Het ene verlies is niet het andere: over schijntegenstellingen in het restitutiedebat

Recensie

Door Wiebe Reints – leesduur 8 minuten

In de recente publicatie Verloren kunst verzet kunsthistoricus Louis Zweers zich tegen de onvoorwaardelijke teruggave van objecten en collecties aan voormalige koloniën. Hij breekt een lans voor het ruilen van deze objecten met Nederlandse kunstvoorwerpen die zich nog in Indonesië bevinden. Denk: collecties van (Indische) Nederlanders die in Indonesië verloren raakten door oorlogsgeweld, roof of nalatigheid. Volgens historicus Wiebe Reints creëert Zweers hiermee een schijntegenstelling in het debat over de restitutie van ‘koloniale roofkunst’.

De afgelopen tijd is er veel aandacht voor de teruggave van ‘koloniale roofkunst’. Of beter gezegd: voor de teruggave van objecten die gedurende de koloniale periode onder dwang of zonder toestemming zijn afgenomen van de oorspronkelijke eigenaren en vervolgens in Nederland terecht zijn gekomen. Deze aandacht is met name te danken aan nieuw beleid van de Nederlandse overheid dat in de mogelijkheid tot ‘restitutie’ voorziet. Recent zijn er al verscheidene collecties gerestitueerd aan Indonesië, Sri Lanka, de Verenigde Staten en Nigeria. Hoewel dit nieuwe beleid kan worden gezien als positief uitvloeisel van de veranderende Nederlandse kijk op het koloniale verleden, is het voor oorspronkelijke eigenaren rijkelijk laat dat collecties nu pas teruggaan. Bij verschillende landen stond de restitutie van culturele voorwerpen direct hoog op de agenda nadat ze zich hadden ontdaan van het koloniale juk. Zelfs tijdens het koloniale tijdperk werd er door herkomstgemeenschappen al opgeroepen tot de teruggave van hun cultuurobjecten.

Het is dan ook belangrijk om ons ervan bewust te zijn dat de restitutie van culturele objecten aan landen waar Nederland een koloniaal verleden heeft een kwetsbaar proces is. Een proces waarbij onderliggende machtsstructuren een belangrijke rol spelen en dat zich richt op het ‘herstellen van historisch onrecht’, zoals de kern van het huidige Nederlandse koloniale restitutiebeleid wordt verwoord. Dit is een krachtig doel, maar ook een doel dat moeilijkheden met zich meebrengt.

Verloren kunst. Bron: Walburg Pers. 

Concurreren om erkenning

In de oratie die Susie Protschky kortgeleden uitsprak bij de acceptatie van haar leerstoel Global Political History aan de Vrije Universiteit, refereerde ze aan een Nieuwsuur-interview in augustus 2023 met Peggy Stein. Deze voorvrouw van Indisch Platform 2.0 verklaarde dat ‘alles eerherstel en erkenning verdient’ toen haar werd gevraagd naar een eventuele rehabilitatie van de omstreden KNIL-kapitein Raymond Westerling. Westerling is bekend van de gruwelijkheden die onder zijn toeziend oog plaatsvonden gedurende de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog, maar heeft volgens zijn dochter ook veel mensen gered. Wat je in de uitspraak van Stein terugziet is een drogredenering waarbij verschillende vormen van historisch onrecht aan elkaar gelijkgeschakeld worden: het systematische onrecht en geweld dat plaatsvond gedurende de Tweede Wereldoorlog en de Onafhankelijkheidsoorlog in Indonesië en persoonlijk, individueel ervaren onrecht. Doordat Stein deze verschillende vormen van onrecht op één lijn plaatst, ontstaat de indruk dat ze tegenover elkaar moeten worden afgewogen en met elkaar moeten concurreren om te worden erkend, wat het proces van herstel eerder belemmert dan bevordert. Deze schijntegenstelling doet uiteindelijk aan beide partijen geen recht.

Bij het lezen van de meest recente publicatie van kunsthistoricus Louis Zweers moest ik ook denken aan deze schijntegenstelling. In Verloren kunst zoekt Zweers aansluiting bij de huidige aandacht voor koloniale restitutie en verzet hij zich tegen de onvoorwaardelijke teruggave van objecten en collecties aan voormalige koloniën. Hij probeert daarentegen een lans te breken voor het ruilen van deze objecten met Nederlandse kunstvoorwerpen die zich nog in Indonesië bevinden. De manier waarop Zweers het onrechtmatig achterblijven van verschillende Nederlandse collecties in Indonesië gelijkstelt aan de enorme hoeveelheid objecten die door de Nederlandse koloniale overheersing onvrijwillig van de Indonesische bevolking is afgenomen, ondergraaft echter het doel van de huidige restitutiepraktijk.

Het ‘verdwenen’ Dieng Plateau

Zweers richt zich in zijn publicatie op objecten die in Indonesië verloren zijn geraakt door oorlogsgeweld, roof of nalatigheid, waarbij hij voornamelijk oog heeft voor de collecties van (Indische) Nederlanders die woonachtig waren in de voormalige Nederlandse kolonie. In achttien hoofdstukken gaat de auteur – zij het wat willekeurig – in op verschillende casussen van verloren geraakte kunstwerken en collecties. Zo richt het eerste hoofdstuk zich op een schilderij van de 19e-eeuwse Javaanse schilder Raden Saleh. Zijn Dieng Plateau hing gedurende het koloniale tijdperk samen met andere landschapschilderijen in het gouverneurspaleis in Bogor (het toenmalige Buitenzorg). Zweers beschrijft hoe het overgrote deel van de Nederlands-Indische staatscollectie na de Indonesische onafhankelijkheid naar Nederland werd teruggebracht. Dat gold niet voor het Dieng Plateau, dat verdwenen leek te zijn totdat het eind 20e eeuw opdook bij een veiling van Sotheby’s in Singapore. Het werd toentertijd niet verkocht, maar werd in 2019 bij een veiling van Christie’s in Hong Kong opnieuw te koop aangeboden.

Dit eerste hoofdstuk geeft een goede illustratie van de inhoud van de rest van het boek. Zweers heeft met zijn jarenlange inzet veel interessante informatie weten te achterhalen over de omgang met cultuurgoederen gedurende de Japanse bezetting, de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog en de periode daarna. Het blijft echter de vraag wat de auteur precies beargumenteert met zijn uiteenzetting. Afgaande op de titel van het eerste hoofdstuk, ‘Op zoek naar een verdwenen landschapsschilderij van Raden Saleh’, verwacht de lezer dat Zweers onderzoek heeft verricht naar wat er met het Dieng Plateau is gebeurd nadat Indonesië de onafhankelijkheid uitriep. Al snel blijkt echter dat het schilderij niet als ‘verdwenen’ kan worden beschouwd, aangezien het de afgelopen dertig jaar meerdere malen op een veiling te koop is aangeboden. Ook is het volgens Zweers door de Duitse biograaf van Raden Saleh in 2010 in een Singaporese privéverzameling aangetroffen.1 Op de daadwerkelijke periode dat de verblijfplaats van het schilderij onbekend was, gaat Zweers niet verder in. Pas in de laatste alinea komt naar voren waar het de auteur eigenlijk om te doen lijkt. Zweers schrijft hier: “De Nederlandse staat, de rechtmatige eigenaar van het schilderij van Raden Saleh, heeft tot op heden geen stappen ondernomen om het gestolen kunstwerk […] terug te vorderen.”2

Egbert Willem van Orsoy de Flines. Bron: intisari.grid.id. 

Een gemankeerd betoog

Ook in andere hoofdstukken blijft de reden waarom Zweers dit alles opschrijft vaag. Hoofdstuk 4 beschrijft bijvoorbeeld de collectie van de Nederlandse keramiekverzamelaar Egbert Willem van Orsoy de Flines. In 1932 bracht De Flines zijn collectie onder bij het museum van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen (BGKW, dit museum is na de Indonesische onafhankelijkheid verdergegaan als Museum Nasional Indonesia), waar hij tevens werkzaam was als onbezoldigd conservator.3 De Flines overleefde net als zijn collectie de oorlog en ook na de soevereiniteitsoverdracht van 1949 bleef hij aan als conservator. Zoals bij zoveel verhalen uit de dekolonisatieperiode van Indonesië ontrolde zich een pijnlijke geschiedenis. Uit financiële noodzaak moest De Flines verschillende delen van zijn collectie verkopen en uiteindelijk verliet hij in 1959 gedwongen en gehaast Indonesië. Zijn keramiekcollectie en bijbehorende documentatie bleven achter in Indonesië. Maar wat blijkt: dat is precies zoals De Flines het had bedoeld. In De Flines’ testament stond namelijk, zo beschrijft Zweers zelf in Verloren kunst, dat zijn collectie na zijn overlijden moest worden overgedragen aan het museum van het BGKW. “Kennelijk heeft de verzamelaar geen behoefte gehad om zijn testament alsnog aan te passen, zelfs niet na zijn uitzetting naar Nederland”, schrijft Zweers.4 Wederom rijst hier de vraag wat Zweers wil zeggen met dit hoofdstuk. Is hij het niet eens met de keuze van De Flines? Wil hij slechts het lot van een Nederlandse verzamelaar en zijn collectie beschrijven? Of gaat het hem vooral om zijn zorgen over de Indonesische omgang met de voormalige collectie van De Flines, zoals lijkt uit de paragrafen ‘Geroofde pronkstukken’ en ‘Grote brand in Museum Nasional Jakarta’?

Door deze onduidelijke uitwerking raakt Zweers’ betoog nogal gemankeerd. Het is soms lastig te volgen en vaak niet eenduidig wat de auteur wil bereiken met zijn werk. Het boek eindigt bovendien nogal abrupt na het achttiende hoofdstuk. Op de laatste casus die Zweers behandelt volgt geen slotconclusie, maar slechts een dankwoord. Bovendien is veel van de informatie die Zweers de lezer voorschotelt rechtstreeks afkomstig uit zijn vorige boek of eerdere artikelen. Dat is op zich geen probleem, maar rechtvaardigt wel de vraag wat Zweers ertoe heeft gedreven zijn – hoewel, nogmaals, vaak interessante – informatie wederom voor het voetlicht te willen brengen.

Keramische afdeling van het Museum van het Koninklijk Bataviaasch Genootschap voor Kunsten en Wetenschappen te Batavia. Foto: Leiden University Libraries (Publiek domein).

En-en, niet of-of

Dat brengt ons weer bij het huidige restitutiebeleid van Nederland. Zweers’ vorige boek over dit onderwerp verscheen net nadat het initiële beleidsadvies van de Raad voor Cultuur over de restitutie van koloniale roofkunst was gepresenteerd, zo lezen we in een interview uit 2020 met Zweers in NRC.5 Zeker als we uitgaan van tussenkopjes zoals ‘Wat verzweeg Gonçalves’6 (Lilian Gonçalves-Ho Kang You is de voorzitter van de onafhankelijke commissie die de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap adviseert over de restitutie van ‘koloniale roofkunst’) en verwijzingen naar misplaatste postkoloniale schuldgevoelens7, kunnen we Verloren kunst niet anders beschouwen dan als een reactie op de huidige restitutiepraktijk. Helaas bevat Zweers’ boek voor een daadwerkelijk commentaar daarop te weinig steekhoudende argumenten. Terwijl er genoeg valt aan te merken op de huidige restitutie van museumcollecties afkomstig uit een koloniale context. Zo worden objecten bijvoorbeeld slechts van overheid tot overheid teruggegeven, waardoor oorspronkelijke eigenaren vaak nog altijd geen toegang hebben tot hun verloren erfgoed.

Verloren kunst had beter gefunctioneerd wanneer de auteur dit boek slechts had gebruikt om een verhaal te vertellen over het verlies van cultuurgoederen gedurende de (post)koloniale periode. Dat behoeft, naast de aandacht voor de roof van Indonesische culturele voorwerpen, namelijk óók aandacht. Doordat Zweers dit verlies één op één afzet tegen het huidige restitutiebeleid van Nederland, ontkomt de lezer er niet aan het ene onrecht met het andere te vergelijken. Het idee van Zweers om kunstwerken met Indonesië uit te wisselen ondergraaft zo de kracht van de onvoorwaardelijke teruggave van culturele objecten, die zich richt op het herstellen van historisch onrecht.8

Bovendien, in Indonesië bevinden zich wellicht door Nederlanders gemiste collecties, maar dit kan niet simpelweg worden geëxtrapoleerd naar de vele andere gebieden die hebben geleden onder het Nederlandse koloniale bewind. De Afrikaanse westkust, Sri Lanka, Suriname en de eilanden in het Caribische gebied golden in veel mindere mate als vestigingskoloniën, terwijl Nederlanders ook in deze gebieden omvangrijke collecties bijeenbrachten. Het is al een gotspe om de achttien casussen die Zweers in zijn boek behandelt te vergelijken met de enorme hoeveelheid voorwerpen die onvrijwillig vanuit de Indonesische archipel naar Nederland zijn verscheept, laat staan met die uit de vele andere gebieden waar Nederland zijn koloniale macht uitoefende. Deze landen beschikken namelijk niet eens over Nederlandse collecties die ze tegen hun eigen geroofde erfgoed zouden kunnen ‘ruilen’.


Over de auteur

Wiebe Reints

Wiebe Reints is onderzoeker bij het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies. Daar ontwikkelt hij bij het Expertisecentrum Restitutie een serie digitale zoekhulpen voor koloniaal herkomstonderzoek. Eerder deed hij onderzoek naar de verdwenen rijkssieraden van Luwu en droeg hij bij aan het herkomstonderzoek naar de ondertussen gerestitueerde Dubois-collectie.


Noten

1Louis Zweers, Verloren kunst, Walburg Pers 2024, p. 25

2 Louis Zweers, Verloren kunst, p. 27.

3 Louis Zweers, Verloren kunst, p. 48.

4 Louis Zweers, Verloren kunst, p. 56.

5 Naast het initiële beleidsadvies is er inmiddels ook een beleidsvisie. In juli 2020 verscheen het rapport Koloniale collecties en erkenning van onrecht, een advies over de omgang met koloniale collecties. De Beleidsvisie collecties uit een koloniale context uit januari 2021 bevat een reactie daarop. In juli 2022 informeerde staatssecretaris Uslu de Tweede Kamer over de implementatie hiervan, met de Kamerbrief over implementatie beleidsvisie collecties uit een koloniale context.

6 Louis Zweers, Verloren kunst, p. 11.

7 Louis Zweers, Verloren kunst, p. 9.

8 Louis Zweers, Verloren kunst, p. 147.


Foto bovenaan artikel

Dieng Plateau van Raden Saleh. Bron: Wikimedia Commons (Publiek domein).