Nooit meer –  voor wie? Lotfi El Hamidi en de grenzen van het Nederlandse geheugen

Boekbespreking

door Somer Al Abdallah – 25 mei 2026

Mag je gebeurtenissen in de Tweede Wereldoorlog vergelijken met oorlogshandelingen en -leed in het heden, ergens anders op de wereld? In Stakkers en wolven analyseert Lotfi El Hamidi het “mijnenveld” van de Nederlandse herinneringscultuur. Het blijkt vooral een kwestie van wíé bepaalde verbanden mag leggen.

In 2018 stond ik op 4 mei in Noordwijkerhout om samen met mijn nieuwe buren de doden van de Tweede Wereldoorlog te herdenken. Ik was uitgenodigd omdat ik uit Aleppo kom, uit een stad die toen nog in oorlog was. Ik zei wat ik op dat moment ervoer: dat de beelden in mijn hoofd heen en weer schoten van het gebombardeerde Aleppo naar het verwoeste Rotterdam. Dat oorlog zich niet keurig houdt aan één land of één periode. Niemand vond dat ongepast. Toen ik jaren later Stakkers en wolven van Lotfi El Hamidi las, vroeg ik me af: zou ik dat vandaag de dag nog kunnen zeggen?

Aleppo in 2017 (links) en Rotterdam in 1940 (rechts). Bron: Aleppo: Foreign and Commonwealth Office op Wikimedia Commons (OGL v1.0) – Rotterdam: Museum Rotterdam op Wikimedia Commons (CC BY-SA 3.0).

Historicus en journalist El Hamidi, tot voor kort chef Opinie bij NRC, kwam voor precies datzelfde dilemma te staan. Begin 2024 hield hij de Hoflandlezing, die jaarlijks georganiseerd wordt ter herdenking van het bombardement op Rotterdam. De parallel met Gaza lag dat jaar voor het grijpen, want “natuurlijk gaan de bombardementen op Gaza ook over Rotterdam en vice versa”, schrijft hij in Stakkers en wolven. Maar hij sprak dit bewust niet uit. Deels omdat zijn positie bij de krant betekende dat zijn woorden onvermijdelijk zouden afstralen op dat instituut. Deels ook omdat “de Nederlandse herdenkingscultuur een heus mijnenveld is [waar] welke parallellen getrokken mogen worden nauw luistert, zoals het ook uitmaakt wie de afzender is”.

Stakkers en wolven. Bron: Uitgeverij Pluim.

Domicide

Stakkers en wolven focust op meer dan de Nederlandse herdenkingscultuur alleen – de PVV-zege, de Maccabi-rellen, Rotterdam, Mekka – maar raakt telkens aan de vraag wie er mag meepraten wanneer Nederland terugblikt op de oorlog. In het hoofdstuk ‘Stenen tranen’ doet El Hamidi wat hij in 2024 op het podium naliet. Hij trekt de lijnen door, van het bombardement op Guernica in 1937 via Warschau en Rotterdam tot aan de bombardementen van vandaag. Zijn sterkste instrument in het maken van die doorlopende lijn is het begrip ‘domicide’: het moedwillig vernietigen van huis en haard, van de ruimtes waar levens worden geleefd en herinneringen ontstaan. Hij haalt schrijver en journalist Henk Hofland aan, die beschreef hoe met het Rotterdamse bombardement niet alleen een stad maar ook 650.000 individuele leefwerelden werden verwoest. Hij haalt dichter J.C. van Schagen aan, die in een kelder van het Rotterdamse stadhuis schuilend schreef: “De slagen, de slagen, en dan het donderbreuken van ’t beton.” Het zijn regels die moeiteloos bij hedendaagse bombardementen herhaald kunnen worden. Over Zadkines De verwoeste stad schrijft hij dat deze in elke verwoeste stad had kunnen staan. Als steden konden huilen, lieten ze allemaal dezelfde stenen tranen.

De ruïnes van Guernica in 1937. Bron: Fotograaf onbekend / Wikimedia Commons (Publiek domein).

Zo stelt El Hamidi in dit hoofdstuk de vraag die de herinneringscultuur nog niet heeft beantwoord: is ‘nooit meer’ een universele morele belofte, of een cultureel en geografisch afgebakende boodschap? In het hoofdstuk ‘Slachtoffers van de slachtoffers’ laat El Hamidi zien dat het hierbij niet alleen een kwestie is van wat we herdenken, maar ook van wie de verbanden mag leggen. Aan de hand van het werk Permission to Narrate van de Palestijns-Amerikaanse literatuurwetenschapper Edward Said, betoogt El Hamidi dat feiten pas beklijven als er een dragend verhaal omheen bestaat, en dat wie dat verhaal mag vertellen een kwestie van macht is. Hij focust daarbij op het Palestijnse narratief, dat het van meet af aan aflegde tegen een krachtiger Israëlisch ‘master narrative’ – het verhaal over Joodse wederopstanding na de Holocaust.

Maar de asymmetrie in wie het verhaal mag vertellen reikt nog verder, toont El Hamidi aan de hand van het werk van de Palestijns-Britse auteur Isabella Hammad: zelfs erkenning van onrecht kan de machtsverhouding bevestigen. Neem bijvoorbeeld de Amerikaanse auteur Ta-Nehisi Coates, die tot dan toe bekendstond om zijn werk over racisme in de VS. Wanneer hij de apartheid op de Westelijke Jordaanoever herkent als een kopie van de Jim Crow-wetten, is het niet de Palestijn maar de plots bekeerde buitenstaander die het podium betreedt als onverwachte held, terwijl de Palestijn de vernederende last heeft gedragen om zijn menselijkheid te bewijzen. Het is een mechanisme dat ook in de Nederlandse herinneringscultuur herkenbaar is: de ruimte om verbanden te leggen tussen verleden en heden is er wel, maar niet voor iedereen en niet op elk moment.

Onbeantwoorde vragen

Hier stuit het boek op een spanning die het niet volledig oplost – en die het juist waardevol maakt. El Hamidi erkent, in navolging van Holocaust-overlevende Imre Kertész, dat de Holocaust uniek is, “ingebed in twee millennia Europees-christelijke vervolging”, iets dat je van andere oorlogsmisdaden niet kunt zeggen. Tegelijkertijd betoogt hij via domicide en Zadkine dat alle verwoeste steden dezelfde tranen huilen. Hij kent de bezwaren: schrijver Robert Vuijsje vreest de “ontjoodsing” van 4 mei, Ben van der Velden noemt de permanente discussie over de inhoud van de Dodenherdenking een uniek Nederlands verschijnsel, en El Hamidi bekent dat hij eerder zelf in De Groene Amsterdammer waarschuwde voor een “catch all-herdenking” die aan betekenis verliest. Maar toch.

Dit geschipper van El Hamidi roept vragen op. Want als de Holocaust historisch uniek is, hoe kan zijn les dan toch automatisch overdraagbaar zijn op domicide elders? En als domicide universeel genoeg is om die les te dragen, wat blijft er dan over van de uniciteit van de Holocaust die hij erkent? El Hamidi oppert dat de Rotterdamse herdenking van 14 mei zich wellicht beter leent voor een ‘verbreding’ dan de Dodenherdenking. Maar de diepere vraag – of een herinneringscultuur de les van een oorlog kan universaliseren zonder de specificiteit te verliezen die haar gewicht geeft – blijft onbeantwoord.

De waarde van Stakkers en wolven ligt wat mij betreft juist daar: niet in een sluitend antwoord, maar in het blootleggen van een spanning die de Nederlandse herinneringscultuur niet heeft opgelost. Tussen een herinneringscultuur die ‘nooit meer’ beperkt tot een afgebakende Europese tragedie en eentje die alle oorlogsleed gelijkschakelt, bevindt zich het gesprek dat we nog niet goed hebben leren voeren. El Hamidi opent dat gesprek, en het feit dat hij het niet afsluit, is het bewijs dat de vraag groter is dan één boek kan bevatten.

Over de auteur

Somer Al Abdallah.

Somer Al Abdallah is een Syrisch-Nederlandse journalist en schrijver. Hij publiceert in diverse Nederlandse media over vluchtelingen, het Midden-Oosten en Syrië.


Foto bovenaan artikel

‘De Verwoeste Stad’ van Zadkine in Rotterdam. Bron: Rene Boulay op Wikimedia Commons (CC BY-SA 3.0).