Lichamelijke en geestelijke diversiteit: een geschiedenis die niet in één mal past

Bij het thema

door Pepijn de Koning – 21 september 2026

Mensen met een beperking, een handicap, een psychiatrische aandoening, mensen die doof, blind of verstandelijk beperkt zijn: hoe ervoeren zij de oorlog? Deze vraag wordt in Nederland steeds vaker gesteld, in het kielzog van meer aandacht voor lichamelijke en geestelijke diversiteit. Daarbij wordt het vizier zowel gericht op de moord op psychiatrische patiënten en mensen met een handicap1 in nazi-Duitsland – bekend als Aktion T4 –, als op de bredere situatie hier in bezet Nederland. Voorlopig hoogtepunt van de groeiende belangstelling was wellicht wel de keuze voor de Jostiband als Ambassadeurs van de Vrijheid in 2026.

De Jostiband, het grootste orkest ter wereld van mensen met een beperking, bezocht als onderdeel van hun ambassadeurschap het Oostenrijkse Schloss Hartheim. Hier werden tijdens de Tweede Wereldoorlog als onderdeel van Aktion T4 bijna 18.000 mensen met een beperking vermoord. De Jostiband legde voortdurend een link met het heden en benadrukte dat vrijheid voor mensen met een handicap nog altijd niet vanzelfsprekend is. En dat is het zeker niet: tien jaar na de invoering van het VN-verdrag Handicap ervaren mensen met een beperking in Nederland nog altijd belemmeringen op het gebied van werk, zorg, onderwijs en sociale participatie.2

Het is pas recent dat mensen met een handicap een actieve rol spelen in onze herinneringscultuur. Bij herdenkingen, in musea en monumenten was dat tot voor kort zelden het geval. Uit de soms ronduit kwetsende en haatdragende commentaren die onder posts over de Jostiband werden geplaatst, blijkt ook hoe weinig vanzelfsprekend die actieve positie nog is. Het toont dat mensen met een beperking nog te vaak niet gezien worden als serieuze en volwaardige deelnemers aan onze herinneringscultuur.

Dit themanummer laat daarom niet alleen zien hoe mensen met een beperking werden vervolgd, uitgesloten of geconfronteerd met geweld tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het onderzoekt ook hoe zij vervolgens met tal van inspanningen (mede-)zeggenschap moeten bevechten over de manier waarop we ons deze geschiedenissen herinneren.

Vervolgingsmal

Een belangrijke impuls voor de recente aandacht voor de positie van mensen met een beperking of een psychiatrische aandoening in de Tweede Wereldoorlog komt vanuit het wetenschappelijk onderzoek. Zo onderzochten NIOD-historici Eveline Buchheim en Ralf Futselaar in hoeverre tijdens de oorlog sprake was van actieve verwaarlozing of moord op psychiatrische patiënten in Nederland. Hun conclusie was dat het sterftecijfer in instellingen weliswaar fors steeg, maar dat aanwijzingen voor een systematische aanpak en moord zoals in nazi-Duitsland ontbreken. Het verhoogde sterftecijfer zou vooral het gevolg zijn van algemene oorlogsomstandigheden – schaarste, evacuaties, vergrijzing van de patiëntenpopulatie, de verslechterde gezondheid van opgenomen patiënten. Het NIOD-onderzoek vormde aanleiding tot de tentoonstelling Who cares? in het Museum van de Geest. Curator van die tentoonstelling, Tom Theeuwen, geeft in dit nummer een historisch overzicht van het onderzoek naar de Nederlandse psychiatrie in oorlogstijd.

Het onderzoek van Buchheim en Futselaar toont dat de geschiedenis van Nederlandse psychiatrische patiënten in oorlogstijd zich niet één op één laat passen in de vervolgingsmal die sinds grofweg de jaren tachtig de Nederlandse herinneringscultuur met betrekking tot de Tweede Wereldoorlog is gaan domineren. Het roept de vraag op of een verhaal over vervolging de enige manier is om een emancipatoir verhaal te vertellen dat in dienst staat van het heden. Kunnen verhalen over angst, oorlogsgeweld én hoop en zorgzaamheid niet evengoed zo’n functie vervullen?

Een wezenlijke kanttekening is hier wel op zijn plaats: Joodse mensen met een beperking werden tijdens de bezetting wel degelijk actief vervolgd, vanwege hun Joods-zijn. Toch bleven ook hun verhalen lange tijd onderbelicht. Corrie Tijsseling belicht in haar artikel de Joodse dovengemeenschap tijdens de Tweede Wereldoorlog en de dubbele marginalisering waarmee Joodse doven tijdens de bezetting te maken kregen.

Weinig te herdenken?

Andries Hiskes stelt in zijn gesprek met onderzoeker Paul van Trigt, over de oprichting van het Kreukel Archief, de vraag wat dit complexe beeld nu betekent voor de Nederlandse herinneringscultuur: “Betekent het ontbreken van een daadwerkelijk moordprogramma dat er voor Nederland weinig te herdenken valt?” Integendeel, stelt Van Trigt, er valt juist nog veel in herinnering te brengen. Niet alleen over handicap in relatie tot de Tweede Wereldoorlog, maar ook ten aanzien van de bredere Nederlandse geschiedenis van mensen met een beperking. En dat is precies de taak die het Kreukel Archief op zich wil nemen, als erfgoedcentrum waar de cultuur en de geschiedenis van handicap bewaard en gedeeld zal worden.

Schrijver en historicus Anaïs Van Ertvelde beaamt in haar column hoe weinig we nog weten over de geschiedenis van handicap ten tijde van de Tweede Wereldoorlog. Niet alleen weten we nauwelijks hoe mensen met een beperking de Tweede Wereldoorlog hebben beleefd, maar ook hebben we maar weinig zicht op de complexe rol die handicap en eugenetische denkbeelden in die oorlog speelden.

Vraagstuk van vertelautoriteit

In Duitsland was de situatie anders dan in Nederland: daar was sprake van systematische vervolging van mensen met een handicap. Toch geldt ook in Duitsland dat de publieke herinnering aan Aktion T4 en de bredere nazistische ‘euthanasie’ – lees: moord op mensen met een beperking – zich maar moeizaam ontwikkelde. Pas anderhalf jaar geleden, op 29 januari 2025, nam de Duitse Bondsdag een motie aan waarin ook deze slachtoffers officieel werden erkend als slachtoffers van vervolging door het naziregime.

Die moeizame herinnering heeft niet alleen te maken met de langdurige maatschappelijke en juridische uitsluiting van de slachtoffers, maar ook met een fundamenteel probleem van representatie: wie kan getuigen van deze geschiedenis wanneer er nauwelijks overlevenden zijn? Herinneringswetenschapper Susanne Knittel laat aan de hand van monumenten, literatuur en film zien hoe dit gebrek aan getuigenis de naoorlogse Duitse herinneringscultuur heeft gevormd.

Ook letterkundige Johan Sonnenschein analyseert de verbeelding van de nazistische ‘euthanasie’-moorden, maar dan aan de hand van Nederlandstalige literatuur. Hij onderzoekt kritisch hoe personages met een beperking daarin worden gerepresenteerd. Zijn bijdrage en die van Knittel maken duidelijk dat het gebrek aan getuigenissen niet alleen een bronnenprobleem is, maar ook een vraagstuk van vertelautoriteit en representatie. Wie spreekt namens wie, vanuit welk perspectief en met welke gevolgen? En wie is eigenlijk het publiek van deze herinnering?

Het werk is nog bepaald niet gedaan

Deze vragen over inclusieve representatie klinken ook door in de museale wereld. Disability historian Eline Pollaert sprak hierover met curatoren van het Vrijheidsmuseum en het Verzetsmuseum. Pollaert beschrijft hoe musea nog vaak vervallen in de ‘toegankelijkheidsreflex’: voorzieningen treffen zodat mensen met een beperking een museum kunnen bezoeken en daarmee denken dat het werk gedaan is. Het Vrijheidsmuseum en het Verzetsmuseum zetten echter stappen naar een meer handicap-inclusief perspectief in hun collecties en tentoonstellingen.

Naast deze vragen over representatie behandelen meerdere bijdragen ook de doorwerking van Aktion T4 en de bredere geschiedenis van eugenetica. De denkbeelden die destijds leidden tot vervolging en moord klinken door in hedendaagse discussies over bijvoorbeeld prenatale screening en genetische manipulatie. De bijdragen in dit themanummer onderstrepen dan ook dat het verleden geen afgesloten geschiedenis is. De geschiedenis van lichamelijke en geestelijke diversiteit in relatie tot de Tweede Wereldoorlog roept onherroepelijk ook vragen op over de samenleving waarin wij vandaag leven.

Over de auteur

Pepijn de Koning

Pepijn de Koning volgde de onderzoeksmaster Nederlandse Literatuur en Cultuur aan de Universiteit Utrecht en is redacteur voor WO2 Onderzoek uitgelicht. Hij werkt als onderzoeker en educatie medewerker bij het Nationaal Comité 4 en 5 mei.


Noten

1 In dit themanummer worden verschillende termen gebruikt om te verwijzen naar lichamelijke en geestelijke diversiteit. ‘Handicap’, ‘disability’ en ‘beperking’ bestaan naast elkaar in het huidige Nederlandse taalgebruik, afhankelijk van persoonlijke voorkeuren. Dit geldt ook voor de discussie onder mensen met een beperking over identity first language (‘gehandicapte mensen’) versus person first language (‘mensen met een handicap’). Omdat ook hierover geen consensus bestaat, gebruiken we in dit themanummer deze verschillende termen door elkaar.

2 Zo blijkt uit een onderzoek van het College voor de Rechten van de Mens onder ruim 1.800 Nederlanders met een beperking, zie https://mensenrechten.maglr.com/10-jaar-vn-verdrag-handicap/10-jaar-vn-verdrag-handicap.


Foto bovenaan artikel

Britse vrachtwagens met personeel en patiënten van St. Anna in Venray op weg naar Eindhoven. Zij werden geëvacueerd vanwege de gevechtshandelingen. Bron: Beeldbank WO2 / NIOD.