De ‘eigen’ geschiedenis?

Bij het thema

door Sophie van den Bergh – 25 mei 2026

“Waarom ging de voorstelling niet over de 27 miljoen Sovjetburgers die zijn gestorven? Of over de zes miljoen Joden?” vraagt een man uit het publiek. Het is 5 mei 2026, Theater Na de Dam. Acteurs Marcos Valster Da Costa Ferreira en Mahfoud Mokkadem spelen Gharib, een voorstelling over de geschiedenis van Marokkaanse soldaten die onder de Franse vlag hebben gevochten tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het belicht een relatief onbekend verhaal, dat en passant de positie van jongeren met een (met name Marokkaanse) migratieachtergrond in de hedendaagse samenleving aan de kaak stelt.

De vraag die na afloop van de voorstelling aan de acteurs wordt gesteld, raakt aan een spanning die regelmatig binnen het WO2-veld speelt: is het behandelen van onderbelichte geschiedenissen een geschikte manier om jongeren – of anderen die verder af lijken te staan van vooral de Nederlands ingevulde WO2-geschiedenis, daarbij te betrekken? Of is dit simpelweg een goedkoop en gezocht ‘haakje’, en zou ieders interesse idealiter verder moeten reiken dan die van de ‘eigen’ groep?

Dergelijke vragen worden ook besproken in het in 2008 verschenen boek Oorlog op vijf continenten – Nieuwe Nederlanders & de geschiedenissen van de Tweede Wereldoorlog,  een publicatie van NIOD-onderzoekers Kees Ribbens, Joep Schenk en Martijn Eickhoff. Doel: de kennis over de Tweede Wereldoorlog in mondiaal perspectief vergroten, en met name die over de geschiedenis in zogenoemde ‘herkomstlanden’  waar een aanzienlijk aantal Nederlanders hun wortels hebben liggen: China, Marokko, Suriname en de Nederlandse Antillen, Joegoslavië, de Sovjet-Unie, Indonesië en Turkije. Hoewel de aandacht voor oorlogservaringen van buiten Nederland aan de Noordzee groeit, zo constateerden zij, betekent dat geen automatische bijstelling van het heersende beeld van “bezet Nederland tussen mei 1940 en mei 1945”. Daarvoor hebben discussies over deze geschiedenis al te vaak een hoge morele en emotionele lading.

Hoe zit dat nu, achttien jaar na deze publicatie? In hoeverre is het dominante beeld van de oorlog in Nederland aan de Noordzee bijgesteld? Welke ontwikkelingen hebben er in de tussentijd plaatsgevonden, en welke stappen moeten er nog altijd gezet worden? In dit nummer van WO2 Onderzoek uitgelicht reflecteren we op deze vragen.

Na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog werden er vrijwilligers uit Congo geworven. Zij traden toe tot de Force Publique. Bron: Afbeelding uit ‘Belgian Colonial Policy’ van de Belgian Information Center uit 1943.

Koloniale geschiedenissen

Dat doen we allereerst met een interview door Monique Brinks met Martijn Eickhoff, Kees Ribbens en Joep Schenk, de auteurs van Oorlog op vijf continenten. Zij stellen dat er nog altijd onevenredig veel aandacht is voor de Europese geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog en dat de koloniale geschiedenis enkel als aanvulling wordt gezien. Ook hun eigen werkwijze van destijds moet het ontzien. Zo zouden de auteurs in een geüpdatete 2.0-versie van het boek de verwevenheid van bepaalde geschiedenissen veel meer proberen te belichten. Dit zou de mogelijkheid geven om ook de langduriger context van strijd en onderdrukking te benadrukken in met name de landen die gekoloniseerd zijn geweest.

Het nieuw geopende Suriname Museum in Amsterdam is een recent voorbeeld waarin deze verwevenheid in tijd en ruimte effectief wordt benadrukt, schrijft Wim Manuhutu in een bijdrage aan dit nummer. In de vaste tentoonstelling wordt de bijdrage van Suriname aan de geallieerde oorlogsinspanningen gekaderd binnen de 350 jaar geschiedenis die Suriname en Nederland met elkaar delen, waar het slavernijverleden en de doorwerking daarvan een belangrijk onderdeel van uitmaken.

Als er één ‘herkomstland’ is waarmee veel mensen in Nederland zich verbonden weten, dan is het wel Indonesië. Maar liefst twee miljoen Nederlanders hebben een connectie met Nederlands-Indië/Indonesië, zo zingt al enige tijd rond. Maar klopt die schatting wel? Matthijs Kuipers boog zich over de totstandkoming van dit getal, en wat de omarming ervan zegt over de plek van Indonesië en voormalig Nederlands-Indië in het bewustzijn van het koloniale verleden. Wat betekent het dat deze geschiedenis “in toenemende mate als ‘van ons allemaal’ gezien” wordt?

‘Van ons allemaal’ is zeker niet het sentiment ten aanzien van de geschiedenis van Belgisch-Congo. Dat wil maar moeizaam onderdeel worden van het collectieve geheugen in België. In zijn artikel schrijft Frank Gerits over Congolese koloniale troepen die tussen 1940 en 1944 onder meer in Ethiopië en het huidige Myanmar vochten tegen het fascisme. Waarom zijn deze Congolese soldaten en Congolese verzetshelden zo lang onzichtbaar gebleven in de geschiedenisboeken? Racisme speelde hierbij een belangrijke rol, legt Gerits uit, maar dat geldt ook voor de specifieke dynamiek van de Belgische herinneringscultuur, waarin collaboratie nog lange tijd werd vergoelijkt.

Aleppo in 2017 (links) en Rotterdam in 1940 (rechts). Bron: Aleppo: Foreign and Commonwealth Office op Wikimedia Commons (OGL v1.0) – Rotterdam: Museum Rotterdam op Wikimedia Commons (CC BY-SA 3.0).

Spanningen in de herinneringscultuur

Als we het feit dat de Tweede Wereldoorlog een wéreldoorlog was serieus willen nemen, heeft dat ook consequenties voor wie we herdenken en hoe dat herdenken eruitziet. Somer Al Abdallah bespreekt de recent verschenen essaybundel Stakkers en wolven van Lotfi El Hamidi, waarin de auteur onder meer schrijft over spanningen in de Nederlandse herinneringscultuur. Die ondervond El Hamidi zelf aan den lijve bij het voorbereiden van een lezing ter herdenking van het bombardement op Rotterdam, waarbij hij aarzelde om een parallel te trekken met de bombardementen van Israël op Gaza. De ruimte om verbanden te leggen tussen hedendaagse conflicten en het verleden van de Tweede Wereldoorlog is er wel, “maar niet voor iedereen, en niet op elk moment”, zo vat Al Abdallah El Hamidi’s argument samen. Al Abdallah ziet Stakkers en wolven vooral als een broodnodige opening van een breder gesprek over deze spanningen in de Nederlandse herinneringscultuur, een gesprek dat nog niet genoeg gevoerd wordt.

Ook Pepijn de Koning verdiept zich in spanningen in de Nederlandse herinneringscultuur. Specifieker: in de risico’s van het verknopen van ‘Nederlanderschap’ met kennis over of bewustzijn van de Nederlandse geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog. In Tegen heldere verhalen waarschuwde Sinan Çankaya er al voor om van 4 mei geen “voorwaardelijk burgerschapsritueel te maken voor Nederlanders met een migratieachtergrond”. Die angst lijkt verder bewaarheid te worden nu er in diverse Europese landen Holocausteducatieprogramma’s voor moslims zijn opgezet. Gedegen onderzoek naar de Nederlandse context ontbreekt nog, maar recent Duits onderzoek biedt al waardevolle aanknopingspunten. Zo laat De Koning zien dat het loskoppelen van herinneren en etniciteit essentieel is om herdenken inclusiever te maken.

In de praktijk wordt al gewerkt aan het vormgeven van herdenkingsplekken die beogen inclusiever te zijn dan de bestaande. Een goed voorbeeld is het initiatief van de gemeente Lelystad, waar binnenkort de bouw start van een nieuwe, inclusieve en toegankelijke herdenkingsplek die “álle pijnlijke en historische verhalen” zou moeten weerspiegelen, en niet alleen die betrekking hebben op de Tweede Wereldoorlog. Saadat Mousavi ging in gesprek met Arna Mačkić, een van de architecten van Studio LA dat de opdracht kreeg het ontwerp te maken. Cruciaal in dit proces was het betrekken van de verschillende gemeenschappen in Lelystad, waardoor het ontwerp een plek creëert waar iedereen zich kan herkennen.

Voor een foto-essay in dit nummer koos fotograaf Negin Zendegani een aantal foto’s uit die ze in 2020 maakte voor een tentoonstelling in Museum Arnhem. Het zijn portretten van mensen die recent hebben moeten vluchten, samen met mensen die in de Tweede Wereldoorlog op de vlucht sloegen, vormen een andere manier om verbanden tussen verleden en heden, tussen hier en elders, scherp te krijgen.

Impressie van het nieuwe monument in Lelystad. Bron: Studio L.A.

Voorbij de ‘eigen’ geschiedenis

De artikelen in deze editie laten zien dat de oproep om de Tweede Wereldoorlog in mondiaal perspectief te plaatsen nog altijd resoneert, bijna twee decennia na het verschijnen van Oorlog op vijf continenten. Indien vragen van het publiek suggereren dat interesse voor de eigen, vaak onderbelichte oorlogsgeschiedenis van een bepaalde groep discutabel is, wordt al te gemakkelijk uit het oog verloren hoezeer de Nederlandse blik op de Tweede Wereldoorlog doorgaans niet veel verder reikt dan de bezettingstijd in eigen land. Als het raadzaam is verder te kijken dan de geschiedenis van de ‘eigen’ groep, geldt dat dan niet voor iedereen?

Het is hoe dan ook onvermijdelijk om te accepteren dat iedere nieuwe generatie op een eigen manier betekenis geeft aan het oorlogsverleden, zo stellen Ribbens, Schenk en Eickhoff. Weigeren de verwevenheid van WO2-geschiedenissen en van verleden en heden te benadrukken, vormt bovendien een reëel risico, schreven zij al in 2008: “Het bevriezen van herinneringen doet onrecht aan het levend en relevant houden van geschiedenis, maar kan wel leiden tot het buitensluiten van nieuwkomers.”

 

Met bijzondere dank aan Rob Hartgers van RFG Media.

 

Over de auteur

Sophie van den Bergh.

Sophie van den Bergh is hoofdredacteur van WO2 Onderzoek uitgelicht en werkt op de afdeling Onderzoek en educatie van het Nationaal Comité 4 en 5 mei. Aan de Universiteit Gent werkt ze aan een proefschrift over herdenkingstheater.


Foto bovenaan artikel

Scène uit Gharib. Fotograaf: Bart Grietens.