Voorbij de toegankelijkheidsreflex: handicap als analytische lens in oorlogsmusea

Drempelloze toegang, geleidelijnen op de vloer, informatie in Nederlandse gebarentaal: voor mensen met een beperking belangrijke voorwaarden om een oorlogsmuseum te kunnen bezoeken. Aandacht voor toegankelijkheid is echter niet hetzelfde als een handicap-inclusief perspectief. Wat valt er te winnen als handicap bewust in collecties en tentoonstellingen wordt meegenomen? Disability historian Eline Pollaert ging in gesprek met twee musea die hierin stappen zetten: het Vrijheidsmuseum en het Verzetsmuseum Amsterdam.

Toen de redactie van WO2 Onderzoek uitgelicht mij contacteerde met het verzoek een artikel te schrijven over de toegankelijkheid van oorlogsmusea, was ik niet direct enthousiast. In de eerste plaats omdat mijn expertise niet bij toegankelijkheidsvoorzieningen ligt. In de tweede plaats omdat ik het inhoudelijke verhaal interessanter vind. Als disability historian1 bestudeer ik de geschiedenis vanuit de analytische lens van handicap, zoals andere historici dat doen vanuit de lens van bijvoorbeeld gender of etniciteit. Vragen die daarbij voorliggen zijn onder meer: Welke verhalen komen voor het voetlicht en wiens perspectieven blijven onderbelicht? Waarom? Met welke gevolgen?2

Bij veel organisaties in het culturele veld en daarbuiten merk ik een toegankelijkheidsreflex op. Instellingen erkennen het belang van toegankelijkheid en zetten verschillende stappen om bestaande voorzieningen te verbeteren. Niet alleen wat betreft de toegankelijkheid van fysieke gebouwen, maar ook op het gebied van prikkels, informatievoorziening en digitale omgevingen. Helaas eindigt het verhaal daar echter ook vaak. Handicap wordt vaker niet dan wel beschouwd als inhoudelijk relevant voor de samenstelling van collecties en tentoonstellingen. Begrijp me niet verkeerd: toegankelijkheid is noodzakelijk en belangrijk om mensen van allerlei achtergronden in erfgoedinstellingen te verwelkomen. Tegelijkertijd is het slechts de eerste stap als het gaat over handicap-inclusie.

Lang was het zo dat handicap niet voorkwam in de verhalen die over het verleden werden verteld. Dat is de afgelopen jaren aan het veranderen. Niet alleen in wetenschappelijk onderzoek, waar disability history de afgelopen tien jaar een vlucht heeft genomen, maar ook in tentoonstellingen in musea. Er is bijvoorbeeld in exposities in musea op het gebied van geestelijke gezondheidszorg steeds meer aandacht voor oorlogsslachtoffers die vanwege hun (vermeende) beperkingen zijn vervolgd en vermoord. Een voorbeeld hiervan is de tentoonstelling Who Cares?3, over de psychiatrie en verstandelijke gehandicaptenzorg tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ook de recente vernieuwing en uitbreiding van Herinneringscentrum Apeldoornsche Bosch is in dit licht betekenisvol.4 Maar hoe staat het ervoor met aandacht voor handicap in oorlogsmusea?

Krukken in het spotlicht

In 2022 opende het Verzetsmuseum Amsterdam opnieuw haar deuren, na een grondige vernieuwing van de vaste tentoonstelling. Het vertellen van inclusievere oorlogsverhalen staat er centraal. Dat betekent: genuanceerde verhalen over dader- en slachtofferschap, en meer aandacht voor bijvoorbeeld de voormalige Nederlandse koloniën en homoseksuele mensen. Ook de ervaringen van mensen met een beperking krijgen meer aandacht. Handicap speelde niet alleen een belangrijke rol in de toegankelijke vormgeving in het Verzetsmuseum, maar ook in de keuze van de persoonlijke verhalen die worden verteld. Mirjam Eikelenboom, hoofd Educatie en Toegankelijkheid: “We hebben veel tijd en moeite gestoken in het verwerven van Mijn schild ende betrouwen, een verzetskrant in braille gemaakt door de blinde Alida Hoeijenbos. Het Verzetsmuseum vindt het belangrijk om te laten zien dat mensen met een beperking tijdens de oorlog niet automatisch slachtoffer werden. Soms droegen ze met gevaar voor eigen leven bij aan het verzet.” Ook de houten krukken van Tootje de Jonge kregen bewust een prominente plek in de vaste tentoonstelling. Als 11-jarig meisje verloor ze haar onderbeen tijdens een bombardement op de Amsterdamse binnenstad, waarna ze de rest van haar leven op krukken liep.

Een bezoeker van het Verzetsmuseum bekijkt de vitrine met het verhaal en de krukken van Tootje de Jonge.

Zwarte driehoek

Waar het Verzetsmuseum Amsterdam er in de vaste opstelling voor kiest om bezoekers via objecten expliciet in contact te brengen met handicap, was het thema in de tentoonstelling De Zwarte Driehoek5 in het Vrijheidsmuseum in 2022 meer onderhuids aanwezig. Het was de eerste keer dat er in een Nederlands oorlogsmuseum daadwerkelijk aandacht werd besteed aan mensen die tijdens de Tweede Wereldoorlog als ‘asociaal’ vervolgd werden. Wat deze zeer diverse groep mensen verbond, was de ideologie van de Duitse bezetter. In het eugenetische ideaal van de nationaalsocialisten werden daklozen, sekswerkers, alleenstaande moeders, verslaafden, kruimeldieven en langdurig werklozen als minderwaardig beschouwd. In bezet Nederland was niet eugenetica de drijfveer, maar controle.6 Om die reden plakte de bezetter het label ‘asociaal’ vooral op arbeidsinzet-ontduikers en verdachten van economische misdaden. Het is aannemelijk dat er binnen de groep van zo’n 2.700 Nederlandse als ‘asociaal’ vervolgden ook mensen met een beperking waren, maar precieze gegevens hierover zijn niet bekend.

Rense Havinga, historicus en conservator bij het Vrijheidsmuseum: “De tentoonstelling was behoorlijk conceptueel. Enerzijds wilde ik uitleggen hoe het eugenetisch denken vanaf de late 19e eeuw opkwam en hoe het zich in Nederland ontwikkelde. Anderzijds vond ik het belangrijk om inzicht te geven in het sociaal beleid van Nederland voor, na en tijdens de oorlog op het gebied van ‘asociale gezinnen’. Zij kregen tijdens en na de bezetting te maken met ‘heropvoeding’ in geïsoleerde kampen op het platteland.” Twee verschillende ideologieën met soms akelig vergelijkbare, gewelddadige uitkomsten.

De tentoonstelling De Zwarte Driehoek in het Vrijheidsmuseum, 2022.

Gebrek aan getuigenissen

Hoewel het voor oorlogsmusea gebruikelijk is om geschiedenissen aan de hand van persoonlijke verhalen te vertellen, blijkt dat uit de gesprekken met Mirjam Eikelenboom en Rense Havinga wat dit onderwerp betreft niet zo eenvoudig. Eikelenboom: “Het Verzetsmuseum koopt geen objecten aan. We zijn afhankelijk van schenkingen van particulieren. De braille verzetskrant kwam op ons pad toen een aantal blinde en slechtziende mensen erover vertelde tijdens een bijeenkomst. We hebben toen via de familie van Alida Hoeijenbos informatie, foto’s en een exemplaar van de krant gekregen. In de vaste tentoonstelling ligt ook een kopie van de krant als voelobject, zodat de geschiedenis nog meer tot leven komt voor bezoekers met en zonder visuele beperking.” Verhalen hebben voor het Verzetsmuseum Amsterdam bij voorkeur een fysiek object als drager.

Havinga: “De uitdaging zat er voor mij in dat er weinig persoonlijke getuigenissen zijn van mensen die in Nederland als ‘asociaal’ vervolgd zijn. Lange tijd werd er in de herdenkingscultuur impliciet onderscheid gemaakt tussen slachtoffers die als waardig of onwaardig werden gezien. Het label ‘asociaal’ betekende dat overlevenden weinig drijfveer voelden om hun verhaal te delen.” Havinga en zijn team hadden vaak niet meer informatie tot hun beschikking dan een naam, administratieve dossiers en soms foto’s of verhalen via nabestaanden. Om deze verhalen kracht bij te zetten, maakte illustrator Rob Worst intense zwart-witillustraties voor De Zwarte Driehoek.

Een van de illustraties die Rob Worst maakte voor de tentoonstelling De Zwarte Driehoek.

Feedback van ervaringsdeskundigen

Havinga legde de tentoonstellingsteksten en de biografieën van de uitgelichte slachtoffers voor aan verschillende doelgroepen, om zorgvuldig met de gereconstrueerde verhalen om te gaan. Hedendaagse sekswerkers gaven bijvoorbeeld feedback over de teksten over de vervolging van sekswerkers tijdens de oorlog. Lockdowns en andere coronamaatregelen stonden de vorming van een formele adviesraad in de weg. Het Verzetsmuseum Amsterdam werkt met doorlopende adviesgroepen, met daarin personen uit ondervertegenwoordigde gemeenschappen. De adviesgroep op het gebied van toegankelijkheid denkt vooral mee op het niveau van aanpassingen en voorzieningen. Anders dan bijvoorbeeld de adviesgroep op het gebied van de voormalige koloniën, wordt deze adviesgroep nog niet structureel betrokken bij de inhoudelijke samenstelling van tentoonstellingen.

Op het gebied van toegankelijkheid trekt het Verzetsmuseum Amsterdam samen op met organisaties zoals IN Gebaren7 en het Rijksmuseum, dat ook onderzoek doet naar lichamelijke en mentale diversiteit in de eigen collectie. Hoewel het Verzetsmuseum actief bezig is met de ontwikkeling van publieksprogrammering voor specifieke doelgroepen, zoals lezingen over het koloniale verleden van Nederland, reikt het aanbod voor bezoekers met een beperking nog niet verder dan rondleidingen in Nederlandse Gebarentaal en rondleidingen voor blinde en slechtziende bezoekers. Eikelenboom geeft tijdens ons gesprek aan daar wel interesse in te hebben. Havinga vertelt op zijn beurt geïnspireerd te zijn door de manier waarop het Verzetsmuseum Amsterdam de perspectieven van minderheden vormgeeft in de vaste tentoonstelling. Vaak is dat bij het Vrijheidsmuseum nog beperkt tot de context van vervolging, maar ons gesprek plant een zaadje voor het zoeken naar andere verhalen vanuit het perspectief van handicap. Het Vrijheidsmuseum heeft verder ambities op het gebied van het ontwikkelen van een prikkelarm aanbod en een betere toegankelijkheid voor laaggeletterden en mensen met beperkte kennis van het Nederlands.

Eikelenboom benadrukt dat het realiseren van een toegankelijk(er) museum een gedeelde verantwoordelijkheid is: “Omdat we een kleine organisatie zijn, lopen de lijnen kort. Het is belangrijk om alle collega’s mee te nemen en het thema door het managementteam te laten dragen.” Ook waarschuwt ze dat het tijd kost om meer bezoekers met een beperking te trekken. “Je moet kunnen waarmaken wat je als organisatie belooft. Dat vraagt investering in contacten en gemeenschappen.” Havinga voegt daaraan toe dat musea en archieven niet alleen toegankelijk moeten zijn voor de bezoekers, maar net zo goed voor de medewerkers en vrijwilligers: “Er is vaak nog een hoop te winnen op werkplekken. Dat hoeft niet ingewikkeld of duur te zijn. Kunnen mensen bijvoorbeeld vanuit huis werken? Welke mogelijkheden zijn er om werkzaamheden met een lage tijdsdruk flexibel in te delen? Archieven zijn vaak bij uitstek prikkelarme werkomgevingen. Een toegankelijke werkplek biedt kansen om mensen binnen te halen die iets geweldigs bijdragen aan je museum. Musea missen nu soms talent omdat mensen simpelweg niet door de deur kunnen.”

“Dor hout”

Een toegankelijk oorlogsmuseum is niet hetzelfde als een handicap-inclusieve collectie en tentoonstellingsaanbod, maar het is wel een belangrijke voorwaarde. De gesprekken met Mirjam Eikelenboom en Rense Havinga maken duidelijk dat er in het Verzetsmuseum Amsterdam en het Vrijheidsmuseum al inspirerende stappen worden gezet, maar dat verdere verdieping mogelijk is. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan meer aandacht voor de vervolging van mensen met een beperking gedurende Aktion T4, met name in Duitsland, Oostenrijk, Polen, Tsjechië en de Sovjet-Unie. In Nederland werden overigens vooral Joodse mensen met een beperking gericht vervolgd.8 Interessant zijn ook de experimentele initiatieven van de afgelopen jaren om samen met ervaringsdeskundigen te reflecteren op (het gebrek aan) historische materialen over het lot van mensen met een beperking tijdens de Tweede Wereldoorlog.9

Licht schijnen op het verleden vanuit de lens van handicap maakt ruimte voor nieuwe invalshoeken en inzichten. Een handicap-inclusief perspectief is belangrijk omdat het kan zorgen voor representatie. Als iemand die zelf een stok gebruikt, zorgt een confrontatie met twee houten krukken bij mij voor herkenning die het verleden dichtbij brengt. Dat is niet alleen belangrijk voor museumbezoekers met een beperking. Zonder verhalen waarin handicap een rol speelt, is het makkelijk om te vergeten dat de geschiedenis niet voorbij is. De Zwarte Driehoek maakte duidelijk dat het eugenetisch denken niet verdween na de oorlog. Dat bleek wel bij de start van de coronapandemie, toen mensen met een kwetsbare gezondheid als “dor hout” werden neergezet. De wortels van deze retoriek reiken ver, tot voorbij de jaren 30 van de vorige eeuw (zie de illustratie met de ansichtkaart). Laat dit pleidooi voor meer handicap-inclusieve oorlogsmusea daarom tegelijkertijd een waarschuwing en oproep zijn om te blijven leren van het verleden.

Eugenetische ansichtkaart ‘De uitroeiing van zieken en zwakken in de natuur’, Stuttgart, 1938. Te zien in de tentoonstelling De Zwarte Driehoek, uit de collectie van het United States Holocaust Memorial Museum.

De tentoonstelling Who Cares? is vanaf 15 oktober 2026 opnieuw te zien, ditmaal bij Nationaal Monument Kamp Vught.

Ook de tentoonstelling De Zwarte Driehoek zal in het najaar van 2026 eveneens opnieuw te zien zijn in Nationaal Monument Kamp Vught. Bij de oorspronkelijke tentoonstelling in het Vrijheidsmuseum is het boek De zwarte driehoek: de geschiedenis van als ‘asociaal’ vervolgden, 1933-1945 uitgebracht. Hierin wordt voor het eerst de geschiedenis van de als ‘asociaal’ vervolgden in Nederland in een brede context uiteengezet (Uitgeverij van Gennep, 2021).

Over de auteur

Eline Pollaert. Foto: Samira Kafala

Eline Pollaert is historicus bij de Vrije Universiteit Amsterdam, waar die onderzoek doet naar de geschiedenis van handicap in Nederland vanuit cultuurhistorisch perspectief. Daarnaast is Eline betrokken bij Stichting Kreukelcollectief. Deze stichting zet zich in voor het behoud van Nederlands erfgoed rond handicap, bijvoorbeeld met de tentoonstelling Ik ben gewoon hier in het Centraal Museum (18 april t/m 24 augustus 2025). Eline is ook een van de initiatiefnemers van het Kreukel Archief, het eerste historisch en cultureel centrum rond handicap in Nederland.


Noten

1 Floris Plak, Eline Pollaert & Paul van Trigt, ‘Disability History: Een review essay’. Tijdschrift voor Geschiedenis 138, nr. 2 (2025). https://doi.org/10.5117/TvG2025.2.005.PLAK.

2 In dit artikel maak ik onderscheid tussen ‘beperking’ en ‘handicap’. ‘Beperking’ verwijst naar iemands aandoening en de impact daarvan op diens dagelijks leven. Het medische aspect is echter maar een deel van het verhaal. ‘Handicap’ verwijst naar de manier waarop de samenleving in politiek, sociaal en cultureel opzicht omgaat met mensen wier lichaam en/of geest afwijkt van de norm.

3 Museum van de Geest, 30 november 2023 t/m 19 januari 2025, https://museumvandegeest.nl/tentoonstellingen/who-cares/.

4 Het Apeldoornsche Bosch was een Joods psychiatrisch ziekenhuis dat in de nacht van 21 op 22 januari 1943 door de Duitse bezetter werd ontruimd. Meer dan 1.400 patiënten en personeelsleden werden gedeporteerd naar concentratiekampen en keerden niet terug. https://www.apeldoornschebosch.nl/.

5 Vrijheidsmuseum, 21 januari t/m 6 november 2022, https://vrijheidsmuseum.nl/wat-is-er-te-doen/activiteiten-museum/de-zwarte-driehoek.

6 Rense Havinga, De zwarte driehoek: de geschiedenis van als ‘asociaal’ vervolgden, 1933-1945. Uitgeverij van Gennep, 2021, p. 59.

7 https://ingebaren.nl/museaingebaren/.

8 Twan Davelaar, Jodenvervolging in het Nederlandse Krankzinnigenwezen. NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies, 2023; https://d3mb4k8bvt6xe4.cloudfront.net/2023-11/niod%20%20Onderzoeksrapport_210x297%20mm_Jodenvervolging%20NL%20Krankzinnigenwezen_RGB_Losse%20pagina%27s_DEF.pdf.

9 Zie bijvoorbeeld de digitale Brave New World-tentoonstelling van D4D, Berlinklusion en het Kreukelcollectief: https://d4d.org.uk/workstreams/brave-new-world/brave-new-world-exhibition/. Op 17 oktober 2026 vindt een vergelijkbare co-creatie activiteit plaats bij Herinneringscentrum Apeldoornsche Bosch: https://www.coda-apeldoorn.nl/agenda/519/17-10-2026/workshop-kreukelcollectief-%E2%80%98het-apeldoornsche-bosch-en-jij%E2%80%99.


Foto bovenaan artikel

Een bezoeker van het Verzetsmuseum voelt aan de replica van Mijn schild ende betrouwen, de verzetskrant in braille.

Wie kan dit verhaal vertellen, en hoe? Hoe naoorlogs Duitsland omgaat met de erfenis van de nazi-‘euthanasie’

Meer dan 60 jaar heerste er in Duitsland grote stilte rond de vervolging van mensen met een handicap of psychische aandoening door het nazi-regime. Het duurde maar liefst 80 jaar voordat de slachtoffers officiëel werden erkend. En dit terwijl het ‘euthanasieprogramma’ van nazi-Duitsland een wezenlijk onderdeel uitmaakte van het plan om het Germaanse ras te ‘zuiveren’ van haar sociale en raciale ‘ballast’, aldus Susanne Knittel. Hoe wordt er middels monumenten en films in Duitsland aandacht opgewekt voor de nalatenschap van dit eugenetisch denken?  

Op 29 januari 2025 nam de Duitse Bondsdag een motie aan die stelt dat “de slachtoffers van de nazi-‘euthanasie’1 en de slachtoffers van gedwongen sterilisatie dienen te worden erkend als slachtoffers van vervolging door het naziregime”.2 Deze officiële uitspraak is het resultaat van een lange strijd om erkenning en herdenking. Tientallen jaren is dit aspect van het naziverleden verzwegen en bleef het leed van de slachtoffers al even taboe. De erfenis van de nazi-‘euthanasie’ roept ingewikkelde vragen op over getuigenis – wie kan dit verhaal vertellen, en wie luistert er? – en over politieke en culturele representatie. Want welke vormen van representatie en herdenken zijn passend om dit verhaal op een waardige manier te vertellen? En hoe kunnen de verhalen worden verteld in het licht van nog altijd wijdverspreide stereotypen en taboes?

In dit essay breng ik een aantal van de belangrijkste mijlpalen van het naoorlogs herdenken van de nazi-‘euthanasie’ in kaart. Zoals ik zal laten zien, is de strijd om herdenking ook een strijd voor de rechten van mensen met een handicap, voor inclusie en toegankelijkheid. Immers: de overlevenden, en mensen met een handicap of psychische aandoening in het algemeen, werden (en worden vandaag de dag nog steeds) niet gezien als dragers van herinnering. Dat wil zeggen, als mensen die actief collectieve herinneringen vormen en doorgeven. Daarnaast worden zij meestal niet beschouwd als aangesproken partij of actieve deelnemers aan herdenking, en worden ze niet meegenomen in de ontwikkeling van de herdenkingscultuur of geraadpleegd voor het ontwerp van gedenktekens of tentoonstellingen over het onderwerp. Het feit dat het 80 jaar heeft geduurd om officieel erkenning te krijgen van de Bondsdag is tekenend, niet alleen voor de (opzettelijke) verwaarlozing van de slachtoffers, maar ook voor de verontrustende nalatenschap van het eugenetisch denken uit het naziregime, dat – hoewel in een andere vorm – in het hedendaagse Duitsland nog altijd voortbestaat.

Overplaatsing van mensen met een handicap in het kader van het euthanasieprogramma Aktion T4 vanuit de zorginstelling Schloß Bruckberg van de Diakonissenanstalt Neuendettelsau naar door de staat beheerde psychiatrische inrichtingen en zorginstellingen, 1941. Bron: Pressestelle der Diakonie Neuendettelsau op Wikimedia Commons.

Testen en trainen

De manier waarop de geschiedenis van de ‘euthanasie’-moorden na de oorlog is geweerd uit het discours over en de optekeningen van de misdaden van de nazi’s, is met name verbijsterend omdat die ‘euthanasie’ een wezenlijk onderdeel uitmaakte van het plan van nazi-Duitsland om het Germaanse ras voor eens en altijd te ‘zuiveren’ van haar sociale en raciale ‘ballast’. De nazi’s gebruikten hun ‘euthanasieprogramma’ om een van hun grootste moordmethodes – gaskamers vermomd als doucheruimtes – uit te testen en het moordpersoneel te trainen voor het uitmoorden van Joden en andere minderheden en andersdenkenden in hun vernietigingskampen in het oosten.3

In essentie was de nazi-‘euthanasie’ een radicalisering van eugenetische theorieën en praktijken die al ver vóór 1933 bestonden in Duitsland en daarbuiten.4 De aanleiding was het begin van de oorlog in 1939, het moment waarop het regime begon met het organiseren van de massamoord op wat zij ‘nutteloze eters’ (nutzlose Esser) of ‘levensonwaardig leven’ (lebensunwertes Leben) noemden. Dit waren de patiënten in medische instellingen en verzorgingstehuizen die daar vijf jaar of langer zaten en waren opgenomen omdat ze ‘zwakzinnig’, ‘gek’ of ‘niet-arisch’ waren, niet konden werken of een diagnose hadden uit een vooropgestelde lijst aandoeningen. Hieronder vielen bijvoorbeeld schizofrenie, epilepsie, vergevorderde syfilis, encefalitis en alcoholisme, die de nazi’s beschouwden als erfelijke ziektes die een gevaar vormden voor de gezondheid van het Volk.5 Deze massamoord werd gerechtvaardigd met de noodzaak om voedsel en hulpbronnen op te sparen voor militaire doeleinden.

Condoleancebrief

Tijdens een eerste gecentraliseerde fase tussen 1939 en 1941, bekend als Aktion T4, werden rond de 5.000 kinderen en meer dan 70.000 volwassenen in zes moordcentra in Duitsland en Oostenrijk vergast met koolmonoxide. Deze moordcentra werden opgetuigd in voormalige zorginstellingen, en de deportaties en moorden werden vermomd als ‘ziekentransport’. De familie van de vermoorde slachtoffers kreeg pas te horen over dit ‘transport’ in een condoleancebrief die ze ontvingen als begeleiding bij een urn met crematie-as. Ondanks pogingen om de moorden geheim te houden, kwamen de omwonenden van de moordcentra er al snel achter wat er aan het gebeuren was, en de nabestaanden van de slachtoffers stuurden brieven om uitleg over wat er met hun dierbaren was gebeurd. Een aantal kerkelijk leiders hield protestpreken en zelfs leden van de NSDAP leverden openlijk kritiek op het ‘euthanasieprogramma’.6 Na 1941 ging het moorden op een gedecentraliseerde manier door in meer dan 100 instellingen in heel Duitsland en Oostenrijk, waarbij meer dan 200.000 mensen om het leven werden gebracht middels een dodelijke injectie of uithongering. In totaal werden 300.000 mensen vermoord binnen het nazi-‘euthanasieprogramma’ en werden 400.000 mensen onder dwang gesteriliseerd.

Zelfs toen de oorlog voorbij was, stierven nog altijd veel patiënten de hongerdood. Slechts enkele van de artsen en verplegers die toezicht hielden en de sterilisaties en moorden uitvoerden zijn voor het gerecht gekomen. De meesten werden ofwel vrijgesproken of ontvingen heel lichte straffen, en allemaal konden ze hun vak blijven uitoefenen. Terwijl de daders werden vrijgesproken en nog altijd aanzien genoten, ontvingen de slachtoffers geen enkele vorm van juridische of maatschappelijke erkenning. Ze werden zelfs uitgesloten van de Wet Compensatie voor de Slachtoffers van Vervolging onder het Nationaalsocialisme (1953) omdat ze niet meetelden als slachtoffers van deze specifieke vorm van raciale, religieuze en politieke vervolging. Die discriminatoire politiek is pas veranderd in de afgelopen twee decennia, toen er stappen zijn gezet om slachtoffers gelijke rechten te geven. De Sterilisatiewet van de nazi’s uit 1933 werd in 2007 (toen pas!) ongrondwettig verklaard en in 2011 is er eindelijk beperkte financiële compensatie uitgekeerd aan slachtoffers.7

Omslag van Die Hempelsche. Bron: Mabuse-Verlag.

Vergeefse strijd om rehabilitatie

Bijna geen enkel slachtoffer overleefde de ‘euthanasie’ tijdens het naziregime. Dat betekent ook dat er bijna geen getuigen waren die het bredere publiek konden informeren over hun gruwelijke lot. Degenen die het wel overleefden, droegen het stigma van een psychische aandoening en werden zodoende niet erkend als betrouwbare getuigen. Het verhaal van Elvira Manthey, bij geboorte Hempel, is daarvan een pijnlijke illustratie. Op vierjarige leeftijd werd Elvira afgepakt van haar ouders die door de nazi’s waren bestempeld als asozial (asociaal), en kreeg ze de diagnose ‘erfelijke zwakzinnigheid’ (erblicher Schwachsinn). Ze bracht haar hele kindertijd door in verschillende instituten en instellingen en werd in 1940 gedeporteerd naar het moordcentrum Bernburg, waar ze samen met haar zus en de andere kinderen die waren geselecteerd voor ‘euthanasie’ zou worden vergast. Op het allerlaatste moment, toen ze al voor de deur van de gaskamer stond, werd ze teruggeroepen en meegenomen naar een kindertehuis, waaruit ze op zeker moment werd ontslagen.

In de jaren 90 begon Manthey onderzoek te doen naar haar verleden, dat ze grotendeels had verdrongen. Ze schreef een memoir over haar ervaringen: Die Hempelsche: Das Schicksal eines deutschen Kindes, das 1940 vor der Gaskammer umkehren durfte (‘Het meisje van Hempel: Het lot van een Duits kind dat in 1940 de gaskamer ontliep’). Het is een unieke collage van herinneringen, beschrijvingen, tekeningen, foto’s en andere documenten. Haar boek is een aandenken aan haar zus, een kroniek van haar eigen verwerkingsproces en een aangrijpende geschiedenis van haar vergeefse strijd om rehabilitatie na de onterechte diagnose van de nazi’s. Zelfs aan haar verzoeken om haar eigen medisch dossier te mogen ontvangen, werd geen gehoor gegeven. De weerstand van instituten in het beschikbaar stellen van patiëntendossiers, omwille van het medisch beroepsgeheim, is tot nu toe een groot obstakel gebleken voor een collectieve verwerking van de herinneringen aan de ‘euthanasie’ tijdens het naziregime.

Op de eerste bladzijde van haar boek citeert Manthey artikel 1 van de Duitse grondwet over de onaantastbaarheid van de menselijke waardigheid. Op de laatste bladzijde schrijft ze: “Misschien zal dit de bladzijde zijn waarop ik, hopelijk binnenkort, kan aankondigen dat mijn menselijke waardigheid in ere is hersteld.”8 De bladzijde is verder leeg. Nog een voorbeeld van de vruchteloze strijd om erkenning is de publicatiegeschiedenis van het boek: uitgever na uitgever wees het af. Sommigen wilden het manuscript alleen als het radicaal werd omgegooid, op een manier die Mantheys eigen stem zou hebben vervormd of zelfs uitgewist. Manthey weigerde welke aanpassing dan ook te doen en heeft uiteindelijk een paar duizend exemplaren handmatig zelf gedrukt. Er werden geen nieuwe uitgaven van het werk meer gedrukt tot na haar dood in 2021.9

Het Denkmal der Grauen Busse bij de oude poort van het sanatorium Ravensburg-Weißenau. Bron: Andreas Praefcke op Wikimedia Commons.

Dragers van herinnering

De vraag blijft wie de verhalen over de nazi-‘euthanasie’ kan vertellen en wie er luistert. De herinneringscultuur rond het ‘euthanasieprogramma’ die uiteindelijk in Duitsland op gang kwam was lang heel plaatselijk en op een grassroots manier georganiseerd. Dat wil zeggen: vooral het resultaat van inspanningen van nabestaanden van de slachtoffers, historici, journalisten, schrijvers en kunstenaars.10 Dat veranderde pas na de Duitse hereniging. Met de komst van een nieuwe subsidie voor gedenkplaatsen van nationaal belang in 2000 werd het voor het eerst mogelijk om informatiecentra te vestigen op de voormalige T4-locaties, met bijbehorende academische staf en onderwijsinstellingen.

Maar het is dankzij publieke gedenktekens zoals de Stolpersteine (struikelstenen) van Gunter Demnig en het Denkmal der Grauen Busse (‘Monument van de Grijze Bussen’) dat de herdenking van de nazi-‘euthanasie’ van het plaatselijke naar het nationale en internationale niveau is doorgebroken. Beide herdenkingsprojecten plaatsen dat wat is verzwegen terug in het landschap en herinneren mensen aan de uitgewiste geschiedenis van hun directe omgeving.

In het geval van het Denkmal der Grauen Busse representeert het werk het middel waarmee de slachtoffers werden gedeporteerd. Dit deels mobiele monument is in 2005 ontworpen door kunstenaar Horst Hoheisel en architect Andreas Knitz, en bestaat uit twee betonnen replica’s van de grijze bussen die werden gebruikt om de patiënten te deporteren van de klinieken en zorginstellingen naar de moordcentra. De bussen zijn doormidden gesneden, waardoor bezoekers door de smalle tussenruimte kunnen lopen en de inscriptie kunnen lezen: Wohin bringt ihr uns? (‘Waar brengen jullie ons naartoe?’) – woorden die een van de patiënten volgens verklaringen uitsprak vlak voor deportatie.

Een van de bussen staat permanent geparkeerd bij het Zentrum für Psychiatrie Weißenau in Ravensburg in het zuiden van Duitsland, ter herinnering aan de deportatie van meer dan 550 van de daar gehuisveste patiënten naar de nabijgelegen gaskamers in Grafeneck. De andere bus rijdt voortdurend naar verschillende plekken in heel Duitsland die in verband worden gebracht met de ‘euthanasie’-moorden: voormalige gaskamers, ziekenhuizen, sanatoriums en tehuizen, overheidsinstituten en uiteraard de Tiergartenstraße in Berlijn.

Reizende herinnering

De rijdende bus symboliseert de fluïditeit van herinnering. Om te voorkomen dat herdenken ‘vastroest’ in een eindeloze herhaling van dezelfde rituelen en vormen, moet het herdenkingsproces continu worden ontregeld en bevraagd. Dat is precies wat de bus ook doet. Het monument gebruikt het deportatievoertuig van de daders als drager van de herinnering aan hun slachtoffers. De bus verschijnt in dorpen en steden en onderbreekt de bekende omgeving, brengt een vergeten en verdoezeld object – en daarmee een herinnering – uit het verleden terug in het heden. Zo’n bewegend monument legt niet alleen een link tussen verschillende plekken die onderdeel waren van de nazi-‘euthanasie’, maar betrekt ook het publiek bij die verplaatsing. Instituten, organisaties en belangengroepen moeten op lokaal niveau samenwerken om het bezoek van het monument aan hun stad te organiseren en financieren. Zo wordt het herdenkingsproces doorlopend vernieuwd. Een krachtig beeld. De bus is inmiddels een herkenbaar symbool geworden van de ‘euthanasie’ gepleegd door nazi-Duitsland.11

Ook de Stolpersteine van Gunter Demnig steunen op het initiatief van individuen en groepen om de herinnering aan individuele vervolgingsslachtoffers over te dragen. Hierbij worden met messing beklede stenen in het publieke domein aangebracht, met de namen en sterfdata van slachtoffers daarop gekerfd. Alle groepen die door de nazi’s werden vervolgd worden meegenomen in dit herdenkingsproject, dus ook de slachtoffers van de nazi-‘euthanasie’. Deze Stolpersteine, begonnen als een kunstproject in Keulen en Berlijn, zijn inmiddels uitgegroeid tot een herkenbaar onderdeel van het straatbeeld in vele steden in Duitsland en daarbuiten.12 Zowel de reizende Grijze Bus als de Stolpersteine dragen de verantwoordelijkheid voor het herdenken over aan het publiek. Overal waar ze gaan, zijn deze objecten aanleiding voor onderzoek en geschiedenisprojecten, theatervoorstellingen en andere maatschappelijke herdenkingsprojecten. Zo maken ze de herinnering aan de nazi-’euthanasie’ tot een dynamisch, meerstemmig en doorlopend proces.

Uitleg in braille bij het T4-monument in Berlijn. Bron: A. Fiedler op Wikimedia Commons (CC BY-SA 3.0 DE).

T4-Monument

Een grote doorbraak in de integratie van de nazi-‘euthanasie’ in het Duitse herdenkingslandschap was de onthulling in september 2014 van een T4-monument nabij het voormalig hoofdkwartier van Aktion T4, aan de Tiergartenstraße 4, waar nu de Berlijnse Philharmonie is gehuisvest. Al sinds de jaren 80 was er discussie over een monument op die plek, maar buiten een gedenksteen in de straat naast een al bestaand beeld van Richard Serra dat voor deze gelegenheid werd opgedragen aan de slachtoffers, was er niets van de grond gekomen. Totdat in 2007 in Berlijn de ‘T4 Ronde tafel’ werd opgericht onder de paraplu van de Stiftung Topografie des Terrors: een vereniging van vertegenwoordigers uit de publieke sector en gedreven individuen zoals Sigrid Falkenstein, wier tante een van de slachtoffers was.

Het hoofddoel van deze ronde tafel: het ontwikkelen van een herdenkingsconcept voor de T4-locatie. Pas vier jaar later, in 2011, kreeg het monument goedkeuring van de Bondsdag. Het ontwerp van architect Ursula Wilms, kunstenaar Heinz Hallmann en landschapsarchitect Nikolaus Koliusis bestaat uit een donkere ondergrond van beton die correspondeert met de plattegrond van het T4-gebouw, en een lichtblauwe muur van glas. Aan één kant staat een lage betonnen muur waar de bezoeker op kan zitten, aan de andere kant een betonnen verhoging met een reeks foto’s en informatie. Wanneer de bezoeker door de enigszins reflecterende blauwe glazen muur kijkt – een element dat meer wordt gebruikt in hedendaagse gedenktekens –, ervaart die de bevreemding van de eigen reflectie in het licht van de geschiedenis van de plek. Maar het zijn vooral de foto’s en de beschrijvingen waar het bij dit monument om draait. Waar mensen met een handicap tot voor kort niet werden beschouwd als deelnemers aan de herinneringscultuur, worden ze hier juist direct als zodanig aangesproken: de teksten bij het gedenkteken zijn niet alleen in het Duits en Engels beschikbaar, maar ook in eenvoudige taal (voor mensen met leerbeperkingen), in braille, in de vorm van video’s met gebarentaal en als audio-opnames. Het monument bevindt zich in de directe nabijheid van het Holocaustmonument (dat officieel het Denkmal für die ermordeten Juden Europas heet), het Monument voor de Sinti en Roma van Europa en het Monument voor de onder het nationaalsocialisme vervolgde homoseksuelen.

Filmposter van Nebel im August. Bron: Collina Films.

Nazi-‘euthanasie’ op het witte doek

Sinds de jaren 10 van deze eeuw heeft het herdenken van de nazi-‘euthanasie’ aan momentum gewonnen – en ook een plek verworven op het witte doek. Het prijswinnende Nebel im August (Kai Wessel, 2016) is waarschijnlijk het meest impactvolle voorbeeld hiervan.13 De film is gebaseerd op de gelijknamige roman van Robert Domes, een gefictionaliseerde biografie van de Jenische jongen Ernst Lossa, die door de nazi’s werd aangemerkt als “asociale, criminele zigeunerjongen”, werd opgenomen in een ‘heropvoedingsinstituut’ en later werd overgebracht naar een ‘sanatorium’ waarna hij werd vermoord tijdens de gedecentraliseerde fase van de ‘euthanasie’ in Irsee in Beieren. De film volgt het laatste deel van Lossa’s leven en kent een klassieke verhaalopbouw: de nieuwkomer komt aan op een onbekende plek, voelt desoriëntatie, accepteert gaandeweg zijn lot, wordt opgenomen in de groep, voelt solidariteit met zijn medegevangenen in de strijd tegen de autoriteiten, verzet zich en vindt uiteindelijk de dood.

De vijand in het verhaal is de directeur van het instituut, Dr. Walter Veithausen. Deze lijkt in eerste instantie invoelend en begaan met zijn patiënten, maar toont zich later een gedreven ideoloog met een verborgen gezicht die alles op alles zet om de gedecentraliseerde ‘euthanasie’ te faciliteren. Ook zijn er twee vrouwelijke verplegers: zuster Sophia en zuster Kiefer. De eerste is een non die de moord op de patiënten afkeurt en hen probeert te redden, de tweede een prachtige ‘Engel des Doods’ die wordt uitgezonden vanuit Hadamar (een van de zes ‘euthanasie’-moordcentra) en de leiding krijgt over de moord op de patiënten. Naast Ernst is er nog een hoofdpersonage onder de patiënten: Nandl, een knap blond meisje met epilepsie. Haar opbloeiende vriendschap met Ernst vormt de emotionele en romantische kern van het verhaal.

Het is een bekende ‘troop’, vooral in verhalen over de nazi-‘euthanasie’, om als protagonist een persoon te kiezen die niet lichamelijk of geestelijk gehandicapt is, waardoor diens dood extra tragisch en onrechtvaardig wordt gevonden. Dat is ook hier te zien. De keuze voor de niet-gehandicapte Ernst en Nandl als hoofdpersonages is bedoeld om de kijker, en met name een jong publiek, te helpen zich te identificeren met en daardoor te verplaatsen in het lot van de ‘euthanasie’-slachtoffers. Daarnaast behandelt de film stereotypen over het Jenische volk en deconstrueert die uiteindelijk ook, met name middels het personage van Nandl.

Broze balans

Nebel im August probeert een broze balans te vinden tussen het documenteren en het ontkrachten van stereotypen en vooroordelen, waarin de film grotendeels slaagt, hoewel het verhaal niet ontkomt aan enige romantisering van het ‘anders-zijn’ van Ernst. In stijl, uitvoering en verhaalopbouw is de film tamelijk traditioneel en neigt soms naar cliché. Inclusie is duidelijk een onderwerp van aandacht geweest in het productieproces, met name in de casting van jonge acteurs en actrices met een beperking voor de rollen van de patiënten. Toch is de beoogde doelgroep van de film vrij duidelijk able-bodied en able-minded, wat de keuze voor een niet-gehandicapte hoofdpersoon als identificatiepunt verklaart.

Die keuze doet ertoe in de context van wat ik met dit essay heb geprobeerd aan te kaarten. Het voortbestaan van de nazi-‘euthanasie’ in ons collectieve geheugen gaat niet alleen over het vinden van een gepaste manier om de verhalen van slachtoffers over te brengen. Het gaat ook over het belichten van de raakvlakken tussen het verleden en het heden en het ontmantelen van hardnekkige vooroordelen en uitsluitingsmechanismen. Daarom is het belangrijk om kritisch te kijken naar wie er betrokken is en wie er mag aansluiten bij onze herdenkingspraktijk. Wie wordt gezien als getuige of drager van herinneringen, en wie niet? Monumenten, films en ook literatuur spelen hierin een belangrijke rol, vooral als ze rekenschap geven van de rol die cultuur en media zelf hebben gespeeld – en nog altijd spelen – in het uitsluiten van mensen met een handicap of een psychische aandoening, en als die media bereid zijn dit probleem te erkennen en te helpen oplossen.

Over de auteur

Susanne C. Knittel

Susanne C. Knittel is universitair hoofddocent vergelijkende literatuurwetenschap aan de Universiteit Utrecht. Ze onderzoekt hoe samenlevingen massageweld herdenken en de rol die literatuur, kunst, film en andere media spelen in het vormen van ons collectieve geheugen. In haar boek The Historical Uncanny: Disability, Ethnicity, and the Politics of Holocaust Memory (Fordham University Press, 2015) analyseert ze hoe de Holocaust wordt herdacht in Duitsland en Italië, tegen de achtergrond van de wrange erfenis van de ‘euthanasie’ gepleegd door nazi-Duitsland en het eugenetisch biologisch racisme in het fascistische Italië van Mussolini. Ze is de coördinator van het Utrecht Forum for Memory Studies, oprichter en directeur van het Perpetrator Studies Network en medehoofdredacteur van het Journal of Perpetrator Research.


Noten

1 De term ‘euthanasie’ is een eufemisme en dadertaal. De term werd door de nazi’s gebruikt om de systematische moord op mensen met een beperking en zogenaamd erfelijke ziekten te rechtvaardigen en het te laten klinken als een daad van barmhartigheid. In dit hele artikel heb ik ‘euthanasie’ tussen aanhalingstekens geplaatst om de lezer duidelijk te maken dat dit een naziterm is.

2 De hele motie is hier te lezen (in het Duits): https://dserver.bundestag.de/btd/20/119/2011945.pdf.

3 Zie Sara Berger, Experten der Vernichtung. Das T4-Reinhardt-Netzwerk in den Lagern Belzec, Sobibor und Treblinka. Hamburger Edition, 2013.

4 Ik ga dieper in op het transatlantisch eugenetisch racisme in mijn boek The Historical Uncanny: Disability, Ethnicity, and the Politics of Holocaust Memory. New York, Fordham University Press, 2015. Zie ook David T. Mitchell and Sharon L. Snyder, Cultural Locations of Disability. University of Chicago Press, 2006.

5 Diagnoses als ‘Schwachsinn’ (zwakzinnigheid) of ‘Geisteskrankheit’ (geestesziekte) werden vaak gebaseerd op niets anders dan subjectieve en pseudowetenschappelijke beoordelingen. Zulke diagnoses vielen geregeld samen met stempels als ‘asozial’ (asociaal) of ‘arbeitsscheu’ (werkschuw). In de praktijk was iedereen wiens gedrag niet voldeed aan de norm of dat werd gezien als gevaarlijk een mogelijk doelwit. De realiteit van de slachtoffers van de door de nazi’s zo genoemde ‘Gnadentod’ (genadedood) stond dus mijlenver af van het idee dat deze mensen zo ziek waren dat hen laten sterven een vorm van barmhartigheid zou zijn.

6 Bijvoorbeeld Else von Löwis, leider van de Nationalsozialistische Frauenschaft, de vrouwenafdeling van de NSDAP. Zie Kurt Nowak, ‘Widerstand, Zustimmung, Hinnahme: Das Verhalten der Bevölkerung zur “Euthanasie”’. In Norbert Frei (red.), Medizin und Gesundheitspolitik in der NS-Zeit. Oldenbourg Verlag, 1991, p. 235-51.

7 Zie voor meer informatie over deze naoorlogse strijd om erkenning mijn boek The Historical Uncanny (2015).

8 Elvira Manthey, Die Hempelsche. Das Schicksal eines deutschen Kindes, das 1940 vor der Gaskammer umkehren durfte. Hempel-Manthey, 1994, p. 300.

9 Zie voor meer informatie over de biografie van Manthey en anderen Susanne C. Knittel, ‘Autobiography, Moral Witnessing and Nazi Euthanasia’.  In: Stephanie Bird, Mary Fulbrook, Julia Wagner & Christiane Wienand (eds.), Reverberations of Nazi Violence in Germany and Beyond: Disturbing Pasts. Bloomsbury, 2016, p. 65-81.

10 In The Historical Uncanny bespreek ik een aantal van deze lokale initiatieven. Zie ook: Jörg Skriebeleit & Winfried Helm (red.), Verdrängt – Die Erinnerung an die nationalsozialistischen ‘Euthanasie’-Morde. Wallstein Verlag, 2023.

11 Voor meer informatie over het monument, zie Thomas Müller, Paul-Otto Schmidt-Michel & Franz Schwarzbauer (red.), Vergangen? Spurensuche und Erinnerungsarbeit – Das Denkmal der Grauen Busse. Verlag Psychiatrie und Geschichte, 2017.

12 Op het moment van schrijven zijn er 116.000 struikelstenen gelegd in meer dan 1.860 gemeenten verdeeld over 31 landen in Europa (zie: https://www.stolpersteine.eu/).

13 Andere films waarin de nazi-‘euthanasie’ een rol speelt, zijn Amen van Constantin Costa-Gavras uit 2002 (een filmbewerking van het toneelstuk Der Stellvertreter van Rolf Hochhuth) en Werk Ohne Autor (2018) van regisseur Florian Henckel von Donnersmarck. In beide films blijft de ‘euthanasie’-moord echter een bijzaak, ondergeschikt aan het hoofdplot.


Foto bovenaan artikel

Het Denkmal der Grauen Busse stond tussen 2011 en 2012 ‘geparkeerd’ in Keulen. In het monument valt de inscriptie te lezen: ‘Wohin bringt ihr uns?’ (‘Waar brengen jullie ons naartoe?’). Bron: Elke Wetzig op Wikimedia Commons (CC BY-SA 4.0)

Het Kreukel Archief: over het bewaren van de geschiedenis van mensen met een beperking

Nederland kent een keur aan archieven en erfgoedcentra rond de geschiedenis van sociale bewegingen. Maar voor de gehandicaptenbeweging ontbrak zoiets tot nog toe. In het voormalige Utopa Weeshuis in Leiden bouwt het Kreukelcollectief nu aan het Kreukel Archief. Bestuurslid Paul van Trigt liet zich alvast interviewen over de vraag hoe je een geschiedenis bewaart van mensen wier verhaal lang geen plek kreeg. Wat doe je bijvoorbeeld met ouder materiaal waarin de stem van mensen met een beperking zelf vaak ontbreekt?

Hoe ben je bij het Kreukel Archief betrokken geraakt?

“Al tijdens het werken aan mijn proefschrift over de bejegening van blinde en slechtziende mensen in Nederland in de 20e eeuw liep ik ertegenaan dat archieven van gehandicapte activisten bij mensen thuis lagen en niet in officiële erfgoedinstellingen. Pogingen om die ergens onder te brengen waren niet gelukt. In de archiefwereld werd handicap veelal niet gezien als een boeiend onderwerp om materiaal over te verzamelen. En als er al iets bewaard werd, gebeurde dat vaak vanuit het perspectief van zorg of sociale zekerheid. Terwijl dat maar één kant van de zaak is.”

Om daar tegenwicht aan te bieden nam Van Trigt in 2019 samen met anderen het initiatief voor DisPLACE, een website die historische verhalen vertelt vanuit het perspectief van gehandicapte mensen zelf. Op initiatief van activist Jan Troost groeide dit uit tot een breder samenwerkingsverband. Van Trigt: “We zijn gaan kijken hoe we diverse initiatieven konden koppelen en meer aandacht konden vragen voor de geschiedenis van gehandicapte mensen. Op een gegeven moment zijn we onszelf het Kreukelcollectief gaan noemen.” ‘Kreukel’ geldt daarbij als zelfgekozen geuzennaam. Het collectief maakte sindsdien onder meer de tentoonstelling Ik ben gewoon hier (Centraal Museum Utrecht, 2025), organiseert de jaarlijkse Jan Troost-lezing en houdt verzameldagen waarop mensen materiaal en verhalen kunnen aandragen. Toen de Stichting Utopa vorig jaar ruimte en middelen beschikbaar stelde, werd het idee van een echt fysiek archief geboren.

Paul van Trigt. Bron: Universiteit Leiden.

In hoeverre is dit archief een activistisch project?

“Die inzet was er en is er op een bepaalde manier nog steeds. Onze eerste insteek was: ergens moet dit een plek krijgen. Want zoals je rond de lhbti+-geschiedenis geïnstitutionaliseerde initiatieven hebt, bestond dat voor de geschiedenis van gehandicapte mensen simpelweg niet, terwijl er wél allerlei initiatieven en archieven waren.” Toch wil het collectief zich niet tot enkel activisme laten reduceren. Naast de archieven van activisten verzamelt het nadrukkelijk ook verhalen van mensen die zichzelf nooit activist zouden noemen. Een voorbeeld dat Van Trigt bijbleef, kwam van de kwartiermaker van het archief, die in gesprek raakte met de schoonmaker van het gebouw. “Die vertelde dat zijn zoon rolstoelgebruiker is, en had daar een mooi verhaal over. Voor hem als ‘vader van’ is handicap helemaal geen onderdeel van zijn identiteit, maar sinds de geboorte van zijn kind speelt het wél een rol in zijn leven. Juist naar dat soort verhalen zijn we ook op zoek.”

Aankondiging van de tentoonstelling Ik ben gewoon hier in het Centraal Museum Utrecht. Bron: Stichting Kreukelcollectief.

Hoe bepaal je dan wat er wel en niet in de collectie komt?

“Daar zitten we middenin, we werken aan een collectieplan. Een deel van de archieven komt voort uit het Kreukelcollectief zelf en is wat activistischer van aard. Daarnaast zitten er stukken bij van de Gehandicaptenraad, het huidige Ieder(in), met name beginnend vanaf de jaren zeventig.” Het archief wil ook verwijzen naar materiaal dat elders ligt, maar niet altijd expliciet met handicap in verband is gebracht. “Ook al is handicap niet de belangrijkste noemer van een museum of archief, ze kunnen toch heel interessant materiaal hebben.” De focus ligt voor een belangrijk deel op het verleden, “maar dan wel het verleden zoals dat doorloopt in het heden”. Hoe urgent een plek is waar materiaal (brand)veilig bewaard kan worden, bleek in 2024: het archief van Ieder(in) ging grotendeels verloren toen een pyromaan huishield in de tijdelijke opslag. “Dat was een heel rijk archief. Doodzonde. Voor een deel kun je het reconstrueren, maar je weet zeker dat er ook echt dingen verloren zijn gegaan.”

Doet het Kreukelcollectief iets met het thema van herdenken en de Tweede Wereldoorlog?

“Dat gaat zeker een thema worden, en is dat op een bepaalde manier al. Enige jaren geleden hebben we sessies gehad – geïnitieerd door een buitenlandse onderzoeksgroep – waarin activisten en wetenschappers uit verschillende landen aan de hand van historische materialen doorpraatten over de Tweede Wereldoorlog en over eugenetica.” Hoe het Kreukel Archief dit thema gaat vormgeven, is nog een vraagteken: “Ik weet niet wat de beste manier is, maar daar zal zich ongetwijfeld iets ontwikkelen.” Het collectief staat hierin niet alleen: bij verschillende instellingen voor mensen met een verstandelijke beperking en bij psychiatrische instellingen is al sinds enkele jaren op 4 mei aandacht voor deze geschiedenis. Een geschiedenis die zich overigens niet tot de instellingen beperkt; ook gehandicapte mensen die daarbuiten woonden kregen met de bezetting te maken.

Het bekendste voorbeeld in Nederland is de psychiatrische instelling Het Apeldoornsche Bosch. Hoe kijk je daarnaar?

“De mensen daar zijn primair vermoord omdat ze Joods waren; het was een Joodse psychiatrische instelling. Niet primair omdat ze een handicap hadden.” Van Trigt verwijst naar het onderzoek van het NIOD, dat het idee weersprak dat psychiatrische patiënten in Nederlandse instellingen doelbewust werden verwaarloosd. “Ik ben geneigd mee te gaan in hun interpretatie dat er niet echt een doelbewuste versterving heeft plaatsgevonden.”

Die interpretatie werd niet door iedereen onderschreven. Eerder verscheen de publicatie Vergeten Slachtoffers van Marco Gietema en Cecile aan de Stegge, die suggereerde dat mensen in psychiatrische instellingen wél doelbewust waren verwaarloosd. Het NIOD deed vervolgens onderzoek bij meerdere instellingen en concludeerde dat de opvallend hoge sterftecijfers anders verklaard moesten worden. “De initiatiefnemers van Vergeten Slachtoffers waren daar niet blij mee. Daar is het nodige over en weer gegaan: hoe moet je die sterftecijfers interpreteren, en hoe besteed je op een passende manier aandacht aan deze groep slachtoffers?”

De Jostiband, Ambassadeurs van de Vrijheid in 2026, bij Slot Hartheim. Bron: Nationaal Comité 4 en 5 mei.

Betekent het ontbreken van een daadwerkelijk moordprogramma dat er voor Nederland weinig te herdenken valt?

Dat vindt Van Trigt nadrukkelijk niet. “Het fascisme had moeite met anders functionerende lichamen en geesten, om het zacht uit te drukken. Dat je in Nederland de moord vanwege handicap niet direct kunt aantonen, neemt niet weg dat je erover na moet denken hoe je er aandacht aan besteedt. In Duitsland kan dat relatief makkelijk, omdat daar het ‘euthanasieprogramma’ is geweest, met daaraan gerelateerde plekken. De Jostiband is dit jaar naar zo’n plek geweest en heeft door heel Nederland op 5 mei opgetreden.” Hij doelt op Slot Hartheim, een van de moordcentra van Aktion T4. Het zou naïef zijn, betoogt Van Trigt, om de oorlog eng-nationaal op te vatten. “Het ideaalbeeld dat nazi-Duitsland van lichamen en geesten had, bleef niet binnen de Duitse grenzen. In die zin vraagt dit om voortdurende reflectie op juist die dingen die in Nederland wat minder makkelijk te pakken zijn.”

Zou je in het materiaal van instellingen sporen kunnen vinden van wat je informele vervolging zou kunnen noemen – geen doelbewuste moord, maar slachtoffers maken door nalatigheid of verwaarlozing?

“Dat materiaal hebben we zelf nog niet geheel in beeld. Maar in wat instellingen aan stukken hebben, en in wat soms in lokale en regionale archieven ligt, zouden dat soort sporen kunnen liggen. Ik denk dat er meer onderzoek en meer van dit soort discussies zullen volgen. Niet alleen over de oorlogsperiode, maar ook over de periode daarna, waarbij je je kunt afvragen hoeveel prioriteit bepaalde groepen patiënten kregen en of bepaalde bewoners van instellingen niet verwaarloosd werden.”

In de gehandicaptenbeweging staat de leus ‘Niets over ons zonder ons’ centraal. Hoe verhoudt die zich tot ouder materiaal waarin de stem van mensen met een beperking vaak ontbreekt – materiaal dat wellicht een plek zal krijgen in het archief?

“Die slogan is belangrijk voor onze hele manier van werken. Er is al zo veel materiaal verzameld óver mensen, dat wij vinden: het mag nu wel eens vanuit het perspectief van de mensen zelf. Maar als je verder teruggaat, is er inderdaad veel materiaal waarin die stem niet zo evident aanwezig is. Sommige mensen konden helemaal niet schrijven of iets achterlaten en ook die wil je een plek in de geschiedenis geven. Dat moet je dan op indirectere manieren doen.”

De oplossing zoekt het collectief niet in het weren van zulk materiaal, maar in de presentatie. “Onze missie is dat we mensen aanmoedigen er kritisch naar te kijken. Verschillende activisten en historici hebben al laten zien dat je uit materiaal dat ‘over’ mensen gaat, vanuit een kritisch perspectief toch veel kunt halen. Wij willen een plek zijn waar dat gebeurt, maar wel in openheid. Niet: je mag er alleen op deze manier naar kijken.” Bij problematische termen denkt hij aan een waarschuwing vooraf, zonder bezoekers in een keurslijf te dwingen.

Historische termen als ‘zwakzinnig’ of ‘invalide’ werden destijds gewoon gebruikt. Hoe ga je daar als historicus mee om?

“Sommige historici zeggen: die term werd toen gebruikt, dus die kun je zomaar overnemen. Ik ga daar grotendeels in mee, zeker als je het nauwkeurig historiseert en laat zien waar het vandaan komt. Tegelijkertijd kan het pijnlijk zijn als je een verhaal staat te houden waarin je zo’n woord constant en zonder context gebruikt; dan reproduceer je iets. En vergis je niet: de term ‘invalide’ is nog helemaal niet weg. Ik wil niet met het vingertje wijzen, maar er valt qua bewustwording nog veel winst te behalen. Zowel bij de zogenaamde ‘taalpolitie’ als bij mensen die denken dat ze, omdat ze historicus zijn, al die woorden maar eindeloos kunnen herhalen.”

Jan Troost op bezoek bij toenmalig minister-president Rutte. Bron: Troostoverleven.nl.

Willen jullie met het archief ook een gemeenschap vormen?

“Dat gebeurt voor een deel vanzelf, doordat je projecten doet waar mensen op afkomen. Maar je wil vooral dwarsverbanden leggen. Zo is het Kreukelcollectief zelf ook begonnen, doordat iemand als Jan Troost verschillende mensen en initiatieven bij elkaar bracht. Dat willen wij blijven doen, en daarbij open blijven voor groepen die we nog niet in beeld hebben, migranten met een handicap bijvoorbeeld.” Het archief werkt nadrukkelijk multimediaal – met bijvoorbeeld oral history, foto’s, video’s en tekstbeschrijvingen bij beeld. “Want handicap is een containerbegrip: er vallen heel verschillende beperkingen onder dat ene woord.”

Kan een lezer die een interessant verhaal of voorwerp voor het archief heeft bij jullie terecht?

“Zeker. We staan aan het begin van het opbouwen van de infrastructuur, en daarin komen ook mogelijkheden om dit soort dingen aan te bieden.” Soms verwijst het collectief door. “Het archief van Ieder(in) zou aanvankelijk naar het Nationaal Archief gaan, omdat dat binnen hun collectiebeheer paste. Nu dat archief bij de brand merendeels verloren is gegaan, houden wij de stukken die er nog zijn waarschijnlijk zelf. Maar doorverwijzen zal vaker gebeuren: dat mensen bij hun lokale archief terechtkunnen, en dat wij vanuit onze digitale infrastructuur een link leggen om te laten zien wat voor geweldig materiaal daar ligt. We zijn graag de verbindende factor.”

Daarmee is het Kreukel Archief eerder een beginpunt dan een sluitstuk. Het verzamelt niet alleen wat er nog ligt, maar reikt ook een blik aan waarmee bestaande collecties opnieuw gelezen kunnen worden; óók waar het gaat om mensen met een beperking in de oorlogsjaren.

Meer informatie over het Kreukel Archief: kreukelarchief.nl.

Over de auteur

Andries Hiskes. Fotograaf: Jos Kuklewski. 

Andries Hiskes is literatuur- en cultuurwetenschapper en als universitair docent verbonden aan de vakgroep Zorgethiek aan de Universiteit voor Humanistiek. Zijn onderzoek richt zich op de manier waarop literatuur, film en andere kunstuitingen vormgeven hoe naar gehandicapte lichamen wordt gekeken. Hij promoveerde in 2024 aan de Universiteit Leiden en ontving in 2025 de prijs voor het beste proefschrift van de Onderzoeksschool Literatuurwetenschap (OSL). Momenteel werkt hij met een NWO Veni-beurs aan onderzoek naar de wijze waarop kunst rondom handicap het politieke debat over handicap hervormt.


Foto bovenaan artikel

Een vrouw in een rolstoel zamelt handtekeningen in om te protesteren tegen de slechte toegankelijkheid van station Amsterdam Centraal, 1983. Bron: Nationaal Archief / Rob Croes / Anefo.

Hoe ontwerp je een inclusief herdenkingsmonument?

In Lelystad wordt een nieuw herdenkingsmonument gerealiseerd. De ambitie is groot: het moet een plek worden die álle pijnlijke en historische verhalen over oorlog en conflict weerspiegelt, dus niet langer uitsluitend de verhalen die betrekking hebben op de Tweede Wereldoorlog. Saadat Mousavi ging met architecte Arna Mačkić in gesprek over het waarom en hoe van dit monument.

Een ruimte die plaats biedt aan uiteenlopende vormen van pijn, hoop en herinneringen, van een diversiteit aan inwoners. Dat is wat het nieuwe herdenkingsmonument aan de noordwestzijde van het Lelystadse Zilverpark moet gaan bieden. Er is daarvoor een oppervlakte van 650 vierkante meter beschikbaar. De herdenkingsplek is een initiatief van de gemeente Lelystad en wordt ontworpen door de architecten Arna Mačkić en Lorien Beijaert van Studio L A.

Het oorspronkelijke idee voor een nieuw monument in Lelystad ontstond al in 2017, memoreert Arna Mačkić. De gemeente Lelystad en Stichting Herdenken, Verzoenen en Vrijheid Lelystad constateerden toen samen dat de bestaande herdenkingslocatie, Het Stadspark, onvoldoende capaciteit bood voor bezoekers van de Dodenherdenking op 4 mei. Ook kunnen mensen met een mobiliteitsbeperking of rolstoelgebruikers de plek niet goed bereiken. Het eerste plan was een verplaatsing van de bestaande sculptuur waar mensen bloemenkransen neerleggen van de huidige herdenkingsplek naar het stadscentrum, om zo de toegankelijkheid te verbeteren. Daar kwamen sommige mensen tegen in verzet. Daarop werd besloten dat oude monument op zijn oorspronkelijke plek te laten en daarnaast een nieuwe plek te ontwerpen.

Daarbij wordt zoals gezegd ingezet op een meer inclusief herdenkingsmonument. Waar komt die keuze vandaan? Arna: “De afgelopen jaren zijn discussies ontstaan over wat wel en niet herdacht moet worden.” Daarnaast speelt ook de vraag hoe de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog, waarvan de directe getuigen verouderen en sterven, verbonden kan blijven met jongere generaties op een manier die ook aansluit bij hun actuele vragen en zorgen.

Arna Mačkić (links) en Lorien Beijaert van studio L A. Fotograaf: Siese Veenstra

Intensief consultatieproces

Voor de ontwikkeling van het multiculturele ontwerp werd een klankbordgroep opgericht waar ook de twee architecten deel van uitmaakten. Ze voerden uitgebreide gesprekken met verschillende gemeenschappen: de Joodse gemeenschap, veteranen, de Roma- en Sinti-gemeenschap, de Indische gemeenschap en vertegenwoordigers van Inheemse gemeenschappen uit Suriname, maar ook kerkelijke gemeenschappen, moslimgemeenschappen, het slavernijherdenkingscomité, de lhbtiqa+-gemeenschap en belangenorganisaties van mensen met een lichamelijke beperking. Arna: “Het doel van deze gesprekken was om helder te krijgen hoe we een publieke herdenkingsplek kunnen creëren waar iedereen zich vertegenwoordigd kan voelen. Een plek waar niemand belangrijker of groter wordt gepresenteerd dan een ander, en die toegankelijk is voor iedereen. Zo zien bijvoorbeeld Surinaamse gemeenschappen voor het eerst een deel van hun geschiedenis terug in dit ontwerp.”

Het intensieve consultatieproces stuitte op kritiek van sommige rechtse politieke partijen, die de kosten te hoog vonden en meenden dat hun achterban hier niet op zat te wachten. Arna reageerde daarop door hen uit te nodigen deel te nemen aan de gesprekken, onder het motto: ‘Jullie kiezers zitten hier ook, ook zij hebben eigen ervaringen van verlies en pijn.’ Zo is er gebouwd aan een breed draagvlak, en aan een ontwerp dat volgens Arna de tegenstelling tussen links en rechts overstijgt, “het gaat over samenleven”.

Naast betrokkenheid van een brede waaier aan inwoners is de andere belangrijke ambitie van het project dat het monument geen formele, afgesloten plek wordt, maar een vrij toegankelijke ruimte voor alle inwoners van Lelystad. Mensen moeten er in het dagelijks leven kunnen wandelen, zitten, lunchen. Kinderen moeten er kunnen spelen. En jongeren moeten er kunnen chillen en ondertussen nieuwsgierig worden naar de stenen en symbolen, en zo tot reflectie komen over het verleden, het heden en de toekomst. “Net zoals het Nationaal Comité 4 en 5 mei de laatste jaren zoekt naar manieren om relevant te blijven voor huidige en toekomstige generaties, zochten wij daar met ons ontwerp ook naar.”

Ontwerp voor de stenen voor verschillende gemeenschappen. Bron: Studio L A.

Polderstructuur

Het begin van de bouw van het monument staat gepland voor september van dit jaar. Naar verwachting zal het in maart volgend jaar klaar zijn. Het ontwerp bestaat uit een stenen constructie op het water. De steen staat hierin symbool voor geschiedenis en collectief geheugen: iets dat door de tijd heen blijft bestaan en verhalen en herinneringen van generatie op generatie doorgeeft. Het patroon waarin de stenen zijn gelegd, is geïnspireerd op de polderstructuur van Flevoland. Van bovenaf zijn deze polders ook duidelijk herkenbaar. Het idee voor deze vorm kwam voort uit gezamenlijke sessies met alle betrokken partijen.

Het centrale element in het ontwerp is een cirkel die dient als ontmoetingsplek. Daaromheen liggen afzonderlijke stenen voor verschillende gemeenschappen: een steen voor Roma en Sinti, voor afstammelingen van totslaafgemaakten, voor slachtoffers van de Holocaust, voor de lhbtiqa+-gemeenschap, voor Indië-gangers en hun nakomelingen, voor de Inheemse bewoners van Suriname en voor veteranen. Deze stenen zijn gezamenlijk ontworpen en vormen samen één geheel. Zo geeft het monument handen en voeten aan het belangrijke uitgangspunt van gelijkwaardigheid: geen enkele gemeenschap krijgt een grotere of prominentere plaats dan een andere.

Impressie van het nieuwe monument in Lelystad. Bron: Studio L A.

Terugkijkend op het ontwerpproces is Arna heel tevreden. “Het proces liet zien dat uiteenlopende groepen, met verschillende religieuze en ideologische achtergronden, linkse en rechtse politieke overtuigingen, met en zonder beperking, veel gemeen blijken te hebben en bereid zijn om samen, met empathie en dialoog, het verleden betekenisvol te maken voor het heden en de toekomst. Ik hoop dat Lelystad trots zal zijn op deze plek en dat het een voorbeeld kan worden voor de nationale herdenking op 4 mei.”

Over de auteur

Saadat Mousavi. Fotograaf: Paul Robert.

Saadat Mousavi (1990) is een Afghaans schrijver en journalist, woonachtig in Nederland. Hij schrijft over thema’s als migratie, herinnering, identiteit en de sociale gevolgen van oorlog en ontheemding. Zijn werk bevindt zich op het snijvlak van journalistiek, essayistiek en interculturele reflectie, en richt zich vaak op de menselijke ervaring van ballingschap en leven in diaspora.


Beeld bovenaan artikel

Impressie van het nieuwe monument in Lelystad. Bron: Studio L A.

Geen voetnoot: de Tweede Wereldoorlog in het Suriname Museum

In het nieuwe Suriname Museum in Amsterdam krijgt de Tweede Wereldoorlog de plaats die zij verdient binnen de Surinaamse geschiedenis. De tentoonstelling laat zien hoe Suriname cruciaal was voor de geallieerde oorlogsinspanningen, maar vertelt ook persoonlijke verhalen waarmee deze geschiedenis tot leven wordt gewekt.

Op de symbolische datum van 25 november 2025, vijftig jaar na de onafhankelijkheid van Suriname, opende het Suriname Museum aan de Zeeburgerdijk in Amsterdam officieel de deuren. Op de website van het museum staat dat het museum er voor alle Nederlanders is en zich tot doel stelt een ‘grote kloof in het nationale geheugen’ te overbruggen door aandacht te besteden aan 350 jaar geschiedenis die Suriname en Nederland met elkaar delen.1

Informatiebord over de Chinese gemeenschap in Suriname. Bron: Suriname Museum.

Kennismaking met Suriname

Bezoekers maken eerst kennis met de rijke flora en fauna van het land. Het museum streeft er zichtbaar naar om de verschillende bevolkingsgroepen in Suriname allemaal tot hun recht te laten komen. Naast de inheemse, Afro-, Hindostaanse en Javaanse Surinamers is er ook aandacht voor kleinere gemeenschappen die niet altijd prominent in beeld komen zoals de Chinese en Libanese gemeenschappen en Boeroes. Van iedere groep wordt het verhaal van de komst naar Suriname verteld, natuurlijk met uitzondering van de inheemse bevolking die er al woonde. Dat gebeurt deels chronologisch aan de hand van objecten, documenten, afbeeldingen en korte verklarende video’s. Daarnaast zijn door de tentoonstelling heen ook verhalen van experts en ervaringsdeskundigen te zien en te horen die extra verdieping geven. Dat daar in de tentoonstelling steeds data en jaartallen bij worden gegeven, is van belang omdat niet iedereen het verloop van de Surinaamse geschiedenis scherp op het netvlies zal hebben.

Tijdlijn met belangrijke gebeurtenissen in de geschiedenis van Suriname. Bron: Suriname Museum.

Slavernij

Het is niet verwonderlijk dat het verhaal van de slavernij en zijn nasleep een belangrijk onderdeel van de tentoonstelling vormt. De mensonterende omstandigheden waaronder mannen, vrouwen en kinderen van het Afrikaanse continent werden geroofd en naar Suriname werden vervoerd, wordt duidelijk gemaakt door maquettes van schepen die een indruk geven hoe de leefomstandigheden op de schepen waren. Naast aandacht voor de slaafgemaakten, is er ook aandacht voor de grote rijkdom die vooral de elite in de Nederlandse Republiek door de opbrengst van de plantages verwierf. De betrokkenheid van de stad Amsterdam in de Sociëteit Suriname, de grootaandeelhouder van de plantages in Suriname, wordt expliciet benoemd. Maar er is ook oog voor verzet, met name van de Marrons die aanvallen uitvoerden op plantages. De uiteindelijke afschaffing van de slavernij in 1863 luidde het begin van de komst van mensen uit Azië in die het werk van de voormalig tot slaafgemaakten overnamen. Hoewel ze juridisch vrij waren, waren hun werk- en leefomstandigheden niet noodzakelijkerwijs beter, zoals de tentoonstelling duidelijk laat zien. Ook hier is weer aandacht voor veerkracht en zelfredzaamheid van de betrokken gemeenschappen. Het museum wil ze duidelijk niet alleen als slachtoffers neerzetten. Uit de opgenomen levensverhalen van leden van de verschillende gemeenschappen spreekt kracht en het vermogen om tegenslagen en een zwaar leven te overwinnen. Het bewaren en doorgeven van de cultuur en de geschiedenis komt regelmatig terug in de getuigenissen die onderdeel uitmaken van de tentoonstelling.

Maquette van een slavenschip. Bron: Suriname Museum.

WO2: het belang van Suriname

Een brede gang op de eerste verdieping van het museum is gewijd aan de Tweede Wereldoorlog. Daarin neemt de bijdrage van Suriname en haar bevolking aan de oorlogsinspanningen een prominente plaats in. Het verhaal wordt vooral aan de hand van afbeeldingen en documenten verteld. Zo wordt op een tekstbord aangegeven dat de bevolking oog had voor het lot van de Joden in Europa en genegen was om Joodse vluchtelingen die via Portugal Nederland waren ontvlucht op te vangen, terwijl toenmalig gouverneur Kielstra daar minder positief op had gereageerd. Omdat de meeste vluchtelingen Suriname na de oorlog weer verlieten, raakte het verhaal in de vergetelheid tot de bekende schrijfster Cynthia McLeod het weer onder de aandacht van het publiek bracht zoals ze dat ook deed in een tentoonstelling over Anne Frank.

Navrant is de afbeelding van een proclamatie uit 1942 van diezelfde Kielstra naar aanleiding van het bezoek van prins Bernhard. Zonder enige ironie wordt in de proclamatie gememoreerd dat het voor het eerst sinds meer dan honderd jaar is dat een lid van het vorstenhuis – prins Hendrik – de kolonie bezocht. De replica van de proclamatie wordt vergezeld van twee andere afbeeldingen, een poster en een manifest op een wand, en lijkt met name bedoeld om de sfeer van oorlog en een zware tijd aan te geven. Wat meer context zou in dit geval welkom zijn geweest.

Het strategisch belang van Suriname lag in de aanwezigheid van grote voorraden bauxiet, noodzakelijk voor de productie van aluminium. Dit feit wordt breed uitgemeten in de tentoonstelling; te lezen valt dat 60 procent van alle bauxiet voor de geallieerde productie uit Suriname kwam, een cijfer dat niet veel bezoekers zullen kennen. Om de mijnen te beschermen werden Amerikaanse troepen in het land gestationeerd. Over de impact die dat op de bevolking van Suriname moet hebben gehad, wordt verder niet veel gezegd. Dat is jammer omdat er een emanciperend effect van uit is gegaan, zowel van het werk wat voor de oorlogsinspanning werd gedaan als de contacten met de Amerikanen.

Persoonlijke verhalen

Wel wordt aangegeven dat de bevolking zich op verschillende wijzen heeft ingezet en dat sommigen zich ook vrijwillig aanmeldden om dienst te nemen. Hier liggen kansen om het algemene verhaal te verrijken met persoonlijke verhalen. In 2012 verscheen Teken en zie de wereld van de hand van auteur Jules Rijssen.2 Daarin zijn door Rijssen opgetekende verhalen en herinneringen van mannen te lezen die zich hadden aangemeld voor de strijd tegen Duitsland en Japan. Het is een waardevolle bron van informatie die nauwelijks ergens anders terug te vinden is. In 2025 publiceerde Rijssen Heb je het verhaal van Hitler al gehoord… met daarin een breed scala aan verhalen en herinneringen over de Tweede wereldoorlog uit Suriname en de eilanden in Caribisch Nederland.3 Hier zou een scherm met verhalen een nuttige aanvulling op het geheel zijn.

Beeld van Anton de Kom. Bron: Suriname Museum.

Deze elementen zitten (nog) niet in de presentatie die vooral gericht is op het geven van feitelijke informatie. Persoonlijker wordt het bij het overzicht van mannen en vrouwen die zich hebben ingezet in de strijd tegen Duitsland. Van hen is Anton de Kom de bekendste. Vanwege zijn betrokkenheid bij het communistisch verzet werd hij in augustus 1944 door de Duitsers gearresteerd. Hij stierf in april 1945 in een buitenkamp van het Duitse concentratiekamp Neuengamme. Maar ook de andere verhalen zoals dat van Elisabeth Bergen, een Surinaamse verpleegkundige die naar Nederland vertrok en daar tijdens de bezettingstijd Joodse onderduikers in huis nam. Na verraden te worden kwam ze in Dachau terecht en overleefde dat ternauwernood. Deze verhalen maken in al hun beknoptheid indruk. Het feit dat van diegenen wiens verhaal wordt weergegeven ook een afbeelding te zien is, maakt dat die verhalen ook dicht bij de bezoeker komen. Te lezen is dat velen hun verzet met de dood moesten bekopen.

Geen voetnoot

Voor wie wil weten wat er nu nog in Suriname terug te vinden is dat herinnert aan de Tweede Wereldoorlog kan terugvallen op de publicatie van historicus Esther Captain en antropoloog Guno Jones, Oorlogserfgoed overzee, waarin een belangrijk overzicht te vinden is van locaties en objecten in Suriname en andere voormalige koloniën die verband houden met de oorlog.4

Concluderend kan worden vastgesteld dat de Tweede Wereldoorlog voor het Suriname Museum geen voetnoot maar een integraal onderdeel van de Surinaamse geschiedenis is. Het verhaal van de Tweede Wereldoorlog is belangrijk en verdient – hopelijk binnen afzienbare tijd – een aparte wisseltentoonstelling waarbij onder andere geput kan worden uit de publicaties van Rijssen en Captain en Jones. Nu laat het museum al zien hoe belangrijk het is om verhalen over de Tweede Wereldoorlog met elkaar te verbinden.

Over de auteur

Wim Manuhutu.

Wim Manuhutu is historicus en erfgoeddeskundige. Van 1987 tot 2009 maakte hij deel uit van de directie van het Moluks Historisch Museum in Utrecht. Sinds 2019 is hij parttime als docent Geschiedenis verbonden aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Hij doet onderzoek naar de (post)koloniale geschiedenis van Nederland.


Noten

1 Zie voor het missiestatement van het museum: https://surinamemuseum.nl/museum/

2 Jules Rijssen, Teken en zie de wereld. Oorlogsveteranen en Suriname, LM Publishers, Amsterdam 2012.

3 Jules Rijssen, Heb je het verhaal over Hitler al gehoord… Suriname en de Antillen. Beeldvorming over WOII, LM Publishers, Edam 2025.

4 Esther Captain, en Guno Jones, Oorlogserfgoed overzee; De erfenis van de Tweede wereldoorlog in Aruba, Curaçao, Indonesië en Suriname. Amsterdam: Bert Bakker, 2010.


Foto bovenaan artikel

Het Suriname Museum aan de Zeeburgerdijk, te Amsterdam. Bron: Wikimedia Commons.

Oorlog en dekolonisatie op vijf continenten

Jaargang 15, nummer 2, mei 2026

Dat de Tweede Wereldoorlog een mondiale gebeurtenis was is evident. Lang werd de WO2-geschiedenis echter vooral bestudeerd in een nationaal kader. Inmiddels is de aandacht voor meerstemmigheid toegenomen. Wat heeft de groeiende aandacht voor zulke meerstemmige oorlogsgeschiedenissen opgeleverd?

Het ene verlies is niet het andere

In de recente publicatie Verloren kunst verzet kunsthistoricus Louis Zweers zich tegen de onvoorwaardelijke teruggave van objecten en collecties aan voormalige koloniën. Hij breekt een lans voor het ruilen van deze objecten met Nederlandse kunstvoorwerpen die zich nog in Indonesië bevinden. Denk: collecties van (Indische) Nederlanders die in Indonesië verloren raakten door oorlogsgeweld, roof of nalatigheid. Volgens historicus Wiebe Reints creëert Zweers hiermee een schijntegenstelling in het debat over de restitutie van ‘koloniale roofkunst’.

De afgelopen tijd is er veel aandacht voor de teruggave van ‘koloniale roofkunst’. Of beter gezegd: voor de teruggave van objecten die gedurende de koloniale periode onder dwang of zonder toestemming zijn afgenomen van de oorspronkelijke eigenaren en vervolgens in Nederland terecht zijn gekomen. Deze aandacht is met name te danken aan nieuw beleid van de Nederlandse overheid dat in de mogelijkheid tot ‘restitutie’ voorziet. Recent zijn er al verscheidene collecties gerestitueerd aan Indonesië, Sri Lanka, de Verenigde Staten en Nigeria. Hoewel dit nieuwe beleid kan worden gezien als positief uitvloeisel van de veranderende Nederlandse kijk op het koloniale verleden, is het voor oorspronkelijke eigenaren rijkelijk laat dat collecties nu pas teruggaan. Bij verschillende landen stond de restitutie van culturele voorwerpen direct hoog op de agenda nadat ze zich hadden ontdaan van het koloniale juk. Zelfs tijdens het koloniale tijdperk werd er door herkomstgemeenschappen al opgeroepen tot de teruggave van hun cultuurobjecten.

Het is dan ook belangrijk om ons ervan bewust te zijn dat de restitutie van culturele objecten aan landen waar Nederland een koloniaal verleden heeft een kwetsbaar proces is. Een proces waarbij onderliggende machtsstructuren een belangrijke rol spelen en dat zich richt op het ‘herstellen van historisch onrecht’, zoals de kern van het huidige Nederlandse koloniale restitutiebeleid wordt verwoord. Dit is een krachtig doel, maar ook een doel dat moeilijkheden met zich meebrengt.

Verloren kunst. Bron: Walburg Pers. 

Concurreren om erkenning

In de oratie die Susie Protschky kortgeleden uitsprak bij de acceptatie van haar leerstoel Global Political History aan de Vrije Universiteit, refereerde ze aan een Nieuwsuur-interview in augustus 2023 met Peggy Stein. Deze voorvrouw van Indisch Platform 2.0 verklaarde dat ‘alles eerherstel en erkenning verdient’ toen haar werd gevraagd naar een eventuele rehabilitatie van de omstreden KNIL-kapitein Raymond Westerling. Westerling is bekend van de gruwelijkheden die onder zijn toeziend oog plaatsvonden gedurende de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog, maar heeft volgens zijn dochter ook veel mensen gered. Wat je in de uitspraak van Stein terugziet is een drogredenering waarbij verschillende vormen van historisch onrecht aan elkaar gelijkgeschakeld worden: het systematische onrecht en geweld dat plaatsvond gedurende de Tweede Wereldoorlog en de Onafhankelijkheidsoorlog in Indonesië en persoonlijk, individueel ervaren onrecht. Doordat Stein deze verschillende vormen van onrecht op één lijn plaatst, ontstaat de indruk dat ze tegenover elkaar moeten worden afgewogen en met elkaar moeten concurreren om te worden erkend, wat het proces van herstel eerder belemmert dan bevordert. Deze schijntegenstelling doet uiteindelijk aan beide partijen geen recht.

Bij het lezen van de meest recente publicatie van kunsthistoricus Louis Zweers moest ik ook denken aan deze schijntegenstelling. In Verloren kunst zoekt Zweers aansluiting bij de huidige aandacht voor koloniale restitutie en verzet hij zich tegen de onvoorwaardelijke teruggave van objecten en collecties aan voormalige koloniën. Hij probeert daarentegen een lans te breken voor het ruilen van deze objecten met Nederlandse kunstvoorwerpen die zich nog in Indonesië bevinden. De manier waarop Zweers het onrechtmatig achterblijven van verschillende Nederlandse collecties in Indonesië gelijkstelt aan de enorme hoeveelheid objecten die door de Nederlandse koloniale overheersing onvrijwillig van de Indonesische bevolking is afgenomen, ondergraaft echter het doel van de huidige restitutiepraktijk.

Het ‘verdwenen’ Dieng Plateau

Zweers richt zich in zijn publicatie op objecten die in Indonesië verloren zijn geraakt door oorlogsgeweld, roof of nalatigheid, waarbij hij voornamelijk oog heeft voor de collecties van (Indische) Nederlanders die woonachtig waren in de voormalige Nederlandse kolonie. In achttien hoofdstukken gaat de auteur – zij het wat willekeurig – in op verschillende casussen van verloren geraakte kunstwerken en collecties. Zo richt het eerste hoofdstuk zich op een schilderij van de 19e-eeuwse Javaanse schilder Raden Saleh. Zijn Dieng Plateau hing gedurende het koloniale tijdperk samen met andere landschapschilderijen in het gouverneurspaleis in Bogor (het toenmalige Buitenzorg). Zweers beschrijft hoe het overgrote deel van de Nederlands-Indische staatscollectie na de Indonesische onafhankelijkheid naar Nederland werd teruggebracht. Dat gold niet voor het Dieng Plateau, dat verdwenen leek te zijn totdat het eind 20e eeuw opdook bij een veiling van Sotheby’s in Singapore. Het werd toentertijd niet verkocht, maar werd in 2019 bij een veiling van Christie’s in Hong Kong opnieuw te koop aangeboden.

Dit eerste hoofdstuk geeft een goede illustratie van de inhoud van de rest van het boek. Zweers heeft met zijn jarenlange inzet veel interessante informatie weten te achterhalen over de omgang met cultuurgoederen gedurende de Japanse bezetting, de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog en de periode daarna. Het blijft echter de vraag wat de auteur precies beargumenteert met zijn uiteenzetting. Afgaande op de titel van het eerste hoofdstuk, ‘Op zoek naar een verdwenen landschapsschilderij van Raden Saleh’, verwacht de lezer dat Zweers onderzoek heeft verricht naar wat er met het Dieng Plateau is gebeurd nadat Indonesië de onafhankelijkheid uitriep. Al snel blijkt echter dat het schilderij niet als ‘verdwenen’ kan worden beschouwd, aangezien het de afgelopen dertig jaar meerdere malen op een veiling te koop is aangeboden. Ook is het volgens Zweers door de Duitse biograaf van Raden Saleh in 2010 in een Singaporese privéverzameling aangetroffen.1 Op de daadwerkelijke periode dat de verblijfplaats van het schilderij onbekend was, gaat Zweers niet verder in. Pas in de laatste alinea komt naar voren waar het de auteur eigenlijk om te doen lijkt. Zweers schrijft hier: “De Nederlandse staat, de rechtmatige eigenaar van het schilderij van Raden Saleh, heeft tot op heden geen stappen ondernomen om het gestolen kunstwerk […] terug te vorderen.”2

Egbert Willem van Orsoy de Flines. Bron: intisari.grid.id. 

Een gemankeerd betoog

Ook in andere hoofdstukken blijft de reden waarom Zweers dit alles opschrijft vaag. Hoofdstuk 4 beschrijft bijvoorbeeld de collectie van de Nederlandse keramiekverzamelaar Egbert Willem van Orsoy de Flines. In 1932 bracht De Flines zijn collectie onder bij het museum van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen (BGKW, dit museum is na de Indonesische onafhankelijkheid verdergegaan als Museum Nasional Indonesia), waar hij tevens werkzaam was als onbezoldigd conservator.3 De Flines overleefde net als zijn collectie de oorlog en ook na de soevereiniteitsoverdracht van 1949 bleef hij aan als conservator. Zoals bij zoveel verhalen uit de dekolonisatieperiode van Indonesië ontrolde zich een pijnlijke geschiedenis. Uit financiële noodzaak moest De Flines verschillende delen van zijn collectie verkopen en uiteindelijk verliet hij in 1959 gedwongen en gehaast Indonesië. Zijn keramiekcollectie en bijbehorende documentatie bleven achter in Indonesië. Maar wat blijkt: dat is precies zoals De Flines het had bedoeld. In De Flines’ testament stond namelijk, zo beschrijft Zweers zelf in Verloren kunst, dat zijn collectie na zijn overlijden moest worden overgedragen aan het museum van het BGKW. “Kennelijk heeft de verzamelaar geen behoefte gehad om zijn testament alsnog aan te passen, zelfs niet na zijn uitzetting naar Nederland”, schrijft Zweers.4 Wederom rijst hier de vraag wat Zweers wil zeggen met dit hoofdstuk. Is hij het niet eens met de keuze van De Flines? Wil hij slechts het lot van een Nederlandse verzamelaar en zijn collectie beschrijven? Of gaat het hem vooral om zijn zorgen over de Indonesische omgang met de voormalige collectie van De Flines, zoals lijkt uit de paragrafen ‘Geroofde pronkstukken’ en ‘Grote brand in Museum Nasional Jakarta’?

Door deze onduidelijke uitwerking raakt Zweers’ betoog nogal gemankeerd. Het is soms lastig te volgen en vaak niet eenduidig wat de auteur wil bereiken met zijn werk. Het boek eindigt bovendien nogal abrupt na het achttiende hoofdstuk. Op de laatste casus die Zweers behandelt volgt geen slotconclusie, maar slechts een dankwoord. Bovendien is veel van de informatie die Zweers de lezer voorschotelt rechtstreeks afkomstig uit zijn vorige boek of eerdere artikelen. Dat is op zich geen probleem, maar rechtvaardigt wel de vraag wat Zweers ertoe heeft gedreven zijn – hoewel, nogmaals, vaak interessante – informatie wederom voor het voetlicht te willen brengen.

Keramische afdeling van het Museum van het Koninklijk Bataviaasch Genootschap voor Kunsten en Wetenschappen te Batavia. Foto: Leiden University Libraries (Publiek domein).

En-en, niet of-of

Dat brengt ons weer bij het huidige restitutiebeleid van Nederland. Zweers’ vorige boek over dit onderwerp verscheen net nadat het initiële beleidsadvies van de Raad voor Cultuur over de restitutie van koloniale roofkunst was gepresenteerd, zo lezen we in een interview uit 2020 met Zweers in NRC.5 Zeker als we uitgaan van tussenkopjes zoals ‘Wat verzweeg Gonçalves’6 (Lilian Gonçalves-Ho Kang You is de voorzitter van de onafhankelijke commissie die de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap adviseert over de restitutie van ‘koloniale roofkunst’) en verwijzingen naar misplaatste postkoloniale schuldgevoelens7, kunnen we Verloren kunst niet anders beschouwen dan als een reactie op de huidige restitutiepraktijk. Helaas bevat Zweers’ boek voor een daadwerkelijk commentaar daarop te weinig steekhoudende argumenten. Terwijl er genoeg valt aan te merken op de huidige restitutie van museumcollecties afkomstig uit een koloniale context. Zo worden objecten bijvoorbeeld slechts van overheid tot overheid teruggegeven, waardoor oorspronkelijke eigenaren vaak nog altijd geen toegang hebben tot hun verloren erfgoed.

Verloren kunst had beter gefunctioneerd wanneer de auteur dit boek slechts had gebruikt om een verhaal te vertellen over het verlies van cultuurgoederen gedurende de (post)koloniale periode. Dat behoeft, naast de aandacht voor de roof van Indonesische culturele voorwerpen, namelijk óók aandacht. Doordat Zweers dit verlies één op één afzet tegen het huidige restitutiebeleid van Nederland, ontkomt de lezer er niet aan het ene onrecht met het andere te vergelijken. Het idee van Zweers om kunstwerken met Indonesië uit te wisselen ondergraaft zo de kracht van de onvoorwaardelijke teruggave van culturele objecten, die zich richt op het herstellen van historisch onrecht.8

Bovendien, in Indonesië bevinden zich wellicht door Nederlanders gemiste collecties, maar dit kan niet simpelweg worden geëxtrapoleerd naar de vele andere gebieden die hebben geleden onder het Nederlandse koloniale bewind. De Afrikaanse westkust, Sri Lanka, Suriname en de eilanden in het Caribische gebied golden in veel mindere mate als vestigingskoloniën, terwijl Nederlanders ook in deze gebieden omvangrijke collecties bijeenbrachten. Het is al een gotspe om de achttien casussen die Zweers in zijn boek behandelt te vergelijken met de enorme hoeveelheid voorwerpen die onvrijwillig vanuit de Indonesische archipel naar Nederland zijn verscheept, laat staan met die uit de vele andere gebieden waar Nederland zijn koloniale macht uitoefende. Deze landen beschikken namelijk niet eens over Nederlandse collecties die ze tegen hun eigen geroofde erfgoed zouden kunnen ‘ruilen’.


Over de auteur

Wiebe Reints

Wiebe Reints is onderzoeker bij het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies. Daar ontwikkelt hij bij het Expertisecentrum Restitutie een serie digitale zoekhulpen voor koloniaal herkomstonderzoek. Eerder deed hij onderzoek naar de verdwenen rijkssieraden van Luwu en droeg hij bij aan het herkomstonderzoek naar de ondertussen gerestitueerde Dubois-collectie.


Noten

1Louis Zweers, Verloren kunst, Walburg Pers 2024, p. 25

2 Louis Zweers, Verloren kunst, p. 27.

3 Louis Zweers, Verloren kunst, p. 48.

4 Louis Zweers, Verloren kunst, p. 56.

5 Naast het initiële beleidsadvies is er inmiddels ook een beleidsvisie. In juli 2020 verscheen het rapport Koloniale collecties en erkenning van onrecht, een advies over de omgang met koloniale collecties. De Beleidsvisie collecties uit een koloniale context uit januari 2021 bevat een reactie daarop. In juli 2022 informeerde staatssecretaris Uslu de Tweede Kamer over de implementatie hiervan, met de Kamerbrief over implementatie beleidsvisie collecties uit een koloniale context.

6 Louis Zweers, Verloren kunst, p. 11.

7 Louis Zweers, Verloren kunst, p. 9.

8 Louis Zweers, Verloren kunst, p. 147.


Foto bovenaan artikel

Dieng Plateau van Raden Saleh. Bron: Wikimedia Commons (Publiek domein).

Teruggegeven of weggegeven?

‘Kandinsky vertrekt uit het Stedelijk’, kopte NRC daags nadat de gemeente Amsterdam afstand deed van het schilderij Bild mit Häusern. De Restitutiecommissie had geoordeeld dat het werk mocht blijven, maar het museum gaf het alsnog weg aan de claimanten. De podcastserie Hier hing een schilderij dook in de zaak en de vragen die deze oproept.

Het besluit van het Stedelijk Museum Amsterdam om afstand te doen van Kandinsky’s Bild mit Häusern werd in februari 2022 bekendgemaakt op een persconferentie. Voor journalist Pieter van Os was het bericht reden voor een diepgravend onderzoek. Samen met podcastmaker Emmie Kollau startte hij met het maken van de podcastreeks Hier hing een schilderij. Hierin staat één casus symbool voor de complexe wereld van naziroofkunst en restitutie in Nederland. De podcastserie combineert journalistiek speurwerk met persoonlijke reflecties en maakt zo een vaak juridisch en specialistisch ingestoken thema toegankelijk.

Roofkunst uit de Tweede Wereldoorlog is onmiskenbaar maatschappelijk relevant. Het raakt niet alleen aan kwesties van eigendom en recht, maar ook aan herinneringscultuur en trauma. Podcasts spelen op dit gebied een groeiende rol: zij maken het verleden hoorbaar en tastbaar voor een breed publiek, en leggen verbanden tussen historische feiten en hedendaagse ethiek. Maar wat gebeurt er wanneer morele ernst en mediavorm elkaar raken? Juist in dat spanningsveld begeeft Hier hing een schilderij zich. De serie is even zorgvuldig als meeslepend, maar roept ook vragen op over de balans tussen waarheidsvinding en vertelplezier. Niet iedereen was daarvan gecharmeerd. Cabaretier Micha Wertheim bijvoorbeeld vond de podcast te lichtvoetig en te weinig moreel uitgesproken. In mijn ogen maakt die spanning tussen toegankelijkheid en diepgang en tussen popularisering en ethische verantwoordelijkheid deze podcast juist interessant.

Het dossier-Kandinsky

Wassily Kandinsky schilderde Bild mit Häusern in 1909. Het doek markeert volgens kunsthistorici de overgang van figuratieve naar abstracte kunst. Ruim een eeuw later claimden twee partijen dit werk: de erfgenamen van Irma Klein en de kinderen van Robert Lewenstein. Die dubbele aanspraak wordt begrijpelijk als je weet hoe het schilderij van eigenaar wisselde.

Emanuel Lewenstein, Roberts vader, kocht het werk rond 1923 voor circa 500 gulden.1 Na zijn overlijden erfden Robert en zijn zus Wilhelmine het werk. In 1933 trouwde Robert met Irma Klein in gemeenschap van goederen. Zo werd Klein mede-eigenaar. Een moeizame scheiding (die pas in 1944 officieel werd uitgesproken) noopte Klein het werk in oktober 1940 – samen met enkele andere doeken – naar de veiling te brengen. Althans, dat is een van de aannames. Er zijn geen documenten die duidelijk maken waarom Klein de schilderijen verkocht, laat staan of dat motief een gevolg was van de Duitse bezetting. Het Stedelijk Museum kocht de Kandinsky vervolgens op de veiling voor circa 160 gulden, een bedrag dat volgens de podcast niet hoog maar ook niet extreem laag was voor die tijd.2

De verkoopgeschiedenis zoals hier geschetst leidde tot de twee groepen claimanten. Enerzijds de nazaten van Irma Klein, die na de oorlog haar pleegzoon tot haar erfgenaam had benoemd. Die pleegzoon was in 1983 gestorven, maar diens echtgenote Elsa Guidotti leefde nog wel. Zij was officieel Kleins erfgenaam, maar eentje die dus geen bloedband met ‘tante Irma’ had. Anderzijds waren daar de twee kinderen van Robert Lewenstein, geboren uit een later huwelijk met de vrouw voor wie hij Irma verliet.

Robert Lewenstein Foto: privé archief

Oorlogsdruk of niet?

Aanvankelijk waren beide families zich nauwelijks bewust van hun mogelijke rechten, totdat de Canadese bemiddelaar James Palmer hen in 2013 “als Sneeuwwitjes wakker kuste”, zoals Pieter van Os het snedig verwoordt.3 Palmer benaderde hen namens zijn bedrijf Mondex, gespecialiseerd in de restitutie van roofkunst. Het vraagstuk dat aan de basis lag van de claims die zij uiteindelijk indienden (en van de uiteindelijke juridische en morele discussie of restitutie geboden was) draaide in de kern hierom: was de verkoop in 1940 een vrije transactie, of vond die plaats onder directe of indirecte oorlogsdruk en persoonlijke omstandigheden die de geldigheid van de verkoop betwistbaar maken?

De claim werd door de betrokken partijen – de claimanten en de gemeente Amsterdam als formeel eigenaar van de collectie van het Stedelijk Museum – voorgelegd aan de Restitutiecommissie. Dit is de onafhankelijke adviescommissie van de Nederlandse overheid die verzoeken beoordeelt tot teruggave van cultuurgoederen die tijdens de Tweede Wereldoorlog geroofd of onvrijwillig verkocht zijn. Deze commissie concludeerde in 2018, na vijf jaar onderzoek, dat restitutie niet nodig was. Er was onvoldoende bewijs dat Klein het schilderij door directe nazidreiging had geveild, Klein had na de oorlog nooit aanspraak gemaakt op het schilderij, de erfgenamen hadden geen emotionele band met het werk en het Stedelijk Museum had te goeder trouw gekocht.4 De commissie had zich bij haar oordeel gebaseerd op de regel dat bij twijfel het belang van de erfgenamen én het belang van een werk voor een openbare kunstcollectie tegen elkaar kunnen worden afgewogen. Een daaropvolgende rechtszaak, aangespannen door Palmer, bevestigde dit oordeel in het nadeel van de claimanten.5

Irma Klein. Foto: collectie CBG

Het rapport-Kohnstamm

Toch keerde de zaak, na een evaluatie van het restitutiebeleid door de Commissie-Kohnstamm. Deze evaluatie had op zich niets te maken met de casus-Kandinsky, maar vloeide voort uit eerder gemaakte Kamerafspraken. Wel was het inmiddels zo dat de Restitutiecommissie veel kritiek te verduren kreeg sinds de uitspraak dat de Kandinsky in het Stedelijk mocht blijven. Het rapport van de Commissie-Kohnstamm verscheen in december 2020, kort voor de uitspraak van de rechter in de zaak die Palmer na afwijzing van de claim had aangespannen. Het rapport pleitte voor een ruimhartiger benadering. Het pleitte bovendien voor het afschaffen van de regel die het mogelijk maakt het belang van een werk voor de openbare kunstcollectie mee te wegen. Het evaluatierapport was voor Alfred Hammerstein, voorzitter van de Restitutiecommissie, aanleiding om op te stappen.

In maart 2021 maakte minister van Cultuur Ingrid van Engelshoven bekend dat de overheid de aanbevelingen van de Commissie-Kohnstamm zou overnemen en voortaan ruimhartiger zou restitueren. Erfgenaam Elsa Guidotti maakte deze beleidswijziging niet meer mee; zij overleed een maand eerder. Haar drie kinderen werden de nieuwe erfgenamen. Mogelijk speelde dit mee in het besluit van de gemeente Amsterdam om een herbeoordeling door de commissie ‘nieuwe stijl’ niet af te wachten. Zo’n traject kon immers opnieuw jaren duren, en dat vond wethouder Touria Meliani onverteerbaar: “Het is de afgelopen jaren te weinig over de slachtoffers gegaan en te veel over het systeem waarin teruggave van roofkunst is geregeld. Ik heb daar een ongemakkelijk gevoel van.” De gemeente besloot daarom op 27 februari 2022, zonder dat daar een nieuwe uitspraak van de Restitutiecommissie aan voorafging, het schilderij op eigen initiatief te restitueren.

Nog geen jaar later werd Bild mit Häusern geveild bij een veilingshuis, waar het voor zestig miljoen van eigenaar wisselde. De opbrengsten kwamen ten goede aan drie partijen: de erven Klein, de twee kinderen van Lewenstein en een flink bedrag ging naar Mondex, het bedrijf van James Palmer, als vergoeding voor hun bemiddeling in deze zaak. Daarmee kreeg de zaak een ironische wending: wat bedoeld was als een moreel herstelgebaar, eindigde in een commerciële transactie. Voor velen, onder wie Pieter van Os, bevestigde dit het ongemak rond de beslissing van de gemeente. De term weggegeven, die hij tegenover teruggegeven plaatst, krijgt in dit licht extra betekenis. Het lijkt er door de gang van zaken –  het snelle verhandelen van dit stuk verleden – op alsof de familie waarnaar het schilderij terugkeerde er niet zo’n directe of hechte band mee had. Natuurlijk betekent  het feit dat de erfgenamen het werk verkochten an sich niet dat het hun emotioneel niets zei. Het suggereert wel dat economische of praktische overwegingen zwaarder wogen dan het bewaren ervan. In de keuze die zij hiermee maakten schuilt natuurlijk iets wezenlijks van restitutie: het recht om zélf te beslissen over teruggegeven erfgoed. Tegelijkertijd doet dit alles het morele perspectief verschuiven van herstel van onrecht naar de bredere vraag wat rechtvaardigheid eigenlijk inhoudt.

Nuances

Wat de podcast over deze zaak de moeite waard maakt, is dat hij een juridische en politieke speurtocht verbindt met persoonlijke reflecties van de makers. Van Os’ behoefte aan een zorgvuldige weging door de vernieuwde restitutiecommissie biedt de luisteraar een menselijke ingang tot deze complexe casus, net als de manier waarop de andere maker, Emmie Kollau, haar kijk op recht, eigendom en morele verantwoordelijkheid gaandeweg bijstelt en verantwoordt. Zo vertellen beiden dat ze aanvankelijk moeite hadden met het idee dat de erfgenamen nauwelijks familiebanden hadden met de oorspronkelijke eigenaar, maar dat ze gaandeweg zijn gaan inzien hoe beperkt die gedachte is wanneer generaties zijn weggevaagd en familiebanden juist door vervolging zijn verbroken. Restitutie is volgens Kollau dan ook niet slechts een juridische kwestie, maar een proces van bewustwording, empathie, zorgvuldigheid en ethische keuzes. En van tijdgeest, zo stelt ze, omdat niet meer louter juridisch naar slachtoffers en compensatie wordt gekeken, maar ook naar machtsverhoudingen en de vraag wie over deze zaken mag beslissen.6

De podcast kreeg veel lof, maar er kwam ook openlijke kritiek. In een bespreking op NPO Radio 1 plaatste cabaretier en columnist Micha Wertheim kanttekeningen bij Hier hing een schilderij. Zijn voornaamste punt was dat de serie te oppervlakkig bleef in de behandeling van de morele vragen rond roofkunst en restitutie. Volgens Wertheim durfden de makers geen duidelijke positie in te nemen: zij presenteerden de gebeurtenissen vooral als een spannend verhaal en vermeden het expliciet formuleren van een ethisch oordeel. De toon was te veel gericht op luisterplezier. Door de zoektocht naar het schilderij te framen als een soort true crime-verhaal, zou de podcast volgens hem eerder mikken op vermaak dan op scherpe analyse. Dat levert wel een meeslepend luisterproduct op, maar doet volgens Wertheim afbreuk aan de zwaarte van de thematiek. De oorlog en de roof van Joodse kunst zijn, zo stelde hij, geen decor voor verhalend amusement. Tot slot ergerde hij zich aan de opmerking van Van Os in aflevering 1 die zich hardop afvraagt waarom er bij de claimanten na de restitutie geen feeststemming heerste. Wertheim merkte op dat als er wél feest gevierd was, dat waarschijnlijk óók verkeerd uitgelegd zou zijn.7  Alsof vreugde zich überhaupt zou verdragen met het verlies en onrecht dat aan de basis van deze hele kwestie ligt. Een gevoel van overwinning past nu eenmaal slecht bij het leed en de leegte die de Holocaust heeft nagelaten en dat besef hangt als een grauwe sluier boven iedere vorm van restitutie.

Wat volgde was een kleine polemiek waarbij de makers ingingen op de kritiek van Wertheim, die weer leidde tot een milde rectificatie van Wertheim op diens website, maar waarbij hij vasthield aan zijn voornaamste kritiek: vooringenomenheid van de makers en te weinig tegengeluid van voorstanders van restitutie. Zijn kritiek raakt aan een bredere discussie over de popularisering van geschiedschrijving. Waar wetenschappers en critici vaak de nadruk leggen op nuance, context en analytische diepgang, kiezen makers van publieksmedia veelal voor toegankelijkheid, spanning en emotionele betrokkenheid. Wertheims opmerkingen passen in dat debat: wanneer wordt geschiedenis ‘populair’ op een manier die onrecht doet aan haar complexiteit, en wanneer is popularisering juist een legitieme en noodzakelijke stap om een breed publiek te bereiken?

Bild mit Häusern. Foto: Stedelijk Museum Amsterdam

Tussen procedure en moreel besef

Dat de restitutie van Bild mit Häusern een complexe zaak is, zowel in juridische zin als in ethisch-maatschappelijke zin, wordt de luisteraar echt wel duidelijk. Het medium podcast biedt ruimte om in maar liefst acht afleveringen van elk 40 à 45 minuten alle paadjes af te lopen die met de zaak te maken hebben. En laten we eerlijk zijn: de populariteit van het medium en het true crime-karakter van het verhaal dragen er zeker aan bij dat een krant als NRC het ook de moeite waard vindt om die acht afleveringen te financieren. Maar na al die details, omwentelingen en zijpaadjes pellen de makers in de laatste aflevering hun onderzoek af tot de kern: de Nederlandse overheid heeft in 2001 een instituut in het leven geroepen dat het mandaat heeft om over restitutiezaken te oordelen. Dit instituut is geëvalueerd en het beleid is daarna bijgesteld en vooral empathischer geworden. Deze wijziging speelde tijdens de zaak met de gemeente Amsterdam over de Kandinsky. De gemeente had de zaak daarom, volgens Van Os, moeten laten beoordelen door de restitutiecommissie ‘nieuwe stijl’. Maar besloot dat niet te doen. Juist dáár ligt volgens hem het principiële probleem: niet zozeer dat de gemeente een ruimhartig gebaar maakte, maar dat zij daarbij een onafhankelijke instantie passeerde. In zijn ogen raakt dat aan iets groters: het gemak waarmee instituties worden omzeild zodra hun oordeel niet uitkomt.

De podcast Hier hing een schilderij laat zien hoe één kunstwerk symbool kan staan voor de spanningen tussen recht en rechtvaardigheid, tussen procedure en moreel besef. Door historisch onderzoek te combineren met persoonlijke stemmen en reflectie maakt de serie invoelbaar hoe ingewikkeld het is om in het heden recht te doen aan het verleden. Of het schilderij uiteindelijk is teruggegeven of weggegeven blijft onderwerp van debat. Maar juist dat open einde onderstreept de waarde van de podcast: hij confronteert de luisteraar met de vraag wat rechtvaardigheid betekent wanneer het verleden geen sluitende antwoorden biedt.


Over de auteur

Monique Brinks

Monique Brinks (1973) is historica en is bij WO2Net verantwoordelijk voor Publieksbereik en Innovatie. Daarvoor was zij onder meer projectmanager Tentoonstellingen bij het Nationaal Militair Museum (2018-2024). Voor het Herinneringscentrum Kamp Westerbork was ze projectleider van het museum in Potocari, waar de genocide in Srebrenica vanuit meerdere perspectieven wordt getoond (2014-2028). Ook schreef ze een vierdelig standaardwerk over het Scholtenhuis, de Groningse zetel van de Sicherheitsdienst (2008-2015) inclusief een virtuele reconstructie van het Scholtenhuis (2009).


Noten

1 Bindend advies inzake het geschil over de teruggave van het schilderij ‘Bild mit Häusern’, door Wassily Kandinsky, thans in het bezit van de gemeente Amsterdam, Restitutiecommissie (Amsterdam 22 oktober 2018) 5.

2 Het Parool stelde echter dat de waarde in 1940 tussen de 2000 en 3000 gulden lag. ‘Gemeente: Stedelijk Museum moet schilderij Kandinsky teruggeven aan erfgenamen’, Het Parool, 26 augustus 2021.

3 Hier hing een schilderij, aflevering 1.

4 Dit terwijl Klein na de oorlog nog wel andere kunstwerken als bruikleen aan het Stedelijk heeft gegeven en er dus over haar kunst in het algemeen nog wel contact was. Bindend advies, Restitutiecommissie, 7.

5 Afd. Privaatrecht, 16-12-2020, ECLI: NL: RBAMS: 2020: 6277.

6 Hier hing een schilderij, aflevering 8.

7 Ibidem.


Afbeelding bovenaan artikel

Cover van de podcast Hier hing een schilderij. Bron: NRC.

Onvoltooid verleden: de worsteling van het Wereldmuseum

Het Wereldmuseum Amsterdam opende dit jaar de tijdelijke tentoonstelling Onvoltooid verleden: Teruggeven, houden, of…?, waarmee het de bezoeker meeneemt in het verhitte vraagstuk over restitutie. Door een kijkje achter de schermen – en in de collecties – te geven, stelt het museum zich ogenschijnlijk kwetsbaar op. Maar door het museum centraal te stellen, wordt ook veel verbloemd.

Het Wereldmuseum Amsterdam is al decennialang zoekende naar een nieuwe rol in een dekoloniserende context. Dat geldt natuurlijk voor veel musea op de wereld, maar met name voor etnografische musea die veelal een directe oorsprong hebben in exploitatieve koloniale handel of expo’s. Deze musea met vergaande koloniale wortels moeten zichzelf geheel opnieuw uitvinden om in de huidige dekoloniale tijd een vernieuwde rol te kunnen spelen.1

Er is bij het Wereldmuseum Amsterdam veel veranderd de afgelopen jaren. De traditionele opstellingen per geografisch gebied, die als diorama’s inzicht moesten geven in (voormalige) koloniën, werden jaren geleden al vervangen. De naamsverandering van het Tropenmuseum en de organisatorische samenwerking van de Nederlandse Wereldmusea was een logisch onderdeel van zijn veranderende rol. De missie van het museum veranderde ook, door te wijzen op gezamenlijke menselijkheid in diversiteit en door nadruk te leggen op de verbindingen tussen het verleden en het heden. Maar zelfs met een nieuwe missie blijft de worsteling bestaan: welke plek geef je het eigen koloniale ‘verleden’ als dat aan alle kanten doorwerkt? En welke veranderingen zijn er dan nodig in de kern van het museum: zijn collectie?

Words Matter

Het Wereldmuseum neemt veelvuldig deel aan (inter)nationale onderzoeksprojecten die deze koloniale facetten bestuderen en proberen aan te pakken. De publicatie van het boek Words Matter (2018), met openhartige voorbeelden van aangepast woordgebruik, maakte merkbaar impact in de museale sector.2 Intern werd dit voortgezet met het bestuderen en herzien van de categorieën en benamingen in het collectieregistratiesysteem. Objecten in de collecties worden onderzocht op hun herkomst en tegelijkertijd worden nieuwe objecten verzameld die expliciet andere verhalen en geschiedenissen behelzen, bijvoorbeeld protestborden van de beweging Kick Out Zwarte Piet.

In vaste en tijdelijke tentoonstellingen krijgen bezoekers toegang tot zulke meerstemmige vertellingen van het verleden. Niet zelden is hierbij ook ruimte voor zelfreflectie vanuit het museum, vaak in combinatie met gevraagde interventies van hedendaagse kunstenaars als kritische blik van buiten.3 Gaandeweg is er ook in de bredere Nederlandse samenleving meer bewustzijn gegroeid voor de slachtoffers van het koloniale ‘verleden’ en de noodzaak om hier ruimte voor te maken binnen musea, erfgoedinstellingen en geschiedenissen.

Deze stapsgewijze verandering tekent zich mooi af in de drie opeenvolgende dekoloniale tentoonstellingen bij het Wereldmuseum Amsterdam.4 Als verkenning presenteerde het museum eerst Heden van het slavernijverleden (2017-2021), een relatief kleine tentoonstelling die haar dekoloniserende doel nog grotendeels beperkte tot het thema slavernij. Bij bezoekers werden expliciet feedback en inzichten opgehaald in een centraal deel van de tentoonstelling. Deze proeftentoonstelling was de voorzet voor de nieuwe vaste tentoonstelling Onze koloniale erfenis. Deze opende in 2022 en reflecteert breder op de huidige doorwerking van verscheidene koloniale erfenissen. Dit jaar volgde Onvoltooid verleden (2025-2027), eveneens op de eerste verdieping, als een soort epiloog die zowel fysiek als narratief logisch aansluit bij Onze koloniale erfenis.

Enkele objecten met hun cataloguskaartjes. Foto: Csilla Ariese, 2025

Binnenstebuiten

Onvoltooid verleden, de tentoonstelling die nu te zien is, poogt bezoekers een kijkje in de keuken te geven en hen te activeren om een mening te vormen in de restitutiekwestie. Wat te doen met museale objecten waarvan teruggave wordt verzocht door staten of gemeenschappen van herkomst? De tentoonstelling begint met een overweldigende blik in de collecties. Tussen twee goed verlichte glazen vitrines door draait een video met korte opnames uit verschillende delen van het museumdepot. Levensgroot sta je, eventjes in de rol van collectiemedewerker, voor de eindeloze rijen speren, tussen stellingen vol meubels en kledingrekken met jassen van dierenvachten. De objecten in deze eerste vitrines dragen nog hun cataloguskaartjes die normaal gesproken uit het zicht in het depot achterblijven. Het ontwerp van de rest van de tentoonstelling versterkt het gevoel dat je je in een depot bevindt, achter de schermen. De objecten staan tentoongesteld op stapels plastic opbergbakken.

De bezoeker moet zich in deze opzet actief mengen in het restitutiedebat. De verschillende thematische delen van de tentoonstelling zijn gebundeld onder prangende vragen (waarop het museum zelf op deze plek weinig antwoorden geeft): “Hoe zijn objecten in de collectie gekomen?”, “Was het toen legaal of geroofd?”, “Is een geschenk gewoon een geschenk?” en “Wie bepaalt de waarde van objecten?”

Een tentoonstellingstekst met vragen. Foto: Csilla Ariese, 2025

Deze issues worden geïllustreerd door enkele van de bijna half miljoen voorwerpen uit de collecties van de Wereldmusea. Met een wat uitgebreidere tekst worden de koloniale herkomstverhalen van deze objecten verteld, waarbij ook kritiek op historische verzamelaars en koloniale machthebbers niet wordt vermeden. Kunstinstallaties en kunstwerken van hedendaagse kunstenaars voegen een nog veel kritischer stem toe aan de tentoonstelling. Zij onderstrepen de historische overtredingen die in het heden worden voortgezet door het letterlijk opsluiten van voorouders in de vorm van hun menselijke resten en hun bezittingen in ontoegankelijke depots. De tentoonstelling toont tenslotte enkele video’s van restitutieprocessen van het Wereldmuseum die zijn afgerond, waarbij voorouders en bezittingen zijn teruggekeerd naar hun oorspronkelijke gemeenschappen. Tot slot vraagt ze de bezoeker: hoe verder?

Herkomstonderzoek

Er blijven ongemakkelijke vragen in de ruimte hangen. Dat heeft onder meer te maken met de sterke focus op herkomstonderzoek in de tentoonstelling. Dat is deels organisatorische logica: de tentoonstelling komt voort uit het vierjarige onderzoeksproject Pressing Matter (2021-2025, gecoördineerd vanuit de Vrije Universiteit Amsterdam) waarbinnen herkomstonderzoek ook al een grote focus had. Met herkomstonderzoek wordt uitgezocht, grotendeels door archiefonderzoek, hoe voorwerpen in musea zijn terechtgekomen: wie heeft het object wanneer verzameld, en hoe is het via erfenissen, veilingen, aankopen, collectieruil en andere processen in de collectie terechtgekomen?

Het Pressing Matter-project is overduidelijk zichtbaar in Onvoltooid verleden, van de oranje accentkleur tot de prominente videoschermen waarop Pressing Matter-onderzoekers levensgroot toelichting geven, en de schermen die je kunt gebruiken om van een aantal objecten het herkomstonderzoek in te zien. Het zwaartepunt van de tentoonstelling blijft daarmee liggen bij herkomstonderzoek, met het museum als vertrekpunt en de herkomstonderzoeker in de hoofdrol.

Kwetsbaarheid met mate

Hoewel het Wereldmuseum zich in Onvoltooid verleden kwetsbaar probeert op te stellen, kunnen er ook een aantal kritische kanttekeningen bij deze tentoonstelling gezet worden. De museale teksten zijn weliswaar kritisch, maar voornamelijk als het gaat om het verleden, als het gaat over wetenschappers en missionarissen die vanuit een koloniaal systeem culturele voorwerpen hebben ‘verzameld’ of ‘gekocht’. Of als wordt benoemd dat musea destijds “wellicht niet altijd op de hoogte [waren] van de manier waarop de voorwerpen waren verworven, maar wel gebruik [maakten] van het koloniale systeem dat deze handel mogelijk maakte”.

Echter, door de kritiek te beperken tot het verleden, maakt de tentoonstelling te weinig ruimte voor hedendaagse kritiek op restitutieprocessen. Die lag weliswaar buiten het doel van het Pressing Matter-project, maar hier had de tentoonstelling wel voor een bredere behandeling mogen gaan. Het feit dat restitutie momenteel geïnitieerd moet worden door gemeenschappen van herkomst is één zo’n potentieel zwaktepunt, onder meer omdat het voor deze gemeenschappen vaak lastig te achterhalen is welke voorwerpen zich waar bevinden. Er zijn voorbeelden geweest van restitutie zonder verzoek uit het herkomstland die als zeer top-down werden ervaren, die deze westerse beleidskeuze deels verklaren. Maar door eigen proactieve restitutieprocessen te beperken, houdt het museum vergaande macht over het behoud van zijn collecties. Gemeenschappen van herkomst zijn ook niet altijd te spreken over de tijd die musea steken in herkomstonderzoek, een noodzakelijk onderdeel van de voorbereiding voor potentiële restitutie. Zij zien dit als een vertragingstactiek.

Onderdeel van de installatie To Make One Particle, Pansee Atta. Foto: Csilla Ariese, 2025

Door in de tentoonstelling alleen enkele succesverhalen van restitutie te tonen, blijft ook het diepe koloniale trauma van roofkunst buiten beeld en ligt zelfgenoegzaamheid op de loer. Want hoe zit het met de gevallen waarbij het restitutieproces omstreden verloopt? Zeker wordt via een imponerende installatie het voorbeeld getoond van een mozaïekschedel uit de collectie van het Wereldmuseum Leiden die in 2024 door de Nederlandse regering werd teruggeven aan de Mexicaanse staat. Hierbij werden inheemse initiatieven genegeerd. De verantwoordelijkheid wordt hier neergelegd bij het door de overheid bestuurde restitutieproces dat alleen restitutie tussen twee staten toestaat. Meer kwetsbaarheid over niet-succesverhalen en eigen tekortkomingen zou eerlijker inzicht geven in het moeizame dekoloniale proces en de lange weg die nog te bewandelen is.

Bovendien wordt door het veelvuldige gebruik van vragen de verantwoordelijkheid om een positie te kiezen in het restitutiedebat bij de bezoeker gelegd. Het museum komt zelf niet openlijk met sterke standpunten of overtuigingen, neemt geen positie in en blijft daardoor vals-neutraal op de achtergrond. En dat terwijl het Wereldmuseum wel degelijk een actor is in het Nederlandse restitutiebeleid en hierop invloed kan uitoefenen. Zo blijft nu voor de bezoeker onzichtbaar of er interne discussies gaande zijn over restitutie en waar dit schuurt met het fundamentele doel waarvoor het museum destijds is opgericht. Een eigen toekomstvisie van het Wereldmuseum rond teruggave of behoud blijft buiten beeld. Inderdaad: hoe verder?

Gekoesterde objecten

Vanuit het raamwerk van een dekoloniale museumpraktijk had het Wereldmuseum Amsterdam nog wel enkele moedige stappen kunnen zetten naar meer kwetsbaarheid, openheid en decentralisatie. Onvoltooid verleden spreekt met een neutraliserende, anonieme museumstem vanuit het perspectief van herkomstonderzoekers en collectiemedewerkers. De meerstemmigheid is beperkt. Hierin legt het museum, evenals bij restitutieprocessen, veel verantwoordelijkheid buiten zichzelf, bij anderen. Het laat de persoonlijke, emotionele taal en diepgaande kritiek over aan externen: kunstenaars. Het meest ingrijpende voorbeeld hiervan is wel het door Manuwi C. Tokai samen met gemeenschappen gemaakte herdenkingsaltaar dat op de begane grond van het museum te vinden is. Het is een plek om te rouwen om alle voorouders die in de depots worden vastgehouden en vraagt aandacht voor de terugkeer van een Surinaams-inheemse baby.5

Herdenkingsaltaar, Manuwi C. Tokai. Foto: Csilla Ariese, 2025

Een concrete mogelijkheid om de narratieven te decentraliseren werd ook over het hoofd gezien. Objectteksten zouden standaard het vertrekpunt kunnen kiezen van de mensen en culturen die de voorwerpen hebben gemaakt, gebruikt, gekoesterd. Uit wiens handen kwamen deze objecten, wat was hun waarde en hun functie, en wat betekende vervolgens het verlies van dit culturele eigendom? In Onvoltooid verleden beginnen veel teksten bij het moment waarin het voorwerp in westerse handen kwam, waarbij de koloniale bezetter, handelaar, missionaris of wetenschapper in de eerste zin alweer de hoofdrol in het verhaal krijgt. Een gemiste kans om een grotere verschuiving in verhalen, macht en actoren te bewerkstelligen.

Onvoltooid proces

De waarde van Onvoltooid verleden ligt daarmee niet in het schuiven met de koloniale machtsverhoudingen, maar in het openbreken van een wetenschappelijk debat voor een breder publiek. Restitutie, repatriëring, rematriëring; het zijn termen waar in academische kringen hevig over gedebatteerd wordt. Binnen de museale sector gaat meer aandacht naar herkomstonderzoek en het ontwikkelen van beleid en richtlijnen voor restitutie. De processen lopen in de praktijk veelal via beleidsstukken en diplomatieke kanalen en zijn vaak nauwelijks zichtbaar voor de samenleving, totdat succesvol afgeronde restitutieverzoeken in de media naar buiten komen.

Onvoltooid verleden brengt de complexiteit van restitutieprocessen onder het oog van de samenleving en trekt het debat breder. De bezoeker ziet in welke contexten voorwerpen in de museale collecties terecht zijn gekomen en welke problematische ethische kwesties er spelen. Geleid door de vragen moet je als bezoeker actief een mening vormen. Wat denk ik, en wat voel ik hierbij? Hoe heeft het koloniale verleden invloed gehad op de herinneringen van verschillende gemeenschappen en op onze collectieve en nationale geschiedenissen? Wat valt er te herdenken, te rouwen, te repareren, en wellicht uiteindelijk, te vieren? Deze tentoonstelling zal je inleiden in het restitutiedebat, maar trekt helaas de problemen niet ver genoeg naar het heden – en blijft daardoor op meerdere punten onvoltooid.

Onvoltooid verleden: Teruggeven, houden, of…? Is tot en met 3 januari 2027 te zien in Wereldmuseum Amsterdam.


Over de auteur

Csilla E. Ariese. Foto: Florian Braakman

Dr. Csilla E. Ariese is museologe en werkt als senior docent aan de Reinwardt Academie, als deel van de daar gevestigde UNESCO Chair on Museum Collections, Repatriation and Interculturality. Ze is co-auteur van het boek Practicing Decoloniality in Museums: A Guide with Global Examples.


Noten

1 Daan van Dartel et al., Tropenmuseum for a Change!: Present between Past and Future : A Symposium Report. KIT publishers, 2009.

2 Wayne Modest et al., Woorden Doen Ertoe: Een Incomplete Gids Voor Woordkeuze Binnen de Culturele Sector. Tropenmuseum / Afrikamuseum / Museum Volkenkunde / Wereldmuseum, 2018.

3 Csilla E. Ariese, ‘Amplifying Voices: Engaging and Disengaging with Colonial Pasts in Amsterdam’. Heritage & Society, 13, nr. 1-2 (2020), p. 117-142, https://doi.org/10.1080/2159032X.2021.1901335.

4 Deze ontwikkeling werd ingezet toen het museum begon te werken aan een opvolger voor de vaste tentoonstelling Oostwaarts! Kunst, Cultuur en Kolonialisme (2001-2021).

5 David van Duuren, Mischa ten Kate & Koninklijk Instituut voor de Tropen, Physical Anthropology Reconsidered: Human Remains at the Tropenmuseum. KIT, 2007.


Foto bovenaan artikel

Onvoltooid verleden. Foto: Csilla Ariese, 2025.

Roof, roofkunst en restitutie

Jaargang 14, nummer 4, december 2025

Van Holocaust-roofkunst tot de restitutie van schedels aan Namibische rechthebbenden: deze editie toont de reikwijdte van roof en restitutie. De bijdragen maken duidelijk dat elke casus eigen pijnpunten en machtsverhoudingen blootlegt, maar dat er ook ruimte kan ontstaan voor heling en reflectie.