Tot aan de Tweede Wereldoorlog maakten Joodse dove mensen een vanzelfsprekend deel uit van de Nederlandse dovengemeenschap. Tijdens de bezetting veranderde dit. Van dove mensen met een Joodse achtergrond werden zij Joden met doofheid. Ze werden net als andere Joden vervolgd, maar liepen extra risico’s vanwege hun auditieve beperking. Dove Joodse overlevenden zijn er dan ook nauwelijks.
Bij het woord ‘doof’ denken mensen vaak aan stilte, maar het tegendeel is waar. Dove mensen horen misschien weinig tot niets, maar maken zelf wel geluid. Dat ze vaak niet weten hoeveel, betekende in de Tweede Wereldoorlog een risico voor hen. Een andere associatie bij ‘doof’ is dat dove1 mensen geïsoleerd leven, weinig contacten hebben. Maar de dovengemeenschap is als het Zweinstein van Harry Potter: een wereld vol taal, cultuur en geschiedenis die onzichtbaar is voor wie nooit met dove mensen in aanraking komt. Het maakt dat er niet veel aandacht en kennis is over de ervaringen van Joodse dove mensen in de Tweede Wereldoorlog. Terwijl er inmiddels wel degelijk onderzoek is gedaan naar de geschiedenis van Joodse dove mensen binnen de Nederlandse dovengemeenschap, en hun vervolging tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Gebarengemeenschap
De dovengemeenschap bestaat sinds jaar en dag voornamelijk uit mensen die doof geboren zijn of al jong doof werden en die de Nederlandse Gebarentaal (NGT) als voorkeurstaal hebben, sinds 2021 de derde officiële taal in Nederland. Tot de jaren 90 deed het dovenonderwijs er echter alles aan om het gebruik van gebaren tegen te gaan. Dove kinderen moesten leren spreken om in ‘de horende wereld’ te kunnen functioneren. Vooral in de tijd tot de Tweede Wereldoorlog was dit een schier onmogelijke taak voor kinderen die weinig tot niets konden horen. De audiologie stond nog in de kinderschoenen, dus niemand wist hoeveel een kind wel of niet kon horen, en bij alle kinderen werd dezelfde methode op dezelfde manier toegepast, met wisselende resultaten.2 Hoortoestellen waren nog primitief en geluidsversterking werkte niet bij deze groep. Om toch het ideaal van sprekende dove kinderen te verwezenlijken, werden dove kinderen vanaf hun derde tot hun achttiende jaar in internaten of pleeggezinnen geplaatst, waar zij voortdurend onder streng toezicht het spreken moesten beoefenen.
Dit regime had als tegenovergesteld effect dat er een sterke band ontstond onder leerlingen die onderling altijd bleven gebaren. Een band die na het schoolverlaten vorm kreeg in een rijk verenigingsleven: sportverenigingen, toneelverenigingen, gezelligheidsverenigingen, noem maar op. De oudste dovenvereniging in Nederland werd in 1884 opgericht in Amsterdam, door oud-leerlingen van het Groningse doveninstituut. Het gesegregeerde opgroeien betekende voor schoolverlaters dat er nauwelijks een band was met de eigen familie, en dat er weinig ervaring was met de samenleving. En omgekeerd: dat die samenleving geen ervaring had met dove mensen. Validisme was schering en inslag. Daarnaast was spreken en spraakafzien een moeizame vorm van communiceren. Geen wonder dus dat dove mensen hun vrije tijd liever met elkaar doorbrachten.3

Het Guyotplein in Groningen, met op de voorgrond het monument voor H.D. Guyot en op de achtergrond het doveninstituut. Bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed op Wikimedia Commons (CC BY-SA 4.0).
Joods in het dovenonderwijs
Joodse dove mensen werden in het interbellum onderwezen in het openbare doveninternaat ‘H.D. Guyot’ in Groningen – waar zij in een apart kosthuis verbleven – of in de Rotterdamse ‘Inrichting voor Doofstommenonderwijs’4 en de Amsterdamse Ammanschool, beide openbare dagscholen. Wie niet in Amsterdam of Rotterdam woonde, verbleef tijdens de schoolperiode in een Joods pleeggezin. Hierbij is het belangrijk om te weten dat er pas vanaf 1947 een leerplicht gold voor het speciaal onderwijs. De inspecteur van het Buitengewoon Lager Onderwijs rapporteerde wel in 1938 dat bijna alle dove kinderen onderwezen werden; in 1940 ging het om 890 leerlingen. Het is echter niet mogelijk om te achterhalen hoeveel dove kinderen toen privéonderwijs kregen of helemaal niet onderwezen werden.

Bij het bombardement op Rotterdam werd ook de ‘Inrichting voor Doofstommenonderwijs’ getroffen. Op deze foto zijn op de voorgrond de ruïnes van de Nieuwe Westerkerk en het instituut zichtbaar. Bron: Stadsarchief Rotterdam op Wikimedia Commons.
Bij alle drie de scholen was er de mogelijkheid om godsdienstonderwijs te krijgen. Joodse leerlingen kregen dit van een ‘Israëlitisch godsdienstonderwijzer’, aldus de jaarverslagen van de scholen. Wat betreft de verdeling naar godsdienst zien we het volgende: van de 118 leerlingen op de Amsterdamse dovenschool in 1930 waren er 86 protestants, 24 joods, 7 katholiek en 1 islamitisch. Het Groningse instituut had in hetzelfde jaar 173 leerlingen: 165 protestants, 5 joods en 3 katholiek. Het Rotterdamse instituut stopte in 1912 met het vermelden van de godsdienst van leerlingen.
Na het schoolverlaten vonden oud-leerlingen van dovenscholen elkaar in de al genoemde dovenverenigingen. Die waren evenals de Nederlandse samenleving verzuild, met algemene, katholieke en protestants-christelijke dovenverenigingen. Oud-leerlingen van de drie openbare instituten, waaronder Joodse leerlingen, sloten zich aan bij de algemene verenigingen, die zich in 1931 bundelden in de Nederlandse Bond van Doofstommenverenigingen (NBDV) en die vanaf 1932 het Algemeen Nederlandsch Doofstommen Orgaan (A.N.D.O.R.) uitgaf. De invloed van Joodse leden op de algemene verenigingen laat zich goed zien in dit tijdschrift: vijf van de zeven redactieleden van de eerste uitgave waren Joods, en drie van deze vijf waren Joods en doof. Met name de Amsterdamse Joodse familie Zegerius, die uit meerdere dove personen bestond, speelde een grote rol in de algemene dovenverenigingen. De verenigingen waren niet alleen een bron van gezelligheid en vermaak, maar boden ook hulp. Zo hadden verenigingen steunkassen voor ziekte en werkloosheid.

De eerste editie van A.N.D.O.R. Bron: Het Nederlands Dovenarchief.
“Vertrek naar elders”
Tot aan de Tweede Wereldoorlog maakten Joodse dove mensen een vanzelfsprekend deel uit van de dovengemeenschap, waar doof zijn de verbindende factor was. Ze waren eerst doof, en dan Joods. Dit veranderde toen de bezetter vanaf 12 maart 1941 actief inzette op segregatie van Joden in de Nederlandse samenleving.5 Joodse dove mensen werden dove Joodse mensen: vervolgd om hun Joods zijn, met extra risico’s vanwege hun doofheid.
Op 16 augustus 1941 verzond het Departement van Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescherming een brief aan scholen dat leerlingen van Joodse afkomst naar aparte Joodse scholen voor lager en voortgezet onderwijs gestuurd moesten worden. Het Groningse instituut reageerde hierop met de uitleg dat dove Joodse leerlingen alleen gebaat waren bij dovenonderwijs. Ze mochten blijven. Op 6 maart 1942 vroeg de Joodse Raad een opgave van het aantal Joodse leerlingen, met vermelding van geslacht en leeftijd. Op 6 oktober 1942 meldt het instituut dat er geen Joodse leerlingen meer waren. Zij waren uitgeschreven “wegens vertrek naar elders”. Het Amsterdamse instituut schreef op 3 oktober 1941 aan het Groningse instituut dat er 16 Joodse leerlingen van school verwijderd waren. Het jaarverslag over 1942 laat de bezorgdheid zien: “Tot onze groote spijt hebben wij enkele leerlingen moeten verliezen; voor eenige anderen leven wij in vrees.” Een deel van de leerkrachten was ook Joods, en zij moesten eveneens vertrekken, met een onzeker lot. Voor het Rotterdamse instituut geldt dat het zwaar was getroffen door het bombardement in mei 1940, waardoor moeilijk te achterhalen is wat er tijdens de oorlog in dit instituut gebeurd is. Vanaf 1943 staan er geen Joodse leerlingen meer in de leerlingenlijsten van de drie dovenscholen.
Ook de dovenverenigingen kregen te maken met de anti-Joodse maatregelen: sociale en culturele instellingen mochten geen Joodse leden hebben. Bovendien mochten vanaf de eerste helft van 1942 Joden geen woningen van niet-Joden betreden. Na de Tweede Wereldoorlog betreurden alle regionale en nationale algemene dovenverenigingen het verlies van de vele Joodse dove leden.
Onderduikrisico’s
Wisten dove Joodse mensen wat hen te wachten stond, en konden zij zich redden? Zij werden vervolgd om hun Joods-zijn, maar hun doofheid betekende een verminderde overlevingskans. Informatie werd immers veelal via auditieve weg – radio, spraak – verspreid. Netwerken was heel moeilijk omdat communicatie via spraak niet toegankelijk was en dove mensen buitenstaanders waren in de samenleving. Joodse mensen die op jonge leeftijd al doof waren, hadden meestal alleen lager onderwijs met enig ambachtsonderwijs gehad en vervulden vaak een beroep dat weinig inkomsten opleverde. Maar ook voor wie wel geld had, was de kans om een onderduikadres te vinden klein: omdat dove mensen weinig tot niets horen, weten zij ook niet hoeveel geluid zij maken en was het risico dat zij bij huiszoekingen gevonden werden groter.
Daarnaast hadden mensen met een beperking sowieso een lagere sociale status in de samenleving, en zeker binnen de nazi-ideologie. In Duitsland werden zowel Joodse als niet-Joodse leerlingen van dovenscholen die een erfelijke vorm van doofheid hadden, gedwongen gesteriliseerd.6 In Nederland werden geen eugenetische praktijken uitgevoerd bij dove mensen. Maar het is aannemelijk dat Joods én doof zijn een dubbel risico was.

De brief aangaande Joodse leerlingen die het Departement van Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescherming in 1942 verspreidde. Bron: Vrijheidsmuseum / Collectie Gelderland.
Namenlijst
In 2005 werd de Stichting Dovenshoah opgericht, met als doel het onderzoeken en bekendmaken van de geschiedenis van Joodse dove slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog in Nederland. Om te beginnen werden er door Dovenshoah verschillende oproepen gedaan binnen de Joodse gemeenschap om namen van dove Joodse personen te delen, zowel slachtoffers als overlevenden. Dit leverde zeer weinig resultaat op. Vervolgens zijn de jaarverslagen en leerlingenlijsten van de drie openbare doveninstituten onderzocht. Hierbij zijn alle namen genoteerd van leerlingen bij wie vermeld stond dat zij Nederlands-Israëlitisch of Portugees-Israëlitisch waren. Zoals gezegd stopte het Rotterdamse instituut in 1912 met het vermelden van de godsdienst. Hier zijn alle namen van alle leerlingen tussen 1912 en 1940 opgezocht in de databases van Joods Monument en Yad Vashem, om zo te bezien wie van Joodse afkomst was en/of slachtoffer was. Het eindresultaat: een lijst met namen van 332 Joodse doven die in de periode 1840-1940 les hadden gehad op een van de drie openbare doveninstituten. Hiervan zijn 188 (oud)leerlingen tijdens WOII vermoord: 61 in 1942, 114 in 1943 en 13 in 1944. Het oudste slachtoffer was Salomon Swaab, hij was 85 jaar toen hij in 1943 in Sobibor werd vermoord. Het jongste slachtoffer was Rosa Struch, zij was 3 jaar toen zij in 1942 in Auschwitz werd vermoord. Slechts drie (oud)leerlingen van de lijst overleefden de oorlog.
Resultaat van dit namenonderzoek was dat binnen de dovengemeenschap verhalen over de mensen achter de namen los begonnen te komen. Er zijn interviews gehouden met oud-leerlingen van de instituten in Groningen, Rotterdam en Amsterdam, en de verhalen van deze ooggetuigen zijn vastgelegd. De combinatie van informatie uit de interviews, het tijdschrift A.N.D.O.R. en de notulenboeken van de doveninstituten maakte dat van veel mensen op de namenlijst een portret gecreëerd kon worden, met foto’s, verhalen en familieverbanden. Op de website van Stichting DovenShoah zijn onder het kopje ‘Slachtoffers’ alle portretten te zien. Het Joods Monument heeft deze verhalen overgenomen en is hierdoor geïnspireerd om ook verhalend te gaan werken.

De videotour in Nationaal Monument Kamp Vught. Bron: Nationaal Monument Kamp Vught.
De weinige dove Joodse overlevenden zijn meestal baby’s en kleine kinderen die ondergedoken waren, zoals Flip Delmonte en Eduard Leuw. Een enkele (jong)volwassene overleefde de kampen, zoals Anna van Dam die vanuit Mechelen gedeporteerd werd. Over haar verhaal is een film gemaakt: Anna’s Stille Strijd.
Naoorlogse herdenkingen
Op 17 oktober 2010 is op het Hortusplantsoen in Amsterdam een monument onthuld om dove Joodse slachtoffers te herdenken, tegenover het gebouw waarin tijdens de Tweede Wereldoorlog het Amsterdamse doveninstituut gevestigd was. Bovendien is op dat gebouw een plaquette bevestigd die hieraan herinnert. Jaarlijks komen de leerlingen van de huidige Amsterdamse dovenschool hier de slachtoffers herdenken. Ook buiten de eigen kring ontstaat steeds meer aandacht voor het lot van Joodse dove mensen. Sinds een aantal jaren zijn er tolken NGT bij de Dodenherdenking op de Dam. Het Nationaal Monument Kamp Vught heeft een videotour met verhalen over het lot van dove Joodse kinderen. Het Holocaust Museum besteedt aandacht aan het verhaal van de familie van Flip Delmonte. Al deze initiatieven dragen bij aan de zichtbaarheid van de vervolging van dove Joodse mensen.
Over de auteur

Corrie Tijsseling
Corrie Tijsseling is wijsgerig en historisch pedagoog. Zij promoveerde op de geschiedenis van het Nederlandse dovenonderwijs en de Nederlandse dovengemeenschap. Zij is tevens activist en werkte mee aan een betere wettelijke positie van dove mensen in Nederland. Momenteel is zij als senior onderzoeker verbonden aan de Academie van Koninklijke Kentalis.
Noten
1 Het woord ‘doof’ kan met hoofdletter of kleine letter geschreven worden. Met ‘Doof’ wordt bedoeld dat het gaat om een linguïstisch-culturele gemeenschap, en met ‘doof’ wordt bedoeld dat het gaat om een medische diagnose. Binnen Deaf Studies is het sinds enkele jaren niet meer gebruikelijk om dit onderscheid te maken, omdat het geen recht doet aan de diversiteit binnen de dovengemeenschap.
2 De audiologie is het medisch-specialistische vakgebied dat zich richt op onderzoek, diagnose en behandeling op het gebied van gehoor, spraak en taal.
3 Voor een uitgebreide beschrijving van de ontwikkeling van het Nederlandse dovenonderwijs en de Nederlandse dovengemeenschap, zie: C. Tijsseling, School, waar?’ Een onderzoek naar de betekenis van het Nederlandse dovenonderwijs voor de Nederlandse dovengemeenschap, 1790-1990 (Proefschrift Universiteit Utrecht, 2014), https://dspace.library.uu.nl/handle/1874/300799.
4 Het woord ‘doofstom’ wordt tegenwoordig als kwetsend en beledigend ervaren door dove mensen, vergelijkbaar met het ‘n-woord’ voor mensen van kleur. Het wordt doorgaans alleen nog gebruikt in historische titels en citaten.
5 In een toespraak verkondigde Seyss-Inquart toen dat Joodse mensen niet meer waren beschermd door het Nederlandse staatsburgerschap: Seyss-Inquart waarschuwt de Nederlandse Joden | Anne Frank Stichting.
6 Zie ook: Horst Biesold, Crying Hands: Eugenics and Deaf People in Nazi Germany. Washington D.C., 1999.
Foto bovenaan artikel
Het monument ‘De wereld bleef doof’ in Amsterdam. Bron: Cathrotterdam op Wikimedia Commons (CC BY-SA 4.0).