De Holocaust zorgde bij overlevenden en nabestaanden voor levenslange trauma’s. En voor enorme leegtes op het gebied van cultuur, familierituelen en -verhalen, eigendommen en gebruiksvoorwerpen. Restitutieprocessen rakelen daarmee onherroepelijk gevoelens van verlies en verdriet op. Tegelijk kan de restitutie van een object – soms het enige dat rest – een sleutel vormen tot herstel, aldus Inez Schelfhout.
Wanneer we spreken over de psychologische impact van oorlog, over dehumanisering en intergenerationele overdracht, hebben veel mensen waarschijnlijk wel een beeld bij hoe die wonden eruitzien – misschien zelfs wel hoe ze voelen. Met dit artikel wil ik bewustwording creëren ten aanzien van de effecten van het proces van terugvordering van in de Holocaust geroofde objecten. Wat kan er hierbij op psychologisch niveau plaatsvinden, en wat kunnen restitutieprocessen bijdragen aan de verwerking en heling van trauma?
Laten we beginnen met een blik op de geschiedenis van ons nationale bewustzijn over de noodzaak van psychologische hulp voor mensen die de oorlog hebben meegemaakt. Direct na de oorlog werd er maar weinig ruimte gevoeld en gemaakt om terug te kijken. Alles moest worden heropgebouwd en velen vonden het verkeerd om bij het gruwelijke verleden stil te staan. De blik moest vooruit, naar een betere toekomst. Kinderen die opgroeiden in de nieuwe vrijheid mochten evenmin terugkijken of vragen stellen. Zij moesten vooral dankbaar zijn dat zij de kansen kregen die hun ouders of grootouders niet hadden gehad.
De plek waar ik werk, ARQ Centrum ’45, was de eerste nationale instelling voor oorlogsslachtoffers met psychische klachten. ARQ werd pas in 1973 opgericht, 28 (!) jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog. In die 28 lange jaren was het niet gebruikelijk om te praten over wat men had meegemaakt. Natuurlijk gebeurde dat soms in individuele gevallen wel, vaak met een psycholoog of psychiater, maar een gangbare praktijk was het niet. Dat veranderde na 1973, en het proces van bewustwording en kennisopbouw over oorlogstrauma’s duurt tot op de dag van vandaag voort. In grote lijnen kun je zeggen dat we in de jaren zeventig begonnen met het behandelen van verzetsstrijders uit de eerste generatie. Enkele jaren later volgden overlevenden van kampen en onderduik, daarna vluchtelingen van recentere oorlogen, veteranen en uiteindelijk ook nazaten die worstelen met psychologische klachten als gevolg van het opgroeien in een door oorlog getekend gezin.

De eerste paal van Centrum ’45 wordt geslagen door prins Bernhard in 1972. Foto: Nationaal Archief / Fotograaf onbekend / Anefo (Publiek domein)
Psychotrauma en de weg naar heling
Wanneer we het hebben over psychologische impact en wonden, hoe manifesteren die zich dan? En wat is hierbij relevant om te weten als we kijken naar de Holocaust en restitutieprocessen? Ten eerste dit. Wanneer iemand een traumatische gebeurtenis meemaakt, zoals oorlog, heeft ons systeem de neiging om als overlevingsmechanisme te dissociëren van het bewustzijn. Zo zijn we allemaal geprogrammeerd. Denken maakt plaats voor handelen: de fight-or-flight-modus. En als vechten of vluchten niet meer mogelijk is, dan treedt een freeze-reactie op. Tijdens die fight-flight-freeze-modus worden geuren, geluiden en beelden haarscherp en geïsoleerd opgeslagen in ons geheugen, omdat het brein denkt dat die informatie nodig zal zijn om in de toekomst gevaar te herkennen. Woorden zullen ons ontbreken, omdat ons biologische systeem automatisch de taalfunctie en het rationele denken uitschakelt, maar de ervaring zit in het lichaam.
Pas wanneer er later ruimte en veiligheid is om te verwerken, kan het brein de gebeurtenis integreren in een levensverhaal – als de weg naar heling. Verhalen vertellen en herbeleven zijn dus nodig om de gaten te vullen die door dissociatie ontstaan. Dat is de gezonde cyclus: een traumatische gebeurtenis vindt plaats, wordt tijdelijk geïsoleerd opgeslagen door stresshormonen, en wordt later – zodra er ruimte is om te helen – weer geïntegreerd in het langetermijngeheugen en levensverhaal. De gebeurtenis kan nooit worden gewist, maar er kan wel rust ontstaan in de herinnering eraan. Wanneer dat niet gebeurt, blijft het systeem op scherp staan, ook jaren later nog.
Bij slachtoffers van de Holocaust is bekend dat schokkende gebeurtenissen zich gedurende de oorlog herhaaldelijk bleven voordoen, zonder rust of verwerking in de jaren na de oorlog. Daardoor bleef bij velen het alarmsysteem doordraaien, alsof het gevaar nog steeds aanwezig was. Mensen zeggen dan bijvoorbeeld dat ze zich niet kunnen concentreren, slecht slapen of zich vervreemd voelen van zichzelf of hun omgeving, zonder duidelijke aanleiding. In dit soort gevallen is het van belang om ruimte te creëren voor het verhaal, voor het zoeken naar context en betekenis, en het kunnen ervaren dat het gevaar voorbij is. Zo kan het trauma worden geïntegreerd in iemands levensverhaal. Dit helpt niet alleen de persoon zelf, maar ook volgende generaties, die vaak diezelfde leegtes of spanningen voelen in hun eigen bestaan.
Belangrijk om hierbij te beseffen, is dat er bij de meeste Joodse slachtoffers van de Holocaust niet alleen sprake was van individuele dissociatie tijdens de traumatische gebeurtenissen. Hele families werden uitgeroeid, volledig weggevaagd. Bezittingen werden geroofd. Familiegeschiedenissen en -verhalen werden niet alleen innerlijk verdrongen, maar ook door externe krachten compleet uitgewist. Er ontstonden enorme leegtes op het gebied van cultuur, familierituelen, verhalen, anekdotes, eigendommen en gebruiksvoorwerpen. Alle elementen die nodig zijn om als overlevende of nakomeling te kunnen helen, integreren en groeien waren nagenoeg verdwenen.
Intergenerationele impact
Mensen vragen me vaak: “Hoe kan het dat die pijn en die leegte nog steeds worden gevoeld door volgende generaties?” Daar bestaat geen eenduidig antwoord op. Zo verschilt het per persoon. We weten dat stresshormonen invloed hebben op hoe genen zich uiten en via zwangerschap kunnen worden overgedragen op kinderen – en dus op de manier waarop kinderen stress reguleren (epigenetica). Daarnaast fungeren ouders als spiegels: zij leren hun kinderen welke emoties wel of niet geuit mogen worden, welke onderwerpen bespreekbaar zijn. Een kind voelt vaak haarfijn aan dat er een onuitgesproken verleden in de lucht hangt. Als ouders die gevoelens wegdrukken, neemt het kind zo’n overlevingsstrategie over. Zo leert het dat sommige emoties beter verzwegen kunnen worden.
Soms is het tegenovergestelde waar en wordt de oorlog juist eindeloos besproken. Zowel stilte als overweldigende verhalen laten weinig ruimte over voor het eigen gevoel van het kind. Uit liefde probeert het kind de ouder te beschermen, om diens pijn niet te vergroten. Het past zich aan, zwijgt, en probeert te voldoen aan verwachtingen – een overlevingsstrategie in een emotioneel kwetsbare omgeving.
Naast ouders die niet konden praten over wat er was gebeurd, zijn er natuurlijk ook al die ouders die werden vermoord. In beide gevallen ontbreekt de orale geschiedenis. Cruciale puzzelstukjes ontbreken dan. Toch hebben kinderen die nodig om hun ouders, en uiteindelijk zichzelf, te begrijpen.
Soms duiken verhalen pas veel later op. Naarmate mensen ouder worden, wordt vermijden moeilijker. Het systeem kan niet langer dissociëren. Het lichaam herinnert zich wat lang werd verdrongen. Fysieke klachten kunnen oude pijn oproepen, waardoor herinneringen weer bovenkomen. Dan ontstaat vaak een sterke behoefte om verhalen te integreren en door te geven – om toekomstige generaties bewust te maken van wat er is gebeurd, in de hoop dat het nooit meer zal gebeuren. In die dialogen kan verwerking plaatsvinden. Niet alleen voor de eerste generatie, maar ook voor de volgende: zij krijgen context om hun wortels en identiteit beter te begrijpen.
Het vinden van het verhaal
Wat als de verhalen verloren zijn gegaan, zoals bij genocide vaak het geval is? Wat als er niets tastbaars overblijft om betekenis aan te hechten? In zo’n geval kan de restitutie van een object – soms het enige dat rest – een sleutel vormen tot herstel. Het terugkrijgen van een geroofd object kan in deze context een symbolische manier zijn om het eigen verhaal terug te vinden. Om opnieuw contact te maken met identiteit en wortels. Het voorwerp wordt het ontbrekende puzzelstuk waarmee een narratief en heling kan ontstaan.
Tijdens een museumbezoek kwam ik een prachtig citaat uit 1951 van rabbijn Abraham Joshua Heschel tegen dat beschrijft hoe objecten hun betekenis krijgen:“Het is niet een ding dat betekenis geeft aan een moment; het moment geeft betekenis aan de dingen.” Een ander raak citaat is van overlevende Max Heppner: “Het gaat niet zozeer om de uitkomst van de restitutie, maar om het proces, het samenwerken met mensen die zoeken naar de puzzelstukjes, dat maakt me minder geïsoleerd, minder alleen.”

Max Amichai Heppner. Bron: Heppner Books
Isolatie is wat trauma doet. Het dissocieert, het fragmenteert, het vervreemdt. Allemaal overlevingsmechanismen om pijn niet te hoeven voelen. Maar datzelfde afsluiten belemmert ook het ervaren van positieve gevoelens zoals blijdschap en liefde. Het proces van restitutie, het intensieve samenwerken van mensen die erom geven, doorbreekt die isolatie, laat iemand zich minder alleen voelen en verbreekt dissociatie. Ongeacht het resultaat van het proces. En dat geldt niet alleen voor de getroffen families, maar ook voor musea en organisaties, en zelfs voor ons nationale en internationale narratief over de Holocaust. Onze fragmenten.
Het is van essentieel belang dat wij als natie (en andere naties) de donkere hoofdstukken van onze geschiedenis onder ogen zien en erkennen. Dat we deze fragmenten bestuderen, zoals de roof van Joods bezit tijdens de oorlog, om ons nationale verhaal eerlijker, completer en meer geïntegreerd te maken. Door te herinneren en te erkennen en door deze misstanden onder ogen te zien, eren we de waarheid en de ervaringen van hen die geleden hebben. Zo ontstaat een vollediger begrip van ons eigen verleden. Dit proces van reflectie en erkenning is onmisbaar voor onze collectieve heling, het dichten van onze eigen gaten, en voor het hervinden van een gezamenlijk narratief.
Dit artikel is een bewerking van de lezing die Inez Schelfhout gaf op het symposium Looted/Beroofd dat vorig jaar september werd georganiseerd in het Rijksmuseum in Amsterdam.
Over de auteur

Inez Schelfhout. Foto: Nichon Glerum
Klinisch psycholoog en psychotherapeut Inez Schelfhout (MSc) is werkzaam bij ARQ Centrum ’45 en het ARQ Kenniscentrum Oorlog, Vervolging en Geweld. Ze is hoofd van de afdeling Intergenerationele trauma’s en verantwoordelijk voor de ontwikkeling van zorgbeleid voor mensen die lijden onder intergenerationeel trauma, in het bijzonder nakomelingen van oorlogsslachtoffers. Ze treedt regelmatig naar buiten met lezingen, publicaties en mediaoptredens om kennis en bewustwording over de overdracht van oorlogstrauma in de samenleving te vergroten. Zo maakt zij zichtbaar wat er in de therapiekamer gebeurt en vertaalt dat naar de maatschappelijke context.
Foto bovenaan artikel
Sergeant Harold Maus uit Scranton, Pennsylvania, wordt afgebeeld met de Dürer-gravure die werd gevonden tussen andere kunstschatten in een zoutmijn in Merker, Duitsland. Foto: National Archives.