Grafeneck, een van de ‘euthanasiecentra’ waar in nazi-Duitsland duizenden mensen met een beperking of psychische stoornis op systematische wijze werden vermoord, herbergt vandaag de dag een zorginstelling. Neerlandicus Johan Sonnenschein voelde er de ongerijmdheid tussen heden en verleden aan den lijve. Het zette hem ertoe aan zijn onderzoek naar de verbeelding van handicap in de Nederlandstalige literatuur opnieuw te doordenken.
Grafeneck 2026
Nur ein kleiner Teil der Täter wird nach dem Krieg vor Gericht gestellt und bestraft. Die meisten kehren in die Gesellschaft zurück, aus der sie gekommen sind.1 Murwgebeukt door de feiten, liep ik het documentatiecentrum uit, de brandende middagzon in. Halverwege de laan richting Denkmal passeerde ik een van Grafenecks bewoners, die zijn stoel had geplant in de schaduw van een plataan. In Zuid-Duits wees hij me verder omhoog, het kon niet missen, waarop ik hem terugvroeg of hij een jongetje had gezien, acht jaar oud. Nein. Bij de koeien? Op het kerkhof? Daar vond ik hem niet, en voelde gemis op het akkertje ernaast, waar kunstenaar Diane Samuels in 1995 26 betonnen blokletters tussen het gras heeft gestrooid. Mijn langzaam alfabetiserende zoon in gedachten, sprong ik van A tot Z, eindigend bij een forse kei met inscriptie: nimm meine Buchstaben und forme daraus Gebete.2 In een flits transformeerde Denkmal in Mahnmal3, en mijn murwheid in ontroering. Nie wieder – bitte! Als dit hier weer gebeurt, gaat ook mijn familietje eraan.
Sinds ik de – gelukkige! – ouder ben van een kind met een Behinderung, onderzoek ik de verbeelding van handicap en neurodivergentie. Wat leert literatuur ons over de omgang met fysieke en mentale diversiteit in tijden van perfectiedrang en oplevend fascisme? Wanneer we, weer wat verder ontmenselijkt, de robot zullen kunnen voeren met het verzoek om een overzicht van de verwerking van ‘Aktion T4’ per taalgebied, zal er wellicht een completer beeld ontstaan dan ik in deze bijdrage geef. Zolang ik het doe met mijn intrinsiek beperkte mensenkennis, deel ik mijn verkenning van de Nederlandstalige romankunst waarin de huidige positie van handicap diepte krijgt doordat ze – al is het vaak maar in een flits – verbinding aangaat met de periode dat je erom werd vernietigd.

Omslag van Anna Enquists Het geheim (1997). Bron: De Arbeiderspers.
Geheim gehouden
De forse aandachtstoename in het afgelopen decennium toont aan hoe lang deze gewelddadige geschiedenis in de marge is gebleven. Pas zo’n 75 jaar na dato lijkt de Europese herinneringscultuur eraan toe om de uiterste consequenties onder ogen te komen van een ideologie die we tegenwoordig ‘validisme’ of ableism noemen: discriminatie (en erger) op basis van handicap. De recente doorbraak van die term dankzij disability-activisme – baanbrekend geboekstaafd in Anaïs Van Ertveldes Handicap: Een bevrijding uit 2024 – maakt het mogelijk om het verleden opnieuw te lezen langs lijnen van eugenetisch geweld.
Hoe traag en moeizaam deze bewustwording gaat, toont mijn oudste vindplaats: Anna Enquists bestseller Het geheim (1997). Het is een schoolvoorbeeld van de wijze waarop handicap fungeert als ‘narratieve prothese’, zoals disability studies dat noemt: zetstuk binnen een plot dat diepgang moet geven aan een protagonist zonder beperking. Enquists hoofdpersoon Wanda Wierecke heeft een broer, Frank, in 1940 geboren met het syndroom van Down. Omwille van Hitler, zo krijgt Wanda uitgelegd door een Joodse buurman (die later haar verwekker blijkt), groeit Frank thuis op. Als hij na de oorlog alsnog uit huis wordt geplaatst, ontwikkelt Frank zich tot privégeheim van Wanda, die zelf uitgroeit tot beroemd pianist. Tijdens een eenmalig bezoek aan zijn zorginstelling bespeelt Wanda de vleugel, waarop Frank haar feilloos herkent en zijn enige woord uit het boek herhaalt: “Mbwaah, mbwááh!!”4 Eerder in het boek stond namelijk al uitgelegd: “‘Bwaah,’ zegt Frank. Dat betekent: Wanda.”5 Al wat Frank uitbrengt, bevestigt kortom Wanda’s bestaan – niet andersom. Wederkerigheid ontbreekt.

Omslag van Miriam Guensbergs Saternacht (2001). Bron: L.J. Veen.
Stem geven
Geheime familietragiek rond handicap bepaalt ook Miriam Guensbergs minder bekende roman Saternacht uit 2001. Sterker dan Enquist is haar inzet het verzwegene naar het licht te brengen – ter sprake, ter tale. De Joodse verteller Nidia Roszbach rouwt om haar “verbaal gehandicapte” (aldus de flaptekst) zoon Samme, op 30-jarige leeftijd verdronken in een Pools meer. Op zijn derde werd hij uithuisgeplaatst, maar mee op reis wreekt zich hun familiegeschiedenis. In 1939 hielden haar grootouders een zoon met een beperking verborgen, maar werden verraden. Bij hun poging deportatie te voorkomen schoot de dienstdoende nazi hen dood, in bijzijn van Nidia’s vader, die wist te ontkomen. Onthulling van dit trauma zet Nidia aan haar eigen rouw te verdiepen en verbreden tot het lot van alle vermoorde gehandicapten: “Ze hebben geen stem. Kon ik maar opnieuw geschiedenis schrijven, een coup plegen: donker licht maken, helder, onverbiddelijk licht, en hun stem verbeelden door te vechten in het nu van toen.”6
Nidia’s historiografische klaagzang krijgt binnen Guensbergs roman gehoor middels het montere bijpersonage Roosje Delacroix. Deze huisgenoot en hartsvriendin van de letterlijk stemloos gebleven Samme heeft naast het syndroom van Down veel dichterlijk talent. De roman bundelt 9 van haar gedichten, maar de poëzie stokt wanneer ze ontdekt dat eugenetisch geweld niet enkel iets is van toen:
“Ik wil nooit meer gedichten maken.”
“Waarom niet? Je gedichten zijn zo mooi.”
“Ze willen mongolen doodmaken.”
“Hoe kom je daar nou bij?”
“Ik was bij de dokter voor keelpijn.”
“Ja?”
“‘Het stond in de krant,’ zeiden ze in de wachtkamer, je kan aan bloed zien als er een mongool in je buik zit, dan halen ze je uit de buik en maken ze je dood. Het is maar goed dat ik een dode moeder heb, dan kon ze mij tenminste niet doodmaken. Het is niet eerlijk. Ik ruim altijd rommel op. En ik kan lezen en schrijven en zelfstandig wonen.”7
Door Roosje hier te laten zinspelen op Adorno’s beroemde stelling (Nach Auschwitz ein Gedicht zu schreiben ist barbarisch), suggereert Guensberg continuïteit tussen genocidaal geweld toen en prenatale screening op basis van genetica nu. Deze verbinding raakt aan een diepgevoeld ongemak dat in onze eeuw onderwerp is van publiek debat, wetenschap en literatuur.

Omslagen van Uwe Timms Ikarien (2017), Barbara Zoekes Die Stunde der Spezialisten (2017) en Nelleke Posthumus Meyjes’ Postuum: De minnares van Ehrenfest (2021). Bronnen: Fordham University Press, Cossee, Aspekt.
Plaatsvervangend getuigen
In haar revelerende studie The Historical Uncanny: Disability, Ethnicity, and the Politics of Holocaust Memory (2015) schrijft Susanne Knittel: “Prenatal screening and genetic testing continues to reinforce the underlying assumption that a life with disability is inherently less ‘worth living’ than a ‘normal’ one.”8 Het ongemakkelijke aan gedenkplaatsen als Grafeneck, waar plechtige herinnering wordt doorkruisd door de vitale bewoners, noemt Knittel het besef dat de validistische denkbeelden van toen allerminst uit ons denken zijn verdwenen. Pas als we toen verbinden aan het nu, kan de unheimliche actualiteit van dit geweld verschijnen. Willen we het nu anders doen, dan vergt dat inleving in zowel slachtoffers als daders.
Stellig ligt daar de verklaring voor het prominente optreden van personages met downsyndroom in romans over ‘Aktion T4’. Geïnterviewd door NRC over de vertaling van Ikarien (2017) merkte de Duitse succesauteur Uwe Timm op: “In Duitsland zie je nauwelijks nog kinderen met het Down-syndroom. Alsof die uitgeroeid zijn. Terwijl het een bijzondere vorm van mens zijn is: ze zijn geestig en vrolijk. In Icarië voer ik mijn jeugdvriendje Kareltje op.” Timms grondige roman over utopisme en eugentica opent met een proloog tijdens Stunde Null waarin dat jeugdvriendje na 12 jaar onderduiken aan het licht treedt:
Hij leeft.
Ik ben getuige.
Hij leeft nog.9
Van een geschiedenis die nauwelijks overlevenden kent, is getuigenis de taak van plaatsvervangers. Vicarious witnessing noemt Knittel dit, ook omdat wie wél overleefde lang niet altijd in staat is tot getuigen. Hoewel dit wringt met het motto van het disability-activisme – nothing about us without us – breekt nood hier wetten. De stilte moet immers doorbroken, zoals Timm op pagina 11 optekent, in poëzie haast:
De verschrikking, het onuitsprekelijke.
Het moet ter sprake komen.
Omdat geschiedenis altijd wordt geschreven vanuit het heden, eist ‘Aktion T4’-literatuur aandacht voor wie vertelmacht ontbeert. Dit onrecht bestrijden via fictie kan frontaal, zoals Barbara Zoeke in Die Stunde der Spezialisten (2017) doordringt tot in de gaskamer vanuit zowel slachtoffer- als daderperspectief (met opnieuw een belangrijk bijpersonage met downsyndroom). Of omzichtiger, zoals Nelleke Posthumus Meyjes in Postuum: De minnares van Ehrenfest (2021). Hierin reconstrueert zij de waargebeurde wanhoopsdaad van fysicus Paul Ehrenfest, die in zijn depressie de dreiging van het nazisme internaliseerde door eerst zijn 15-jarige zoon met downsyndroom dood te schieten en daarna zichzelf: “Ik zal hen vrij maken. Jou verlossen uit je dierlijk bestaan in deze barre tijden. En het domme Europa verlossen van de last de Joden en de gekken te verdragen. Twee Joodse gekken minder.”10 Emancipatoir aan deze beide romans is dat het vertelperspectief in toenemende mate toevalt aan daders én personages met een beperking zelf. De auteurs zijn plaatsvervangende getuigen, maar laten hun personages spreken vanuit geleefde ervaring. Of dit waagstuk slaagt, is uiteraard aan de lezer – waarbij ervaringsdeskundigheid de lectuur zal verdiepen.

Omslag van Nirwana (2023) van Tommy Wieringa. Bron: De Bezige Bij.
Inclusie met behoud van validisme
De roman waarbij ik tot slot wat langer stilsta, balt de problemen samen waarvoor verwerking van deze geschiedenis ons blijft plaatsen. In Nirwana (2023) zet Tommy Wieringa een verhaal op touw rond drie generaties petrokapitalisten in fascistisch vaarwater. Hoofdpersoon Hugo Adema, gevierd kunstenaar in een impasse, legt de hand op de dagboeken van zijn grootvader, die als SS-er oorlogsmisdaden beging in Oekraïne – onbestraft. Deze vondst verwerkt hij tot een serie schilderijen die afrekenen met dit geheim. Hugo’s glorieuze comeback wordt geplaveid door enkele vrouwelijke bijpersonages, van wie de centrale een inmiddels vertrouwde verschijning is – om niet te zeggen een cliché. Uit de coulissen duikt namelijk een verstandelijk gehandicapte tante op, al jong ondergebracht in een zorginstelling nabij de familievilla. Deze Geertje wordt door Hugo triomfantelijk omarmd als munitie contra zijn mannenlijn. Als zodanig fungeert Geertje als perfecte prothese binnen het succesnarratief van de bijzonder able-bodied protagonist.
Ware het niet dat Hugo zijn tante ook letterlijk omarmt. Dwars tegen zijn overerfde afkeer in – door Wieringa dik in de verf gezet – bouwt hij vertrouwdheid met haar op: “Al na een paar bezoeken was het niet meer of hij naar een specimen van een vreemde, aangstaanjagende ondersoort keek, en leerde hij haar te zien voor wie ze was.”11 De dehumaniserende taal krijgt in deze roman ruim baan, maar ook tegenwicht.
Enerzijds fungeert Geertje als wat Knittel de disabled enabler noemt: het gehandicapte bijpersonage dat door quasi-magische karaktereigenschappen de neurotypische hoofdpersoon een beter mens helpt worden. Dit gebeurt als een bezoek aan Geertje Hugo tot nieuw werk brengt: de “Goya-achtige schetsen” die hij in haar bijzijn maakt, blijken de opmaat tot zijn chef d’oeuvre. Met de opheffing van Hugo’s artistieke impasse, heeft Geertje haar functie vervuld voor zijn plot.
Anderzijds – en daarin honoreert Wieringa de emancipatoire tijden waarin we ook leven – dankt hij zijn disabled enabler vanaf dat moment niet af, maar laat zijn protagonist haar blijven bezoeken, tot de slotpagina’s aan toe. Er is relatie ontstaan, wederkerig, die op dieper niveau zelfs de troebelste familieband herstelt. Toen Hugo haar voor het eerst bezocht, begroette Geertje hem namelijk met “bah-bah” – wat haar verzorger vertaalde als “papa”.12 Zijn tante herkende Hugo dus als haar vader, zijn foute opa. De blik vanuit Geertje, die onontkoombaar nazistisch doelwit zou zijn geweest, doet Hugo samenvallen met de racistische SS-er, het archetype dader waartegen hij zich zo verzet. Pas als hij zich identificeert met zowel slachtoffer als dader, kortom, komt hij toe aan verwerking van zijn geschiedenis – in een kunstwerk dat het trauma toont in alle complexiteit.

Omslag van Erik Thys’ Psychogenocide (2015). Bron: EPO.
‘Ze was kortom een individu’
Crux van deze dikke roman is zo bezien de unheimliche ontmoeting met een lang gemarginaliseerde naaste. Door de validistische blik op dat moment niet af te wenden, opent zich een uitwisseling tussen dader en slachtoffer, die nieuwe paden opent. Behalve creatief elan en familiale intimiteit, maakt het contact tussen Hugo en Geertje zelfs inleving mogelijk in de ijselijke grootvader: “‘Ik leg zijn leven onder een vergrootglas maar ik heb geloof ik maar één daad van medemenselijkheid gevonden: zijn bezoeken aan zijn geestelijk gehandicapte dochter[’].”13
In zijn indrukwekkende studie Psychogenocide: Psychiatrie, kunst en massamoord onder de nazi’s (2015) concludeerde de Belgische psychiater Erik Thys nuchter: “Direct contact geldt gebruikelijk als het beste wapen tegen om het even welke vorm van stigmatisering.”14 In zijn even geöliede als ongemakkelijke, naar ik vrees typisch Nederlandse combinatie van botheid en plechtigheid concludeert Wieringa au fond vergelijkbaar: “Ze was kortom een individu, op haar eigen beperkte wijze.”15
Want tja… wie is dat niet? Een cultuur waarin sterauteurs deze basale inzichten blijven serveren als belangwekkende ontdekkingen, laat vooral zien van hoe ver we moeten komen – en hoe ver we nog hebben te gaan. De lange strijd voor erkenning van mensen met een beperking als radicaal gelijkwaardig zal niet slagen zonder de wederkerige erkenning dat wie streeft naar heldhaftig individualisme zijn eigen beperkingen ontkent – met alle gevaren vandien.
Slot Grafeneck
De elementen van dit essay spookten deze zomer door mijn hoofd, maar kristalliseerden zich die middag in Grafeneck. De beukende feiten van de geschiedenis, de roerende letters van de Alphabet Garden, het plots scherpe gemis van mijn kind – want waar was hij? Onrustig liep ik toen terug door het nu. Langs de ongeruste stoelzitter, die zei nog altijd niemand gezien te hebben. Een nieuw gesprekje kapte ik bruusk af en ik snelde de laan af richting slot.
En vanzelfsprekend: daar kwam hij, aan de hand van zijn moeder, kalm een paviljoen uitlopen. Het voorbije uur hadden ze thee gedronken met bewoners en verzorgers. Terwijl ik verdween in de geschiedenis, was hij eenvoudigweg naar binnen geglipt. Na het eerste ongemak was er een mooie ontmoeting ontstaan. Ze hadden samen getekend.
“Elke dag komen hier honderden mensen kijken,” had een begeleider gezegd, vertelde mijn vrouw terwijl ik mijn zoon optilde – “maar wij krijgen vrijwel nooit bezoek.”
Over de auteur

Johan Sonnenschein
Johan Sonnenschein werkt bij de vakgroep Moderne Nederlandse Letterkunde aan de Universiteit Utrecht, waar hij onderzoek doet naar en onderwijs geeft over de raakvlakken tussen literatuur, kunst, handicap en politiek.
Literatuur
- ‘Im Halb-Dunkel. Die Auslöschung‘. In: TOUCHDOWN: Die Geschichte des Down-Syndroms. Bonn, Bundeskusthalle, 2016, p. 164-189.
- Anna Enquist, Het geheim. Amsterdam, De Arbeiderspers, 1997.
- Miriam Guensberg, Saternacht. Amsterdam, L.J. Veen, 2001.
- Susanne C. Knittel, The Historical Uncanny: Disability, Ethnicity, and the Politics of Holocaust Memory. New York, Fordham University Press, 2015.
- Michiel Krielaars interviewt Uwe Timm, ‘Waarom deden onze vader mee met de Nazi’s?’. NRC 22-02-2019.
- Hans Kröber & Xavier Moonen, De NIPT en het syndroom van Down: Over dilemma’s rond prenataal onderzoek. Hillegom, SAAM Uitgeverij, 2022.
- Hans Kröber & Prof. dr. Xavier Moonen, Artsen die moorden: De geplande massamoord op mensen met een psychische stoornis of handicap door nazi-Duitsland. Soesterberg, Aspekt, 2025.
- David T. Mitchell & Sharon L. Snyder, Narrative Prosthesis: Disability and the Dependencies of Discourse. The University of Michigan Press, 2000.
- Nelleke Posthumus Meyjes, Postuum: De minnares van Ehrenfest. Soesterberg, Aspekt, 2021.
- Erik Thys, Psychogenocide: Psychiatrie, kunst en massamoord onder de nazi’s. Berchem, EPO, 2015.
- Uwe Timm, Icarië. Vertaling: Gerrit Bussink. Amsterdam, Podium, 2018.
- Anaïs Van Ertvelde, Handicap: Een bevrijding. Amsterdam, De Bezige Bij, 2024.
- Tommy Wieringa, Amsterdam, De Bezige Bij, 2023.
- Barbara Zoeke, Het uur van de specialisten. Vertaling: Anne Folkertsma. Amsterdam, Cossee, 2019.
Noten
1 “Slechts een klein deel van de daders wordt na de oorlog voor het gerecht gebracht en gestraft. De meesten keren terug naar de maatschappij waaruit ze zijn voortgekomen.”
2 “Neem deze letters en vorm er gebeden mee.”
3 Duitse term voor ‘waarschuwend of vermanend monument’.
4 Enquist, Het geheim, 1997, p. 128.
5 Idem, p. 54.
6 Guensberg, Saternacht, 2001, p. 108.
7 Idem, p. 125.
8 Knittel, The Historical Uncanny: Disability, Ethnicity, and the Politics of Holocaust Memory, 2015, p. 22.
9 Timm, Icarië, 2018, p. 9.
10 Posthumus Meyjes, Postuum: De minnares van Ehrenfest, 2021, p. 76.
11 Wieringa, Nirwana, 2023, p. 251.
12 Idem, p. 217.
13 Idem, p. 340-341.
14 Thys, Psychogenocide: Psychiatrie, kunst en massamoord onder de nazi’s, 2015, p. 306.
15 Wieringa, Nirwana, 2023, p. 353.
Foto bovenaan artikel
Slot Grafeneck. Bron: Wikimedia Commons.