Drempelloze toegang, geleidelijnen op de vloer, informatie in Nederlandse gebarentaal: voor mensen met een beperking belangrijke voorwaarden om een oorlogsmuseum te kunnen bezoeken. Aandacht voor toegankelijkheid is echter niet hetzelfde als een handicap-inclusief perspectief. Wat valt er te winnen als handicap bewust in collecties en tentoonstellingen wordt meegenomen? Disability historian Eline Pollaert ging in gesprek met twee musea die hierin stappen zetten: het Vrijheidsmuseum en het Verzetsmuseum Amsterdam.
Toen de redactie van WO2 Onderzoek uitgelicht mij contacteerde met het verzoek een artikel te schrijven over de toegankelijkheid van oorlogsmusea, was ik niet direct enthousiast. In de eerste plaats omdat mijn expertise niet bij toegankelijkheidsvoorzieningen ligt. In de tweede plaats omdat ik het inhoudelijke verhaal interessanter vind. Als disability historian1 bestudeer ik de geschiedenis vanuit de analytische lens van handicap, zoals andere historici dat doen vanuit de lens van bijvoorbeeld gender of etniciteit. Vragen die daarbij voorliggen zijn onder meer: Welke verhalen komen voor het voetlicht en wiens perspectieven blijven onderbelicht? Waarom? Met welke gevolgen?2
Bij veel organisaties in het culturele veld en daarbuiten merk ik een toegankelijkheidsreflex op. Instellingen erkennen het belang van toegankelijkheid en zetten verschillende stappen om bestaande voorzieningen te verbeteren. Niet alleen wat betreft de toegankelijkheid van fysieke gebouwen, maar ook op het gebied van prikkels, informatievoorziening en digitale omgevingen. Helaas eindigt het verhaal daar echter ook vaak. Handicap wordt vaker niet dan wel beschouwd als inhoudelijk relevant voor de samenstelling van collecties en tentoonstellingen. Begrijp me niet verkeerd: toegankelijkheid is noodzakelijk en belangrijk om mensen van allerlei achtergronden in erfgoedinstellingen te verwelkomen. Tegelijkertijd is het slechts de eerste stap als het gaat over handicap-inclusie.
Lang was het zo dat handicap niet voorkwam in de verhalen die over het verleden werden verteld. Dat is de afgelopen jaren aan het veranderen. Niet alleen in wetenschappelijk onderzoek, waar disability history de afgelopen tien jaar een vlucht heeft genomen, maar ook in tentoonstellingen in musea. Er is bijvoorbeeld in exposities in musea op het gebied van geestelijke gezondheidszorg steeds meer aandacht voor oorlogsslachtoffers die vanwege hun (vermeende) beperkingen zijn vervolgd en vermoord. Een voorbeeld hiervan is de tentoonstelling Who Cares?3, over de psychiatrie en verstandelijke gehandicaptenzorg tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ook de recente vernieuwing en uitbreiding van Herinneringscentrum Apeldoornsche Bosch is in dit licht betekenisvol.4 Maar hoe staat het ervoor met aandacht voor handicap in oorlogsmusea?
Krukken in het spotlicht
In 2022 opende het Verzetsmuseum Amsterdam opnieuw haar deuren, na een grondige vernieuwing van de vaste tentoonstelling. Het vertellen van inclusievere oorlogsverhalen staat er centraal. Dat betekent: genuanceerde verhalen over dader- en slachtofferschap, en meer aandacht voor bijvoorbeeld de voormalige Nederlandse koloniën en homoseksuele mensen. Ook de ervaringen van mensen met een beperking krijgen meer aandacht. Handicap speelde niet alleen een belangrijke rol in de toegankelijke vormgeving in het Verzetsmuseum, maar ook in de keuze van de persoonlijke verhalen die worden verteld. Mirjam Eikelenboom, hoofd Educatie en Toegankelijkheid: “We hebben veel tijd en moeite gestoken in het verwerven van Mijn schild ende betrouwen, een verzetskrant in braille gemaakt door de blinde Alida Hoeijenbos. Het Verzetsmuseum vindt het belangrijk om te laten zien dat mensen met een beperking tijdens de oorlog niet automatisch slachtoffer werden. Soms droegen ze met gevaar voor eigen leven bij aan het verzet.” Ook de houten krukken van Tootje de Jonge kregen bewust een prominente plek in de vaste tentoonstelling. Als 11-jarig meisje verloor ze haar onderbeen tijdens een bombardement op de Amsterdamse binnenstad, waarna ze de rest van haar leven op krukken liep.

Een bezoeker van het Verzetsmuseum bekijkt de vitrine met het verhaal en de krukken van Tootje de Jonge.
Zwarte driehoek
Waar het Verzetsmuseum Amsterdam er in de vaste opstelling voor kiest om bezoekers via objecten expliciet in contact te brengen met handicap, was het thema in de tentoonstelling De Zwarte Driehoek5 in het Vrijheidsmuseum in 2022 meer onderhuids aanwezig. Het was de eerste keer dat er in een Nederlands oorlogsmuseum daadwerkelijk aandacht werd besteed aan mensen die tijdens de Tweede Wereldoorlog als ‘asociaal’ vervolgd werden. Wat deze zeer diverse groep mensen verbond, was de ideologie van de Duitse bezetter. In het eugenetische ideaal van de nationaalsocialisten werden daklozen, sekswerkers, alleenstaande moeders, verslaafden, kruimeldieven en langdurig werklozen als minderwaardig beschouwd. In bezet Nederland was niet eugenetica de drijfveer, maar controle.6 Om die reden plakte de bezetter het label ‘asociaal’ vooral op arbeidsinzet-ontduikers en verdachten van economische misdaden. Het is aannemelijk dat er binnen de groep van zo’n 2.700 Nederlandse als ‘asociaal’ vervolgden ook mensen met een beperking waren, maar precieze gegevens hierover zijn niet bekend.
Rense Havinga, historicus en conservator bij het Vrijheidsmuseum: “De tentoonstelling was behoorlijk conceptueel. Enerzijds wilde ik uitleggen hoe het eugenetisch denken vanaf de late 19e eeuw opkwam en hoe het zich in Nederland ontwikkelde. Anderzijds vond ik het belangrijk om inzicht te geven in het sociaal beleid van Nederland voor, na en tijdens de oorlog op het gebied van ‘asociale gezinnen’. Zij kregen tijdens en na de bezetting te maken met ‘heropvoeding’ in geïsoleerde kampen op het platteland.” Twee verschillende ideologieën met soms akelig vergelijkbare, gewelddadige uitkomsten.

De tentoonstelling De Zwarte Driehoek in het Vrijheidsmuseum, 2022.
Gebrek aan getuigenissen
Hoewel het voor oorlogsmusea gebruikelijk is om geschiedenissen aan de hand van persoonlijke verhalen te vertellen, blijkt dat uit de gesprekken met Mirjam Eikelenboom en Rense Havinga wat dit onderwerp betreft niet zo eenvoudig. Eikelenboom: “Het Verzetsmuseum koopt geen objecten aan. We zijn afhankelijk van schenkingen van particulieren. De braille verzetskrant kwam op ons pad toen een aantal blinde en slechtziende mensen erover vertelde tijdens een bijeenkomst. We hebben toen via de familie van Alida Hoeijenbos informatie, foto’s en een exemplaar van de krant gekregen. In de vaste tentoonstelling ligt ook een kopie van de krant als voelobject, zodat de geschiedenis nog meer tot leven komt voor bezoekers met en zonder visuele beperking.” Verhalen hebben voor het Verzetsmuseum Amsterdam bij voorkeur een fysiek object als drager.
Havinga: “De uitdaging zat er voor mij in dat er weinig persoonlijke getuigenissen zijn van mensen die in Nederland als ‘asociaal’ vervolgd zijn. Lange tijd werd er in de herdenkingscultuur impliciet onderscheid gemaakt tussen slachtoffers die als waardig of onwaardig werden gezien. Het label ‘asociaal’ betekende dat overlevenden weinig drijfveer voelden om hun verhaal te delen.” Havinga en zijn team hadden vaak niet meer informatie tot hun beschikking dan een naam, administratieve dossiers en soms foto’s of verhalen via nabestaanden. Om deze verhalen kracht bij te zetten, maakte illustrator Rob Worst intense zwart-witillustraties voor De Zwarte Driehoek.

Een van de illustraties die Rob Worst maakte voor de tentoonstelling De Zwarte Driehoek.
Feedback van ervaringsdeskundigen
Havinga legde de tentoonstellingsteksten en de biografieën van de uitgelichte slachtoffers voor aan verschillende doelgroepen, om zorgvuldig met de gereconstrueerde verhalen om te gaan. Hedendaagse sekswerkers gaven bijvoorbeeld feedback over de teksten over de vervolging van sekswerkers tijdens de oorlog. Lockdowns en andere coronamaatregelen stonden de vorming van een formele adviesraad in de weg. Het Verzetsmuseum Amsterdam werkt met doorlopende adviesgroepen, met daarin personen uit ondervertegenwoordigde gemeenschappen. De adviesgroep op het gebied van toegankelijkheid denkt vooral mee op het niveau van aanpassingen en voorzieningen. Anders dan bijvoorbeeld de adviesgroep op het gebied van de voormalige koloniën, wordt deze adviesgroep nog niet structureel betrokken bij de inhoudelijke samenstelling van tentoonstellingen.
Op het gebied van toegankelijkheid trekt het Verzetsmuseum Amsterdam samen op met organisaties zoals IN Gebaren7 en het Rijksmuseum, dat ook onderzoek doet naar lichamelijke en mentale diversiteit in de eigen collectie. Hoewel het Verzetsmuseum actief bezig is met de ontwikkeling van publieksprogrammering voor specifieke doelgroepen, zoals lezingen over het koloniale verleden van Nederland, reikt het aanbod voor bezoekers met een beperking nog niet verder dan rondleidingen in Nederlandse Gebarentaal en rondleidingen voor blinde en slechtziende bezoekers. Eikelenboom geeft tijdens ons gesprek aan daar wel interesse in te hebben. Havinga vertelt op zijn beurt geïnspireerd te zijn door de manier waarop het Verzetsmuseum Amsterdam de perspectieven van minderheden vormgeeft in de vaste tentoonstelling. Vaak is dat bij het Vrijheidsmuseum nog beperkt tot de context van vervolging, maar ons gesprek plant een zaadje voor het zoeken naar andere verhalen vanuit het perspectief van handicap. Het Vrijheidsmuseum heeft verder ambities op het gebied van het ontwikkelen van een prikkelarm aanbod en een betere toegankelijkheid voor laaggeletterden en mensen met beperkte kennis van het Nederlands.
Eikelenboom benadrukt dat het realiseren van een toegankelijk(er) museum een gedeelde verantwoordelijkheid is: “Omdat we een kleine organisatie zijn, lopen de lijnen kort. Het is belangrijk om alle collega’s mee te nemen en het thema door het managementteam te laten dragen.” Ook waarschuwt ze dat het tijd kost om meer bezoekers met een beperking te trekken. “Je moet kunnen waarmaken wat je als organisatie belooft. Dat vraagt investering in contacten en gemeenschappen.” Havinga voegt daaraan toe dat musea en archieven niet alleen toegankelijk moeten zijn voor de bezoekers, maar net zo goed voor de medewerkers en vrijwilligers: “Er is vaak nog een hoop te winnen op werkplekken. Dat hoeft niet ingewikkeld of duur te zijn. Kunnen mensen bijvoorbeeld vanuit huis werken? Welke mogelijkheden zijn er om werkzaamheden met een lage tijdsdruk flexibel in te delen? Archieven zijn vaak bij uitstek prikkelarme werkomgevingen. Een toegankelijke werkplek biedt kansen om mensen binnen te halen die iets geweldigs bijdragen aan je museum. Musea missen nu soms talent omdat mensen simpelweg niet door de deur kunnen.”
“Dor hout”
Een toegankelijk oorlogsmuseum is niet hetzelfde als een handicap-inclusieve collectie en tentoonstellingsaanbod, maar het is wel een belangrijke voorwaarde. De gesprekken met Mirjam Eikelenboom en Rense Havinga maken duidelijk dat er in het Verzetsmuseum Amsterdam en het Vrijheidsmuseum al inspirerende stappen worden gezet, maar dat verdere verdieping mogelijk is. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan meer aandacht voor de vervolging van mensen met een beperking gedurende Aktion T4, met name in Duitsland, Oostenrijk, Polen, Tsjechië en de Sovjet-Unie. In Nederland werden overigens vooral Joodse mensen met een beperking gericht vervolgd.8 Interessant zijn ook de experimentele initiatieven van de afgelopen jaren om samen met ervaringsdeskundigen te reflecteren op (het gebrek aan) historische materialen over het lot van mensen met een beperking tijdens de Tweede Wereldoorlog.9
Licht schijnen op het verleden vanuit de lens van handicap maakt ruimte voor nieuwe invalshoeken en inzichten. Een handicap-inclusief perspectief is belangrijk omdat het kan zorgen voor representatie. Als iemand die zelf een stok gebruikt, zorgt een confrontatie met twee houten krukken bij mij voor herkenning die het verleden dichtbij brengt. Dat is niet alleen belangrijk voor museumbezoekers met een beperking. Zonder verhalen waarin handicap een rol speelt, is het makkelijk om te vergeten dat de geschiedenis niet voorbij is. De Zwarte Driehoek maakte duidelijk dat het eugenetisch denken niet verdween na de oorlog. Dat bleek wel bij de start van de coronapandemie, toen mensen met een kwetsbare gezondheid als “dor hout” werden neergezet. De wortels van deze retoriek reiken ver, tot voorbij de jaren 30 van de vorige eeuw (zie de illustratie met de ansichtkaart). Laat dit pleidooi voor meer handicap-inclusieve oorlogsmusea daarom tegelijkertijd een waarschuwing en oproep zijn om te blijven leren van het verleden.

Eugenetische ansichtkaart ‘De uitroeiing van zieken en zwakken in de natuur’, Stuttgart, 1938. Te zien in de tentoonstelling De Zwarte Driehoek, uit de collectie van het United States Holocaust Memorial Museum.
De tentoonstelling Who Cares? is vanaf 15 oktober 2026 opnieuw te zien, ditmaal bij Nationaal Monument Kamp Vught.
Ook de tentoonstelling De Zwarte Driehoek zal in het najaar van 2026 eveneens opnieuw te zien zijn in Nationaal Monument Kamp Vught. Bij de oorspronkelijke tentoonstelling in het Vrijheidsmuseum is het boek De zwarte driehoek: de geschiedenis van als ‘asociaal’ vervolgden, 1933-1945 uitgebracht. Hierin wordt voor het eerst de geschiedenis van de als ‘asociaal’ vervolgden in Nederland in een brede context uiteengezet (Uitgeverij van Gennep, 2021).
Over de auteur

Eline Pollaert. Foto: Samira Kafala
Eline Pollaert is historicus bij de Vrije Universiteit Amsterdam, waar die onderzoek doet naar de geschiedenis van handicap in Nederland vanuit cultuurhistorisch perspectief. Daarnaast is Eline betrokken bij Stichting Kreukelcollectief. Deze stichting zet zich in voor het behoud van Nederlands erfgoed rond handicap, bijvoorbeeld met de tentoonstelling Ik ben gewoon hier in het Centraal Museum (18 april t/m 24 augustus 2025). Eline is ook een van de initiatiefnemers van het Kreukel Archief, het eerste historisch en cultureel centrum rond handicap in Nederland.
Noten
1 Floris Plak, Eline Pollaert & Paul van Trigt, ‘Disability History: Een review essay’. Tijdschrift voor Geschiedenis 138, nr. 2 (2025). https://doi.org/10.5117/TvG2025.2.005.PLAK.
2 In dit artikel maak ik onderscheid tussen ‘beperking’ en ‘handicap’. ‘Beperking’ verwijst naar iemands aandoening en de impact daarvan op diens dagelijks leven. Het medische aspect is echter maar een deel van het verhaal. ‘Handicap’ verwijst naar de manier waarop de samenleving in politiek, sociaal en cultureel opzicht omgaat met mensen wier lichaam en/of geest afwijkt van de norm.
3 Museum van de Geest, 30 november 2023 t/m 19 januari 2025, https://museumvandegeest.nl/tentoonstellingen/who-cares/.
4 Het Apeldoornsche Bosch was een Joods psychiatrisch ziekenhuis dat in de nacht van 21 op 22 januari 1943 door de Duitse bezetter werd ontruimd. Meer dan 1.400 patiënten en personeelsleden werden gedeporteerd naar concentratiekampen en keerden niet terug. https://www.apeldoornschebosch.nl/.
5 Vrijheidsmuseum, 21 januari t/m 6 november 2022, https://vrijheidsmuseum.nl/wat-is-er-te-doen/activiteiten-museum/de-zwarte-driehoek.
6 Rense Havinga, De zwarte driehoek: de geschiedenis van als ‘asociaal’ vervolgden, 1933-1945. Uitgeverij van Gennep, 2021, p. 59.
7 https://ingebaren.nl/museaingebaren/.
8 Twan Davelaar, Jodenvervolging in het Nederlandse Krankzinnigenwezen. NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies, 2023; https://d3mb4k8bvt6xe4.cloudfront.net/2023-11/niod%20%20Onderzoeksrapport_210x297%20mm_Jodenvervolging%20NL%20Krankzinnigenwezen_RGB_Losse%20pagina%27s_DEF.pdf.
9 Zie bijvoorbeeld de digitale Brave New World-tentoonstelling van D4D, Berlinklusion en het Kreukelcollectief: https://d4d.org.uk/workstreams/brave-new-world/brave-new-world-exhibition/. Op 17 oktober 2026 vindt een vergelijkbare co-creatie activiteit plaats bij Herinneringscentrum Apeldoornsche Bosch: https://www.coda-apeldoorn.nl/agenda/519/17-10-2026/workshop-kreukelcollectief-%E2%80%98het-apeldoornsche-bosch-en-jij%E2%80%99.
Foto bovenaan artikel
Een bezoeker van het Verzetsmuseum voelt aan de replica van Mijn schild ende betrouwen, de verzetskrant in braille.
































