In 2008 publiceerde het NIOD het boek Oorlog op vijf continenten, dat de WO2-herinnering in een breder, internationaal kader wilde plaatsen. Nu, achttien jaar later, kijken de auteurs samen met Monique Brinks terug. Wat heeft het boek in hun ogen teweeggebracht en wat staat er nog te doen als het gaat om verbreding van het Nederlandse blikveld?
Een voetbal en een krans
Op 4 mei 2003 ging in Amsterdam een groep voetballende jongeren met een Marokkaanse migratieachtergrond aan de haal met herdenkingskransen. Nederland reageerde geschokt. Maar waar veel commentatoren stil bleven staan bij de onrust zelf, zagen anderen een dieperliggende vraag. Namelijk: hoe kan een samenleving met steeds meer mensen wier wortels elders liggen, een gedeelde herinneringscultuur onderhouden als dat collectieve geheugen vooral het verhaal is van één groep?

Van links naar rechts: Kees Ribbens, Joep Schenk en Martijn Eickhoff. Bron: NIOD, Universiteit Utrecht, Robin Alysha Clemens.
Het instituut voor multiculturele ontwikkeling FORUM vroeg het NIOD hierna om onderzoek. Dat leidde in 2004 tot een eerste, bescheiden publicatie. Mede op initiatief van het ministerie van VWS verscheen vier jaar later het grotere vervolg: Oorlog op vijf continenten, geschreven door Kees Ribbens, Joep Schenk en Martijn Eickhoff.1 In dit boek beschreven zij de WO2-ervaringen van acht landen die samen het herkomstgebied vormen van een groot deel van de naoorlogse immigranten in Nederland: China, Marokko, Suriname, de Nederlandse Antillen, Joegoslavië, de Sovjet-Unie, Indonesië en Turkije. Geen vergelijkende studie maar een panorama, bedoeld om zichtbaar te maken dat de Tweede Wereldoorlog voor verschillende gemeenschappen verschillende betekenissen had en dat dat ertoe doet als je samen herdenkt. Achttien jaar later blijkt de koloniale context – met name rond Indonesië – de meest zichtbaar veranderde lijn. Maar het boek schetste een veel breder perspectief: ook de WO2-ervaringen van China, Joegoslavië of de Sovjet-Unie vallen buiten het Nederlandse blikveld.

De cover van Allochtonen van nu & de oorlog van toen. Bron: Bohn Stafleu van Loghum.
Pionieren
Als je de drie auteurs vraagt wat het boek primair was, is het antwoord eensgezind: geen historiografisch statement, maar een publieke interventie. “Het idee was dat de Tweede Wereldoorlog – en de herinnering eraan – misschien niet vanzelfsprekend is voor allerlei relatief nieuwe groepen in de samenleving”, zegt Ribbens. “We hebben een panorama geboden van de variatie in oorlogservaringen en tegelijkertijd de vraag opgeworpen: hoe vanzelfsprekend is het Nederlandse verhaal eigenlijk?”
Eickhoff typeert het als bevrijdend: “Je merkt dat je ingekapseld bent. We werden zelf geconfronteerd met ons gebrek aan kennis. We hebben onszelf in die zin ook gecorrigeerd.” Schenk, die hoofdstukken schreef over Suriname, de Antillen, Marokko en Turkije, is even duidelijk: “Ik was niet belast met enige voorkennis. Alles wat ik leerde, corrigeerde mijn beeld van de Tweede Wereldoorlog.”
Het was in 2008 serieus pionieren. Nederlandstalige literatuur over de WO2-ervaringen in China of Marokko was er nauwelijks. Het boek werd positief ontvangen, ook omdat het geschiedenissen zichtbaar maakte die eigenlijk niemand goed kende. Het boek bereikte een breder publiek dan verwacht. Eickhoff werd aangesproken door mensen die het lazen als eyeopener. Dat waren niet zozeer mensen met een migratieachtergrond maar autochtone Nederlanders, die voor het eerst kennismaakten met het oorlogsverhaal vanuit een Turks of Chinees perspectief en zich zo realiseerden dat dit perspectief überhaupt bestond.

De cover van Oorlog op vijf continenten. Bron: Uitgeverij Boom
Trage integratie
Achttien jaar later ziet het herdenkingslandschap er voor een deel anders uit. De term ‘meerstemmigheid’, die in 2008 niet eens werd gebruikt in het boek – men sprak van “perspectieven verbreden” – is nu gemeengoed. Global history is academisch mainstream. Sinds 2022 herdenkt het Nationaal Comité 4 en 5 mei op de Dam expliciet ook de slachtoffers van de koloniale oorlog in Indonesië, een besluit dat niet zonder strijd tot stand kwam. De koloniale context van WO2 heeft een plek gekregen in het publieke debat, gestimuleerd door Black Lives Matter en de hernieuwde belangstelling voor Anton de Kom.
Maar het koloniale verhaal blijft vaak een aanvulling en dreigt bovendien vooral een Nederlands verhaal te blijven: over hoe Nederland zich verhoudt tot zijn eigen verleden. De vraag wat het Indonesische of Surinaamse perspectief zelf inhoudt, los van die Nederlandse positiebepaling, komt minder makkelijk aan bod. “De kritiek op het eurocentrisme als het over de Tweede Wereldoorlog gaat, heeft niet zo veel voeten aan de grond gekregen”, zegt Eickhoff. “Als ik naar de boekentafel bij het NIOD kijk, gaat het grotendeels over Europa.” Ribbens stelt: “Ik geloof niet dat er al een geïntegreerd geschiedbeeld is waarin de Tweede Wereldoorlog en de koloniale oorlog in Indonesië echt samenkomen.” Eickhoff illustreert hoe fundamenteel de omslag is die gemaakt moet worden met een detail uit zijn eigen praktijk: van de Indonesische historicus Bambang Purwanto leerde hij niet langer te spreken van ‘Nederlands-Indië’ als vanzelfsprekend vertrekpunt, maar van ‘de Indonesische archipel ten tijde van Nederlands-Indië’. Deze andere bewoording biedt een andere lens, die ruimte schept voor andere perspectieven.
Ribbens signaleert dat de trage integratie ook nog eens plaatsvindt in een tijd waarin steeds meer mensen niet ontvankelijk lijken te zijn voor verbreding van wie en wat herdacht wordt. Maatschappelijke polarisatie zie je inmiddels ook terug in hoe we herdenken. “Er zijn mensen die openstaan voor een bont geheel aan uiteenlopende herinneringen. En er zijn mensen die vasthouden aan nationale kaders en een overzichtelijk verhaal, waarbij een eenduidig narratief belangrijker wordt geacht dan de feitelijke onderbouwing van dat beeld”, aldus Ribbens. Die groepen staan nu scherper tegenover elkaar dan in 2008. Oorlog op vijf continenten verscheen in een politiek klimaat waarin PVV’er Martin Bosma het op de radio als een overbodige exercitie beschouwde, zo herinnert Ribbens zich, want al die andere landen “deden er in zijn optiek absoluut niet toe”. Schenk voegt toe dat Bosma het ook “multiculturele geschiedvervalsing” noemde. Die spanning is sindsdien niet verdwenen. Toch vindt Ribbens het zinvol om als historicus publiekelijk stelling te blijven nemen: “Andere stemmen die pleiten voor blikverbreding kunnen wel wat steun gebruiken.”
Verschuiving in taal
Het gesprek over het boek raakt ook aan de taal ervan. In Oorlog op vijf continenten staan woorden die inmiddels als problematisch of verouderd gelden: ‘zigeuner’, ‘bosneger’, ‘allochtoon’. Eickhoff is er direct over: “Dat verbaast me eerlijk gezegd. We hadden dat toen echt wel in beeld.” Ribbens nuanceert: “Inderdaad zou de hedendaagse sensibiliteit leiden tot andere keuzes. Maar ‘allochtoon’ had ook iets pragmatisch: je kon er snel mee duidelijk maken waar je het accent legde.”
Die verschuiving in taal zegt iets groters. De concepten waarmee historici werken, zijn zelf historisch geworden. Het besef dat archieven en musea niet neutraal zijn, dat kennis geconstrueerd wordt binnen machtsstructuren, wint terrein onder studenten en jonge onderzoekers. “Maar of dat buiten die kring even breed leeft,” zegt Eickhoff, “durf ik eigenlijk niet te zeggen.”
Juist die verbreding maakt de positie van de historicus ingewikkelder. Eickhoff deed in mei 2025 als NIOD-directeur voor het eerst uitspraken over ‘genocidaal geweld’ in Gaza; de reacties waren fel. Eickhoff reflecteert: “Als je vanuit integriteit, zelfreflectie en empathie die thema’s aansnijdt én openstaat voor dialoog, dan kan het gebeuren dat je merkt dat dit mensen pijn doet. Dat is part of the deal. Als je dat uit de weg gaat, kom je in een heel klein, ingekapseld hoekje.” Geen pleidooi voor provocatie, wel voor het bewust bewonen van een ongemakkelijke positie.
Versie 2.0
De auteurs zijn het erover eens dat een versie 2.0 er fundamenteel anders uit zou zien. Het nationale kader – land per land, hoofdstuk per hoofdstuk – zou losgelaten worden. In plaats ervan: entangled histories, verhalen die elkaar raken en daarmee alle veranderen. “Het mooiste is als verhalen niet naast elkaar staan, maar elkaar raken, want dan krijgen ze een andere lading,” zegt Eickhoff. “Dat zou ons uitgangspunt zijn.”
Dat zou ook betekenen: niet meer alleen schrijven óver die gemeenschappen, maar samen mét hen. Schenk constateert dat de begeleidingscommissie destijds “merendeels witte Nederlandse mannen” waren. Schenk herkent dat ongemak ook in zijn eigen werk: bij een later artikel over Anton de Kom stelde hij zichzelf de vraag of hij wel de juiste persoon was om dat te schrijven. Zijn conclusie: ja, als historicus is het juist je taak om ook over mensen met een heel andere achtergrond te schrijven, maar dan wel met expliciete zelfreflectie op je eigen positie. “Nu zouden we voor zo’n hoofdstuk iemand uit de herkomstgemeenschap vragen”, zegt Eickhoff. “Of je doet het samen.” Ribbens oppert ook een heel andere invalshoek: niet landen als uitgangspunt, maar de mensen die tijdens de oorlog al in Nederland woonden en de wereldgeschiedenis in hun eigen leven droegen. Hij vertelt over een Japanner in Nederland die een Duitse soldaat ingekwartierd had, die op een gegeven moment fataal van de trap viel. Of over Surinaamse mannen die zich ineens in uniform in Australië bevonden. “Dit is de wereldgeschiedenis in een notendop”, zegt Ribbens. “Zulke verhalen zijn er. Je moet ze alleen willen zoeken en ze als vertrekpunt nemen, niet als curiosum.”
De werktitel voor zo’n 2.0-versie die in het gesprek valt, zegt misschien het meest: Oorlog en dekolonisatie op vijf continenten. Schenk legt uit waarom die koppeling onvermijdelijk is: voor gekoloniseerde samenlevingen als Suriname, Marokko en Indonesië was de Tweede Wereldoorlog geen opzichzelfstaand conflict, maar onderdeel van een veel langere geschiedenis van strijd en onderdrukking. Die context geeft de oorlog in die herinneringsculturen een heel andere rol in de identiteitsvorming en rechtvaardigt daardoor de keuze voor een andere titel.

Omslag van De lange Tweede Wereldoorlog. Nederland 1940-1949. Bron: Uitgeverij Balans.
De vraag die overblijft
De Tweede Wereldoorlog als moreel ijkpunt staat onder druk. Ribbens: “Zeker sinds 7 oktober, maar vooral sinds de Israëlische inval in Gaza, wordt er door steeds meer mensen getwijfeld. Mensen vragen zich af of je de Holocaust kunt herdenken zonder daar consequenties aan te verbinden ten opzichte van het optreden van Israël.” Eickhoff ziet daarin ook de kracht van het boek die nog niet volledig benut is: “Door dit gesprek realiseer ik me dat dit boek in zekere zin de potentie heeft om die uiteenlopende morele kaders bij elkaar te brengen, omdat het verbonden geschiedenissen zijn.”
Die verbinding is precies waar in 2008 op werd ingezet en die nog steeds niet is afgerond. Een gedeeld verhaal over de Tweede Wereldoorlog kun je niet afdwingen, zegt Eickhoff, en dat moet je ook niet willen. “Maar je kunt verschillende geschiedenissen wel bevragen, met elkaar verbinden en het aantrekkelijk maken je daarin te verdiepen.” Hij noemt Peter Romijns De lange Tweede Wereldoorlog (2020) als voorbeeld van hoe dat kan: een boek dat bezetting en dekolonisatie verbindt en veel mensen bereikt. Fragmentatie ontstaat niet door meerstemmigheid, maar door het loslaten van context. “Elke tijd en elk publiek stelt zijn eigen vragen aan de geschiedenis”, staat er ergens in Oorlog op vijf continenten. Die zin klopt nog steeds, ook als hij nu meer wringt dan toen.
Over de auteur

Monique Brinks. Fotograaf: Ton Bennemeer Fotografie.
Over de auteur
Monique Brinks werkt als senior Publiek & Innovatie bij Stichting WO2Net. Dit artikel is gebaseerd op een interview met Kees Ribbens, Martijn Eickhoff en Joep Schenk, gehouden op 27 maart 2026.
Noot
[1] Martijn Eickhoff is anno 2026 directeur van NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies, Kees Ribbens is senior onderzoeker bij datzelfde NIOD en Joep Schenk is universitair docent Geschiedenis van de Internationale Betrekkingen aan de Universiteit Utrecht.
Foto bovenaan artikel
Surinaamse soldaten op weg naar Australië. Bron: Beeldbank WO2 – NIOD.