisch gegevens over Joodse patiënten en personeelsleden in de inrichtingen. Begin 1943 intensiveerde de vervolging. In de instelling Loosduinen in Den Haag vonden razzia’s plaats, waarbij circa 250 Joodse patiënten werden gearresteerd en afgevoerd naar doorgangskamp Westerbork. Toen dr. C.F. Engelhard, geneesheer-directeur van de Willem Arntsz Hoeve in Den Dolder, weigerde lijsten van zijn Joodse patiënten te verstrekken, volgde zijn arrestatie en legde hij zijn functie neer. De inrichting werd onder NSB-bestuur geplaatst, waarna de zeventien Joodse patiënten alsnog werden gedeporteerd.

Dieptepunt van de Jodenvervolging binnen de Nederlandse psychiatrie was de ontruiming van het Joodse psychiatrische ziekenhuis Het Apeldoornsche Bosch en het daaraan verbonden kindertehuis Paedagogium Achisomog in januari 1943. Nadat eerder al het niet-Joodse personeel was ontslagen, gaf SS-commandant Ferdinand aus der Fünten toen de order tot evacuatie. In de nacht van 21 op 22 januari werden 1.181 patiënten en 52 medewerkers in goederenwagons rechtstreeks naar het vernietigingskamp Auschwitz gedeporteerd. Geen van de gedeporteerden keerde terug.

Verpleegkundigen van de Joodse psychiatrische inrichting Het Apeldoornsche Bosch in 1942. Bron: Beeldbank WO2 / Algemeen Dagblad.

Na de bevrijding

Na de bevrijding in 1945 bleven de omstandigheden in de psychiatrie lange tijd buitengewoon precair. Noodhulp arriveerde meestal enkele dagen na de bevrijding van een inrichting, mede dankzij eerdere voorbereidingen in het bevrijde zuiden. Dit leidde tot een snel herstel van de (zieken)voeding, waardoor de meeste patiënten eind 1945 hun vooroorlogse gewicht terug hadden. Andere problemen hielden echter aan. Door gebouwenverlies en herbestemming bleef het ruimtegebrek nijpend, waardoor geëvacueerde patiënten pas na lange tijd konden terugkeren naar hun regio van herkomst. Ook de textieltekorten bleven lang bestaan. Het grootste probleem was echter het acute personeelstekort, dat na de bevrijding verder toenam. De instroom van nieuw verplegend personeel was zeer beperkt, terwijl veel medewerkers uitstroomden naar zorgsectoren met meer aanzien.

Daarnaast zijn er ook diverse minder tastbare effecten aan te wijzen. Want operationele standaarden binnen een sector veranderen wanneer een zorgsysteem onder langdurige materiële en personele druk komt te staan. Recente crises zoals de coronapandemie illustreren dat ook: discussies rondom het beoordelen van de hulpvraag en de allocatie van schaarse (medische) middelen maken steevast deel uit van de crisisbeheersing. Dit terwijl het van belang is dat in tijden van crisis juist de meest hulpbehoevende doelgroepen kunnen blijven rekenen op adequate ondersteuning. Onderzoek naar zorg in oorlogstijd nodigt de samenleving uit tot reflectie op de positionering van kwetsbare groepen. De wijze waarop institutionele zorg voor deze groepen is ingericht, fungeert als een indicator voor de prioriteiten binnen een samenleving.

De nationaalsocialistische categorisering van kwetsbare groepen zoals psychiatrisch patiënten als onproductieve wezens (‘Ballastexistenzen’) reduceert de psychisch kwetsbare mens tot een pure kostenpost. Het bestuderen van deze categorisering illustreert de risico’s van het koppelen van de waarde van een menselijk leven aan economische productiviteit. Psychiatrische aandoeningen en een veel breder palet aan ‘ongewenst gedrag’ werden door de nationaalsocialisten ‘gebiologiseerd’ en geïnstrumentaliseerd om iedere vorm van afwijking te demoniseren. Hoe rekbaar begrippen als ‘Entartung’ (ontaarding/ degeneratie) waren, blijkt uit het gemak waarmee deze biologische term werd overgedragen op sociaal en cultureel vlak.

In Uit zorg verdreven doen NIOD-onderzoekers Buchheim en Futselaar verslag van hun onderzoek naar de Nederlandse psychiatrie in oorlogstijd. Bron: Uitgeverij Boom.

Historiografische discussie

De omgang van de Duitse bezettingsmacht met psychiatrisch patiënten in West-Europa was lange tijd een onderbelicht thema binnen de geschiedschrijving van de Tweede Wereldoorlog. In oudere historische onderzoeken werd vaak uitgegaan van een bewust beleid van actieve verwaarlozing, uithongering en overmedicatie door de bezettingsmacht. Zoals al aangehaald kwam recenter onderzoek van het NIOD, uitgevoerd door dr. Eveline Buchheim en prof. dr. Ralf Futselaar, op basis van uitgebreid bronnenonderzoek tot een ander beeld.

In Uit zorg verdreven (2023) concluderen zij dat er in Nederland geen sprake was van een systematisch en actief moordprogramma gericht op institutionele psychiatrische patiënten, zoals dat in Duitsland en de bezette Oostgebieden wel plaatsvond. Het verhoogde sterftecijfer in de Nederlandse inrichtingen werd, zo beargumenteren zij, goeddeels veroorzaakt door de logistieke en materiële omstandigheden van de oorlog: evacuaties, de Hongerwinter, militair geweld en een pragmatische allocatie van gebouwen en middelen door de bezetter. Alleen patiënten met een Joodse achtergrond waren het doelwit van directe vervolging. Dat betekent echter niet dat niet-Joodse patiënten niet hebben geleden onder de oorlogsomstandigheden, zo benadrukken Buchheim en Futselaar expliciet.

Het NIOD-onderzoek leidde kort na publicatie tot discussie. Zo verscheen in 2025 in BMGN – Low Countries Historical Review een kritisch reviewartikel van Cecile aan de Stegge et al., waarop de NIOD-onderzoekers in 2026 reageerden met een uitgebreide repliek. Daarmee is een inhoudelijk debat ontstaan over de interpretatie van de beschikbare bronnen, de betekenis van de hoge sterftecijfers en de vraag in hoeverre uitspraken kunnen worden gedaan over de oorzaken daarvan. Wel bestaat brede overeenstemming over het feit dat de sterfte onder psychiatrische patiënten tijdens de bezetting uitzonderlijk hoog was en dat deze groep zwaar heeft geleden onder de oorlogsomstandigheden. Het debat richt zich vooral op de oorzaken van die verhoogde sterfte en de rol die de bezettingsmacht en de Nederlandse instellingen daarin speelden.

Futselaar en Buchheim wijzen tevens op de gevaren van het instrumentaliseren van de veelal onmondige patiënten om een narratief te dienen: “Het is verleidelijk om patiënten, van wie we weinig uit eerste hand weten, te reduceren tot passieve slachtoffers. Als mensen geen stem hebben kan hun leed makkelijk veronachtzaamd worden, maar net zo makkelijk worden verabsoluteerd. Juist omdat de patiënten en bewoners zelf geen enkele stem hebben of hadden, kunnen zij dus gemakkelijk deel gemaakt worden van een selectieve of tendentieuze geschiedschrijving.”5

Over de auteur

Tom Theeuwen. Bron: RTV NH

Tom Theeuwen (1984) studeerde geschiedenis en mediëvistiek aan de Radboud Universiteit Nijmegen en werkt sinds 2016 als wetenschappelijk medewerker bij het Museum van de Geest in Haarlem. Vanaf 2022 werkt hij daar als curator.


Selectie van geraadpleegde literatuur        

  • Gemma Blok & Joost Vijselaar (red.), Gesticht in de Duinen. De geschiedenis van de provinciale psychiatrische ziekenhuizen van Noord-Holland van 1849 tot 1994. Verloren, 1997.
  • Bettina Brand-Claussen, Thomas Röske & Maike Rotzoll, Todesursache: Euthanesie. Verdeckte Morde in der NS-Zeit. Sammlung Prinzhorn/ Wunderhorn, 2012.
  • Eveline Buchheim & Ralf Futselaar, Uit zorg verdreven. Het Nederlandse Krankzinnigenwezen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Boom, 2023.
  • Marco Gietema & Cecile aan de Stegge, Vergeten Slachtoffers. Psychiatrische inrichting de Willem Arntsz Hoeve in de Tweede Wereldoorlog. Boom, 2017.
  • Ivanus Krol, Storm over Venray – het duistert in het oosten, dagboek van broeder Ivanus Krol.
  • Dagboeken dr. Mulder (Wolfheze): 25 januari 1942 – 16 september 1944.
  • Corry van Straten, Een wereld die er niet meer is. De stichtingen Rosenburg en Bloemendaal in de oorlogsjaren. De Graaff, 2015.
  • Joost Vijselaar, Het Gesticht. Enkele Reis of retour. Boom, 2010.

Noten

1 Joost Vijselaar, Therapeutische castratie en andere psychiatrische behandelingen van zedendelinquenten 1920-1970. ZonMW, 2015. p. 50-51.

2 Eveline Buchheim & Ralf Futselaar, ‘Vergeten slachtoffers, emancipatie en empathie’. BMGN — Low Countries Historical Review 141, nr. 1 (2026), p. 68.

3 Eveline Buchheim & Ralf Futselaar, Uit zorg verdreven. Het Nederlandse krankzinnigenwezen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Boom, 2023, p.123.

4 Buchheim & Futselaar 2023.

5 Buchheim & Futselaar 2023, p. 8.


Foto bovenaan artikel

Eind november 1942 ontving geneesheer-directeur van de psychiatrische inrichting Provinciaal Ziekenhuis Santpoort te Santpoort, G. Kraus, bericht dat de inrichting per 15 januari 1943 geheel ontruimd moest zijn in verband met de aanleg van de Atlantikwall. Daarmee was Santpoort één van de in totaal negen inrichtingen die in deze periode ontruimd werden. Alleen in Santpoort waren dit al 1470 patiënten. 517 van hen zouden richting W.A. Hoeve worden geëvacueerd. Bron: Collectie Dolhuys/Museum van de Geest.