Meer dan 60 jaar heerste er in Duitsland grote stilte rond de vervolging van mensen met een handicap of psychische aandoening door het nazi-regime. Het duurde maar liefst 80 jaar voordat de slachtoffers officiëel werden erkend. En dit terwijl het ‘euthanasieprogramma’ van nazi-Duitsland een wezenlijk onderdeel uitmaakte van het plan om het Germaanse ras te ‘zuiveren’ van haar sociale en raciale ‘ballast’, aldus Susanne Knittel. Hoe wordt er middels monumenten en films in Duitsland aandacht opgewekt voor de nalatenschap van dit eugenetisch denken?
Op 29 januari 2025 nam de Duitse Bondsdag een motie aan die stelt dat “de slachtoffers van de nazi-‘euthanasie’1 en de slachtoffers van gedwongen sterilisatie dienen te worden erkend als slachtoffers van vervolging door het naziregime”.2 Deze officiële uitspraak is het resultaat van een lange strijd om erkenning en herdenking. Tientallen jaren is dit aspect van het naziverleden verzwegen en bleef het leed van de slachtoffers al even taboe. De erfenis van de nazi-‘euthanasie’ roept ingewikkelde vragen op over getuigenis – wie kan dit verhaal vertellen, en wie luistert er? – en over politieke en culturele representatie. Want welke vormen van representatie en herdenken zijn passend om dit verhaal op een waardige manier te vertellen? En hoe kunnen de verhalen worden verteld in het licht van nog altijd wijdverspreide stereotypen en taboes?
In dit essay breng ik een aantal van de belangrijkste mijlpalen van het naoorlogs herdenken van de nazi-‘euthanasie’ in kaart. Zoals ik zal laten zien, is de strijd om herdenking ook een strijd voor de rechten van mensen met een handicap, voor inclusie en toegankelijkheid. Immers: de overlevenden, en mensen met een handicap of psychische aandoening in het algemeen, werden (en worden vandaag de dag nog steeds) niet gezien als dragers van herinnering. Dat wil zeggen, als mensen die actief collectieve herinneringen vormen en doorgeven. Daarnaast worden zij meestal niet beschouwd als aangesproken partij of actieve deelnemers aan herdenking, en worden ze niet meegenomen in de ontwikkeling van de herdenkingscultuur of geraadpleegd voor het ontwerp van gedenktekens of tentoonstellingen over het onderwerp. Het feit dat het 80 jaar heeft geduurd om officieel erkenning te krijgen van de Bondsdag is tekenend, niet alleen voor de (opzettelijke) verwaarlozing van de slachtoffers, maar ook voor de verontrustende nalatenschap van het eugenetisch denken uit het naziregime, dat – hoewel in een andere vorm – in het hedendaagse Duitsland nog altijd voortbestaat.

Overplaatsing van mensen met een handicap in het kader van het euthanasieprogramma Aktion T4 vanuit de zorginstelling Schloß Bruckberg van de Diakonissenanstalt Neuendettelsau naar door de staat beheerde psychiatrische inrichtingen en zorginstellingen, 1941. Bron: Pressestelle der Diakonie Neuendettelsau op Wikimedia Commons.
Testen en trainen
De manier waarop de geschiedenis van de ‘euthanasie’-moorden na de oorlog is geweerd uit het discours over en de optekeningen van de misdaden van de nazi’s, is met name verbijsterend omdat die ‘euthanasie’ een wezenlijk onderdeel uitmaakte van het plan van nazi-Duitsland om het Germaanse ras voor eens en altijd te ‘zuiveren’ van haar sociale en raciale ‘ballast’. De nazi’s gebruikten hun ‘euthanasieprogramma’ om een van hun grootste moordmethodes – gaskamers vermomd als doucheruimtes – uit te testen en het moordpersoneel te trainen voor het uitmoorden van Joden en andere minderheden en andersdenkenden in hun vernietigingskampen in het oosten.3
In essentie was de nazi-‘euthanasie’ een radicalisering van eugenetische theorieën en praktijken die al ver vóór 1933 bestonden in Duitsland en daarbuiten.4 De aanleiding was het begin van de oorlog in 1939, het moment waarop het regime begon met het organiseren van de massamoord op wat zij ‘nutteloze eters’ (nutzlose Esser) of ‘levensonwaardig leven’ (lebensunwertes Leben) noemden. Dit waren de patiënten in medische instellingen en verzorgingstehuizen die daar vijf jaar of langer zaten en waren opgenomen omdat ze ‘zwakzinnig’, ‘gek’ of ‘niet-arisch’ waren, niet konden werken of een diagnose hadden uit een vooropgestelde lijst aandoeningen. Hieronder vielen bijvoorbeeld schizofrenie, epilepsie, vergevorderde syfilis, encefalitis en alcoholisme, die de nazi’s beschouwden als erfelijke ziektes die een gevaar vormden voor de gezondheid van het Volk.5 Deze massamoord werd gerechtvaardigd met de noodzaak om voedsel en hulpbronnen op te sparen voor militaire doeleinden.
Condoleancebrief
Tijdens een eerste gecentraliseerde fase tussen 1939 en 1941, bekend als Aktion T4, werden rond de 5.000 kinderen en meer dan 70.000 volwassenen in zes moordcentra in Duitsland en Oostenrijk vergast met koolmonoxide. Deze moordcentra werden opgetuigd in voormalige zorginstellingen, en de deportaties en moorden werden vermomd als ‘ziekentransport’. De familie van de vermoorde slachtoffers kreeg pas te horen over dit ‘transport’ in een condoleancebrief die ze ontvingen als begeleiding bij een urn met crematie-as. Ondanks pogingen om de moorden geheim te houden, kwamen de omwonenden van de moordcentra er al snel achter wat er aan het gebeuren was, en de nabestaanden van de slachtoffers stuurden brieven om uitleg over wat er met hun dierbaren was gebeurd. Een aantal kerkelijk leiders hield protestpreken en zelfs leden van de NSDAP leverden openlijk kritiek op het ‘euthanasieprogramma’.6 Na 1941 ging het moorden op een gedecentraliseerde manier door in meer dan 100 instellingen in heel Duitsland en Oostenrijk, waarbij meer dan 200.000 mensen om het leven werden gebracht middels een dodelijke injectie of uithongering. In totaal werden 300.000 mensen vermoord binnen het nazi-‘euthanasieprogramma’ en werden 400.000 mensen onder dwang gesteriliseerd.
Zelfs toen de oorlog voorbij was, stierven nog altijd veel patiënten de hongerdood. Slechts enkele van de artsen en verplegers die toezicht hielden en de sterilisaties en moorden uitvoerden zijn voor het gerecht gekomen. De meesten werden ofwel vrijgesproken of ontvingen heel lichte straffen, en allemaal konden ze hun vak blijven uitoefenen. Terwijl de daders werden vrijgesproken en nog altijd aanzien genoten, ontvingen de slachtoffers geen enkele vorm van juridische of maatschappelijke erkenning. Ze werden zelfs uitgesloten van de Wet Compensatie voor de Slachtoffers van Vervolging onder het Nationaalsocialisme (1953) omdat ze niet meetelden als slachtoffers van deze specifieke vorm van raciale, religieuze en politieke vervolging. Die discriminatoire politiek is pas veranderd in de afgelopen twee decennia, toen er stappen zijn gezet om slachtoffers gelijke rechten te geven. De Sterilisatiewet van de nazi’s uit 1933 werd in 2007 (toen pas!) ongrondwettig verklaard en in 2011 is er eindelijk beperkte financiële compensatie uitgekeerd aan slachtoffers.7

Omslag van Die Hempelsche. Bron: Mabuse-Verlag.
Vergeefse strijd om rehabilitatie
Bijna geen enkel slachtoffer overleefde de ‘euthanasie’ tijdens het naziregime. Dat betekent ook dat er bijna geen getuigen waren die het bredere publiek konden informeren over hun gruwelijke lot. Degenen die het wel overleefden, droegen het stigma van een psychische aandoening en werden zodoende niet erkend als betrouwbare getuigen. Het verhaal van Elvira Manthey, bij geboorte Hempel, is daarvan een pijnlijke illustratie. Op vierjarige leeftijd werd Elvira afgepakt van haar ouders die door de nazi’s waren bestempeld als asozial (asociaal), en kreeg ze de diagnose ‘erfelijke zwakzinnigheid’ (erblicher Schwachsinn). Ze bracht haar hele kindertijd door in verschillende instituten en instellingen en werd in 1940 gedeporteerd naar het moordcentrum Bernburg, waar ze samen met haar zus en de andere kinderen die waren geselecteerd voor ‘euthanasie’ zou worden vergast. Op het allerlaatste moment, toen ze al voor de deur van de gaskamer stond, werd ze teruggeroepen en meegenomen naar een kindertehuis, waaruit ze op zeker moment werd ontslagen.
In de jaren 90 begon Manthey onderzoek te doen naar haar verleden, dat ze grotendeels had verdrongen. Ze schreef een memoir over haar ervaringen: Die Hempelsche: Das Schicksal eines deutschen Kindes, das 1940 vor der Gaskammer umkehren durfte (‘Het meisje van Hempel: Het lot van een Duits kind dat in 1940 de gaskamer ontliep’). Het is een unieke collage van herinneringen, beschrijvingen, tekeningen, foto’s en andere documenten. Haar boek is een aandenken aan haar zus, een kroniek van haar eigen verwerkingsproces en een aangrijpende geschiedenis van haar vergeefse strijd om rehabilitatie na de onterechte diagnose van de nazi’s. Zelfs aan haar verzoeken om haar eigen medisch dossier te mogen ontvangen, werd geen gehoor gegeven. De weerstand van instituten in het beschikbaar stellen van patiëntendossiers, omwille van het medisch beroepsgeheim, is tot nu toe een groot obstakel gebleken voor een collectieve verwerking van de herinneringen aan de ‘euthanasie’ tijdens het naziregime.
Op de eerste bladzijde van haar boek citeert Manthey artikel 1 van de Duitse grondwet over de onaantastbaarheid van de menselijke waardigheid. Op de laatste bladzijde schrijft ze: “Misschien zal dit de bladzijde zijn waarop ik, hopelijk binnenkort, kan aankondigen dat mijn menselijke waardigheid in ere is hersteld.”8 De bladzijde is verder leeg. Nog een voorbeeld van de vruchteloze strijd om erkenning is de publicatiegeschiedenis van het boek: uitgever na uitgever wees het af. Sommigen wilden het manuscript alleen als het radicaal werd omgegooid, op een manier die Mantheys eigen stem zou hebben vervormd of zelfs uitgewist. Manthey weigerde welke aanpassing dan ook te doen en heeft uiteindelijk een paar duizend exemplaren handmatig zelf gedrukt. Er werden geen nieuwe uitgaven van het werk meer gedrukt tot na haar dood in 2021.9

Het Denkmal der Grauen Busse bij de oude poort van het sanatorium Ravensburg-Weißenau. Bron: Andreas Praefcke op Wikimedia Commons.
Dragers van herinnering
De vraag blijft wie de verhalen over de nazi-‘euthanasie’ kan vertellen en wie er luistert. De herinneringscultuur rond het ‘euthanasieprogramma’ die uiteindelijk in Duitsland op gang kwam was lang heel plaatselijk en op een grassroots manier georganiseerd. Dat wil zeggen: vooral het resultaat van inspanningen van nabestaanden van de slachtoffers, historici, journalisten, schrijvers en kunstenaars.10 Dat veranderde pas na de Duitse hereniging. Met de komst van een nieuwe subsidie voor gedenkplaatsen van nationaal belang in 2000 werd het voor het eerst mogelijk om informatiecentra te vestigen op de voormalige T4-locaties, met bijbehorende academische staf en onderwijsinstellingen.
Maar het is dankzij publieke gedenktekens zoals de Stolpersteine (struikelstenen) van Gunter Demnig en het Denkmal der Grauen Busse (‘Monument van de Grijze Bussen’) dat de herdenking van de nazi-‘euthanasie’ van het plaatselijke naar het nationale en internationale niveau is doorgebroken. Beide herdenkingsprojecten plaatsen dat wat is verzwegen terug in het landschap en herinneren mensen aan de uitgewiste geschiedenis van hun directe omgeving.
In het geval van het Denkmal der Grauen Busse representeert het werk het middel waarmee de slachtoffers werden gedeporteerd. Dit deels mobiele monument is in 2005 ontworpen door kunstenaar Horst Hoheisel en architect Andreas Knitz, en bestaat uit twee betonnen replica’s van de grijze bussen die werden gebruikt om de patiënten te deporteren van de klinieken en zorginstellingen naar de moordcentra. De bussen zijn doormidden gesneden, waardoor bezoekers door de smalle tussenruimte kunnen lopen en de inscriptie kunnen lezen: Wohin bringt ihr uns? (‘Waar brengen jullie ons naartoe?’) – woorden die een van de patiënten volgens verklaringen uitsprak vlak voor deportatie.
Een van de bussen staat permanent geparkeerd bij het Zentrum für Psychiatrie Weißenau in Ravensburg in het zuiden van Duitsland, ter herinnering aan de deportatie van meer dan 550 van de daar gehuisveste patiënten naar de nabijgelegen gaskamers in Grafeneck. De andere bus rijdt voortdurend naar verschillende plekken in heel Duitsland die in verband worden gebracht met de ‘euthanasie’-moorden: voormalige gaskamers, ziekenhuizen, sanatoriums en tehuizen, overheidsinstituten en uiteraard de Tiergartenstraße in Berlijn.
Reizende herinnering
De rijdende bus symboliseert de fluïditeit van herinnering. Om te voorkomen dat herdenken ‘vastroest’ in een eindeloze herhaling van dezelfde rituelen en vormen, moet het herdenkingsproces continu worden ontregeld en bevraagd. Dat is precies wat de bus ook doet. Het monument gebruikt het deportatievoertuig van de daders als drager van de herinnering aan hun slachtoffers. De bus verschijnt in dorpen en steden en onderbreekt de bekende omgeving, brengt een vergeten en verdoezeld object – en daarmee een herinnering – uit het verleden terug in het heden. Zo’n bewegend monument legt niet alleen een link tussen verschillende plekken die onderdeel waren van de nazi-‘euthanasie’, maar betrekt ook het publiek bij die verplaatsing. Instituten, organisaties en belangengroepen moeten op lokaal niveau samenwerken om het bezoek van het monument aan hun stad te organiseren en financieren. Zo wordt het herdenkingsproces doorlopend vernieuwd. Een krachtig beeld. De bus is inmiddels een herkenbaar symbool geworden van de ‘euthanasie’ gepleegd door nazi-Duitsland.11
Ook de Stolpersteine van Gunter Demnig steunen op het initiatief van individuen en groepen om de herinnering aan individuele vervolgingsslachtoffers over te dragen. Hierbij worden met messing beklede stenen in het publieke domein aangebracht, met de namen en sterfdata van slachtoffers daarop gekerfd. Alle groepen die door de nazi’s werden vervolgd worden meegenomen in dit herdenkingsproject, dus ook de slachtoffers van de nazi-‘euthanasie’. Deze Stolpersteine, begonnen als een kunstproject in Keulen en Berlijn, zijn inmiddels uitgegroeid tot een herkenbaar onderdeel van het straatbeeld in vele steden in Duitsland en daarbuiten.12 Zowel de reizende Grijze Bus als de Stolpersteine dragen de verantwoordelijkheid voor het herdenken over aan het publiek. Overal waar ze gaan, zijn deze objecten aanleiding voor onderzoek en geschiedenisprojecten, theatervoorstellingen en andere maatschappelijke herdenkingsprojecten. Zo maken ze de herinnering aan de nazi-’euthanasie’ tot een dynamisch, meerstemmig en doorlopend proces.

Uitleg in braille bij het T4-monument in Berlijn. Bron: A. Fiedler op Wikimedia Commons (CC BY-SA 3.0 DE).
T4-Monument
Een grote doorbraak in de integratie van de nazi-‘euthanasie’ in het Duitse herdenkingslandschap was de onthulling in september 2014 van een T4-monument nabij het voormalig hoofdkwartier van Aktion T4, aan de Tiergartenstraße 4, waar nu de Berlijnse Philharmonie is gehuisvest. Al sinds de jaren 80 was er discussie over een monument op die plek, maar buiten een gedenksteen in de straat naast een al bestaand beeld van Richard Serra dat voor deze gelegenheid werd opgedragen aan de slachtoffers, was er niets van de grond gekomen. Totdat in 2007 in Berlijn de ‘T4 Ronde tafel’ werd opgericht onder de paraplu van de Stiftung Topografie des Terrors: een vereniging van vertegenwoordigers uit de publieke sector en gedreven individuen zoals Sigrid Falkenstein, wier tante een van de slachtoffers was.
Het hoofddoel van deze ronde tafel: het ontwikkelen van een herdenkingsconcept voor de T4-locatie. Pas vier jaar later, in 2011, kreeg het monument goedkeuring van de Bondsdag. Het ontwerp van architect Ursula Wilms, kunstenaar Heinz Hallmann en landschapsarchitect Nikolaus Koliusis bestaat uit een donkere ondergrond van beton die correspondeert met de plattegrond van het T4-gebouw, en een lichtblauwe muur van glas. Aan één kant staat een lage betonnen muur waar de bezoeker op kan zitten, aan de andere kant een betonnen verhoging met een reeks foto’s en informatie. Wanneer de bezoeker door de enigszins reflecterende blauwe glazen muur kijkt – een element dat meer wordt gebruikt in hedendaagse gedenktekens –, ervaart die de bevreemding van de eigen reflectie in het licht van de geschiedenis van de plek. Maar het zijn vooral de foto’s en de beschrijvingen waar het bij dit monument om draait. Waar mensen met een handicap tot voor kort niet werden beschouwd als deelnemers aan de herinneringscultuur, worden ze hier juist direct als zodanig aangesproken: de teksten bij het gedenkteken zijn niet alleen in het Duits en Engels beschikbaar, maar ook in eenvoudige taal (voor mensen met leerbeperkingen), in braille, in de vorm van video’s met gebarentaal en als audio-opnames. Het monument bevindt zich in de directe nabijheid van het Holocaustmonument (dat officieel het Denkmal für die ermordeten Juden Europas heet), het Monument voor de Sinti en Roma van Europa en het Monument voor de onder het nationaalsocialisme vervolgde homoseksuelen.

Filmposter van Nebel im August. Bron: Collina Films.
Nazi-‘euthanasie’ op het witte doek
Sinds de jaren 10 van deze eeuw heeft het herdenken van de nazi-‘euthanasie’ aan momentum gewonnen – en ook een plek verworven op het witte doek. Het prijswinnende Nebel im August (Kai Wessel, 2016) is waarschijnlijk het meest impactvolle voorbeeld hiervan.13 De film is gebaseerd op de gelijknamige roman van Robert Domes, een gefictionaliseerde biografie van de Jenische jongen Ernst Lossa, die door de nazi’s werd aangemerkt als “asociale, criminele zigeunerjongen”, werd opgenomen in een ‘heropvoedingsinstituut’ en later werd overgebracht naar een ‘sanatorium’ waarna hij werd vermoord tijdens de gedecentraliseerde fase van de ‘euthanasie’ in Irsee in Beieren. De film volgt het laatste deel van Lossa’s leven en kent een klassieke verhaalopbouw: de nieuwkomer komt aan op een onbekende plek, voelt desoriëntatie, accepteert gaandeweg zijn lot, wordt opgenomen in de groep, voelt solidariteit met zijn medegevangenen in de strijd tegen de autoriteiten, verzet zich en vindt uiteindelijk de dood.
De vijand in het verhaal is de directeur van het instituut, Dr. Walter Veithausen. Deze lijkt in eerste instantie invoelend en begaan met zijn patiënten, maar toont zich later een gedreven ideoloog met een verborgen gezicht die alles op alles zet om de gedecentraliseerde ‘euthanasie’ te faciliteren. Ook zijn er twee vrouwelijke verplegers: zuster Sophia en zuster Kiefer. De eerste is een non die de moord op de patiënten afkeurt en hen probeert te redden, de tweede een prachtige ‘Engel des Doods’ die wordt uitgezonden vanuit Hadamar (een van de zes ‘euthanasie’-moordcentra) en de leiding krijgt over de moord op de patiënten. Naast Ernst is er nog een hoofdpersonage onder de patiënten: Nandl, een knap blond meisje met epilepsie. Haar opbloeiende vriendschap met Ernst vormt de emotionele en romantische kern van het verhaal.
Het is een bekende ‘troop’, vooral in verhalen over de nazi-‘euthanasie’, om als protagonist een persoon te kiezen die niet lichamelijk of geestelijk gehandicapt is, waardoor diens dood extra tragisch en onrechtvaardig wordt gevonden. Dat is ook hier te zien. De keuze voor de niet-gehandicapte Ernst en Nandl als hoofdpersonages is bedoeld om de kijker, en met name een jong publiek, te helpen zich te identificeren met en daardoor te verplaatsen in het lot van de ‘euthanasie’-slachtoffers. Daarnaast behandelt de film stereotypen over het Jenische volk en deconstrueert die uiteindelijk ook, met name middels het personage van Nandl.
Broze balans
Nebel im August probeert een broze balans te vinden tussen het documenteren en het ontkrachten van stereotypen en vooroordelen, waarin de film grotendeels slaagt, hoewel het verhaal niet ontkomt aan enige romantisering van het ‘anders-zijn’ van Ernst. In stijl, uitvoering en verhaalopbouw is de film tamelijk traditioneel en neigt soms naar cliché. Inclusie is duidelijk een onderwerp van aandacht geweest in het productieproces, met name in de casting van jonge acteurs en actrices met een beperking voor de rollen van de patiënten. Toch is de beoogde doelgroep van de film vrij duidelijk able-bodied en able-minded, wat de keuze voor een niet-gehandicapte hoofdpersoon als identificatiepunt verklaart.
Die keuze doet ertoe in de context van wat ik met dit essay heb geprobeerd aan te kaarten. Het voortbestaan van de nazi-‘euthanasie’ in ons collectieve geheugen gaat niet alleen over het vinden van een gepaste manier om de verhalen van slachtoffers over te brengen. Het gaat ook over het belichten van de raakvlakken tussen het verleden en het heden en het ontmantelen van hardnekkige vooroordelen en uitsluitingsmechanismen. Daarom is het belangrijk om kritisch te kijken naar wie er betrokken is en wie er mag aansluiten bij onze herdenkingspraktijk. Wie wordt gezien als getuige of drager van herinneringen, en wie niet? Monumenten, films en ook literatuur spelen hierin een belangrijke rol, vooral als ze rekenschap geven van de rol die cultuur en media zelf hebben gespeeld – en nog altijd spelen – in het uitsluiten van mensen met een handicap of een psychische aandoening, en als die media bereid zijn dit probleem te erkennen en te helpen oplossen.
Over de auteur

Susanne C. Knittel
Susanne C. Knittel is universitair hoofddocent vergelijkende literatuurwetenschap aan de Universiteit Utrecht. Ze onderzoekt hoe samenlevingen massageweld herdenken en de rol die literatuur, kunst, film en andere media spelen in het vormen van ons collectieve geheugen. In haar boek The Historical Uncanny: Disability, Ethnicity, and the Politics of Holocaust Memory (Fordham University Press, 2015) analyseert ze hoe de Holocaust wordt herdacht in Duitsland en Italië, tegen de achtergrond van de wrange erfenis van de ‘euthanasie’ gepleegd door nazi-Duitsland en het eugenetisch biologisch racisme in het fascistische Italië van Mussolini. Ze is de coördinator van het Utrecht Forum for Memory Studies, oprichter en directeur van het Perpetrator Studies Network en medehoofdredacteur van het Journal of Perpetrator Research.
Noten
1 De term ‘euthanasie’ is een eufemisme en dadertaal. De term werd door de nazi’s gebruikt om de systematische moord op mensen met een beperking en zogenaamd erfelijke ziekten te rechtvaardigen en het te laten klinken als een daad van barmhartigheid. In dit hele artikel heb ik ‘euthanasie’ tussen aanhalingstekens geplaatst om de lezer duidelijk te maken dat dit een naziterm is.
2 De hele motie is hier te lezen (in het Duits): https://dserver.bundestag.de/btd/20/119/2011945.pdf.
3 Zie Sara Berger, Experten der Vernichtung. Das T4-Reinhardt-Netzwerk in den Lagern Belzec, Sobibor und Treblinka. Hamburger Edition, 2013.
4 Ik ga dieper in op het transatlantisch eugenetisch racisme in mijn boek The Historical Uncanny: Disability, Ethnicity, and the Politics of Holocaust Memory. New York, Fordham University Press, 2015. Zie ook David T. Mitchell and Sharon L. Snyder, Cultural Locations of Disability. University of Chicago Press, 2006.
5 Diagnoses als ‘Schwachsinn’ (zwakzinnigheid) of ‘Geisteskrankheit’ (geestesziekte) werden vaak gebaseerd op niets anders dan subjectieve en pseudowetenschappelijke beoordelingen. Zulke diagnoses vielen geregeld samen met stempels als ‘asozial’ (asociaal) of ‘arbeitsscheu’ (werkschuw). In de praktijk was iedereen wiens gedrag niet voldeed aan de norm of dat werd gezien als gevaarlijk een mogelijk doelwit. De realiteit van de slachtoffers van de door de nazi’s zo genoemde ‘Gnadentod’ (genadedood) stond dus mijlenver af van het idee dat deze mensen zo ziek waren dat hen laten sterven een vorm van barmhartigheid zou zijn.
6 Bijvoorbeeld Else von Löwis, leider van de Nationalsozialistische Frauenschaft, de vrouwenafdeling van de NSDAP. Zie Kurt Nowak, ‘Widerstand, Zustimmung, Hinnahme: Das Verhalten der Bevölkerung zur “Euthanasie”’. In Norbert Frei (red.), Medizin und Gesundheitspolitik in der NS-Zeit. Oldenbourg Verlag, 1991, p. 235-51.
7 Zie voor meer informatie over deze naoorlogse strijd om erkenning mijn boek The Historical Uncanny (2015).
8 Elvira Manthey, Die Hempelsche. Das Schicksal eines deutschen Kindes, das 1940 vor der Gaskammer umkehren durfte. Hempel-Manthey, 1994, p. 300.
9 Zie voor meer informatie over de biografie van Manthey en anderen Susanne C. Knittel, ‘Autobiography, Moral Witnessing and Nazi Euthanasia’. In: Stephanie Bird, Mary Fulbrook, Julia Wagner & Christiane Wienand (eds.), Reverberations of Nazi Violence in Germany and Beyond: Disturbing Pasts. Bloomsbury, 2016, p. 65-81.
10 In The Historical Uncanny bespreek ik een aantal van deze lokale initiatieven. Zie ook: Jörg Skriebeleit & Winfried Helm (red.), Verdrängt – Die Erinnerung an die nationalsozialistischen ‘Euthanasie’-Morde. Wallstein Verlag, 2023.
11 Voor meer informatie over het monument, zie Thomas Müller, Paul-Otto Schmidt-Michel & Franz Schwarzbauer (red.), Vergangen? Spurensuche und Erinnerungsarbeit – Das Denkmal der Grauen Busse. Verlag Psychiatrie und Geschichte, 2017.
12 Op het moment van schrijven zijn er 116.000 struikelstenen gelegd in meer dan 1.860 gemeenten verdeeld over 31 landen in Europa (zie: https://www.stolpersteine.eu/).
13 Andere films waarin de nazi-‘euthanasie’ een rol speelt, zijn Amen van Constantin Costa-Gavras uit 2002 (een filmbewerking van het toneelstuk Der Stellvertreter van Rolf Hochhuth) en Werk Ohne Autor (2018) van regisseur Florian Henckel von Donnersmarck. In beide films blijft de ‘euthanasie’-moord echter een bijzaak, ondergeschikt aan het hoofdplot.
Foto bovenaan artikel
Het Denkmal der Grauen Busse stond tussen 2011 en 2012 ‘geparkeerd’ in Keulen. In het monument valt de inscriptie te lezen: ‘Wohin bringt ihr uns?’ (‘Waar brengen jullie ons naartoe?’). Bron: Elke Wetzig op Wikimedia Commons (CC BY-SA 4.0)