Het Kreukel Archief: de geschiedenis van mensen met een beperking bewaren

Interview

door Andries Hiskes – 21 september 2026

Nederland kent een keur aan archieven en erfgoedcentra rond de geschiedenis van sociale bewegingen. Maar voor de gehandicaptenbeweging ontbrak zoiets tot nog toe. In het voormalige Utopa Weeshuis in Leiden bouwt het Kreukelcollectief nu aan het Kreukel Archief. Bestuurslid Paul van Trigt liet zich alvast interviewen over de vraag hoe je een geschiedenis bewaart van mensen wier verhaal lang geen plek kreeg. Wat doe je bijvoorbeeld met ouder materiaal waarin de stem van mensen met een beperking zelf vaak ontbreekt?

Hoe ben je bij het Kreukel Archief betrokken geraakt?

“Al tijdens het werken aan mijn proefschrift over de bejegening van blinde en slechtziende mensen in Nederland in de 20e eeuw liep ik ertegenaan dat archieven van gehandicapte activisten bij mensen thuis lagen en niet in officiële erfgoedinstellingen. Pogingen om die ergens onder te brengen waren niet gelukt. In de archiefwereld werd handicap veelal niet gezien als een boeiend onderwerp om materiaal over te verzamelen. En als er al iets bewaard werd, gebeurde dat vaak vanuit het perspectief van zorg of sociale zekerheid. Terwijl dat maar één kant van de zaak is.”

Om daar tegenwicht aan te bieden nam Van Trigt in 2019 samen met anderen het initiatief voor DisPLACE, een website die historische verhalen vertelt vanuit het perspectief van gehandicapte mensen zelf. Op initiatief van activist Jan Troost groeide dit uit tot een breder samenwerkingsverband. Van Trigt: “We zijn gaan kijken hoe we diverse initiatieven konden koppelen en meer aandacht konden vragen voor de geschiedenis van gehandicapte mensen. Op een gegeven moment zijn we onszelf het Kreukelcollectief gaan noemen.” ‘Kreukel’ geldt daarbij als zelfgekozen geuzennaam. Het collectief maakte sindsdien onder meer de tentoonstelling Ik ben gewoon hier (Centraal Museum Utrecht, 2025), organiseert de jaarlijkse Jan Troost-lezing en houdt verzameldagen waarop mensen materiaal en verhalen kunnen aandragen. Toen de Stichting Utopa vorig jaar ruimte en middelen beschikbaar stelde, werd het idee van een echt fysiek archief geboren.

Paul van Trigt. Bron: Universiteit Leiden.

In hoeverre is dit archief een activistisch project?

“Die inzet was er en is er op een bepaalde manier nog steeds. Onze eerste insteek was: ergens moet dit een plek krijgen. Want zoals je rond de lhbti+-geschiedenis geïnstitutionaliseerde initiatieven hebt, bestond dat voor de geschiedenis van gehandicapte mensen simpelweg niet, terwijl er wél allerlei initiatieven en archieven waren.” Toch wil het collectief zich niet tot enkel activisme laten reduceren. Naast de archieven van activisten verzamelt het nadrukkelijk ook verhalen van mensen die zichzelf nooit activist zouden noemen. Een voorbeeld dat Van Trigt bijbleef, kwam van de kwartiermaker van het archief, die in gesprek raakte met de schoonmaker van het gebouw. “Die vertelde dat zijn zoon rolstoelgebruiker is, en had daar een mooi verhaal over. Voor hem als ‘vader van’ is handicap helemaal geen onderdeel van zijn identiteit, maar sinds de geboorte van zijn kind speelt het wél een rol in zijn leven. Juist naar dat soort verhalen zijn we ook op zoek.”

Aankondiging van de tentoonstelling Ik ben gewoon hier in het Centraal Museum Utrecht. Bron: Stichting Kreukelcollectief.

Hoe bepaal je dan wat er wel en niet in de collectie komt?

“Daar zitten we middenin, we werken aan een collectieplan. Een deel van de archieven komt voort uit het Kreukelcollectief zelf en is wat activistischer van aard. Daarnaast zitten er stukken bij van de Gehandicaptenraad, het huidige Ieder(in), met name beginnend vanaf de jaren zeventig.” Het archief wil ook verwijzen naar materiaal dat elders ligt, maar niet altijd expliciet met handicap in verband is gebracht. “Ook al is handicap niet de belangrijkste noemer van een museum of archief, ze kunnen toch heel interessant materiaal hebben.” De focus ligt voor een belangrijk deel op het verleden, “maar dan wel het verleden zoals dat doorloopt in het heden”. Hoe urgent een plek is waar materiaal (brand)veilig bewaard kan worden, bleek in 2024: het archief van Ieder(in) ging grotendeels verloren toen een pyromaan huishield in de tijdelijke opslag. “Dat was een heel rijk archief. Doodzonde. Voor een deel kun je het reconstrueren, maar je weet zeker dat er ook echt dingen verloren zijn gegaan.”

Doet het Kreukelcollectief iets met het thema van herdenken en de Tweede Wereldoorlog?

“Dat gaat zeker een thema worden, en is dat op een bepaalde manier al. Enige jaren geleden hebben we sessies gehad – geïnitieerd door een buitenlandse onderzoeksgroep – waarin activisten en wetenschappers uit verschillende landen aan de hand van historische materialen doorpraatten over de Tweede Wereldoorlog en over eugenetica.” Hoe het Kreukel Archief dit thema gaat vormgeven, is nog een vraagteken: “Ik weet niet wat de beste manier is, maar daar zal zich ongetwijfeld iets ontwikkelen.” Het collectief staat hierin niet alleen: bij verschillende instellingen voor mensen met een verstandelijke beperking en bij psychiatrische instellingen is al sinds enkele jaren op 4 mei aandacht voor deze geschiedenis. Een geschiedenis die zich overigens niet tot de instellingen beperkt; ook gehandicapte mensen die daarbuiten woonden kregen met de bezetting te maken.

Het bekendste voorbeeld in Nederland is de psychiatrische instelling Het Apeldoornsche Bosch. Hoe kijk je daarnaar?

“De mensen daar zijn primair vermoord omdat ze Joods waren; het was een Joodse psychiatrische instelling. Niet primair omdat ze een handicap hadden.” Van Trigt verwijst naar het onderzoek van het NIOD, dat het idee weersprak dat psychiatrische patiënten in Nederlandse instellingen doelbewust werden verwaarloosd. “Ik ben geneigd mee te gaan in hun interpretatie dat er niet echt een doelbewuste versterving heeft plaatsgevonden.”

Die interpretatie werd niet door iedereen onderschreven. Eerder verscheen de publicatie Vergeten Slachtoffers van Marco Gietema en Cecile aan de Stegge, die suggereerde dat mensen in psychiatrische instellingen wél doelbewust waren verwaarloosd. Het NIOD deed vervolgens onderzoek bij meerdere instellingen en concludeerde dat de opvallend hoge sterftecijfers anders verklaard moesten worden. “De initiatiefnemers van Vergeten Slachtoffers waren daar niet blij mee. Daar is het nodige over en weer gegaan: hoe moet je die sterftecijfers interpreteren, en hoe besteed je op een passende manier aandacht aan deze groep slachtoffers?”

De Jostiband, Ambassadeurs van de Vrijheid in 2026, bij Slot Hartheim. Bron: Nationaal Comité 4 en 5 mei.

Betekent het ontbreken van een daadwerkelijk moordprogramma dat er voor Nederland weinig te herdenken valt?

Dat vindt Van Trigt nadrukkelijk niet. “Het fascisme had moeite met anders functionerende lichamen en geesten, om het zacht uit te drukken. Dat je in Nederland de moord vanwege handicap niet direct kunt aantonen, neemt niet weg dat je erover na moet denken hoe je er aandacht aan besteedt. In Duitsland kan dat relatief makkelijk, omdat daar het ‘euthanasieprogramma’ is geweest, met daaraan gerelateerde plekken. De Jostiband is dit jaar naar zo’n plek geweest en heeft door heel Nederland op 5 mei opgetreden.” Hij doelt op Slot Hartheim, een van de moordcentra van Aktion T4. Het zou naïef zijn, betoogt Van Trigt, om de oorlog eng-nationaal op te vatten. “Het ideaalbeeld dat nazi-Duitsland van lichamen en geesten had, bleef niet binnen de Duitse grenzen. In die zin vraagt dit om voortdurende reflectie op juist die dingen die in Nederland wat minder makkelijk te pakken zijn.”

Zou je in het materiaal van instellingen sporen kunnen vinden van wat je informele vervolging zou kunnen noemen – geen doelbewuste moord, maar slachtoffers maken door nalatigheid of verwaarlozing?

“Dat materiaal hebben we zelf nog niet geheel in beeld. Maar in wat instellingen aan stukken hebben, en in wat soms in lokale en regionale archieven ligt, zouden dat soort sporen kunnen liggen. Ik denk dat er meer onderzoek en meer van dit soort discussies zullen volgen. Niet alleen over de oorlogsperiode, maar ook over de periode daarna, waarbij je je kunt afvragen hoeveel prioriteit bepaalde groepen patiënten kregen en of bepaalde bewoners van instellingen niet verwaarloosd werden.”

In de gehandicaptenbeweging staat de leus ‘Niets over ons zonder ons’ centraal. Hoe verhoudt die zich tot ouder materiaal waarin de stem van mensen met een beperking vaak ontbreekt – materiaal dat wellicht een plek zal krijgen in het archief?

“Die slogan is belangrijk voor onze hele manier van werken. Er is al zo veel materiaal verzameld óver mensen, dat wij vinden: het mag nu wel eens vanuit het perspectief van de mensen zelf. Maar als je verder teruggaat, is er inderdaad veel materiaal waarin die stem niet zo evident aanwezig is. Sommige mensen konden helemaal niet schrijven of iets achterlaten en ook die wil je een plek in de geschiedenis geven. Dat moet je dan op indirectere manieren doen.”

De oplossing zoekt het collectief niet in het weren van zulk materiaal, maar in de presentatie. “Onze missie is dat we mensen aanmoedigen er kritisch naar te kijken. Verschillende activisten en historici hebben al laten zien dat je uit materiaal dat ‘over’ mensen gaat, vanuit een kritisch perspectief toch veel kunt halen. Wij willen een plek zijn waar dat gebeurt, maar wel in openheid. Niet: je mag er alleen op deze manier naar kijken.” Bij problematische termen denkt hij aan een waarschuwing vooraf, zonder bezoekers in een keurslijf te dwingen.

Historische termen als ‘zwakzinnig’ of ‘invalide’ werden destijds gewoon gebruikt. Hoe ga je daar als historicus mee om?

“Sommige historici zeggen: die term werd toen gebruikt, dus die kun je zomaar overnemen. Ik ga daar grotendeels in mee, zeker als je het nauwkeurig historiseert en laat zien waar het vandaan komt. Tegelijkertijd kan het pijnlijk zijn als je een verhaal staat te houden waarin je zo’n woord constant en zonder context gebruikt; dan reproduceer je iets. En vergis je niet: de term ‘invalide’ is nog helemaal niet weg. Ik wil niet met het vingertje wijzen, maar er valt qua bewustwording nog veel winst te behalen. Zowel bij de zogenaamde ‘taalpolitie’ als bij mensen die denken dat ze, omdat ze historicus zijn, al die woorden maar eindeloos kunnen herhalen.”

Jan Troost op bezoek bij toenmalig minister-president Rutte. Bron: Troostoverleven.nl.

Willen jullie met het archief ook een gemeenschap vormen?

“Dat gebeurt voor een deel vanzelf, doordat je projecten doet waar mensen op afkomen. Maar je wil vooral dwarsverbanden leggen. Zo is het Kreukelcollectief zelf ook begonnen, doordat iemand als Jan Troost verschillende mensen en initiatieven bij elkaar bracht. Dat willen wij blijven doen, en daarbij open blijven voor groepen die we nog niet in beeld hebben, migranten met een handicap bijvoorbeeld.” Het archief werkt nadrukkelijk multimediaal – met bijvoorbeeld oral history, foto’s, video’s en tekstbeschrijvingen bij beeld. “Want handicap is een containerbegrip: er vallen heel verschillende beperkingen onder dat ene woord.”

Kan een lezer die een interessant verhaal of voorwerp voor het archief heeft bij jullie terecht?

“Zeker. We staan aan het begin van het opbouwen van de infrastructuur, en daarin komen ook mogelijkheden om dit soort dingen aan te bieden.” Soms verwijst het collectief door. “Het archief van Ieder(in) zou aanvankelijk naar het Nationaal Archief gaan, omdat dat binnen hun collectiebeheer paste. Nu dat archief bij de brand merendeels verloren is gegaan, houden wij de stukken die er nog zijn waarschijnlijk zelf. Maar doorverwijzen zal vaker gebeuren: dat mensen bij hun lokale archief terechtkunnen, en dat wij vanuit onze digitale infrastructuur een link leggen om te laten zien wat voor geweldig materiaal daar ligt. We zijn graag de verbindende factor.”

Daarmee is het Kreukel Archief eerder een beginpunt dan een sluitstuk. Het verzamelt niet alleen wat er nog ligt, maar reikt ook een blik aan waarmee bestaande collecties opnieuw gelezen kunnen worden; óók waar het gaat om mensen met een beperking in de oorlogsjaren.

Meer informatie over het Kreukel Archief: kreukelarchief.nl.

Over de auteur

Andries Hiskes. Fotograaf: Jos Kuklewski. 

Andries Hiskes is literatuur- en cultuurwetenschapper en als universitair docent verbonden aan de vakgroep Zorgethiek aan de Universiteit voor Humanistiek. Zijn onderzoek richt zich op de manier waarop literatuur, film en andere kunstuitingen vormgeven hoe naar gehandicapte lichamen wordt gekeken. Hij promoveerde in 2024 aan de Universiteit Leiden en ontving in 2025 de prijs voor het beste proefschrift van de Onderzoeksschool Literatuurwetenschap (OSL). Momenteel werkt hij met een NWO Veni-beurs aan onderzoek naar de wijze waarop kunst rondom handicap het politieke debat over handicap hervormt.


Foto bovenaan artikel

Een vrouw in een rolstoel zamelt handtekeningen in om te protesteren tegen de slechte toegankelijkheid van station Amsterdam Centraal, 1983. Bron: Nationaal Archief / Rob Croes / Anefo.