In zijn herdenkingstoespraak op 15 augustus 2025 sprak koning Willem-Alexander over “twee miljoen Nederlanders met een verbinding met voormalig Nederlands-Indië”. Het is een getal dat al enige tijd rondzingt, maar waar komt het vandaan? En wat zegt het over de plek die ons koloniale verleden in ons collectieve geheugen inneemt?
Wat koning Willem-Alexander tijdens de Nationale Herdenking 15 augustus met het noemen van het getal van twee miljoen waarschijnlijk wilde uitdrukken, is dat ons koloniale verleden in Indonesië iets van ons allemaal is, en dat een grote groep Nederlanders een lijntje met die geschiedenis heeft liggen. Met zijn uitspraak vertolkte de koning een sentiment dat in opmars lijkt te zijn. Het is immers nog niet heel lang geleden dat dit koloniale verleden juist in een hoekje zat weggestopt, als iets waar alleen de Indische gemeenschap zich mee bezighield, en een enkele wetenschapper.
Maar zo nieuw als het sentiment is, zo relatief nieuw is ook dat getal van twee miljoen. Waar komt dat getal eigenlijk vandaan? Wie worden eronder geschaard? Waarom wordt het zo gretig omarmd? En wat zegt dat over de nieuwe plek die het koloniale verleden inneemt in ons collectieve bewustzijn?

Militairen uit Amersfoort gaan aan boord voor een reis naar Indonesië, 1949. Bron: Nationaal Archief / Fotocollectie Anefo / Publiek domein.
“Indisch bloed”
De eerste keer dat het getal van twee miljoen viel is in 1999, in een artikel dat Het Parool wijdde aan het toen in oprichting zijnde Indisch Huis (een voorloper van het huidige Indisch Herinneringscentrum):
De Indische gemeenschap in Nederland bestaat uit naar schatting twee miljoen mensen. Van de eerste generatie, die de oorlog op volwassen leeftijd heeft meegemaakt, zijn er nog zo’n honderdduizend in leven. De tweede generatie Indische mensen is veel groter; deze wordt op ruim een half miljoen geschat. Bij de derde en volgende generaties zou het volgens schattingen van de stichting wel eens om meer dan een miljoen mensen kunnen gaan. Daarnaast bestaat er een grote groep Nederlanders die niet tot de Indische groep wordt gerekend, maar wier (voor-)ouders in Nederlands-Indië hebben gewoond en gewerkt, of er als militair hebben gediend.1
Waar de twee miljoen vandaan kwam, of waar het Indisch Huis zich op baseerde, is niet bekend. De eerstvolgende keer dat het getal opduikt is pas weer op 15 augustus 2010, in een interview dat toenmalig NIOD-onderzoeker Peter Post aan het Algemeen Dagblad gaf.2 Daarin zei hij te schatten dat er tussen de anderhalf en twee miljoen mensen “met Indisch bloed” in Nederland woonden. Ook hij rekent dus niet de militairen mee, en ook hij lijkt het over alle generaties te hebben.
Tussen 1999 en 2010 leek de vraag hoeveel Indische Nederlanders er in Nederland woonden vooral een bedaagde vraag voor demografen. Een studie van het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI) uit 2002 komt lager uit dan het Indisch Huis en Post, namelijk op circa een half miljoen Indische Nederlanders in Nederland. Het Indisch Huis rekende alle generaties mee, het NIDI alleen de eerste en de tweede generatie. Dat verklaart echter niet het grote verschil – het Indisch Huis noemt alleen al voor de tweede generatie ruim een half miljoen, dus evenveel als het totaalgetal voor eerste én tweede generatie van het NIDI.
Gevoelsband
Interessant aan de NIDI-studie is dat een ‘demografische reconstructie’ ook vraagt om een precieze definitie. Wie hadden de onderzoekers eigenlijk op het oog? Zij telden in de eerste plaats alle nog levende mensen met de Nederlandse nationaliteit die in 1945 in Indonesië verbleven. Daarnaast rekenden ze de mensen mee die in deze periode in Nederland verbleven, maar ter wereld waren gekomen in Nederlands-Indië/Indonesië, en de kinderen van deze groep mensen. Tot slot rekenden de onderzoekers nog groepen mee die in 1945 niet de Nederlandse nationaliteit hadden, maar die nationaliteit in de maalstroom van de Indonesische onafhankelijkheid (uiteindelijk) wel verkregen, zoals Molukkers.
De onderzoekers van het NIDI komen zo voor het jaar 2001 via een demografische reconstructie uit op 458.000 in Nederland woonachtigen die onder de hierboven genoemde groepen vallen. Daar zouden nog de 20.000 mensen bij opgeteld kunnen worden die volgens het NIDI vielen in de categorie ‘(kinderen van) Indonesiërs zonder speciale gevoelsband met Nederland’, en die ze daarom niet tot de ‘Indische Nederlanders’ wilden rekenen, maar die wel voldoen aan het in het hier en nu losjes gehanteerde criterium van het hebben van ‘een band met voormalig Nederlands-Indië’.

1975: Aanhangers van ir. Johan Manusama, president in ballingschap van de Republiek der Zuid-Molukken, vieren het 25-jarig bestaan van de Republiek der Zuid-Molukken in Den Haag. Bron: Nationaal Archief / Fotocollectie Anefo / Publiek domein.
Het hanteren van het criterium van ‘een gevoelsband’ leidt natuurlijk tot een problematische categorisering. Dit komt nog sterker naar voren als we kijken naar een andere subcategorie uit het NIDI-rapport. De groep Indische Nederlanders die tijdens de Tweede Wereldoorlog in Nederland verbleef wordt in grote delen van het rapport namelijk versmald tot een groep die ‘katjangs’ genoemd wordt. Voor de onderzoekers zijn dat de 15- tot 30-jarigen die in 1945 al in Nederland waren. In de praktijk kwam dat vooral neer op jonge mensen die hier voor studie of scholing verbleven. Het woord ‘katjang’ duidt echter ook op een verhuld raciaal criterium. Het betekent ‘pinda’, geldt als pejoratief voor Indisch, en maakt de ‘gevoelsband’ tot iets dat bij uiterlijk en kleur hoort. De leeftijdsgrens was bedoeld om een andere groep gescheiden te houden, namelijk personen die in Indonesië geboren waren of daar langere tijd hadden gewoond. Het is een scheidslijn die precies samenvalt met de rassenlijnen die in de koloniale samenleving getrokken werden: als witte koloniaal kon je altijd weer opgaan in het witte Nederland, maar als je huidskleur dat onmogelijk maakte bleef je ‘Indisch’, ook in Nederland.
Indië-veteranen
Wie heeft er gelijk? De aantallen die worden genoemd, lopen sterk uiteen. Wie de aantallen die het Indisch Huis in 1999 noemt nog uitbreidt met de wel genoemde maar niet meegerekende groepen zoals militairen, komt zelfs ruim boven de twee miljoen uit. Daar komt het NIDI bij lange na niet aan, terwijl hun schatting – op basis van een demografische reconstructie – wel veruit de betrouwbaarste is. Op het eerste gezicht lijkt het er daarom op dat het aantal van twee miljoen wat opgeblazen is. Toch is het interessant de getallen nog eens na te lopen om te kijken op welke orde van grootte het NIDI was uitgekomen als het wél de jongere generaties en de niet-meegerekende groepen zoals militairen had meegenomen.
Laten we beginnen met die vraag wie je meerekent bij de ‘oergroep’ van de naoorlogse jaren. Het NIDI hanteerde al een brede definitie van ‘Indische Nederlanders’, en rekende daartoe bijvoorbeeld ook Molukkers en anderen die in 1945 niet (noodzakelijkerwijs) de Nederlandse nationaliteit hadden. Maar de groep die ‘een band met voormalig Nederlands-Indië’ heeft is natuurlijk nog groter dan dat, want daar vallen ook nog de Nederlandse militairen onder die in de periode ’45-’49 in Indonesië hebben gevochten. Dat zou in totaal 140.000 personen betreffen, als we de Nederlandse militairen van het KL en de KM meerekenen (en het KNIL buiten beschouwing laten, vanuit de aanname dat KNIL-militairen die naar Nederland kwamen al in de ‘oergroep’ van het NIDI meegerekend zijn). Met deze toevoeging zou de groep van de eerste generatie zo’n anderhalf keer groter worden.
Zou die groep Indië-veteranen zijn toegevoegd aan het aantal dat het NIDI hanteert voor 1946 en naar rato zijn meegegroeid, dan zou het totaal voor 2002 richting de 700.000 personen kruipen.3 Let wel, dat is natuurlijk geen getal waarop je uitkomt via een echte demografische reconstructie, maar het geeft een indicatie van de orde van grootte waaraan je kunt denken. Dit aantal hoort dan bij de groep met ‘een verbinding’ met Indië/Indonesië in de brede definitie zoals die nu de ronde doet, maar daarvan alleen maar de eerste en tweede generatie.

Pasar Malam in de Houtrusthallen in Den Haag, 1975. Bron: Nationaal Archief / Rob Bogaerts / Fotocollectie Anefo / Publiek domein.
Eén, twee, drie of vier generaties
Ander punt is die generatiekwestie. Het maakt natuurlijk veel uit of je de derde en vierde generaties meerekent of niet. De NIDI-studie uit 2002 richtte zich alleen op de eerste en tweede generatie. Wie grootouders heeft die in Indonesië geboren zijn, vindt zichzelf daarmee dus niet terug in de statistieken, terwijl diegene zich best als Indisch kan identificeren, en zeker voldoet aan het losse criterium van ‘een band met voormalig Nederland-Indië’. Dit gaat bijvoorbeeld om de vele families van gemengde afkomst die al voor de oorlog in Nederland woonden, en die dus niet in de NIDI-cijfers vertegenwoordig zijn.
Zou je die jongere generaties ook meerekenen, dan kom je uiteraard op een hoger aantal uit. De berekening die hiervoor nodig is, is complexer. Er moet niet alleen rekening gehouden worden met het gemiddeld aantal kinderen, maar ook met het aantal ‘gemengde huwelijken’.
Wie uitgaat van een geboortegetal van 1,5 – een hoogte waar het in Nederland al een tijd rond zit – en een percentage van 65% voor gemengde huwelijken (het percentage dat in de NIDI-studie ook gebruikt werd), kan berekenen dat er uiteindelijk zo’n 580.000 leden van de derde generatie zullen zijn, en 700.000 van de vierde generatie. Ook dit is uiteraard een berekening waar geen demograaf in mee kan gaan, want hij houdt met veel factoren geen rekening en is niet meer in de tijd geplaatst.
Wat je hieruit wel kunt afleiden, is dat het totaal aantal mensen ‘met een verbinding met Nederlands-Indië/Indonesië’, van alle generaties, op deze manier goed richting de 2 miljoen zou kunnen zijn gegaan, ergens in de jaren tussen 2002 en nu.4 Twee miljoen lijkt op basis hiervan nog steeds aan de hoge kant, maar zeker niet zo opgeblazen als in eerste instantie misschien gedacht kan worden.
Bovendien kom je via andere wegen ook tot zulke aantallen. In het Nationaal Vrijheidsonderzoek, een enquête die het Nationaal Comité 4 en 5 mei jaarlijks laat uitvoeren, werden de respondenten in 2022 gevraagd aan te geven op welke mogelijke manieren zij een band met Nederlands-Indië/Indonesië hadden, volgens dezelfde brede definitie als hierboven. Het kwam neer op 11% van de respondenten, die als representatieve steekproef van de Nederlandse populatie gelden. Extrapoleren we dat naar de totale bevolking, dan zou het om net iets minder dan 2 miljoen mensen gaan. Hoewel ook dit niet door kan gaan voor meer dan een hele grove schatting, zit het aardig in de buurt van de twee miljoen (met de aantekening dat we inmiddels ruim twintig jaar verder zijn).

Koningin Beatrix onthult het Indisch Monument in Den Haag, 15 augustus 1988. Bron: Nationaal Archief / Rob Croes / Fotocollectie Anefo / Publiek domein.
De popularisering van het getal
De popularisering van het getal van twee miljoen lijkt echter weinig van doen gehad te hebben met demografische schattingen. Nadat Peter Post het getal in 2010 noemde in het Algemeen Dagblad, dook het namelijk al snel vaker op en ging het een eigen leven leiden, resulterend in de brede bijval die het getal vandaag vindt. Dat ging stap voor stap. In 2014 bijvoorbeeld ontving theatermaker Bo Tarenskeen een stipendium om een theatertekst uit te werken over de gedwongen migratie uit Indonesië en de doorwerking hiervan, waarbij het aantal van twee miljoen ook weer genoemd werd. Bij de Indië-monologen, de bekende theaterproductie die hier in 2018 uit voortkwam, idem dito.
In 2016 haalde de toenmalig voorzitter van Stichting 15 augustus 1945, Erry Stoové, het aantal van twee miljoen aan in een aantal interviews. Daarin liet hij ook zien hoe breed de definitie kon zijn, door ook vriendschappen mee te rekenen: “Er zijn in Nederland 2 miljoen mensen die op de een of andere manier iets met Indië en Indonesië hebben via familieverbanden, aantrouwen, vriendschappen. De herdenking op 15 augustus moet van die 2 miljoen mensen worden.”
Het noemen van vriendschappen lijkt een klein detail, maar laat misschien wel goed zien waar het Stoové en anderen om te doen was. Niet om de discussie hoe groot de Indische gemeenschap nou precies is, of om de vraag waar precies de scheidslijnen liggen. Eerder om het tegenovergestelde: laten zien dat die lijnen niet scherp te trekken zijn en dat de Indische gemeenschap verweven is met de rest van Nederland.
Inmiddels omarmt ook bestuurlijk Nederland het getal, in toespraken en in rapporten. De commissie-Bussemaker, die zich boog over de plek die het koloniale verleden inneemt in het onderwijs, schreef in 2023 in haar rapport: “Zo’n twee miljoen Nederlanders hebben een persoonlijke band met wat ooit Nederlands-Indië was en na een heftige strijd Indonesië werd. Die band is buitengewoon divers en kan teruggaan tot een ver koloniaal verleden, tot ervaringen tijdens de Tweede Wereldoorlog in Nederlands-Indië, de bersiap-periode, de onafhankelijkheidsoorlog en uiteindelijk de overdracht van Nieuw-Guinea.”

Indonesische markt Pasar Malam in Amsterdamse RAI, 1974. Bron: Nationaal Archief / Hans Peters / Fotocollectie Anefo / Publiek domein.
Koloniale logica
De vraag die overblijft is waarom het getal van twee miljoen in zulke vruchtbare aarde lijkt te vallen. Dat de verbinding met voormalig Nederlands-Indië zo benadrukt wordt, laat zien dat dit verleden een belangrijker onderdeel van het collectieve geheugen aan het worden is. Want als de Indische gemeenschap verweven is met de rest, is de koloniale geschiedenis dat ook. Dat deel van het verleden is dan ook een onderdeel aan het worden van de geschiedenis zoals die op scholen en in de media verteld wordt – het is een gedeelde geschiedenis.
Het getal van twee miljoen zegt daarmee vooral iets over wat degenen die het gebruiken willen uitdragen. Dat wordt vooral duidelijk als je in een gedachte-experiment kijkt naar hele andere groepen uit de Tweede Wereldoorlog. Die worden niet op dezelfde manier besproken. Zo waren er tijdens de Tweede Wereldoorlog in Nederland zo’n 70.000 NSB-leden. Met dat deel van de geschiedenis zouden volgens dezelfde demografische logica nu zo’n miljoen mensen verbonden moeten zijn. Maar collaboratie wil maar moeilijk onderdeel worden van het collectieve zelfbeeld. In herdenkingstoespraken wordt zelden benadrukt dat een fout WO2-verleden iets van ons allemaal is (al zou je prima kunnen betogen dat de Nederlandse herinneringscultuur een inhaalslag te maken heeft als het aankomt op reflectie over daderschap).
Indonesië en voormalig Nederlands-Indië worden daarentegen wel in toenemende mate als ‘van ons allemaal’ gezien. Dat blijkt ook uit de brede en losse definities die er door verschillende spelers gehanteerd wordt. Kind van de rekening in deze ontwikkeling is de serieuze demografie, die vervangen is door grove schattingen die een ander doel dan voorheen dienen. Dat is op zich niet erg, zeker niet zolang er genoeg kritische meeluisteraars zijn die af en toe een kanttekening maken bij de hoogte van een schatting. Maar demografische studies hebben één belangrijk neveneffect dat ook verdwijnt. Wie precies telt, is namelijk ook gedwongen precies te zijn over wie of wat er geteld wordt.
Dat levert niet per se een fraai beeld op. Dat de NIDI-onderzoekers in 2002 met hun categorisering een echo van het koloniale rassendenken lieten horen is kwalijk. Maar ze moesten daar omwille van hun demografische metier tenminste wel open over zijn, of konden het hoogstens achter een eufemistische term als katjang laten schuilen.
Maar wie de precisie van demografen achter zich laat – en dat gebeurt, nu het getal van twee miljoen als algemeen geaccepteerd de ronde doet – verliest ook die openheid over de gebruikte categorisering. Dat betekent dat ook de doorwerking van koloniale logica over de vraag wie erbij hoort en wie niet, weer ondergronds kan gaan. Nu het koloniale verleden in toenemende mate ‘van ons allemaal’ is, maakt dat reflectie op wat we eigenlijk verstaan onder het hebben van ‘een verbinding met voormalig Nederlands-Indië’ alleen maar belangrijker. Niet om koppen te tellen, maar om het koloniale verleden en de doorwerking daarvan goed in beeld te krijgen.
Over de auteur

Matthijs Kuipers
Over de auteur
Matthijs Kuipers is historicus en werkt als onderzoeker en beleidsadviseur bij het Nationaal Comité 4 en 5 mei. Hij maakt deel uit van de redactie van WO2 Onderzoek uitgelicht.
Noten
1 Edith van Zalinge, ‘Vanuit Indisch perspectief’. Het Parool, 7 juni 1999.
2 Algemeen Dagblad, 15 augustus 2010.
3 Het NIDI schat het aantal Indische Nederlanders op 1 januari 1946 als volgt in. Ze gaan uit van 254.000 personen in Nederlands-Indië met de Nederlandse nationaliteit die uiteindelijk naar Nederland zijn gemigreerd en 34.000 personen die op dat moment al in Nederland waren (de ‘Katjangs’). Dat zijn in totaal 288.000 personen, door de NIDI-onderzoekers aangeduid als de ‘oerpopulatie’ Indische Nederlanders, waarbij bijvoorbeeld groepen die later de Nederlandse nationaliteit verkregen (zoals met name Molukkers) nog niet meegerekend zijn (p. 51). In 2001 bestond het aantal Indische Nederlanders volgens het NIDI-rapport uit 458.000 personen (p. 91). Dat getal is echter wel inclusief Molukkers, zij die ‘geen speciale gevoelsband met Nederland’ hebben en de ‘vergeten groepen’ (geboren in Nederlands-Indië, tijdens de oorlog in Nederland, en niet onder de groep ‘katjangs’ vallend). Trekken we die groepen er weer af, dan komen we op ca. 423.000 personen. De groei van de ‘oerpopulatie’ tussen 1946 en 2001 komt dan neer op 423.000/288.000, oftewel ca. 1,47. Hanteren we die factor ook voor de groei van de 140.000 militairen – wat in werkelijkheid natuurlijk niet precies zo is, aangezien voor deze groep andere parameters zullen gelden – dan zouden er in 2001 ca. 206.000 nog in leven zijnde militairen of ‘kinderen-van’ moeten zijn. Het totaalgetal van het NIDI voor 2001, dit keer inclusief alle bovengenoemde groepen zoals Molukkers, komt neer op 498.000 (p. 91). Tellen we daar de militaire groep bij op, dan komt het totaal in 2001 op ca. 704.000.
4 Als we uitgaan van de eerder in dit artikel genoemde 700.000 leden van de eerste en tweede generatie Indische Nederlanders, Molukkers en militairen, en daar de 580.000 en 700.000 bij optellen, komen we op ca. 1,9 miljoen uit. Dat getal houdt geen rekening meer met sterfte, terwijl niet alle leden van de derde en vierde generatie al geboren zullen zijn terwijl er niemand van de eerste en tweede generatie overlijdt. Dit getal moet, nog los van alle andere grove onzekerheden in mijn berekening, daarom gezien worden als een theoretische bovengrens.
Foto bovenaan artikel
De koning in 2025 tijdens de Nationale Herdenking 15 augustus 1945 in Den Haag. Fotograaf: Ilvy Njiokiktjien.