‘Kandinsky vertrekt uit het Stedelijk’, kopte NRC daags nadat de gemeente Amsterdam afstand deed van het schilderij Bild mit Häusern. De Restitutiecommissie had geoordeeld dat het werk mocht blijven, maar het museum gaf het alsnog weg aan de claimanten. De podcastserie Hier hing een schilderij dook in de zaak en de vragen die deze oproept.
Het besluit van het Stedelijk Museum Amsterdam om afstand te doen van Kandinsky’s Bild mit Häusern werd in februari 2022 bekendgemaakt op een persconferentie. Voor journalist Pieter van Os was het bericht reden voor een diepgravend onderzoek. Samen met podcastmaker Emmie Kollau startte hij met het maken van de podcastreeks Hier hing een schilderij. Hierin staat één casus symbool voor de complexe wereld van naziroofkunst en restitutie in Nederland. De podcastserie combineert journalistiek speurwerk met persoonlijke reflecties en maakt zo een vaak juridisch en specialistisch ingestoken thema toegankelijk.
Roofkunst uit de Tweede Wereldoorlog is onmiskenbaar maatschappelijk relevant. Het raakt niet alleen aan kwesties van eigendom en recht, maar ook aan herinneringscultuur en trauma. Podcasts spelen op dit gebied een groeiende rol: zij maken het verleden hoorbaar en tastbaar voor een breed publiek, en leggen verbanden tussen historische feiten en hedendaagse ethiek. Maar wat gebeurt er wanneer morele ernst en mediavorm elkaar raken? Juist in dat spanningsveld begeeft Hier hing een schilderij zich. De serie is even zorgvuldig als meeslepend, maar roept ook vragen op over de balans tussen waarheidsvinding en vertelplezier. Niet iedereen was daarvan gecharmeerd. Cabaretier Micha Wertheim bijvoorbeeld vond de podcast te lichtvoetig en te weinig moreel uitgesproken. In mijn ogen maakt die spanning tussen toegankelijkheid en diepgang en tussen popularisering en ethische verantwoordelijkheid deze podcast juist interessant.
Het dossier-Kandinsky
Wassily Kandinsky schilderde Bild mit Häusern in 1909. Het doek markeert volgens kunsthistorici de overgang van figuratieve naar abstracte kunst. Ruim een eeuw later claimden twee partijen dit werk: de erfgenamen van Irma Klein en de kinderen van Robert Lewenstein. Die dubbele aanspraak wordt begrijpelijk als je weet hoe het schilderij van eigenaar wisselde.
Emanuel Lewenstein, Roberts vader, kocht het werk rond 1923 voor circa 500 gulden.1 Na zijn overlijden erfden Robert en zijn zus Wilhelmine het werk. In 1933 trouwde Robert met Irma Klein in gemeenschap van goederen. Zo werd Klein mede-eigenaar. Een moeizame scheiding (die pas in 1944 officieel werd uitgesproken) noopte Klein het werk in oktober 1940 – samen met enkele andere doeken – naar de veiling te brengen. Althans, dat is een van de aannames. Er zijn geen documenten die duidelijk maken waarom Klein de schilderijen verkocht, laat staan of dat motief een gevolg was van de Duitse bezetting. Het Stedelijk Museum kocht de Kandinsky vervolgens op de veiling voor circa 160 gulden, een bedrag dat volgens de podcast niet hoog maar ook niet extreem laag was voor die tijd.2
De verkoopgeschiedenis zoals hier geschetst leidde tot de twee groepen claimanten. Enerzijds de nazaten van Irma Klein, die na de oorlog haar pleegzoon tot haar erfgenaam had benoemd. Die pleegzoon was in 1983 gestorven, maar diens echtgenote Elsa Guidotti leefde nog wel. Zij was officieel Kleins erfgenaam, maar eentje die dus geen bloedband met ‘tante Irma’ had. Anderzijds waren daar de twee kinderen van Robert Lewenstein, geboren uit een later huwelijk met de vrouw voor wie hij Irma verliet.

Robert Lewenstein Foto: privé archief
Oorlogsdruk of niet?
Aanvankelijk waren beide families zich nauwelijks bewust van hun mogelijke rechten, totdat de Canadese bemiddelaar James Palmer hen in 2013 “als Sneeuwwitjes wakker kuste”, zoals Pieter van Os het snedig verwoordt.3 Palmer benaderde hen namens zijn bedrijf Mondex, gespecialiseerd in de restitutie van roofkunst. Het vraagstuk dat aan de basis lag van de claims die zij uiteindelijk indienden (en van de uiteindelijke juridische en morele discussie of restitutie geboden was) draaide in de kern hierom: was de verkoop in 1940 een vrije transactie, of vond die plaats onder directe of indirecte oorlogsdruk en persoonlijke omstandigheden die de geldigheid van de verkoop betwistbaar maken?
De claim werd door de betrokken partijen – de claimanten en de gemeente Amsterdam als formeel eigenaar van de collectie van het Stedelijk Museum – voorgelegd aan de Restitutiecommissie. Dit is de onafhankelijke adviescommissie van de Nederlandse overheid die verzoeken beoordeelt tot teruggave van cultuurgoederen die tijdens de Tweede Wereldoorlog geroofd of onvrijwillig verkocht zijn. Deze commissie concludeerde in 2018, na vijf jaar onderzoek, dat restitutie niet nodig was. Er was onvoldoende bewijs dat Klein het schilderij door directe nazidreiging had geveild, Klein had na de oorlog nooit aanspraak gemaakt op het schilderij, de erfgenamen hadden geen emotionele band met het werk en het Stedelijk Museum had te goeder trouw gekocht.4 De commissie had zich bij haar oordeel gebaseerd op de regel dat bij twijfel het belang van de erfgenamen én het belang van een werk voor een openbare kunstcollectie tegen elkaar kunnen worden afgewogen. Een daaropvolgende rechtszaak, aangespannen door Palmer, bevestigde dit oordeel in het nadeel van de claimanten.5

Irma Klein. Foto: collectie CBG
Het rapport-Kohnstamm
Toch keerde de zaak, na een evaluatie van het restitutiebeleid door de Commissie-Kohnstamm. Deze evaluatie had op zich niets te maken met de casus-Kandinsky, maar vloeide voort uit eerder gemaakte Kamerafspraken. Wel was het inmiddels zo dat de Restitutiecommissie veel kritiek te verduren kreeg sinds de uitspraak dat de Kandinsky in het Stedelijk mocht blijven. Het rapport van de Commissie-Kohnstamm verscheen in december 2020, kort voor de uitspraak van de rechter in de zaak die Palmer na afwijzing van de claim had aangespannen. Het rapport pleitte voor een ruimhartiger benadering. Het pleitte bovendien voor het afschaffen van de regel die het mogelijk maakt het belang van een werk voor de openbare kunstcollectie mee te wegen. Het evaluatierapport was voor Alfred Hammerstein, voorzitter van de Restitutiecommissie, aanleiding om op te stappen.
In maart 2021 maakte minister van Cultuur Ingrid van Engelshoven bekend dat de overheid de aanbevelingen van de Commissie-Kohnstamm zou overnemen en voortaan ruimhartiger zou restitueren. Erfgenaam Elsa Guidotti maakte deze beleidswijziging niet meer mee; zij overleed een maand eerder. Haar drie kinderen werden de nieuwe erfgenamen. Mogelijk speelde dit mee in het besluit van de gemeente Amsterdam om een herbeoordeling door de commissie ‘nieuwe stijl’ niet af te wachten. Zo’n traject kon immers opnieuw jaren duren, en dat vond wethouder Touria Meliani onverteerbaar: “Het is de afgelopen jaren te weinig over de slachtoffers gegaan en te veel over het systeem waarin teruggave van roofkunst is geregeld. Ik heb daar een ongemakkelijk gevoel van.” De gemeente besloot daarom op 27 februari 2022, zonder dat daar een nieuwe uitspraak van de Restitutiecommissie aan voorafging, het schilderij op eigen initiatief te restitueren.
Nog geen jaar later werd Bild mit Häusern geveild bij een veilingshuis, waar het voor zestig miljoen van eigenaar wisselde. De opbrengsten kwamen ten goede aan drie partijen: de erven Klein, de twee kinderen van Lewenstein en een flink bedrag ging naar Mondex, het bedrijf van James Palmer, als vergoeding voor hun bemiddeling in deze zaak. Daarmee kreeg de zaak een ironische wending: wat bedoeld was als een moreel herstelgebaar, eindigde in een commerciële transactie. Voor velen, onder wie Pieter van Os, bevestigde dit het ongemak rond de beslissing van de gemeente. De term weggegeven, die hij tegenover teruggegeven plaatst, krijgt in dit licht extra betekenis. Het lijkt er door de gang van zaken – het snelle verhandelen van dit stuk verleden – op alsof de familie waarnaar het schilderij terugkeerde er niet zo’n directe of hechte band mee had. Natuurlijk betekent het feit dat de erfgenamen het werk verkochten an sich niet dat het hun emotioneel niets zei. Het suggereert wel dat economische of praktische overwegingen zwaarder wogen dan het bewaren ervan. In de keuze die zij hiermee maakten schuilt natuurlijk iets wezenlijks van restitutie: het recht om zélf te beslissen over teruggegeven erfgoed. Tegelijkertijd doet dit alles het morele perspectief verschuiven van herstel van onrecht naar de bredere vraag wat rechtvaardigheid eigenlijk inhoudt.
Nuances
Wat de podcast over deze zaak de moeite waard maakt, is dat hij een juridische en politieke speurtocht verbindt met persoonlijke reflecties van de makers. Van Os’ behoefte aan een zorgvuldige weging door de vernieuwde restitutiecommissie biedt de luisteraar een menselijke ingang tot deze complexe casus, net als de manier waarop de andere maker, Emmie Kollau, haar kijk op recht, eigendom en morele verantwoordelijkheid gaandeweg bijstelt en verantwoordt. Zo vertellen beiden dat ze aanvankelijk moeite hadden met het idee dat de erfgenamen nauwelijks familiebanden hadden met de oorspronkelijke eigenaar, maar dat ze gaandeweg zijn gaan inzien hoe beperkt die gedachte is wanneer generaties zijn weggevaagd en familiebanden juist door vervolging zijn verbroken. Restitutie is volgens Kollau dan ook niet slechts een juridische kwestie, maar een proces van bewustwording, empathie, zorgvuldigheid en ethische keuzes. En van tijdgeest, zo stelt ze, omdat niet meer louter juridisch naar slachtoffers en compensatie wordt gekeken, maar ook naar machtsverhoudingen en de vraag wie over deze zaken mag beslissen.6
De podcast kreeg veel lof, maar er kwam ook openlijke kritiek. In een bespreking op NPO Radio 1 plaatste cabaretier en columnist Micha Wertheim kanttekeningen bij Hier hing een schilderij. Zijn voornaamste punt was dat de serie te oppervlakkig bleef in de behandeling van de morele vragen rond roofkunst en restitutie. Volgens Wertheim durfden de makers geen duidelijke positie in te nemen: zij presenteerden de gebeurtenissen vooral als een spannend verhaal en vermeden het expliciet formuleren van een ethisch oordeel. De toon was te veel gericht op luisterplezier. Door de zoektocht naar het schilderij te framen als een soort true crime-verhaal, zou de podcast volgens hem eerder mikken op vermaak dan op scherpe analyse. Dat levert wel een meeslepend luisterproduct op, maar doet volgens Wertheim afbreuk aan de zwaarte van de thematiek. De oorlog en de roof van Joodse kunst zijn, zo stelde hij, geen decor voor verhalend amusement. Tot slot ergerde hij zich aan de opmerking van Van Os in aflevering 1 die zich hardop afvraagt waarom er bij de claimanten na de restitutie geen feeststemming heerste. Wertheim merkte op dat als er wél feest gevierd was, dat waarschijnlijk óók verkeerd uitgelegd zou zijn.7 Alsof vreugde zich überhaupt zou verdragen met het verlies en onrecht dat aan de basis van deze hele kwestie ligt. Een gevoel van overwinning past nu eenmaal slecht bij het leed en de leegte die de Holocaust heeft nagelaten en dat besef hangt als een grauwe sluier boven iedere vorm van restitutie.
Wat volgde was een kleine polemiek waarbij de makers ingingen op de kritiek van Wertheim, die weer leidde tot een milde rectificatie van Wertheim op diens website, maar waarbij hij vasthield aan zijn voornaamste kritiek: vooringenomenheid van de makers en te weinig tegengeluid van voorstanders van restitutie. Zijn kritiek raakt aan een bredere discussie over de popularisering van geschiedschrijving. Waar wetenschappers en critici vaak de nadruk leggen op nuance, context en analytische diepgang, kiezen makers van publieksmedia veelal voor toegankelijkheid, spanning en emotionele betrokkenheid. Wertheims opmerkingen passen in dat debat: wanneer wordt geschiedenis ‘populair’ op een manier die onrecht doet aan haar complexiteit, en wanneer is popularisering juist een legitieme en noodzakelijke stap om een breed publiek te bereiken?

Bild mit Häusern. Foto: Stedelijk Museum Amsterdam
Tussen procedure en moreel besef
Dat de restitutie van Bild mit Häusern een complexe zaak is, zowel in juridische zin als in ethisch-maatschappelijke zin, wordt de luisteraar echt wel duidelijk. Het medium podcast biedt ruimte om in maar liefst acht afleveringen van elk 40 à 45 minuten alle paadjes af te lopen die met de zaak te maken hebben. En laten we eerlijk zijn: de populariteit van het medium en het true crime-karakter van het verhaal dragen er zeker aan bij dat een krant als NRC het ook de moeite waard vindt om die acht afleveringen te financieren. Maar na al die details, omwentelingen en zijpaadjes pellen de makers in de laatste aflevering hun onderzoek af tot de kern: de Nederlandse overheid heeft in 2001 een instituut in het leven geroepen dat het mandaat heeft om over restitutiezaken te oordelen. Dit instituut is geëvalueerd en het beleid is daarna bijgesteld en vooral empathischer geworden. Deze wijziging speelde tijdens de zaak met de gemeente Amsterdam over de Kandinsky. De gemeente had de zaak daarom, volgens Van Os, moeten laten beoordelen door de restitutiecommissie ‘nieuwe stijl’. Maar besloot dat niet te doen. Juist dáár ligt volgens hem het principiële probleem: niet zozeer dat de gemeente een ruimhartig gebaar maakte, maar dat zij daarbij een onafhankelijke instantie passeerde. In zijn ogen raakt dat aan iets groters: het gemak waarmee instituties worden omzeild zodra hun oordeel niet uitkomt.
De podcast Hier hing een schilderij laat zien hoe één kunstwerk symbool kan staan voor de spanningen tussen recht en rechtvaardigheid, tussen procedure en moreel besef. Door historisch onderzoek te combineren met persoonlijke stemmen en reflectie maakt de serie invoelbaar hoe ingewikkeld het is om in het heden recht te doen aan het verleden. Of het schilderij uiteindelijk is teruggegeven of weggegeven blijft onderwerp van debat. Maar juist dat open einde onderstreept de waarde van de podcast: hij confronteert de luisteraar met de vraag wat rechtvaardigheid betekent wanneer het verleden geen sluitende antwoorden biedt.
Over de auteur

Monique Brinks
Monique Brinks (1973) is historica en is bij WO2Net verantwoordelijk voor Publieksbereik en Innovatie. Daarvoor was zij onder meer projectmanager Tentoonstellingen bij het Nationaal Militair Museum (2018-2024). Voor het Herinneringscentrum Kamp Westerbork was ze projectleider van het museum in Potocari, waar de genocide in Srebrenica vanuit meerdere perspectieven wordt getoond (2014-2028). Ook schreef ze een vierdelig standaardwerk over het Scholtenhuis, de Groningse zetel van de Sicherheitsdienst (2008-2015) inclusief een virtuele reconstructie van het Scholtenhuis (2009).
Noten
1 Bindend advies inzake het geschil over de teruggave van het schilderij ‘Bild mit Häusern’, door Wassily Kandinsky, thans in het bezit van de gemeente Amsterdam, Restitutiecommissie (Amsterdam 22 oktober 2018) 5.
2 Het Parool stelde echter dat de waarde in 1940 tussen de 2000 en 3000 gulden lag. ‘Gemeente: Stedelijk Museum moet schilderij Kandinsky teruggeven aan erfgenamen’, Het Parool, 26 augustus 2021.
3 Hier hing een schilderij, aflevering 1.
4 Dit terwijl Klein na de oorlog nog wel andere kunstwerken als bruikleen aan het Stedelijk heeft gegeven en er dus over haar kunst in het algemeen nog wel contact was. Bindend advies, Restitutiecommissie, 7.
5 Afd. Privaatrecht, 16-12-2020, ECLI: NL: RBAMS: 2020: 6277.
6 Hier hing een schilderij, aflevering 8.
7 Ibidem.
Afbeelding bovenaan artikel
Cover van de podcast Hier hing een schilderij. Bron: NRC.