Hij houdt zijn kopje koffie nonchalant vast, maar zijn stem verraadt een zekere urgentie. “Zouden ze me naar een kamp gestuurd hebben?” We zijn ondanks het frisse weer op het terrasje gaan zitten. Binnen in het café staan alleen trendy hoge barkrukken en daar geraakt deze kennis van mij met zijn korte gestalte net niet op. “Jij bent toch historica?”, dringt hij aan. “Zou jij dat niet moeten weten?” Helaas moet ik hem een antwoord schuldig blijven. Waar Nederland de laatste jaren een voorzichtige inhaalbeweging heeft gemaakt rond het onderzoek naar en gedenken van de vergeten slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog – zoals mensen met een fysieke, sensorische en verstandelijke beperking, vooral Joods – bestaat er in België zo goed als niets over dit onderwerp. “Wat ik niet snap, is hoe de Duitsers Oostfrontstrijders zonder benen medailles opspelden,” onderbreekt hij mijn gedachtegang, “en tegelijkertijd gehandicapten vergasten.”
Ik sla het dekentje dat op mijn stoel ligt rond mijn schouders en leg uit dat hem vermoedelijk niets zou zijn overkomen. Niet als hij in een Belgische stad als deze woonde, buiten een instelling verbleef en geen Joodse ouders had. Maar het volstaat niet, mijn beperkte, grotendeels op gissingen gestoelde bijdrage. Mensen met een beperking willen niet alleen méér weten over hoe mensen zoals zij de oorlog beleefd hebben. Ze willen begrijpen welke complexe rol handicap in die oorlog speelde.
Tentoongesteld en vermoord
Om de leegte tussen ons op te vullen, vertel ik mijn metgezel dan maar over iemand over wie ik wel met enige zekerheid iets weet: Alexander Katan. De Joods-Nederlandse leraar die vanwege zijn afkomst naar Mauthausen werd gedeporteerd en omwille van zijn kleine lengte en gehandicapte benen werd afgezonderd en tentoongesteld, en vermoord met een injectie in het hart, om na zijn dood door kamparts Karl-Joseph Gross tot skelet en onderzoeksobject gereduceerd te worden.
Mijn tafelgenoot luistert nauwelijks nog naar mijn relaas, gebiologeerd als hij is door zijn beeldscherm. Hij scrollt langs oude foto’s van Katan in zijn fietsrolstoel, op zoek naar de onvindbaar geworden documentaire die ooit gemaakt werd over Katan en zijn vrouw Julia, met medewerking van hun zoon die de oorlog wel overleefde. Julia was ook Joods, ook gehandicapt, ook vermoord in een concentratiekamp, maar veel minder gekend.
Ik denk aan de commandant die Alexander in Mauthausen onder zijn rechterarm gekneld de binnenplaats overdroeg en op een verhoog neer liet ploffen om hem tentoon te stellen aan groepjes bezoekers: SS’ers of artsen of allebei. Aan hoe diezelfde commandant uit een aanpalende barak een andere gevangene liet aanrukken: een reus van een kerel met handen als kolenscheppen en benen die er, ondanks de maanden van ontberingen in het kamp, nog steeds gespierd uitzagen. Een Duitser. Nee, een Ariër. “Kijk,” zegt de commandant, “vergelijk ze maar. Zie hier de belichaming van de degeneratie van het joodse ras.”
Het komt me voor dat er iets fundamenteels gebeurde, daar, in dat moment waarop beide gevangenen – Jood en Ariër, zichtbaar gehandicapte en voorlopig nog valide mens – op een ongelijk podium naast elkaar geplaatst werden. Al krijg ik mijn metgezel niet helemaal goed uitgelegd wat precies.

Omslag van Defectives in the Land: Disability and immigration in the age of eugenics (2016). Bron: The University of Chicago Press.
Handicap als analytisch gereedschap
Pas later, wanneer ik het werk van de Amerikaanse historicus Douglas C. Baynton lees, vallen de puzzelstukken op hun plaats. In Defectives in the Land: Disability and immigration in the age of eugenics schrijft Baynton over een op het eerste zicht heel andere casus: de Amerikaanse immigratiegeschiedenis van de late 19e en vroege 20e eeuw. Maar ook hier zijn eugenetica, rassendenken en de angst voor degeneratie net als tijdens de Tweede Wereldoorlog een rode draad. Bepalen wie er wel tot de staat, tot het volk mocht behoren en wie ongewenst was: het was een centrale kwestie voor zowel de poortwachters van de Amerikaanse immigratiedienst als de Duitse architecten van de uitroeiingscampagnes. Handicap en ras zijn hierbij volgens Baynton als categorieën onvermijdelijk met elkaar vervlochten. Meer zelfs: handicap is volgens hem fundamenteel om de werking van de eugenetische ideologie en de rassenleer te doorgronden. Want ieder argument van raciale minderwaardigheid is altijd een argument gebaseerd op de definitie van handicap: een (zogenaamd) verminderd functioneren ten opzichte van een van bovenaf opgelegde norm, of die nu fysiek, intellectueel of zelfs moreel is.
In het onderzoek naar en de herdenking van de Tweede Wereldoorlog is er echter tot op heden nog nauwelijks zicht op de ‘logica’ achter de toenmalige classificaties van handicap.
Het is een uitermate belangrijke stap geweest om mensen met een handicap vaker bij onderzoek te betrekken, hun ervaringen te bestuderen en onderdeel te maken van ons collectieve geheugen. Het is minstens even belangrijk om handicap nu ook als een volwaardige analytische categorie te introduceren. Net zoals het een eerste stap was om vrouwen aan de geschiedschrijving ‘toe te voegen’ en een cruciale vervolgstap om de geschiedenis door de lens van gender te heraanschouwen, zo is ook handicap een lens waarmee we naar de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog moeten kijken als we haar ten volle willen begrijpen. Zodat mijn kennis al zijn vragen beantwoord kan weten. Niet alleen wat er met iemand zoals hij zou zijn gebeurd, maar ook hoe het komt dat sommige gehandicapten medailles kregen en anderen een dodelijke injectie in het hart.
Over de auteur

Anaïs van Ertvelde
Anaïs van Ertvelde (1988, zij/haar) is schrijver, geschiedkundige en docent aan het KASK in Gent. Ze maakt podcasts en schrijft boeken, essays en columns over seksualiteit, gender, het lichaam en handicap. In haar jongste boek Handicap: Een bevrijding (2024) toont ze wat de wereld ons over handicap vertelt en wat handicap ons over de wereld kan vertellen. Ze won daarvoor de J. Greshoff-prijs.
Foto bovenaan artikel
Alexander Katan in zijn fietsrolstoel, samen met zijn zoon Alphons. Bron: Joods Monument.