In interviews die de Shoah Foundation tussen 1994 en 2002 hield, vertelden overlevenden soms verdekt en soms openlijk over handtastelijke onderduikgevers en verkrachting door vaders en zonen uit het gastgezin. Slachtoffers hielden om allerlei redenen hun mond over dit seksueel misbruik op de plek die juist bedoeld was om veiligheid te bieden, soms vele decennia lang.
Over het algemeen worden onderduikgevers in de geschiedschrijving en het collectieve geheugen van Nederland gezien als helden met morele moed. Als mensen die uit solidariteit of altruïsme anderen hielpen, zonder er zelf baat bij te hebben. Sterker nog, die hun eigen levens en soms die van hun familie in gevaar brachten. Deze vorm van actief verzet leverde na de oorlog veel erkenning op. Zo werden meer dan 5.000 van degenen die onderduikers huisden, geëerd als Rechtvaardigen onder de Volkeren.1
Er zijn echter vele nuances aan te brengen in dit beeld, want hoe ‘rechtvaardig’ waren sommige onderduikgevers eigenlijk? Let wel: het is geenszins de bedoeling afbreuk te doen aan de veelal ongelofelijk dappere inspanningen van onderduikgevers om hun medemens te redden van de bezetter. Maar een kanttekening is voor degenen die hebben geleden onder de onderduik wel op zijn plaats.

De tuin van Rechtvaardigen onder de Volkeren bij Yad Vashem in Jeruzalem. Bron: Ehud Amir op Wikimedia Commons (CC BY-SA 4.0).
Onderzoek naar misbruikverhalen
In 2012-2013 deed ik voor mijn bachelor Geschiedenis aan de Vrije Universiteit onderzoek naar seksueel misbruik tijdens de onderduik. Het betrof een kleinschalige literatuurstudie, ondersteund door interviews over dit onderwerp uit het Shoah Foundation-project waarin overlevenden hun ervaringen deelden. Voor mijn bachelorscriptie ben ik vervolgens dieper en breder in de materie van misbruik tijdens de onderduik gedoken en heb ik getracht te achterhalen waarom er relatief weinig gesproken wordt over deze specifieke vorm van oorlogstrauma. In mijn scriptie kwamen verschillende vormen van misbruik aan bod, maar in dit artikel focus ik vanwege de thematiek van dit WO2 Onderzoek uitgelicht-nummer enkel op seksueel misbruik.
In de jaren dat de Shoah Foundation-interviews werden afgenomen, tussen 1994 en 2002, waren veel getuigen al op leeftijd. Ook was slechts een beperkt aantal van de interviews in 2012-2013 beschikbaar in het Nederlands en in Nederland, zo rond de 1500 in totaal. Desondanks schetsen ze samen een schrijnend beeld van wat deze slachtoffers hebben meegemaakt. Ze betroffen vooral situaties waarin jonge kinderen het slachtoffer waren, wat de ernst van de situatie onderstreept.2 Onder de in totaal 1500 beschikbare interviews waren er 101 waarin sprake was van ‘schending van het lichaam tijdens de onderduik’. 31 interviews daarvan gingen in op seksueel misbruik, lichamelijke mishandeling en gedwongen arbeid. Uiteindelijk kwam ik in mijn onderzoek op 17 ondubbelzinnige gevallen van seksueel misbruik.3 Hieronder geef ik een aantal voorbeelden van getuigenissen die zijn afgenomen door de Shoah Foundation en die ik gebruikte in mijn onderzoek.
Hetty, Rachel, Molly, Deborah…
Hetty zat met haar ouders en broer ondergedoken bij een gezin met een kruidenierszaak nabij Heerlen. Toen Hetty zich na drie weken een keer ’s nachts aan het wassen was – dat kon overdag niet – kwam de vader van het gezin binnen en verkrachtte haar. Hij hield zijn hand over haar mond en dreigde naar de Gestapo te gaan en haar hele familie aan te geven als ze er iets over zou zeggen. Haar ouders troffen haar vreselijk overstuur aan. Na lang aandringen van haar ouders vertelde ze hun wat er gebeurd was. Het hele gezin vertrok nog diezelfde nacht.
Rachel kwam terecht bij een gezin in Den Haag, waar specifiek om ‘een meisje’ was gevraagd. De man des huizes was “wel erg aardig” en maakte er een gewoonte van haar te willen zoenen als ze alleen waren. Toen ze een paar maanden later een nieuw onderduikadres kreeg, bracht de man haar daar op de fiets naartoe. Rachel zat achterop en tijdens het fietsen stak de man zijn hand tussen haar benen om een “warm plekje te vinden”. Rachel geeft aan dat ze heel lang niet over haar onderduikervaring heeft kunnen praten.
Molly moest tijdens de onderduik werken in de huishouding van de familie Bakker. De vader van het gezin besloop haar altijd van achteren op zijn slippers, zodat ze hem niet zou horen. Molly werd er een nerveus wrak van. Op een gegeven moment kwam hij aanlopen, draaide haar om, tilde haar op, zette haar op de wasbak en drukte zichzelf tegen haar aan. Haar angst werd waarheid. Ze kon zich van hem losmaken en rende weg. Hij beloofde daarna haar niet meer aan te raken als ze niks tegen zijn vrouw zou zeggen.
Deborah werd tijdens het omkleden continu aangestaard door de vader van het boerengezin waar zij onderdook. Hij “zat aan haar te plukken” en “frummelde” aan haar. Deborah voelde zich erg machteloos. De boerin vertelde haar man dat hij haar met rust moest laten. De boer dreigde Deborah te verraden als ze zou weglopen. Ze wilde het na de oorlog niet aan haar familie vertellen, want die hadden al genoeg aan hun hoofd. Ze zegt: “Zolang je er niet over praat, is het niet echt gebeurd.”
… Dientje, Louise, Helena, Elise, Nelly
Dientje kwam na een vlucht vanwege een bombardement terecht in Ede, waar de oom van een eerder onderduikgeversgezin Dientje en haar familie opnam. Het begon ermee dat hij haar af en toe op schoot nam en haar kriebelde. Dat vond ze heel leuk, maar later bedacht ze zich dat het toch wel gek was dat hij ook “op al die plekjes” kwam. “Je vindt het leuk, dus dan gaan we ook door”, zei hij. Het gezin dat ook bij hem verbleef ging vaak de stad in, maar zijzelf kon niet naar buiten, dus oom had de vrije hand. Hij misbruikte haar seksueel: ze moest op een trapje gaan staan, zodat “hij er goed bij kon”. Hij stopte ook niet als zij dat vroeg. Ze heeft het toentertijd tegen niemand gezegd. Ze zat ondergedoken, was geëvacueerd. Ze voelde dat ze niet in de positie zat om het te vertellen.
Louise zat ondergedoken bij een non, die soms met haar bij haar broer op bezoek ging. Eerst vond ze hem veel aardiger dan de non.Hij was pianoleraar en soms mocht Louise op de piano komen zitten om mee te luisteren. Hij begon dan aan haar te zitten, “feeling her up”. Het gebeurde niet heel erg vaak dat ze naar de broer gingen, maar ze werd wel elke keer dat ze naar hem toe gingen misbruikt. Ze werd heel erg bang voor hem. Ze moest hem bevredigen, maar wil het daar in het interview verder niet over hebben.
Helena kwam met haar twee dochters bij een gezin terecht. Omdat de vrouw des huizes op het punt stond te bevallen, werden de kinderen van Helena elders ondergebracht. De dokter die voor de bevalling aan huis kwam, een bevriende collega van de overleden man van Helena, klom ‘s nachts langs de regenpijp naar het open raam van Helena en verkrachtte haar. Ze kon er niks tegen doen; in het huis was alleen een vrouw met een pasgeboren baby. Ze voelde zich op dat moment alsof ze niks waard was. Weken later vertelde ze het aan een andere arts, die haar vertelde dat ze “niet moest denken dat ze de enige was”.
Elise dook samen met haar zusje op verschillende plekken onder. Een van die plekken was een hooizolder. Elke nacht kwam daar een man langs die ontucht pleegde met haar zusje. Elise was zelf heel erg bang voor deze man. Ze voelde zich ook schuldig, omdat zij tweeënhalf jaar ouder was dan haar zusje maar haar niet kon beschermen. Nu, als ze er met haar zusje over probeert te praten, wil die er nog steeds geen woord over zeggen.
Nelly kwam op 18-jarige leeftijd met haar familie bij een groot gezin in Hoenderloo terecht, waar naar eigen zeggen voor haar ‘de hel’ begon. De man des huizes zat achter haar aan. Hij stond in zijn onderbroek in de slaapkamer te wachten en hij probeerde haar te pakken als ze in de buurt kwam. Ze vluchtte steeds voor hem weg en wilde alleen nog uit haar kamer komen als de vrouw des huizes thuis was. Omdat de man haar niet te pakken kreeg, werd ze gestraft met huishoudelijk werk en fysieke mishandeling. Ze was een mentaal wrak. Ze praatte hier niet over met haar ouders, zus en zwager omdat ze bang was dat ze anders op straat zouden worden gezet. Op een gegeven moment kwam ze op een kamer te slapen met de drie zoons van het gezin. Vanaf dat moment kon ze zich niet meer wassen bij de wastafel in de slaapkamer, want dan “stond die 14-jarige zoon overend”. Op hetzelfde moment stond de vader buiten op haar te wachten. Ze werd letterlijk van alle kanten belaagd. Na de bevrijding stortte ze volledig in.
Angst voor verraad
Het is bekend dat slachtoffers van seksueel misbruik – zeker als het kinderen zijn – schuld en schaamte ervaren, en angst voor het onzekere als zij zouden vertellen wat er met ze gebeurt of gebeurd is. In de context van de oorlog en de onderduik komen er nog een aantal andere factoren bij die maken dat slachtoffers van misbruik hun mond houden, zo tonen de verschillende interviews. Een centrale factor was de voortdurende angst om door de onderduikgever verraden te worden aan de nazi’s. Deze dreiging werd niet alleen impliciet ervaren door de slachtoffers, maar in sommige gevallen ook expliciet geuit door de onderduikgever zelf. Daarbij ging het niet uitsluitend om het mogelijke verraad van de onderduiker die met misbruik te maken had, maar ook van diens familieleden, wat de druk om te zwijgen aanzienlijk vergrootte.
Iets anders dat een rol speelde, was dat veel onderduikers hun eigen familie bij toevallige ontmoetingen of leden van het verzet niet wilden vertellen over de slechte omstandigheden waarin zij verkeerden. Enerzijds was dit om anderen niet extra te belasten met zorgen, anderzijds uit angst voor represailles of het verlies van de onderduikplek. In sommige gevallen werd het zwijgen afgedwongen door expliciete dreigementen van de onderduikgever, in andere gevallen kwam het voort uit een geïnternaliseerde angst om op straat te komen staan.
Hiërarchie van leed
Ook na de onderduik bleven er voor slachtoffers van seksueel misbruik tal van redenen bestaan om niet over de ervaringen te spreken. Een belangrijk motief was de zogenoemde ‘hiërarchie van het leed’: het idee dat men de oorlog had overleefd en daarom geen recht had om te klagen, want hadden anderen niet zwaarder geleden of de oorlog niet overleefd? Dit wordt ook wel survivors guilt genoemd. Deze werd versterkt door de naoorlogse maatschappelijke context met zijn nadruk op wederopbouw, vooruitgang en optimisme. Voor persoonlijke en pijnlijke oorlogsverhalen leek weinig ruimte te bestaan. Tegelijkertijd bestond er een sterk gevoel van dankbaarheid ten opzichte van de onderduikgevers, wat het spreken over negatieve ervaringen verder bemoeilijkte.
Schaamte speelde eveneens een belangrijke rol. Veel overlevenden schaamden zich omdat zij niet voor zichzelf of voor andere slachtoffers waren opgekomen. Voor kinderen die na de oorlog werden herenigd met hun ouders was er bovendien de angst om hen te confronteren met het feit dat zij hun kind hadden achtergelaten in vaak zeer onveilige en traumatische omstandigheden.
Daarnaast waren er lange tijd beperkte mogelijkheden om ervaringen zoals die met misbruik vast te leggen of te delen in een gedocumenteerde vorm. Projecten zoals het Shoah Foundation Project kwamen pas decennia na de oorlog op gang. Oral history kwam pas midden jaren zestig in zwang als methode om verhalen op te halen. In die periode ontstond er meer belangstelling voor het vastleggen van persoonlijke getuigenissen als manier om geschiedenis te documenteren die niet altijd in de officiële archieven terug te vinden was. Wel bleef de wetenschappelijke waardering ervan lang onderwerp van discussie. Vragen rondom de betrouwbaarheid van herinneringen droegen bij aan terughoudendheid om deze bronnen als volledig valide te beschouwen. Denk aan vragen over het onderscheid tussen kernherinneringen en narratieve herinneringen – de verhalen die iemand onbewust om een herinnering heen heeft gemaakt, maar niet altijd kloppend zijn – of over het onbewust overnemen van andermans verhalen en herinneringen die feitelijk onjuist kunnen zijn.
Tot slot gaven sommige overlevenden eenvoudigweg aan geen behoefte te hebben om over hun ervaringen te spreken. Zeer begrijpelijk, gezien de pijnlijke en traumatische aard van deze geschiedenis.
Experiential turn
Om ook even bij stil te staan in dit verband, is het feit dat interviewsituaties zelf eveneens de nodige beperkingen kennen. Interviewers zijn ook maar mensen en kunnen belangrijke signalen missen, onvoldoende doorvragen of een getuige niet verder laten vertellen wanneer het onderwerp te pijnlijk wordt. Bovendien deden zich in de periode van analoge opnames technische problemen voor, zoals het aflopen van opnamebanden op cruciale momenten van een interview.
Zoals gezegd begon oral history pas echt aan populariteit te winnen vanaf de jaren zestig, en zijn er voor die tijd nagenoeg geen getuigenissen gedocumenteerd. Seksueel misbruik tijdens de onderduik was – mede daardoor wellicht – lange tijd een gemarginaliseerd onderdeel van de Holocaust-ervaring. Met de experiential turn in Holocaust Studies4 en het concept van choiceless choices5 vond binnen het onderzoeksveld de laatste veertig jaar een verschuiving plaats. Waar de nadruk eerst lag op staatsgeweld, vernietigingspolitiek en institutioneel daderschap kwam er meer ruimte voor traumatische ervaringen, erkenning van seksueel geweld en aandacht voor getuigenissen van kinderen. Oral history wordt daarbij ook steeds meer gezien als primaire bron, in plaats van louter een aanvullende. Er zijn de afgelopen jaren vele persoonlijke verhalen opgeschreven in (auto)biografieën, er zijn interviews gegeven, krantenartikelen geschreven en documentaires gemaakt. Toch is er, zover ik dat kan vinden, geen kwantitatief of kwalitatief wetenschappelijk onderzoek gedaan naar seksueel misbruik tijdens de onderduik, iets dat op zijn minst opvallend te noemen is.
Vanaf 2024 zijn alle interviews van het Visual History Archive van de USC Shoah Foundation – bijna 60.000 – te zien in de twee kenniscentra van het Joods Cultureel Kwartier (JCK). Door de ontwikkelingen op het gebied van AI zou het mogelijk moeten zijn de interviews te laten transcribreren en full-text doorzoekbaar te maken. Zo zou elk interview volledig toegankelijk kunnen zijn en zouden namen, onderwerpen en samenvattingen automatisch toegevoegd kunnen worden. Ook kan een koppeling gemaakt worden van tekst naar audio, om zo direct bij het juiste deel van de getuigenis te komen. Via de AI-tool ‘semantic search’ zou je zelfs vragen kunnen stellen over zaken als de emoties en twijfels van de geïnterviewde, omdat daarbij gezocht wordt naar betekenis en niet naar woorden. Dit staat op het moment nog in de kinderschoenen, maar kan in de toekomst een manier zijn waarop dit soort getuigenissen breder naar het publiek kunnen worden gebracht en er op kwantitatieve basis conclusies kunnen worden getrokken.
Verder onderzoek
Kijkend naar de ervaringen waarover slachtoffers hebben getuigd, wordt duidelijk hoe ingrijpend seksueel misbruik tijdens de onderduikperiode voor hen is geweest. Het toont aan hoe de kwetsbaarheid van onderduikers werd uitgebuit door mensen die zij in vertrouwen hadden genomen. Bovendien benadrukken de getuigenissen hoe moeilijk het was om over deze trauma’s te spreken, zowel tijdens als na de oorlog. Ze onderstrepen de langdurige impact van deze ervaringen op de levens van de slachtoffers en de moeilijkheden waarmee zij werden geconfronteerd bij het verwerken van hun trauma. Ze zijn kortom een schrijnend bewijs van de menselijke kwetsbaarheid en de langdurige gevolgen van oorlogstrauma, en verdienen verder en diepgaander onderzoek.
Dit artikel is een excerpt van twee van Van Gils’ onderzoeken uit 2012/2013. Alle namen in dit artikel zijn gefingeerd ter bescherming van en uit respect voor de slachtoffers.
Over de auteur

Dagmar van Gils
Dagmar van Gils is historica, gespecialiseerd in de Tweede Wereldoorlog. Ze is werkzaam bij Stichting WO2Net en Stichting Musea en Herinneringscentra 40-45. Ook is ze lid van de redactie van het Auschwitz Bulletin.
Noten
1 De titel ‘Rechtvaardige onder de Volkeren’ is een onderscheiding van Yad Vashem, toegekend aan niet-Joden die tijdens de Holocaust Joden hielpen onderduiken, ontsnappen of anderszins te overleven.
2 Hier kan een vertekening zijn opgetreden. De interviews van de Shoah Foundation zijn afgenomen vanaf 1994, en toen waren wellicht veel van degenen die tijdens de onderduik volwassen waren al overleden. Dit maakt dat vanzelf een ‘jongere’ groep geïnterviewd werd.
3 Dit onderzoek was natuurlijk te kleinschalig om tot absolute cijfers te komen, aangezien die een kwestie van schatting op schatting zouden zijn.
4 Onder meer beschreven door Saul Friedländer en Christopher Browning.
5 Gemunt door Lawrence Langer.
Foto bovenaan artikel
De 50.000e opname voor het Shoah Foundation-project in 1999. Holocaustoverlevende en producent van Schindler’s List Branko Lustig in gesprek met Gerald Molen. Bron: USC Shoah Foundation.