Ze zijn misschien wel de meest bekende groep slachtoffers van seksueel geweld in oorlogstijd: de ‘troostmeisjes’. Eerst gedwongen tewerkgesteld in Japanse militaire bordelen, en na de oorlog vaak verstoten door familie en gemeenschap. Pas sinds 1990 is er aandacht voor hun lot. Helaas blijken ze daarbij vooral speelbal van anderen en inzet van politieke schermutselingen in en tussen Japan, Zuid-Korea en China.
Wereldwijd leven er nog maar een handjevol vrouwen die tussen 1932 en 1945 door Japanse militairen seksueel zijn misbruikt. De laatste overlevenden zijn inmiddels de negentig gepasseerd. Sommige van hen vrezen dat als zij er niet meer zijn, hun ervaringen vergeten worden of, misschien nog erger: verdraaid. In de strijd die ze sinds het publiekelijk uitdragen van hun persoonlijke verhaal voerden, werden ze al te vaak teleurgesteld. Ze hebben aan den lijve ervaren hoe er sinds de jaren 90 van de vorige eeuw zelden met hen werd gesproken over de erkenning van hun leed en genoegdoening daarvoor. Niet alleen (conservatieve) politici, ook activisten en soms de herinneringsindustrie schikten de ervaringen van deze vrouwen vooral naar hun eigen behoeften.
De vrouwen die moesten werken in het georganiseerde militaire prostitutiesysteem, ook wel eufemistisch ‘troostmeisjes’ genoemd, kwamen uit alle hoeken van de door het Japanse rijk bezette gebieden.1 Veel van hen kwamen uit Korea, dat tussen 1910 en 1945 een kolonie van Japan was. De relatief korte maar traumatische episode uit hun jeugd waarin ze tewerkgesteld werden in militaire bordelen tekende hen voor het leven.
Tijdens het Tokio Tribunaal in 1946 beperkte de aandacht voor de slachtoffers van verkrachting zich tot wat er gebeurde tijdens het Bloedbad van Nanjing. Pas vanaf 1991, decennia later dus, kwamen de eerste moedige vrouwen met hun ervaringen naar buiten. De vrouwen die in de publiciteit traden moesten heel wat overwinnen. Als slachtoffers van seksueel geweld voelen zij tot de dag van vandaag vooral schaamte voor wat hen overkomen is. Maar zolang zij hun pijn geheimhouden, kunnen de daders buiten schot blijven.

Myitkyina, 14 augustus, 1944. Drie Koreaanse vrouwen worden door Amerikaanse soldaten ondervraagd. De vrouwen waren seksueel misbruikt door soldaten van het Japanse leger. Bron: U.S. Army op Wikimedia Commons.
Halfslachtige boetedoening
De eerste vrouw die in Korea haar ervaringen publiekelijk besprak, was Kim Hak-sun. In 1991 vertelde ze wat haar op 17-jarige leeftijd was overkomen. Geïnspireerd door haar verhaal traden steeds meer vrouwen naar buiten. Eind 1991 begon Kim Hak-sun samen met twee andere vrouwen een rechtszaak tegen de Japanse regering. Het was de van oorsprong Nederlandse Jan Ruff O’Herne die als eerste Europese vrouw in 1992 een verklaring aflegde op de internationale hoorzitting over Japanse oorlogsmisdaden in Tokio. Vanaf dat moment nam de aandacht voor het lot van deze vrouwen toe. Wereldwijd werden monumenten geplaatst die hun ervaringen gedenken en onder andere in Seoul (2012), Nanjing (2015), Taipei (2016) en Berlijn (2022) zijn musea opgericht waar de verhalen rondom de gedwongen prostitutie voor het Japanse leger centraal staan.
Binnen de Japanse politiek ontstond in 1990 een eerste kleine opening om deze geschiedenis publiekelijk onder ogen te zien. Na een onderzoek dat concludeerde dat Japanse militairen vrouwen destijds inderdaad gedwongen hadden te werken in militaire bordelen, liet de Japanse minister Yōhei Kōno in 1993 namens zijn regering een verklaring uitgaan. Kōno sprak excuses en spijt uit, maar helemaal van harte ging dat niet. Hij kondigde een historisch onderzoek aan naar deze geschiedenis en gaf aan dat er een fonds zou worden ingesteld. Een jaar later werd het Asian Women’s Fund ingesteld.2 Als een vorm van boetedoening werden projecten opgetuigd die het welzijn en de levensomstandigheden van de slachtoffers moesten verbeteren.
Vanaf het begin ontstond er controverse rondom dit fonds, omdat sommige slachtoffers de donaties niet wilden accepteren. Het voornaamste bezwaar was dat de compensaties niet direct van de staat afkomstig waren, maar via de omweg van het fonds. Overigens kregen vrouwen in China en Noord-Korea helemaal geen geld uit dit fonds omdat deze landen geen overeenkomst hadden gesloten met Japan. Een succes kun je dit fonds, dat in 2007 werd ontbonden, dan ook niet noemen.
Witwassen
Sindsdien ondernam de Japanse regering verschillende pogingen om wat het “troostmeisjes-probleem” was gaan heten uit de weg te ruimen. Die pogingen bleven meestal nogal halfslachtig. De meeste misbruikte vrouwen vonden dat de Japanse regering nooit een formeel excuus of een ruimhartige compensatie had aangeboden. Door de toenemende druk werden er wel wat initiatieven ontwikkeld, zoals bijvoorbeeld het Kōno-statement in 1993, en een overeenkomst tussen Korea en Japan in 2015. Maar in beide gevallen werden de afspraken over de hoofden van de slachtoffers heen gemaakt.
Wat geïnterpreteerd zou kunnen worden als een erkenning van morele schuld, betekende ook bepaald niet dat de zaak hiermee was afgedaan. Rechtse politici en media in Japan bleven volhouden dat Korea leugens verspreidde, met name over de dwang waaronder vrouwen in de militaire bordelen hadden moeten werken. In de twee ambtstermijnen van premier Abe, van september 2006 tot september 2007 en van december 2012 tot september 2020, werd er van alles gedaan om deze onverkwikkelijke geschiedenis zo snel mogelijk weer wit te wassen. Zo werd in schoolboeken het verhaal dat de vrouwen gedwongen waren geweest weer teruggedraaid.

Een woensdagdemonstratie in Seoul, oktober 2012. De demonstranten zijn verzameld rondom het standbeeld Pyeonghwaui Sonyeosang (Standbeeld van de Vrede). Bron: Pudmaker op Wikimedia Commons (CC BY-SA 3.0).
Activisme en herdenking in Zuid-Korea en China
In Zuid-Korea, waar veel van de slachtoffers vandaan kwamen, werd de strijd tegen de Japanse regering vanaf het begin professioneel ingezet. De ngo Korean Council die in 1990 werd opgericht ontplooide een breed scala aan activiteiten waarmee zij nationaal en internationaal de gedwongen militaire prostitutie op de agenda zetten. Het zwaartepunt van het activisme tegen de gedwongen prostitutie lag hierdoor steevast in Zuid-Korea, en ligt dat nog steeds. Lange tijd was daarbij ook een grote rol weggelegd voor de voormalige ‘troostmeisjes’ zelf. De Korean Council droeg zorg voor hun levensomstandigheden en welzijn en wierf fondsen om dit te bekostigen. Sinds 1992 staat er elke woensdag opnieuw een groep slachtoffers te demonstreren voor de Japanse ambassade in Seoul.
Maar in 2020 ontstond er een schandaal. Een van de vrouwen, de toen al hoogbejaarde Lee Yong-soo, beschuldigde de activisten van de Korean Council van politieke en financiële uitbuiting. Zij stelde dat zij zich jarenlang geëxploiteerd had gevoeld door de activisten en benadrukte dat er beter geluisterd zou moeten worden naar wat de voormalige ‘troostmeisjes’ zelf wilden. De zaak had veel impact in Zuid-Korea. Het hoofd van een tehuis waar vrouwen verbleven pleegde in 2020 zelfmoord. Parlementslid en gewezen hoofd van de Korean Council Yoon Mee-hyang werd aangeklaagd en uiteindelijk veroordeeld voor verduistering van geld.3
Ook in China beïnvloeden politieke motieven de representatie van de voormalige ‘troostmeisjes’. Dat is bijvoorbeeld te zien aan hoe het Liji Alley Comfort Women Museum hun geschiedenis presenteert. Het museum werd in 2015 geopend op de historische locatie van een voormalig militair bordeel in Nanjing. Het centrale motief in de museumopstelling: tranen. Daardoor ligt de focus bijna geheel en al op het slachtofferschap en lijden van deze vrouwen. Ook gaat de meeste aandacht naar de veroorzakers van al dat lijden: destijds de Japanse militairen en nu de Japanse regering. Een kanttekening valt daarbij wel te plaatsen. Voor de problemen ná de oorlogsperiode in het verdere, soms lange leven van de voormalige ‘troostmeisjes’ zijn wel meer actoren verantwoordelijk. Veel van hen werden door hun gemeenschappen en zelfs naasten uitgestoten en hadden weinig steun te verwachten van de overheid. In het museum blijven deze aspecten bijna geheel buiten schot.
Ook de geopolitieke geschillen tussen Japan en China blijven in het museum onbenoemd. Maar het is overduidelijk dat zij een grote rol spelen bij het vanzelfsprekende benadrukken van de kwalijke rol van Japan. De voormalige ‘troostmeisjes’ blijken een effectief middel om sympathie op te wekken voor zaken die veel verder reiken dan hun lot.4

Het Liji Alley Comfort Women Museum in Nanjing, China. Bron: Liji Alley Comfort Women Museum.
Monddood
De hier aangehaalde voorbeelden uit Zuid-Korea en China illustreren dat er achter de aandacht voor het lot van de voormalige ‘troostmeisjes’ soms politieke en activistische beweegredenen schuilgaan waar de betreffende vrouwen zelf niet per se beter van werden. Integendeel. In feite worden zij soms opnieuw, nu op een andere en soms subtielere manier, misbruikt. Dat is misschien wel het meest tragische van deze hele geschiedenis: dat deze vrouwen meervoudig slachtoffer zijn geworden. Eerst kregen ze, vaak op zeer jonge leeftijd, te maken met langdurig misbruik door Japanse militairen. Velen bezweken onder de mishandelingen of werden vermoord. Vervolgens spraken overlevenden na de oorlog uit schaamte lange tijd niet over wat er met hen gebeurd was. En wie het wel vertelde, liep grote kans te worden verstoten door haar omgeving en beschuldigd te worden zelf de schuld te dragen van wat er was gebeurd. Toen er meer aandacht voor hun ervaringen kwam, kregen of namen de overlevende vrouwen zelf nauwelijks een stem. Het waren anderen die op de voorgrond traden, of het nu ging om de manier waarop de ervaringen van ‘troostmeisjes’ herdacht werden, de wijze waarop ze gecompenseerd werden, of hoe ze hun trauma’s het beste konden verwerken. Op de valreep sprak de hoogbejaarde Lee Yong-soo zich in 2020 alsnog uit, maar is dat genoeg om te komen tot herdenkingen die recht doen aan de complexiteit van de verhalen van de slachtoffers?
Met het overlijden van steeds meer van de vrouwen die de beproevingen aan den lijve hebben ervaren, sluit het boek voor hen definitief. Zelf hebben ze binnenkort geen enkele invloed meer op de wijze waarop hun verhalen worden verteld. Vrouwen als Lee Yong-soo benadrukken het belang van historische waarheidsvinding en van een beter begrip tussen Japanners en Koreanen. Dat is bepaald niet eenvoudig. Desalniettemin is het van belang zorgvuldigheid te betrachten als we proberen de slachtoffers te herdenken en na te gaan hoe politieke of andere beweegredenen die maar zijdelings met hun lot te maken hebben buiten de deur kunnen worden gehouden.
Over de auteur

Dr. Eveline Buchheim
Dr. Eveline Buchheim werkt als onderzoeker bij het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies. Ze bracht publicaties uit op het gebied van oorlog en gender, intieme relaties in koloniale contexten en erfgoedtoerisme. Zij werkt momenteel aan een onderzoek naar de Nederlandse Spoorwegen tijdens de Duitse bezetting.
Noten
1 Het woord ‘troostmeisjes’ is de letterlijke vertaling van het Japanse Ianfu. De term is omstreden. Als alternatief wordt ook de term seksslavin gebruikt. De slachtoffers zelf zijn het niet eens welk woord de voorkeur geniet en gebruiken beide benamingen.
2 Zie https://www.mofa.go.jp/files/100173322.pdf voor de informatie van het Japanse ministerie van Buitenlandse zaken hierover.
4 Zie voor een uitgebreide analyse van dit museum Eveline Buchheim, ‘The motif of tears: representations of activism and suffering in the Liji Alley Museum in Nanjing’. Women’s History Review (2022), DOI: 10.1080/09612025.2022.2090704.
Foto bovenaan artikel
Het Vredesbeeld (Friedensstatue) in Berlijn is in september 2020 ontuld. Het standbeeld is ontworpen door Kim Seo-kyung en Kim Eun-sung. Bron: C.Suthorn op Wikimedia Commons (CC-BY-SA-4.0)