Omgang met de Holocaust als inburgeringstoets

Analyse

door Pepijn de Koning – 25 mei 2026

In Nederland wordt antisemitisme steeds meer geframed als een ‘importprobleem’ van moslims. En net als in andere Europese landen wordt gewerkt aan Holocausteducatie als onderdeel van het inburgeringstraject. Wat kunnen herinneringscentra leren van het debat en onderzoek in Duitsland, waar de Holocaustherinnering al decennia geleden een markering van nationale identiteit werd, met alle haken en ogen van dien?

“We weten dat Jodenhaat bijna onderdeel is van de islamitische cultuur.” Met die woorden zorgde toenmalig BBB-kamerlid Mona Keijzer in mei 2024 voor opschudding in het televisieprogramma Sophie & Jeroen. Ze verdedigde daar het BBB-plan om nieuwkomers in Nederland als onderdeel van hun inburgering verplicht kennis te laten nemen van de Holocaust. De redenering: omdat veel nieuwkomers moslim zijn en antisemitisme “bijna onderdeel is van de islamitische cultuur”, is Holocausteducatie voor hen noodzakelijk. Diverse organisaties deden aangifte. Het Openbaar Ministerie oordeelde dat Keijzer zich in beginsel schuldig had gemaakt aan groepsbelediging. Toch werd zij niet vervolgd, omdat politici een ruime vrijheid van meningsuiting hebben.

Dit incident staat niet op zichzelf. Sinds de jaren 2000 kwamen moslims in meerdere Europese landen steeds centraler te staan in discussies over omgang met de Holocaust(herinnering).1 Niet als vanzelfsprekende deelnemers, omdat zij ook onderdeel zijn van de nationale gemeenschap in westerse landen, maar als vermeende probleemgroep met antisemitische overtuigingen of te weinig kennis over en empathie voor de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust.2 De voorgestelde oplossing? Holocausteducatie.

Screenshot uit de aflevering van Sophie & Jeroen, 17 mei 2024. Bron: BNNVARA.

Verplicht herinneren

Deze aannames leidden in diverse Europese landen tot Holocausteducatieprogramma’s voor moslims. Ook in Nederland zijn pogingen ondernomen. Op 1 juli 2025 werd kennis van de Holocaust onderdeel van het inburgeringsexamen Kennis van de Nederlandse Maatschappij.3 Daarnaast werkt het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan plannen om bezoeken aan Holocaustmusea en herinneringscentra onderdeel te maken van het inburgeringstraject.4 Onder twaalf instellingen werd een verkenning uitgevoerd naar de inhoudelijke en financiële consequenties hiervan.5 Naar de mening van inburgerende nieuwkomers zelf werd opvallend genoeg niet gevraagd. Hun ervaringen met oorlog, vervolging en onvrijheid lijken irrelevant, net als eventuele trauma’s die bij een confrontatie met de Holocaustgeschiedenis kunnen opspelen. Ook is niet aangetoond dat Holocausteducatie effectief is in het tegengaan van hedendaags antisemitisch gedachtegoed, laat staan onder deze doelgroep. Hoogleraar Holocausteducatie Marc van Berkel stelt zelfs, verwijzend naar de spanningen na 7 oktober, dat “het thema momenteel te politiek gevoelig is om effectief te zijn tegen het antisemitisme”.6

Begin dit jaar startte desondanks een pilot om te onderzoeken hoe de waarschijnlijk verplichte bezoeken vorm kunnen krijgen. Vooral die ‘verplichting’ zorgt bij enkele herinneringscentra voor terughoudendheid, blijkt uit het verkenningsrapport.7 Meerdere instellingen benadrukken dat ze “niet willen dat het bezoek door inburgeraars een ‘vinkje’ van de politieke agenda wordt”. Een verplicht bezoek kan volgens hen meer kwaad dan goed doen, vooral bij bezoekers met een (mogelijk) oorlogstrauma. Opvallend is dat de in het rapport vermelde bezwaren vooral van praktische aard zijn, en niet expliciet ingaan op de politieke drijfveren achter de totstandkoming van deze pilot. Blijkbaar voelen de instellingen weinig ruimte om de discussie over de politieke instrumentalisering van deze bezoeken openlijk te voeren.

Met Holocausteducatieprogramma’s die zich richten op moslims en/of ‘nieuwkomers’ dringen zich fundamentele vragen op, waar ook herinneringscentra zich toe moeten verhouden. Want hoe is het zover gekomen dat moslims een prominente plaats innemen in het debat over Holocaustherinnering? En wat zegt het over burgerschap wanneer kennis van de Holocaust ‒ naast een beperkt aantal andere aspecten van de Nederlandse geschiedenis ‒ als maatstaf geldt om Nederlander te zijn? Met dit artikel beoog ik niet deze grote vragen definitief te beantwoorden. Wat ik wel doe, is verkennen of inzichten uit onderzoek in Duitsland – waar dit debat uitvoerig is en wordt gevoerd – bruikbaar zijn voor de Nederlandse context.

De publicatie waarin de bijdrage van Havva Jürgensen is opgenomen. Bron: Aktion Sühnezeichen Friedensdienste.

Paradoxen van nationale identiteit

Het erkennen van schuld en het trekken van morele lessen uit het naziverleden groeide na WO2 uit tot fundament van de Bondsrepubliek. De naoorlogse identiteit werd gebouwd op het idee dat ‘de Duitsers’ verantwoordelijkheid droegen voor de misdaden van het naziregime. Maar de vraag is natuurlijk wie er precies onder de ‘wij’ van die groep viel.

De plek van moslims en immigranten in de Duitse herinneringscultuur was lange tijd niet evident. Arbeidsmigranten en hun kinderen hielpen weliswaar mee aan de wederopbouw van Duitsland, stellen herinneringswetenschappers Michael Rothberg en Yasemin Yildiz, maar werden niet vanzelfsprekend opgenomen in het sociale contract rond schuld en verwerking van het naziverleden, vooral omdat zij geen familiegeschiedenis hadden die hen direct daarmee verbond.8 In 1998 wees historicus Dan Diner op de paradox die daardoor ontstond in de Duitse herinneringscultuur. Want om verantwoordelijkheid te nemen voor de Holocaust leek het noodzakelijk vast te houden aan een duidelijk omlijnde, etnisch homogene Duitse identiteit,9 terwijl juist dat idee een van de ideologische bronnen van de gruwelijke nazimisdaden was.

Die paradox plaatst migranten in een onmogelijke positie, omdat er gelijktijdig van hen wordt verwacht dat ze zich als nieuwkomers identificeren met Duitsland als daderland. Zoals de Turks-Duitse Havva Jürgensen het formuleerde: “We krijgen vaak te horen dat het onderwerp nationaalsocialisme niets met ons te maken heeft omdat we migranten zijn. Maar even vaak wordt gesuggereerd dat we sowieso te antisemitisch zijn om ons voor dit onderwerp te interesseren.”10 De Duitse herinneringscultuur krijgt zo een disciplinerend karakter: ze markeert wie erbij hoort en wie moet bewijzen de juiste houding te hebben tegenover het verleden.

Omslag van Subcontractors of Guilt: Holocaust Memory and Muslim Belonging in Postwar Germany. Bron: Stanford University Press.

Export-importtheorie van antisemitisme

Maar sinds de jaren 2000 worden moslims vaker aangehaald in discussies over Holocaustherinnering in Duitsland. Hoe komt dat? In Subcontractors of Guilt: Holocaust Memory and Muslim Belonging in Postwar Germany uit 2023 wijst Esra Özyürek op meerdere oorzaken.11 Volgens haar is de verschuiving onmogelijk los te zien van het veranderde demografische landschap van West-Europese landen door arbeidsmigratie en gezinshereniging, en van geopolitieke ontwikkelingen zoals de aanslagen van 11 september 2001 in New York. Özyürek ziet ook dat de gedachten over Holocausteducatie en moslims veranderden onder invloed van onder meer anti-Israëlprotesten, maar ook door ontwikkelingen in Israël zelf. Özyürek noemt daarbij bijvoorbeeld rechts-nationalistische politici in Israël die de vervolging van Joden in Noord-Afrika en het Midden-Oosten steeds vaker in een doorlopende lijn met de Holocaust plaatsten. De omstreden uitspraak van premier Benjamin Netanyahu in 2015, waarin hij suggereerde dat de Grootmoefti van Jeruzalem Hitler zou hebben aangezet tot genocide van de Joden, paste in die tendens om Arabieren expliciet als dader in de Holocaustgeschiedenis op te nemen.12 Hoewel deze claim breed werd bekritiseerd, had zij volgens Özyürek effect op het debat in Duitsland: het werd eenvoudiger om ook Arabische migranten in Europa te framen als daders in een langere geschiedenis van antisemitisch geweld.

Deze denkwijzen hangen samen met wat Özyürek de ‘export-importtheorie van antisemitisme’ noemt. Volgens deze redenering, aangehangen door meerdere antisemitismeonderzoekers, werd antisemitisme vanuit Europa naar het Midden-Oosten ‘geëxporteerd’, via missionarissen in het Ottomaanse Rijk en tijdens de Tweede Wereldoorlog door nazi’s die samenwerking zochten met moslim-Arabieren. Na de oorlog, zo luidt de redenering, had Duitsland zijn antisemitisme onder ogen gezien en overwonnen.13 Vervolgens werd ditzelfde antisemitisme via migranten uit het Midden-Oosten weer terug ‘geïmporteerd’ in een moreel gereinigde Duitse samenleving.

De consequentie van deze denkwijze is verstrekkend. Antisemitisme wordt niet langer gezien als een vraagstuk voor de gehele natie, maar als een probleem van een geracialiseerde minderheid. Op moslims gerichte educatieprogramma’s tegen antisemitisme versterken dat beeld. Daarmee wordt een deel van de historische last symbolisch ‘uitbesteed’. Dit proces, door Esra Özyürek aangeduid als subcontracting guilt, verschuift de verantwoordelijkheid naar migranten, waardoor het nationale zelfbeeld van Duitsland minder beladen wordt.14

Migrantenarchieven

Rothberg, Yildiz en Özyürek laten zien dat Holocaustherinnering en -educatie in Duitsland een markering van nationale identiteit is geworden, en daardoor tot uitsluiting leidt. Tegelijkertijd benadrukken zij dat er ook initiatieven ontstaan waarin mensen met een migratieachtergrond een actieve rol vervullen in de herinneringscultuur van de Holocaust en deze mede vormgeven. Rothberg en Yildiz spreken in dat verband over ‘migrantenarchieven’.15 Een goed voorbeeld zijn de jongerenprojecten die Özyürek bespreekt en het Berlijnse Stadtteilmütter-project, waarin vrouwen met een migratieachtergrond zich verdiepen in de geschiedenis van het nationaalsocialisme en de Holocaust en deze kennis doorgeven in hun wijken.

In hun analyse benadrukken Rothberg en Yildiz dat herinnering geen vast bezit is van één groep en niet automatisch voortvloeit uit afkomst.16 Migranten en hun kinderen ontwikkelen juist vaak vormen van betrokkenheid bij de geschiedenis van het land waarin zij leven, ook wanneer zij daar geen familiale of etnische wortels hebben. Wanneer betrokkenheid bij herdenkingen van de Tweede Wereldoorlog uitsluitend wordt gelegitimeerd via een etnische ‘haak’, blijft men denken in wat zij ‘een gesloten vorm van verbondenheid’ noemen.

In de jaren zestig was het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging alleen zo te doorzoeken. Bron: Nationaal Archief.

Nederlands verzetsnarratief

Hoe zijn deze analyses toepasbaar op de situatie in Nederland? De Duitse context verschilt met name van de Nederlandse in de mate waarin van burgers, en dus ook nieuwkomers, wordt verwacht zich te identificeren met een schuldig verleden. In Duitsland is die schuld voor het naziverleden onderdeel geworden van de collectieve identiteit en nationale herinneringscultuur, al bestaat daartegen in sommige kringen toenemend verzet. In Nederland domineerde na de oorlog een heroïsch verzetsnarratief waarin antisemitisme werd voorgesteld als iets van de bezetter, slechts gesteund door een kleine NSB-minderheid. Het fenomeen van het ‘uitbesteden van schuld’ dat Özyürek in Duitsland signaleert, lijkt dus niet direct toepasbaar op de Nederlandse herinneringscultuur, want door antisemitisme uitsluitend als nationaalsocialistisch fenomeen op te vatten is het in beginsel Duits, en dus al uitbesteed.

Aan de andere kant is er de laatste jaren meer aandacht voor Nederlandse collaboratie en ‘schuld’, niet in de laatste plaats door de openstelling van het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR). Het beeld van Nederland als verzetsnatie wordt vaker bevraagd. Het framen van antisemitisme als probleem van moslims zou ook gezien kunnen worden als een uitweg uit lastige vragen en kan een manier zijn om het Nederlandse nationale zelfbeeld van een tolerante natie ongeschonden te laten. In die zin zou er toch sprake kunnen zijn van een vergelijkbare uitbesteding – of eerder: ontwijking – van schuld. Al zou onderzoek naar het discours rondom moslims en omgang met de Holocaust meer duidelijkheid kunnen scheppen in hoeverre de toenemende aandacht voor Nederlandse collaboratie daarmee verband houdt.

Marokkaanse militairen in Zeeland

Dan de export-importdynamiek van antisemitisme die in Duitsland speelt. Deze zien we ook in  Nederland terug in debatten over moslims en antisemitisme. PVV-kamerlid Fleur Agema stelde bijvoorbeeld in 2009: “Antisemitisme en homofobie zijn geen Nederlandse verschijnselen. Ze zijn geïmporteerd, voor een bedroevend groot deel uit Marokko.”17 Historica Evelien Gans toont echter aan dat deze voorstelling ook voor Nederland te simplistisch is: antisemitisme is niet exclusief verbonden aan één specifieke groep of ideologie. Het komt voor in extreemrechtse kringen, hooligangemeenschappen,  linkse én islamitische groeperingen. Bovendien grijpen veel van de hedendaagse antisemitische uitingen terug op oudere in Europa (en dus ook Nederland) gewortelde beelden, die na de Tweede Wereldoorlog geenszins zijn verdwenen.18

De door Rothberg en Yildiz beschreven veronderstelling dat herinnering direct samenhangt met afkomst vinden we ook in Nederland vaak terug, bijvoorbeeld in pogingen om migrantengroepen te betrekken bij de herdenking van de Tweede Wereldoorlog door een verbinding te leggen met WO2-oorlogservaringen uit de herkomstlanden van die groepen. Zo was er in 2003 tijdens de bewuste 4 mei-herdenking in Amsterdam-West aandacht voor de Marokkaanse militairen die in Zeeland begraven liggen en als onderdeel van het Franse koloniale leger meevochten tegen de nazi’s, met als doel de Marokkaanse gemeenschap aan te spreken. Hoewel zulke initiatieven historisch waardevolle verhalen zichtbaar maken, vertrekken ze vanuit de veronderstelling dat mensen zich vooral aangesproken voelen door ‘hun eigen’ nationale of etnische verleden. Daarmee blijft het kader beperkt en exclusief.

Niet over maar met

Ondanks wezenlijke verschillen tussen de Duitse en Nederlandse herinneringscultuur bieden de genoemde Duitse onderzoeken ook adviezen voor Nederland. Zowel Rothberg en Yildiz als Özyürek beschrijven dat door herinnering los te koppelen van etniciteit en te benaderen als een gezamenlijke verantwoordelijkheid, herdenken inclusiever kan worden. Voorwaarde hierbij is echter ook dat we de ruimte moeten bieden aan migrantengemeenschappen om hun eigen omgang met de herinnering aan de Holocaust en de Tweede Wereldoorlog te ontwikkelen. Dat betekent in de praktijk dus niet over moslims, nieuwkomers, inburgeraars, ‘allochtonen’ spreken, maar met ze.

Om te achterhalen hoe ‘migrantenarchieven’ in Nederland vorm krijgen, en hoe moslims in Nederland zich verhouden tot de herinnering aan de Holocaust, is aanvullend onderzoek nodig. Het Duitse onderzoek biedt in ieder geval voorbeelden van hoe het niet moet, en kritische vragen waarmee zulk onderzoek vormgegeven kan worden.

Over de auteur

Pepijn de Koning.

Pepijn de Koning volgde de onderzoeksmaster Nederlandse Literatuur en Cultuur aan de Universiteit Utrecht en is redacteur voor WO2 Onderzoek uitgelicht. In zijn onderzoek verdiept hij zich met name in de representatie van disability en (chronische) ziekte in Nederlandstalige literatuur en cultuur. Daarnaast doceerde hij moderne letterkunde aan de Universiteit Utrecht en schrijft hij regelmatig recensies en artikelen voor onder meer De Reactor.


Noten

1 Esra Özyürek, Subcontractors of guilt: Holocaust memory and Muslim belonging in postwar Germany. Stanford University Press, 2023, p. 1-2.

2 In Nederland ontbreekt overtuigend statistisch bewijs voor het idee dat het merendeel van antisemitische misdrijven wordt gepleegd door moslims. Toch verschuift de publieke aandacht wel in die richting, mede onder invloed van onderzoeken uit andere Europese landen en de VS waaruit blijkt dat antisemitische stereotypen onder moslims twee tot drie keer zo vaak voorkomen als bij niet-moslims. Voor een toegankelijk overzicht van deze onderzoeken, zie Martijn Katan, ‘Wat we weten over Islam en antisemitisme’, NRC, 20 juni 2024.

3 Hoewel dat inburgeringsexamen zich niet uitsluitend richt op moslims, blijkt de keuze voor deze verandering wel ingegeven door zorgen over specifiek moslims, getuige de uitspraak van Mona Keijzer.

4 Een motie in de Tweede Kamer van SGP’ers Diederik van Dijk en André Flach, ingediend op 25 april 2024, riep op om zulke bezoeken verplicht te maken voor inburgeraars. Deze motie, te lezen op https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/moties/detail?id=2024Z07557&did=2024D17387, werd aangenomen.

5 Lees de rapportage op https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2025/05/15/bijlage-2-eindrapportage-verkenning-bezoek-holocaustlocaties.

6 Https://www.ru.nl/diensten/recharge/overzicht/holocaust-in-het-onderwijs-helpt-niet-zonder-meer-tegen-antisemitisme.

7 Pagina 26.

8 Michael Rothberg & Yasemin Yildiz, ‘Memory citizenship: Migrant archives of Holocaust remembrance in contemporary Germany’. Parallax 17 nr. 4 (2011), p. 32-48, aldaar p. 35.

9 Dan Diner, ‘Nation, Migration, and Memory: On Historical Concepts of Citizenship’. Constellations 4 nr. 3 (1998), p. 303.

10 Havva Jürgensen, ‘Ich wünsche mir einmal eine Bundeskanzlerin mit türkischen oder arabischen Wurzeln’. In: Aktion Sühnezeichen Friedensdienste, Neuköllner Stadtteilmütter, p. 54.

11 Özyürek 2023, p. 13.

12 Haaretz. 2015. “Netanyahu: Hitler Didn’t Want to Exterminate the Jews.” Haaretz, October 21. https://www.haaretz.com/israel-news/netanyahu-absolves-hitler-of-guilt-1.5411578.

13 Özyürek 2023, p. 15-16.

14 Özyürek 2023, p. 21.

15 Rothberg en Yildiz 2011, p. 37.

16 Özyürek 2023, p. 43-44.

17 Zie https://www.pvv.nl/index.php?option=com_content&task=view&id=1906. De geluidsopname van Agema’s volledige toespraak staat op YouTubehttps://www.youtube.com/watch?v=CDSvX0FrDd8.

18 Evelien Gans, ‘“Hamas, Hamas, All Jews to the Gas.” The History and Significance of an Antisemitic Slogan in the Netherlands, 1945-2010’. In: G. Jikeli & J. Allouche-Benayoun (red.), Perceptions of the Holocaust in Europe and Muslim Communities.  Springer, 2013, p. 85-103.


Foto bovenaan artikel

In Duitsland speelt de discussie over de plek van moslims in de herinneringscultuur al sinds het midden van het vorige decennium. Bron: Tagesspiegel.