‘Joodse daders’, ‘Poolse redders’

Opinie

door Florian Peters – leesduur 7 minuten

Herinneringspolitiek in Polen, 50 jaar na maart 1968

 

Vertaald uit het Duits door Alex Valk

In Polen heeft de nationale herinneringspolitiek een wel heel scherp randje gekregen. De nieuwe Holocaustwet, de herinrichting van het Oorlogsmuseum in Gdánsk in nationalistische geest, de oprichting van een museum over Poolse ‘Jodenredders’, de plannen voor een filiaal daarvan in New York: de Poolse regering lijkt vastberaden om een positief-nationalistisch geschiedbeeld door te drukken. Florian Peters van het Berlijnse Institut für Zeitgeschichte ziet hoe verkeerd dit in het buitenland valt en hoe weinig de huidige regering van Polen zich daaraan gelegen laat liggen.

Wat de Poolse regering (PiS) ook bewogen mag hebben de al anderhalf jaar eerder voorbereide wetswijziging van het Instituut voor Nationale Herinnering (IPN) plotseling uit de la te halen en in sneltreinvaart door het parlement te loodsen: een bijzonder gevoel voor herinneringspolitiek heeft zij daarbij in ieder geval niet laten zien. Zo nam de Poolse Sejm de wijziging uitgerekend op 27 januari aan, aan de vooravond van Holocaust Memorial Day. Sindsdien staat iedereen die ‘openlijk en in strijd met de feiten’ de Poolse natie of staat de (mede)verantwoordelijkheid toeschuift voor de misdaden van het Derde Rijk, een gevangenisstraf van maximaal drie jaar te wachten. De nieuwe ‘Holocaust-wet’ veroorzaakte wereldwijd een storm van protest en stortte Polen in een zware diplomatieke crisis met Israël, de Verenigde Staten en Oekraïne. De wereldwijde publieke opinie richtte zich daarbij niet op de terechte (hoewel ook vaak overdreven) Poolse zorgen over het onbedachtzame gebruik van het begrip ‘Poolse vernietigingskampen’ in buitenlandse media, die oorspronkelijk de impuls voor het wetsinitiatief gaven. In plaats daarvan riep de Poolse regering volop wantrouwen op met haar openlijke poging om via het strafrecht te verhinderen dat er kritisch geschiedenisonderzoek en openbare discussies plaatsvinden over de deelname van individuele Polen aan de vervolging van en moord op hun Joodse buren door de Duitsers. Wie het nodig vindt elementaire grondrechten als vrijheid van wetenschapsbeoefening en vrijheid van meningsuiting te beknotten om het smetteloze blazoen van de eigen natie schoon te houden, lijkt echt iets te verbergen.

Heroïsche verhalen

Maar dat is niet alles. Nauwelijks was de eerste storm van verontwaardiging over de wetsverandering gaan liggen of de Poolse minister-president Mateusz Morawiecki gooide in de zijlijn van een veiligheidsconferentie in München olie op het vuur met een problematische uitspraak over ‘Joodse daders’. In reactie op een vraag van een Israëlische journalist stelde hij Poolse, Joodse, Russische en Oekraïense collaborateurs en Duitse ‘daders’ semantisch op één lijn. Met die aanval op Joodse en Oekraïense collaborateurs verdoezelde hij het ultieme verschil tussen verantwoordelijke Duitse daders aan de ene kant en verdere deelnemers aan de Holocaust die vanuit telkens wisselende, meer of minder eenduidige, doch altijd netelige situaties handelden aan de andere. Terwijl de rechtse Poolse regering bij voorkeur Joodse en Oekraïense collaborateurs aanvalt – de laatsten worden in de aangepaste IPN-wet van ‘volkerenmoord’ op Poolse burgers in Wolynië beschuldigd –, plaatst zij met betrekking tot de eigen natie liever alleen de Polen in het middelpunt die Joden van de Holocaust hebben gered. Om deze Poolse redders wereldwijd bekendheid te geven, bereidt het ministerie van Cultuur een omvangrijk netwerk van musea voor. Als voorbeeld dient het in 2016 geopende museum voor de familie Ulma in het Zuid-Poolse Markowa: een geliefde bestemming van PiS-toppolitici, die graag aan buitenlandse staatsgasten en journalisten wordt getoond.1 Een soortgelijk museum moet in een bijgebouw van voormalig concentratiekamp Auschwitz-Birkenau worden gevestigd, om de bezoekers naast de ‘afschuwelijke geschiedenis’ van deze gedenkplaats ook een ‘heroïsch verhaal’ over de Poolse ‘rechtvaardigen’ te kunnen laten zien. En onlangs kondigde het ministerie zelfs de oprichting aan van een filiaal van het Zuid-Poolse museum in New York. Dat de ostentatieve nadruk op Poolse redders van Joden telkens ook de vraag naar individuele handelingsmogelijkheden van Polen tijdens de Holocaust opwerpt en daarmee nolens volens ook de Poolse Szmalcownik wereldwijd onder de aandacht brengt – die winst maakte uit de nood der Joden door afpersing –, schijnt daarbij niet bij de Poolse leiders op te komen.

Het in 2016 geopende museum voor de familie Ulma in de Zuid-Poolse plaats Markowa. Foto: Zuzanna Stadnik op Wikimedia Commons (CC BY 3.0)

Antisemitische campagne

De poging Poolse ‘rechtvaardigen’ te verheffen tot paradigmatische figuur van de Pools-Joodse geschiedenis is op zich niet nieuw. Integendeel: de PiS-regering zet daarmee een roemloze traditie voort die precies vijftig jaar geleden tot een hoogtepunt kwam. Toen dreven de Poolse communisten met een antizionistische campagne de laatste grote groep Poolse Joden het land uit, met medewerking en instemming van een aanzienlijk deel van de bevolking. In het westen mag 1968 voor altijd verbonden zijn aan studentenopstand en maatschappelijke liberalisering; in Polen is maart 1968 eerder een symbool voor het cynisme van de communisten, die met het oog op machtsbehoud en uit angst voor protesten gebruikmaakten van nationalistische ressentimenten. Het forse antisemitische mobiliseringspotentieel in de toenmalige Poolse maatschappij leverde een makkelijke zondebok op. Om de gedwongen emigratie van duizenden Joodse Polen – slechts 23 jaar na de Holocaust! – te rechtvaardigen, stonden ook toen verhalen over Poolse redders die hun Joodse medeburgers tijdens de Holocaust van een wisse dood hadden gered in hoog aanzien. Dubieuze ooggetuigen lanceerden zelfs een revisionistisch narratief over de opstand in het getto van Warschau, om zo (in werkelijkheid uitgebleven) massale militaire steun aan de Joodse opstandelingen door het Poolse verzet geloofwaardig te maken.2

1968: vele duizenden Poolse Joden worden gedwongen hun thuisland te verlaten. Op de foto een laatste omhelzing op een Pools station. Foto: Elżbieta Turlejska op marzec68.sztetl.org.pl

De inwerkingtreding van de Holocaustwet op 1 maart jongstleden markeerde dus een uiterst ongelukkige opmaat naar de vijftigste verjaardag van deze antisemitische campagne in maart 1968. Precies een halve eeuw na deze aangrijpende episode in de Poolse geschiedenis heeft de PiS-regering er met haar controversiële wetswijziging voor gezorgd dat de kwestie van de Pools-Joodse relatie voor, tijdens en na de Holocaust weer op de agenda staat – en dan bepaald niet als academisch probleem voor historici alleen. Zoals recente enquêtes uitwijzen, vallen antisemitische ressentimenten in delen van de Poolse maatschappij weer op vruchtbare bodem. Vooral de complottheorie dat achter alle mogelijke problemen ‘anti-Poolse’ krachten aan het werk zijn, gebruikt de PiS openlijk voor partijpolitieke doeleinden. Dit herinnert aan de tactiek van de communisten van vijftig jaar geleden.

Rechts postmodernisme: ‘There was no Poland’

De hoofdpersonen binnen de regeringsmeerderheid wijzen zulke parallellen natuurlijk verontwaardigd af. Sterker nog: volgens hen gaat elke vergelijking met maart 1968 sowieso niet op, omdat Polen toen – tada…. – helemaal niet bestond. Deze opmerking viel op te tekenen uit de mond van minister-president Morawiecki, toch nog altijd een afgestudeerd historicus, tijdens een optreden in Berlijn. In het kader van een herdenkingsbijeenkomst aan de Universiteit Warschau legde hij vervolgens uit dat vrijheidslievende Polen met betrekking tot maart 1968 vooral trots konden zijn, terwijl alleen de toen regerende communisten verantwoordelijk zijn voor de antisemitische hetze.3

De Poolse minister-president Mateusz Morawiecki tijdens een herdenkingsbijeenkomst in Warschau, maart 2018. Foto: Kancelaria Premiera op flickr.com

Dit sterk selectieve inzicht in de geschiedenis is karakteristiek voor nationaal-conservatieve Polen. Zij accepteren telkens alleen positieve aspecten van het verleden als een herinneringswaardig onderdeel van de nationale geschiedenis, zoals de hulp aan bedreigde Joden tijdens de Holocaust. Zodra het echter gaat om daden met een negatieve connotatie, wordt de verwantschap van de betrokken personen met de Poolse natie onmiddellijk gerelativeerd of bestreden. Zo verliest een Pool die tijdens de Tweede Wereldoorlog een Jood had verstopt voor de Duitse veiligheidsdienst zijn status als vertegenwoordiger van de natie op het moment dat hij zijn gedrag veranderde en de Jood aan de Gestapo verraadde (bijvoorbeeld omdat deze niet langer kon betalen voor kost en inwoning). Van nationaal voorbeeld wordt hij tot betreurenswaardig afzonderlijk geval, zoals die nu eenmaal in de ontaarde randen van elke samenleving voorkomen.

‘Wederzijdse liefde’

De leidende figuren van de hedendaagse Poolse herinneringspolitiek praten voortdurend over een eigen historisch ‘narratief’ of zingevend ‘verhaal’. De vraag of dit ‘Poolse verhaal’ ook echt wordt begrepen buiten het eigen nationalistische bastion of zelfs in het buitenland, schijnt voor PiS-historici ondergeschikt te zijn. Voorjaar 2017 deed zich met de opening van het Museum of the Second World War in Gdańsk de mogelijkheid voor om de beelden die het internationale publiek heeft van centrale onderwerpen uit de Poolse geschiedenis, actief mede vorm te geven met een moderne tentoonstelling waarin de Tweede Wereldoorlog vanuit verschillende perspectieven wordt belicht. Het ministerie van Cultuur deed er echter alles aan om de verantwoordelijke personen van hun post te ontheffen en een wijziging van de tentoonstelling in nationalistische geest voor te bereiden. Het regeringskamp valt ook het internationaal hooggeprezen Polin aan. In dit museum voor de geschiedenis van de Poolse Joden in Warschau zou het Pools-Joodse verleden niet in voldoende mate als geschiedenis van ‘broederlijkheid’ en ‘wederzijdse liefde tussen twee volkeren’ worden gepresenteerd, meent cultuurminister Piotr Gliński.

Het Polin museum in Warschau, gewijd aan de geschiedenis van de Poolse Joden.. Foto: Magdalena Starowieyska en Dariusz Golik op Wikimedia Commons (CC BY-SA 3.0 PL)

Anders dan haar liberaal-conservatieve voorgangers wil de PiS-regering met haar geschiedenisbeleid in het buitenland en in het liberale deel van de Poolse samenleving klaarblijkelijk helemaal niet meer worden begrepen. In plaats daarvan volstaat zij met preken tot degenen die toch al bekeerd zijn. Tegenwind en kritiek uit binnen- en buitenland komen daarbij als geroepen. Er wordt wat de binnenlandse politiek betreft juist munt geslagen uit de status van eeuwig onbegrepene tegen de achtergrond van de historische ervaringen van de Polen. De herinneringspolitiek van de Poolse regering getuigt er dus weer van hoe vast het geloof in de zelfbedachte historische mythes al verankerd is onder Poolse rechtse nationalisten – of getuigt het van een flinke dosis cynisme?

 

Over de auteur

 

Florian Peters

Dr. Florian Peters is wetenschappelijk medewerker bij het Institut für Zeitgeschichte, Berlijn. Dit artikel verscheen in maart 2018 in Zeitgeschichte-online.


Noten

1 Meer over het museum in Markowa treft u hier.
2 Vgl. Florian Peters, Revolution der Erinnerung. Der Zweite Weltkrieg in der Geschichtskultur des spätsozialistischen Polen, Berlijn 2016, p. 349-354.
3 Zie Adam Leszczyński, ‘“Dumni z marca”, “muzeum getta to muzeum miłości”. Morawiecki i Gliński znów opowiadają kurioza o Żydach’, OKO.press, 8 maart 2018.

Foto bovenaan artikel: Een uitstalling in het Museum of the Second World War in Gdánsk. Bron: Andrzej Otrębski op Wikimedia Commons (CC BY-SA 4.0).