Duitse en Oostenrijkse Joden als bevrijders bij de Slag om Arnhem

In de expositie Gevlucht om te vechten, tot 25 februari te zien in het Airborne Museum, staat een onverwachte groep militairen centraal: de 21 Duitse en Oostenrijkse Joden die meevochten in de Slag om Arnhem. Stellen zij ons beeld van de bevrijder bij? Rosa de Jong ging naar de expositie en doet verslag.

Het Airborne Museum in Oosterbeek is een bijzonder museum, want in zijn geheel gewijd aan Operatie Market Garden, en dan met name de Slag om Arnhem. De grootste geallieerde luchtlandingsoperatie van de Tweede Wereldoorlog wordt geïntroduceerd met een goed gemaakte film. Deze fungeert als kapstok voor de rest van de expositie, en vormt ook een goede start voor de tijdelijke tentoonstelling Gevlucht om te vechten.

In die tentoonstelling draait het om een bijzondere groep Joodse mannen: gevlucht uit Duitsland of Oostenrijk en aan de kant van de geallieerden meevechtend bij de Slag om Arnhem. Deze groep gaat op twee manieren in tegen het gevestigde beeld van ‘de bevrijder’. Allereerst hebben we het hier over Duitsers en Oostenrijkers, en niet over de archetypische Britse en Amerikaanse soldaten. Daarnaast weerspreken deze mannen met hun actieve handelen, deelnemend aan de strijd, het stereotype beeld van Joden als passieve slachtoffers.

Geallieerde vliegtuigen van Operatie Market Garden boven Bergeijk, september 1944. Bron: Fotocollectie Rijksvoorlichtingsdienst Eigen / Nationaal Archief

Reichspogromnacht

Als bezoeker volg je de mannen vanaf het moment dat zij nog thuis zijn; de expositie begint met uitleg over de situatie voor Joodse Duitsers en Oostenrijkers in de jaren dertig. Het daaropvolgende deel van het verhaal volgt de gebaande paden: de machtsovername van Hitler, het openen van kampen, de Reichspogromnacht. De tentoonstelling komt wat traag op gang, al krijgen we wel meteen persoonlijke ervaringen mee van enkele hoofdfiguren. Ernst Rudolf Philipp bijvoorbeeld werd al vanaf november 1938 geïnterneerd in kamp Dachau. Hij werd waarschijnlijk vrijgelaten omdat hij een visum voor Groot-Brittannië kreeg, waar hij in april 1939 naartoe reisde. Daar ging hij in dienst en sloot hij zich uiteindelijk in februari 1944 aan bij de luchtlandingsstrijdkrachten. De tentoonstelling verweeft persoonlijke verhalen zoals die van Philipp telkens met meer algemene gebeurtenissen. Hoewel dit de geschiedenis verlevendigt, zorgt het soms wel voor een overvloed aan details.

Voor alle 21 mannen die centraal staan in de expositie geldt dat ze in de jaren dertig in Groot-Brittannië aankwamen, waar zij al naar gelang hun leeftijd en financiële positie een opleiding gingen doen of aan het werk gingen. Hun vluchtervaringen verschillen wel sterk van elkaar. Sommigen vluchtten alleen, anderen met familie, weer anderen kwamen mee met het Kindertransport. Een aantal van hen reisden al richting het Verenigd Koninkrijk voor de oorlog uitbrak; anderen wisten maar net op tijd te ontkomen.

Enemy aliens

Een ervaring die hen bond, vond plaats vlak nadat de Britse overheid in september 1939 de oorlog verklaarde aan nazi-Duitsland, na de inval in Polen. Alle Duitse en Oostenrijkse mannen werden in één klap tot enemy alien verklaard, en in juni 1940 geïnterneerd. Dit gebeurde overigens in alle geallieerde gebieden. In mijn onderzoek naar Tweede Wereldoorlog-vluchtelingen in het Caribisch gebied blijkt dat dit daar ook voorkwam, bijvoorbeeld bij Joods-Duitse vluchtelingen in Suriname. Zij werden nadat Nederland betrokken raakte bij de oorlog in dezelfde kampen geïnterneerd als Duitsers die pro-nazi waren. Hun verhaal maakt echter zelden onderdeel uit van tentoonstellingen of publieksboeken.

Terug naar Groot-Brittannië, dat haar enemy aliens na verloop van tijd een uitweg aanbood: ze konden in (gewapende) dienst treden. Een groot deel van hen maakte gebruik van het aanbod. Vaak waren zij gemotiveerd om hun kennis van de lokale omstandigheden in Duitsland en Oostenrijk en hun vaardigheden, zoals het spreken van accentloos Duits, in te zetten tegen nazi-Duitsland. Max Majzels, die eigenlijk te jong was, wilde zelfs zo graag in dienst dat hij zich maar bleef aanmelden, ondanks meerdere afwijzingen.

Deel van tentoonstelling ‘Gevlucht om te Vechten’. Bron: Daan van Oort, Airborne Museum 

De slag om Arnhem

Voor de luchtlandingstroepen – de best getrainde troepen die per zweefvliegtuig of parachute achter de vijandelijke linies werden ingezet – meldden zich in april 1943 maar liefst honderd enemy aliens. Zoals de tentoonstelling laat zien, veranderden sommige van hen hun naam om hun Joodse en Duitse of Oostenrijkse identiteit te verhullen. Zo wordt het document getoond dat de naamswijziging van Harold Schilling naar Harold Bruce bevestigt.

Uiteindelijk maakten 21 Joodse mannen deel uit van de luchtlandingstroepen die bij Operatie Market Garden werden ingezet. Veel van hen raakten gewond. Ook deze ervaringen worden tastbaar gemaakt. We zien bijvoorbeeld een kapot muntstuk dat Harold Schilling in zijn broekzak droeg toen hij werd beschoten; de munt behoedde hem voor een ernstiger verwonding. De jonge Majzels, wiens service dress coat te zien is, raakte ook zwaargewond en werd krijgsgevangen gemaakt. 5 van de 21 mannen overleefden de Slag om Arnhem niet. Van de overige 16 wist het grootste deel te ontkomen, onder meer via de evacuatie over de Rijn. Na de oorlog waren zij, soms tot hun overlijden, betrokken bij de herdenking van Operatie Market Garden.

Certificaat ter naamsverandering. Harold Carl Edwin Schilling werd Harold Carl Edwin Bruce, mei 1943. Bron: Daan van Oort, Airborne Museum; Harold Bruce. Bron: Collectie Airborne Museum; Muntstuk van Harold Bruce. Bron: Daan van Oort, Airborne Museum

Open vragen

Gevlucht om te vechten toont een rijkdom aan bronnen over deze onbekende Joodse militairen, van objecten, correspondentie en foto’s tot aan interviews en dagboeken. Toch blijven er kansen liggen. Want eigenlijk moet de bezoeker zelf bedenken hoe interessant en uitzonderlijk deze groep is en hoe zij ons beeld van ‘de bevrijder’ bijstellen, in plaats van dat de expositie dit expliciet uiteenzet.

Ook blijven er vragen onbeantwoord, bijvoorbeeld hoe uniek deze mannen waren binnen de geallieerde strijdkrachten. Want waren er ook Nederlandse Joden actief bij de luchtlandingsgroepen? Daarnaast had bijvoorbeeld een uitstapje gemaakt kunnen worden naar de vele Joodse Engelandvaarders die meevochten. Sommige vluchtelingen uit mijn eigen onderzoek kwamen via omwegen aan in het Caribisch gebied en verkozen daar vechten in Europa boven veiligheid in de Cariben. Beantwoording van dit soort vragen had de tentoonstelling breder relevant gemaakt.

 

Over de auteur

 

Rosa de Jong

Rosa de Jong promoveert aan de Universiteit van Amsterdam en is gastonderzoeker bij het KITLV en NIOD. Zij doet onderzoek naar vluchtelingen die tijdens de Tweede Wereldoorlog vanuit Nederland en België via verschillende Europese landen naar de Cariben vluchtten.

 

 

 

 

 

 

 


Verder lezen

Naar de gelijknamige tentoonstelling publiceerde curator Jory Brentjens in samenwerking met het Airborne een rijk geïllustreerd boek: Jory Brentjens, Gevlucht om te vechten. De Joodse vluchtelingen van de 1st Airborne Division. Zwolle, Wbooks, 2023.


Foto boven het artikel

Deel van tentoonstelling ‘Gevlucht om te Vechten’. Bron: Daan van Oort, Airborne Museum 

Leven met de schaduw van geweld en oorlog

In november vond in Amsterdam en Den Haag het internationale congres Leven met oorlog plaats, voor professionals van musea en andere instellingen in het herinneringsveld. Onderdeel van het congres was de afsluiting van het Nederlandse themajaar. In lezingen en workshops en aan discussietafels gingen sprekers en deelnemers in op de vraag hoe de Tweede Wereldoorlog relevant kan blijven voor de museale praktijk en hoe musea omgaan met hedendaagse oorlogen, genocides en mensenrechtenschendingen. Hier een impressie van twee interessante congresdagen.

Oorlogsbeelden uit Gaza en uit Oekraïne domineren de laatste tijd het nieuws en zorgen voor veel emoties. De internationale conferentie over de doorwerking van oorlog begin november was daarom nog relevanter dan eerder gedacht. Georganiseerd door de Stichting Musea en Herinneringscentra 1940-1945, het NIOD en het Veldberaad WOII vonden op 2 en 3 november tal van prikkelende lezingen en waardevolle uitwisselingen plaats.

Congres Leven met Oorlog. Bron: Stichting Musea en Herinneringscentra 40-45

Alle sprekers stelden in hun presentaties over de verbeelding van de (doorwerking van) oorlog het belang van het persoonlijke verhaal voorop. Emile Schrijver, onder meer algemeen directeur van het Joods Cultureel Kwartier, onthulde dat in het Nationaal Holocaust Museum binnenkort diverse ‘vergeet-me-niet-installaties’ te vinden zullen zijn. Deze vertellen het hele levensverhaal van mensen, en staan dus niet alleen stil bij de Jodenvervolging. Het is een manier om de getroffenen weer een gezicht te geven en zo de ontmenselijking van de nazi’s ongedaan te maken.

Ook andere sprekers benadrukten het belang om mensen niet alleen als slachtoffer te zien en hen niet te reduceren tot de oorlogen en het geweld dat ze hebben meegemaakt. Nienke Smit, klinisch psycholoog bij ARQ Centrum ‘45, vertelde in haar keynote lezing dat de meeste mensen gelukkig erg veerkrachtig zijn. Rituelen, een sterke onderlinge band met de andere gezinsleden of zingeving met betrekking tot het ondergane leed kunnen bijvoorbeeld bijdragen aan de verwerking van trauma’s.

Joodse musea balanceren volgens Schrijver in dat opzicht op een dun koord. Zij moeten aandacht besteden aan de Holocaust, maar willen in hun tentoonstellingen ook andere periodes in de Joodse geschiedenis behandelen. In het Joods Cultureel Kwartier is dit ‘opgelost’ door vooral in het Nationaal Holocaust Museum en de Hollandsche Schouwburg in te gaan op de Shoah. Hierdoor kan het Joods Museum meer aandacht schenken aan andere episoden en aspecten van het Joodse leven in Nederland.

Mannen van de 7 December Divisie nemen afscheid van hun 500 overleden of gesneuvelde kameraden op het ereveld Menteng Poeloe te Batavia, september 1949. Bron: Fotocollectie Spaarnestad Onderwerpen / Nationaal Archief

Dominante narratieven

Peggy Brandon, curator van het Nationaal Slavernij Museum in oprichting, ging eveneens in op het belang van het vertellen van het hele verhaal. Zij stelde dat er niet alleen oog moet zijn voor de ellende van de slavernij, maar ook voor het doorzettingsvermogen, de kennis, cultuur en vaardigheden van de tot slaaf gemaakten. Afrika en Azië waren tenslotte de bakermat van de beschaving. Met sprekende voorbeelden liet ze tegelijkertijd zien dat de effecten van de slavernij nog steeds merkbaar zijn. Ook vandaag de dag worden een lichte huid en steil haar nog vaak als voordeel gezien in de families van nakomelingen van tot slaaf gemaakten. Dat wil echter niet zeggen dat ze in termen van daders en slachtoffers wil praten, zo gaf Brandon tijdens de groepsdiscussie aan. Zij weigert haar voorouders in de rol van slachtoffers te plaatsen.

Meerdere sprekers lieten zien dat het misschien niet zo zinvol is om te denken in de dichotomie van dader en slachtoffer. Nienke Smit vertelde dat ARQ Centrum ’45 verschillende mensen in behandeling heeft die zowel dader als slachtoffer zijn, zoals kindsoldaten. In de discussie ging het ook nog over een andere manier waarop de daderkwestie een rol speelt in de museumwereld. Wat te doen met het feit dat in het geval van de Holocaust en ten aanzien van het slavernijverleden het materiaal veelal vervaardigd is door daders?

Hoelang bepaalde perspectieven dominant kunnen blijven, liet NIOD-directeur Martijn Eickhoff zien in zijn lezing tijdens het congres. Zijn analyse van de manier waarop verschillende musea in Nederland de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog presenteren, illustreerde dat het perspectief van de Nederlandse veteranen nog steeds de overhand heeft. De jaren ’45-’49 worden gezien als een Nederlandse tragedie. Dit zorgt voor empathie voor de Nederlandse veteranen. Volgens Eickhoff moet echter niet vergeten worden dat het ook een succesvolle Indonesische revolutie was. Zijn conclusie: in de meeste tentoonstellingen is of was geen sprake van werkelijke multiperspectiviteit.

Miniatuurbeeldjes van vluchtelingen, onderdeel van guerrilla streetart project ‘Moving People’ van creatief collectief ‘Power of Art House’. Bron: Amsterdam Museum

Syriërs, Irakezen, Afghanen

De manier waarop musea met recente en huidige oorlogen en schendingen van mensenrechten omgaan, was een van de andere thema’s van de eerste congresdag. Hoogtepunt was de bevlogen, kritische lezing van Alma Mustafić. Zij hield de toehoorders een spiegel voor: als het over de genocide in Srebrenica gaat, staan de Dutchbatveteranen volgens haar vrijwel altijd centraal in het maatschappelijk debat, niet de Bosnische vluchtelingen. Mustafić, wier vader werd vermoord in Srebrenica, poneerde de vraag wanneer je ‘Nederlands’ genoeg bent om je verhaal ertoe te laten doen. Niet alleen de verhalen van de Bosnische vluchtelingen in Nederland, maar ook die van de Syriërs, de Irakezen en de Afghanen in Nederland verdienen het om te worden gehoord, zo maakte zij glashelder.

De eerste dag eindigde met panelgesprekken waarin werd teruggeblikt op de verschillende projecten in het themajaar. Maartje Roelofs, directeur Maatschappelijke Ondersteuning bij het ministerie van VWS, wees in haar afsluitende woorden op de getroffenen van vele oorlogen die in Nederland wonen en vroeg zich nadrukkelijk af of daar niet meer aandacht voor moest komen. Van Tweede Wereldoorlog tot slavernij, en van de oorlog in Syrië tot de genocide in Srebrenica: ‘leven met oorlog’ omvat vele historische en actuele gebeurtenissen wereldwijd en reikt overduidelijk veel verder dan Nederland en de periode ’40-’45.

Prikkelen in de praktijk

De tweede congresdag was een meer praktische dag, bedoeld om ervaringen uit te wisselen en de kennis van de vorige dag toe te passen. De twee keynote lezingen op 3 november gingen dan ook specifiek in op de museale praktijk. Zowel de presentatie van Rob Adams als die van Michael Peter Edson waren erop gericht om te prikkelen en mensen uit hun comfort zone te halen. Edson gebruikte daarvoor zijn kennis van binnenuit – hij werkte onder meer als directeur Web- en nieuwe mediastrategie voor het Smithsonian in Washington. De presentatie van innovatie-expert Adams kwam daarentegen over als een provocatie zonder voldoende kennis van zaken. Adams poneerde dat de WOII-musea in Nederland veel actiever kunnen zijn om relevant te blijven in het heden. Hij gaf echter toe de desbetreffende oorlogsmusea nog niet zelf bezocht te hebben. Ook was zijn vergelijking tussen de Tweede Wereldoorlog en de oorlog in Oekraïne ongenuanceerd en onjuist. Hij kon dan ook rekenen op veel kritiek vanuit de zaal.

Edsons lezing was daarna een verademing. Hij vroeg zich in een grondig betoog af waarom musea zo passief en langzaam zijn als het gaat om grote maatschappelijke vraagstukken als de klimaatcrisis. Volgens Edson onderschatten werknemers van laag tot hoog hoeveel impact ze kunnen hebben. Daar komt bij dat activisme op het werk in het algemeen een ‘besmet’ woord is in zijn ogen. Volgens Edson zijn er echter vele manieren om activistisch te zijn: van petities en lobby’s tot meer ontregelende (‘disruptieve’) tactieken. Edson pleitte ervoor om bij elk project te kijken of het daadwerkelijk impact heeft of slechts een symbolisch gebaar is.

Tentoonstelling ‘Things That Matter’ in het Tropenmuseum. Bron: Tropenmuseum

Co-creatie

De rest van de dag gingen de deelnemers zelf aan de slag met diverse discussietafels en workshops. In de ochtend waren deze opgedeeld in de thema’s ‘interactief museum’ en ‘nieuwe rollen voor musea die werken met oorlog en conflicten’. Het ging hierbij onder meer om het betrekken van jongeren bij musea, en de vraag hoe zij aan het denken worden gezet, bijvoorbeeld over de doorwerking van koloniale erfenissen in collecties en exposities. In de middag gingen meerdere workshops en discussietafels over de vraag in hoeverre en hoe musea zich kunnen uitspreken over heikele, actuele kwesties, hoe je omgaat met polarisatie en hoe je co-creatie kunt bewerkstelligen. 

Terugkijkend maakte de conferentie duidelijk dat het verhaal over de (impact van de) Tweede Wereldoorlog moet worden aangevuld met verhalen over andere oorlogen en conflicten, wil men recht doen aan de diversiteit van de huidige samenleving. Dat geldt dus ook voor de interpretatie van het jaarthema. Het is te hopen dat het volgende jaarthema ook een brede invulling krijgt. Dat er daarbinnen ook aandacht is voor groepen voor wie de bevrijding in 1945 niet het einde van het geweld betekende (waaronder Indische Nederlanders en Molukkers). En voor vrijheid na andere oorlogen dan de Tweede Wereldoorlog. 

 

Over de auteur

 

Onno Sinke

Onno Sinke werkt als senior beleidsonderzoeker/adviseur voor ARQ Kenniscentrum Oorlog, Vervolging en Geweld. Hij promoveerde op een proefschrift over Radio Oranje en publiceerde daarna meerdere boeken over de Tweede Wereldoorlog. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Foto boven het artikel

Emotioneel weerzien van Bosnische vluchtelingen in de Ripperda kazerne, 1993. Bron: R. Pichel, Collectie van Fotopersbureau De Boer te Haarlem / Noord-Hollands Archief

Terloops herdenken met Stolpersteine

In heel Europa zijn ze inmiddels te vinden: Stolpersteine. Wat zijn de ‘struikelstenen’ nou eigenlijk: een kunstproject of kleine herdenkingsmonumentjes? Ze zijn in elk geval populair en verguisd tegelijk.

Als je door het centrum van Amsterdam loopt, waan je je al snel in de 17e eeuw. Maar wie zo nu en dan een blik naar beneden werpt, stuit misschien ook wel op herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog. Ingebed tussen de stoeptegels van de Nieuwe Hoogstraat 14 ligt een messing kinderkop. Op het tegeltje is te lezen: ‘Hier woonde Isaak Stopper; geb. 1899; gearresteerd aug. 1943; gedeporteerd 1943 uit Westerbork; vermoord 31-3-1944 Auschwitz’.

In Amsterdam liggen nu ongeveer 1800 van deze Stolpersteine. In heel Europa vind je inmiddels 96.000 van deze herdenkingssteentjes voor slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. Een groot deel is persoonlijk gelegd door kunstenaar Gunter Demnig, tevens de bedenker van het project. Maar is het kunst waar we naar kijken, of iets anders? Waar ligt de lijn tussen herdenken en kunst? En van wie zijn de stenen eigenlijk?

Gunter Demnig legt nieuwe Stolpersteine in Kampen. Bron: Joop van Dijk op Wikimedia Commons (CC BY-SA 2.0)

Münchens verbod
De grootsheid van het project van de Stolpersteine staat in schril contrast met het formaat van de steentjes. Een vlakje van 10 bij 10 centimeter, meer dan dat is het niet. De Stolpersteine halen hun kracht juist uit de decentrale aard. Je treft een Stolperstein niet als bezoeker, maar als toevallige voorbijganger. Demnigs idee is dat je “met je hoofd én je hart” struikelt over het verleden. De individuele namen in de intieme omgeving van een voormalig woonhuis brengen het leed van de Tweede Wereldoorlog ontzagwekkend dichtbij. Het abstracte begrip ‘Holocaust’ wordt plots tastbaar.

Toch ligt ook precies hier het pijnpunt dat rond de Stolpersteine bestaat. Vereist het herdenken van oorlogsslachtoffers niet iets meer eerbied en bedachtzaamheid? Kan dit wel zomaar op de stoep? De Duitse Charlotte Knobloch – voorheen voorzitter van de Centrale Joodse Raad Duitsland – is een van de felste tegenstanders. Volgens Knobloch wordt de waardigheid van de slachtoffers geschonden door de Stolpersteine. Het idee dat je op de namen van deze mensen kunt gaan staan, en dat misschien zelfs zonder het door te hebben, is voor Knobloch (en voor velen met haar) aanstootgevend. In het Duitse München zijn de stenen om deze reden verboden in de publieke ruimte: over Joodse mensen was al genoeg gelopen.

Met de hand geslagen
Het gebeurt vaker dat er wrijving ontstaat tussen instanties of burgers en de kunstenaar Gunter Demnig. In sommige gemeenten hebben ze zelfs hun eigen herdenkingssteentjes laten maken. In Amersfoort liggen bijvoorbeeld steentjes van natuursteen en brons. De Stichting Herdenkingsstenen Amersfoort vond de wachttijd voor de Stolpersteine van 433 slachtoffers te lang.

Herdenkingsstenen in Amersfoort. Bron: Monique Zwart

De wachttijd heeft deels te maken met de artistieke visie van Demnig. Tot voor kort werden alle Stolpersteine door Demnig persoonlijk gelegd. Daarbij wordt elke steen met de hand gemaakt. In het begin deed Demnig ook dit zelf. Inmiddels heeft hij hulp van enkele beeldhouwers. Handwerk en aandacht voor het individu blijft echter essentieel. Iedere naam, iedere letter, wordt met zorg in het messing geslagen: een metaforische antithese van het nazisme, dat bevolkingsgroepen hun menszijn afnam in een geïndustrialiseerde genocide. Met de Stolpersteine willen Demnig en zijn collega-beeldhouwers de waardigheid en de individuele namen teruggeven aan de slachtoffers. Zolang hun namen niet vergeten worden, blijven zij voortleven.

De kunst van het herdenken
De artistieke gedachte maakt het proces van de Stolpersteine begrijpelijk traag. Bovendien worden er nooit honderden stenen op één plek geleverd. Het zijn er telkens slechts een paar tegelijk, en dan rijdt Demnig weer verder Europa in.

Deze methode sluit ook aan bij een belangrijke gedachte achter het kunstwerk: de Tweede Wereldoorlog, en in het bijzonder de Holocaust, is te gruwelijk om ooit in zijn geheel te vangen in beeldtaal. Hoe kan een centraal monument zoals een standbeeld op een plein ooit recht doen aan dit leed? Het Stolpersteine-monument bestaat niet alleen uit een object, maar ook uit een handeling. Met iedere legging dijt het monument uit en benadrukt zo dat herdenken een voortdurende bezigheid is – iets wat we moeten blíjven doen.

Zo hoort dus ook het lage tempo bij het Stolpersteine-project. Er is geen einddatum, geen finishlijn. De wens van gemeenten zoals Amersfoort om in één keer voor al hun slachtoffers een steen te kunnen leggen, staat haaks op deze gedachte. De werkwijze en visie achter het kunstproject van de Stolpersteine en de manieren waarop bijvoorbeeld gemeenten wensen te herdenken, schuren soms nogal met elkaar.

Alexander Stukenberg, coördinator van de Stolpersteine voor de Benelux, vanuit de Stichting Stolpersteine (werkplaats bij het Goethe Instituut). Bron: Maartje van Bennekom

Wiens eigendom?
De beslissing van Amersfoort (en bijvoorbeeld ook Apeldoorn, Alkmaar en Vught) om zelf herdenkingsstenen te ontwikkelen was controversieel. Niet alleen omdat dit inging tegen de artistieke visie van Demnig, maar ook omdat het riekt naar plagiaat. Is een herdenkingssteen van graniet niet hetzelfde als de messing Stolpersteine? Het roept een interessante vraag op: wie is eigenlijk eigenaar van dit project?

Een Stolperstein ligt meestal op gemeentegrond. De steen is daarmee in feite van de stad. Het handelsmerkrecht ligt echter bij Demnig en zijn organisatie. Ook de website draait er niet omheen: het kunstwerk is eigendom van kunstenaar Gunter Demnig. Niet de aanvragers, de nabestaanden, slachtoffers, of (buurt)bewoners.

Maar zijn het niet juist deze mensen die het herdenkingsproject van de Stolpersteine zo succesvol maken? Een Stolperstein begint bij de aanvragers: zij doen het historisch voorwerk en dekken de kosten. De steen wordt gelegd en eigenlijk begint het herdenken dan pas. Buurtbewoners en nabestaanden verrijken de messing vlakjes met bibliotheken aan informatie. Er zijn boeken, wandelingen, websites en poetsdagen. De Stolpersteine zijn zo misschien wel de ultieme vorm van historische participatie. Een kunstenaar legt een stoeptegeltje, de struikelaars doen de rest.

Over de auteur

 

Maartje van Bennekom, foto door Lisa Maier

Maartje van Bennekom is publiekshistoricus en een van de makers van podcast Far Too Close: een zesdelige podcastreeks over het koloniale verleden van universiteitsgebouwen in het centrum van Amsterdam. Momenteel is zij werkzaam bij de gemeente Amsterdam en als zzp’er.


Foto boven aan pagina

Stolpersteine voor Isaak Stopper. Bron: Christian Michelides op Wikimedia Commons (CC BY-SA 4.0)

De ontbrekende urnen uit Suriname en Caribisch Nederland

Het tijdelijke monument dat na afloop van de Tweede Wereldoorlog op de Dam geplaatst werd, moest de eenheid van het Koninkrijk der Nederlanden verbeelden. Uit elke Nederlandse provincie en elk overzees gebiedsdeel zou daarom een urn met aarde bijgezet worden. De nissen die bestemd waren voor urnen uit Suriname en uit Caribisch Nederland bleven echter leeg. Waarom eigenlijk?

Eind 1947 verscheen er op de Dam een weinig pretentieus bakstenen muurtje, gemetseld in een halve cirkel. Het gold als tijdelijk Nationaal Monument, tot er iets mooiers en definitievers voor in de plaats zou komen, en was opgericht ter nagedachtenis aan de ‘gevallenen’ in de oorlog. Hierbij dacht men op dat moment aan militairen en mensen uit het verzet – de Holocaust zou pas veel later onderdeel van herdenkingen worden.

Omdat de plannenmakers van de daartoe opgerichte Nationale Monumenten Commissie het Nederlandse volk zagen als “stellig niet monumentaal van aard”, moest het proces van een bescheiden muur naar een nationale plek van herinnering een beetje op weg geholpen worden. Er werden daarom elf urnen geplaatst, één voor elke provincie, met daarin aarde afkomstig van plekken waar Nederlanders gevallen waren in de strijd. “Elf urnen met door bloed gedrenkte grond”, zoals Elsevier’s Weekblad het omschreef.1

Als érgens het koloniale verleden en de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog in Nederland samenkomen, dan is het in deze muur op de Dam. Al snel na de onthulling volgde een maatschappelijke discussie. Waarom geen ‘Indische urn’ vanwege de strijd tegen Japan? Hetzelfde artikel in Elsevier had het over “de vele honderden, die ver van het moederland hun leven verloren” en over “moegestreden vliegers die neerstortten in de rimboe”. Met de term ‘vrede en recht’ werd daarbij bovendien verwezen naar de strijd tegen een onafhankelijk Indonesië die Nederland na 1945 voerde. Het sentiment draaide dus vooral om “Nederlanders die in Indië gestreden en geleden hebben”, tijdens de Japanse bezetting én daarna, en niet om de bevolking in gekoloniseerde gebieden die ook had meegevochten en meegeleden.

Overzeese steun?
Het uitgangspunt van de overheid was echter breder dan dit maatschappelijke sentiment, en leverde een verrassende combinatie op van koloniaal en postkoloniaal denken die paste bij het moment: de bevolking in het gehele Koninkrijk moest herdacht worden (Nederland, ‘de Oost’ en ‘de West’) én zou daar ook zeggenschap over moeten hebben. Er moesten daarom drie overzeese urnen komen, waarvoor “medewerking der inheemse bevolking” noodzakelijk werd geacht, en waarvoor “het initiatief […] uit deze gebiedsdelen zelve [moest] voortkomen”. Dus hoewel de verantwoordelijke minister van mening was dat in Suriname of op Curaçao “van een strijd niet of niet noemenswaard sprake is geweest”, schreef hij de gouverneurs op die plekken wel aan met de vraag of er onder de bevolking steun was voor zo’n urn. En voor Indonesië gold dat de aarde uit heel het land moest komen, waarbij “specifiek Nederlandse aarde”, bijvoorbeeld uit Japanse interneringskampen, niet op de voorgrond mocht treden.

Toen gebeurden er twee merkwaardige dingen. De urn uit Indonesië kwam er tegen alle verwachtingen in wél, en die uit Suriname en de Antillen tegen de verwachtingen in niet. Om uit te zoeken waarom dat zo is, dook ik samen met mede-onderzoeker Matthias Lukkes het archief in.

Haast
De Indonesische urn redde het tegen de stroom uit Den Haag in. Minister-president Drees achtte het gezien de oorlog in Indonesië onmogelijk om daar met steun van de bevolking aarde vandaan te halen, en kwam tot de conclusie dat dat hele onzalige overzeese urnenplan misschien maar beter met rust gelaten moest worden.

Het briefje van Drees in het archief. Bron: Matthijs Kuipers

Dat was buiten de sterke wens van het Nederlandse ambtelijke en militaire apparaat in Indonesië gerekend. Voortvarend werd de urn geprepareerd en werd de gevraagde steun van de bevolking opgehaald – of iets wat daarvoor moest doorgaan. Er werd vooral aangeklopt bij de Nederlandsgezinde deelstaten van de federatie die Nederland in Indonesië probeerde te stichten. Vlak voor de soevereiniteitsoverdracht, eind 1949, werd de urn haastig naar Nederland overgebracht en het daaropvolgende jaar bijgezet in het monument.

Vanuit Suriname en de Antillen reageerden de gouverneurs welwillend op het verzoek uit Nederland, waar in Den Haag ook niet de bezwaren bij bestonden die er rond Indonesië wel waren. Er was wel degelijk geleden en gevochten, zo schreef de gouverneur van Suriname, waarbij hij wees op de Surinaamse bijdragen aan de oorlog. Niet alleen hadden er veel Surinamers dienstgedaan als kanonnier op koopvaardijschepen, ook waren er ongeveer 400 man naar Australië gezonden om deel te nemen aan de strijd tegen Japan en later aan de strijd die Nederland voerde in de onafhankelijkheidsoorlog.2

Dichtgemetselde nissen
Maar waar in Indonesië een zeer snelle weg bewandeld werd – waarschijnlijk vanuit het besef dat er gezien de oorlogssituatie al snel helemaal geen sprake meer kon zijn van Nederlanders die over Indonesische aarde beschikten – volgden de bestuursapparaten in Suriname en de Antillen een wat rustiger tempo. Terwijl de Indische urn al bijna af was, informeerde het gouvernement in Suriname nog eens naar de juiste afmetingen die de urn moest krijgen en of het misschien mogelijk was aarde te verkrijgen van Indonesische plekken waar Surinamers hadden gevochten. Dat tempo was te langzaam voor Nederland, waar de regering behalve aan het principe van steun van de bevolking ook vasthield aan het idee dat één extra ceremonie om urnen bij te zetten wel genoeg was, met of zonder Surinaamse en Antilliaanse urnen. Zo gebeurde het dat er op 29 april 1950 met groot ceremonieel vertoon maar één urn werd bijgezet: die uit Indonesië. In die urn zat bovendien de eerder niet wenselijk geachte ‘specifiek Nederlandse aarde’, afkomstig van erevelden in Indonesië.

Het tijdelijke monument op de Dam in Amsterdam. De urn met aarde van de erevelden in Indonesië wordt door koningin Juliana en prins Bernhard bijgezet. Bron: ANP / Stadsarchief Gemeente Amsterdam

De betekenis die besloten ligt in het Nationaal Monument werd hier ingrijpend door veranderd. In plaats van een koloniale Rijkseenheid met drie urnen werd nu met één urn vooral de Nederlandse strijd in Indonesië herdacht. De ontbrekende urnen uit Suriname en de Antillen raakten in de vergetelheid, maar de geschiedenis liet haar fysieke sporen na. In het definitieve Nationaal Monument op de Dam, dat in 1956 werd opgericht, kregen de urnen uit het tijdelijke monument een bescheiden plek aan de achterkant, vooral omdat men het een onkies idee vond om de ‘gewijde aarde’ weg te doen. En omdat het monument al een tijd in ontwerp was zaten daar nog alle veertien nissen in. Het resultaat is dat er tot op de dag van vandaag twee lege, dichtgemetselde nissen voor Suriname en Caribisch Nederland zijn, als stille getuigen van een koloniaal verleden.

Over de auteur

 

Matthijs Kuipers

Matthijs Kuipers is historicus en werkt als onderzoeker en beleidsadviseur bij het Nationaal Comité 4 en 5 mei. Hij zit in de redactie van WO2 Onderzoek uitgelicht.


Noten

1. Het plan voor urnen met ‘gewijde aarde’ was overigens een afschaling van het oorspronkelijke plan. Dat voorzag nog in een echt ‘graf van de onbekende soldaat’ zoals we dat uit andere landen kennen. Hier zouden dat zelfs drie onbekende soldaten of strijders hebben moeten zijn: één uit Nederland, één uit Indonesië en één uit wat toen West-Indië genoemd werd. “Het graf zal het symbool zijn voor allen,” schreven de plannenmakers, “het symbool van de gehele strijd en van alle offers.” Daar rekenden ze dus ook de overzeese gebiedsdelen van Nederland onder, al waren die toch ook weer niet zodanig één met Nederland dat met één onbekende soldaat kon worden volstaan. Het plan voor een daadwerkelijk graf voor drie onbekende strijders verdween al gauw naar de achtergrond ten faveure van het plan voor elf urnen met ‘gewijde aarde’, dus zonder stoffelijk overschot en zonder overzees Nederland.

2. Nadat Japan had gecapituleerd en de strijd veranderde in een onafhankelijkheidsoorlog voor Indonesië, weigerden veel Surinaamse militairen verder te vechten, zich maar al te goed bewust van de koloniale dimensie van de strijd.


Foto boven aan pagina

Het ontwerp van de Rotterdamse architect J.J.P. Oud en de Amsterdamse beeldhouwer J. Rädecker voor het Nationaal Monument op de Dam. Bron: Fotocollectie Elsevier / Nationaal Archief

Een museum over mensen

Tot niet zo heel lang geleden was het in sommige musea gebruikelijk om de vervolging van en moord op Joden tijdens de Shoah uit te beelden met gereedschappen van uitsluiting en deportatie en met foto’s van industriële moordpartijen. Onzinnig en onwaardig, meent curator Annemiek Gringold. Hoe herdenk je slachtoffers op een waardige manier en laat je mensen tegelijkertijd proeven van de rijkdom van het Joodse leven?

Zo’n vijftien jaar geleden had een oorlogsmuseum in het oosten van Nederland nog een ‘Joodse vitrine’, zoals deze door een rondleider werd genoemd. De vitrine was ingericht met onder meer een Jodenster, een persoonsbewijs met de gewraakte letter ‘J’ en een foto met daarop dode lichamen, gemaakt in een bevrijd concentratiekamp.

Los van het feit dat zo’n presentatie onwaardig is voor de nagedachtenis aan de slachtoffers, draagt hij ook niet wezenlijk bij aan effectieve educatie over de Shoah. De Shoah is namelijk geen gebeurtenis waarbij kennis over moordmethoden het meest relevant is. Toch krijgt dat soort kennis al decennialang relatief veel aandacht.

Als curator Shoah van het Joods Cultureel Kwartier in Amsterdam zoek ik – naast een waardige herdenking van de slachtoffers – naar een manier om de geschiedenis van de Shoah aan te wenden voor een betere toekomst. Dat kan met educatie over de geschiedenis én met educatie over het belang van de rechtsstaat. En daarnaast met kennis over mensen die toen leefden en met inzicht in de waardering van de diversiteit in de samenleving ten tijde van de Shoah. Ik ben ervan overtuigd dat geen museumbezoeker zich zal herkennen in de stoffelijke resten van slachtoffers op foto’s, of oprechte verbondenheid met hen zal voelen. Het zal blijven bij medeleven en afschuw.

In mijn ogen is iets anders nodig en moet museale educatie over de Shoah nieuwsgierigheid stimuleren en bijdragen aan maatschappelijke betrokkenheid en een kritische houding over hoe deze genocide kon gebeuren. Dit kan alleen bereikt worden wanneer de Shoah wordt gepresenteerd als een geschiedenis van herkenbare en invoelbare mensen; mensen met verschillende perspectieven die handelden en keuzes hadden, zij het soms heel beperkt. Lessen over de Shoah gaan ook over verschilligheid – als tegenhanger van onverschilligheid – en over verantwoordelijkheid jegens elkaar, en over de impact die deze genocide ook nu nog op onze maatschappij heeft.

Ontwerp van het nieuwe Nationaal Holocaustmuseum. Foto: Nationaal Holocaustmuseum

Trouwjurk

In de vaste tentoonstelling van het nieuwe Nationaal Holocaustmuseum die nu in ontwikkeling is, staat de ontmanteling van de Nederlandse rechtsstaat onder de nazibezetting centraal. Het gaat over het ontrechten van Joden, waarbij hun uiteindelijk na ruim twee jaar vernedering en uitsluiting ook het letterlijke bestaansrecht werd ontnomen.

Daarnaast is er veel ruimte om het Joodse leven in het licht te zetten. In de eerste zaal van de vaste tentoonstelling, die in 2023 opent, wordt een trouwjurk getoond die is gedragen aan de vooravond van de Duitse invasie. In maart 1940 trouwde een jong Joods paar in Amsterdam, vastbesloten een lang leven samen op te bouwen.

Elke bezoeker herkent de vreugde van een bruiloft, en tegelijk hangt vrees voor de toekomst in de lucht. Die combinatie van emoties nodigt uit om de mensen om wie het in deze tentoonstelling gaat, beter te leren kennen. Zij zijn immers veel méér dan de slachtoffers die de nazi’s van hen maakten. De Joden die in Nederland woonden tijdens de nazibezetting, leefden in alle opzichten levens zoals wij.

De keuze van objecten en verhalen die in de hele tentoonstelling ‘Joods leven tijdens de Sjoa en erna’ illustreren, zal bezoekers verbazen, herkenning bij hen oproepen en nieuwe informatie geven over de grote diversiteit onder Joden in Nederland en de wijze waarop zij omgingen met de brute vervolging. Bovendien garandeert de inbedding van het nieuwe museum binnen het Joods Cultureel Kwartier een voortdurende dialoog tussen bezoekers en museum over Joods leven, niet alleen toen maar ook nu. Want Joods leven in Nederland tegenwoordig is veerkrachtig, divers en op veel plekken aanwezig.

Choepa van een onbekend echtpaar (vermoedelijk uit de familie Monas), ca. 1940. Dit is niet de trouwjurk die is opgenomen in de tentoonstelling. Foto: Joods Cultureel Kwartier

Stereotypen ontkrachten

Al ruim twintig jaar werk ik voor het Joods Cultureel Kwartier, en in die tijd heeft de organisatie een grote ontwikkeling doorgemaakt. Vanuit de overtuiging dat in het Joods Museum de geschiedenis van de Joodse gemeenschap in Nederland nooit gereduceerd mag worden tot die vijf catastrofale jaren, nam de Shoah in de tentoonstellingsprogrammering lange tijd een marginale rol in.

Onder het credo ‘onbekend maakt onbemind’ droeg het Joods Museum wel al die tijd impliciet bij aan de strijd tegen antisemitisme met kennisoverdracht over het Jodendom, en door Joodse geschiedenis en de Joodse gemeenschap positief te belichten. Dat is een bekend standpunt van veel Joodse musea. In het Nationaal Holocaustmuseum zal expliciet aandacht zijn voor antisemitisme, zowel vroeger als nu. Het Joods Cultureel Kwartier maakt dit dus mogelijk door het realiseren van een nieuw museum.

Met de beelden van Joods leven naast die van Jodenhaat in één museum, ontkracht je antisemitische stereotyperingen en laat je zien dat Joden niet anders zijn dan niet-Joden. Lesgeven over Joods leven en educatie over de Shoah zijn voor mij dus onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Over de auteur

 

Annemiek Gringold

Annemiek Gringold is conservator Shoah bij het Joods Cultureel Kwartier.


Foto boven aan pagina

Foto van onbekend bruidspaar, gefotografeerd bij huis, circa 1940. Bron: Joods Cultureel Kwartier

Levende herinneringen in Hiroshima

In het centrum van Hiroshima beginnen de dagen met het rammelende geluid van passerende trams over de vele bruggen die de stad telt. Tegen zonsopgang rijdt er een tram langs de Atoombomkoepel in het Vredespark van Hiroshima. Daar was de tram ook op de ochtend van 6 augustus 1945. Twee van de door de atoombom getroffen trams zijn, na renovatie en versteviging, nog steeds in gebruik. Nr. 651 en nr. 652 vervoeren elke dag forenzen van en naar het centrum van de stad.

De verouderde, lawaaiige en klungelige ijzeren wagons steken slecht af naast de snelle, gestroomlijnde en efficiënte nieuwe modellen. Maar voor de lokale bewoners zijn de door de atoombom getroffen trams een vast onderdeel van het dagelijks leven, net zoals de ruïne van de Atoombomkoepel.

Boven de wolk

Op 6 augustus 1945 vertrok de Enola Gay vóór de dageraad aanbrak met zijn twaalfkoppige bemanning van het eiland Tinian om de eerste nucleaire aanval ooit uit te voeren. Om kwart over acht werd op ongeveer 600 meter hoogte een atoombom boven de stad Hiroshima tot ontploffing gebracht.

Bij de aanblik van de enorme paddenstoelenwolk, die een hoogte van meer dan 18 kilometer bereikte, kon de Amerikaanse copiloot Robert A. Lewis zich nog nauwelijks een voorstelling maken van wat zich onder de wolk ontvouwde. Hij schreef in zijn logboek: “Mijn God, wat hebben we gedaan?”

De crew van het vliegtuig Enola Gay. Zij hebben de atoombom boven Hirosima afgeworpen. Gezagvoerder Paul Tibbets staat in het midden. Foto: Wikimedia Commons

Hoewel slechts 1,7% van het bommateriaal was geactiveerd, verwoestte de bom in een ogenblik alles binnen een straal van 1,6 kilometer van het hypocentrum; waaronder een ziekenhuis dat midden in een dichtbevolkte handelswijk stond. Zij die de gigantische flits waarnamen, werden door een golf van hitte en straling terstond verblind, verbrand en tot as gereduceerd.

De ontploffing en schokgolf reet hen aan stukken, verpletterde huizen, tilde bruggen op van hun fundament en sloopte gebouwen van gewapend beton. De stad werd overspoeld door een vuurbal met een temperatuur van 3.000 tot 4.000℃ – heet genoeg om glas en ijzeren spijlen te doen smelten – die alles binnen een oppervlak van 11 vierkante kilometer verslond.

Tegen het einde van 1945 was het geschatte aantal doden door het bombardement opgelopen naar 140.000. Het eigenlijke sterftecijfer zou mogelijk nog hoger kunnen zijn. De schatting is gemaakt op basis van gegevens uit oorlogstijd, zoals huishoudregisters die waren opgesteld ten behoeve van de rantsoenering en lijsten van fabrieksarbeiders, gelegerde soldaten en gemobiliseerde studenten. Het exacte aantal niet-Japanse bewoners en dwangarbeiders is nog steeds niet bekend.

Onder de wolk

Op het moment van inslag waren circa 6.000 gemobiliseerde studenten nabij het stadscentrum houten woningen aan het slopen en wegruimen. Het idee was om zo branduitbreiding snel te kunnen stoppen in het geval van luchtaanvallen. Vlakbij oefenden moeders met een wateremmerestafette.

Middelbare scholieres oefenden zelfverdediging met bamboestokken in de buurt van het keizerlijk hoofdkwartier in het kastelencomplex van Hiroshima, ongeveer 800 meter ten noorden van het hypocentrum. Minstens 1000 mensen die zich op dat moment in of nabij het hoofdkwartier bevonden, waren op slag dood, onder wie ook twee Amerikaanse krijgsgevangenen.

Iedereen dit niet gelijk gedood werd hielp mee met het blussen van de vele branden in Hiroshima na het afwerpen van de atoombom. Foto: INTERFOTO / Alamy Stock Photo

Twee tienermeisjes overleefden de ontploffing door te schuilen in de bunker van het hoofdkwartier. Zij verzonden het eerste verslag van de ramp, die was veroorzaakt door “een nieuwe soort bom”. Zestien uur later kondigde de Amerikaanse president Truman aan dat het een atoombom was geweest, een zeer radioactief wapen dat verwoestende langetermijnschade toebracht aan levende wezens. Hiroshima was getroffen door een uraniumbom. Drie dagen later ontplofte boven Nagasaki een plutoniumbom – die vernietigde daar de gemeenschap.

Voor de geallieerden bracht de ongekende kracht van het wapen een versneld einde aan een lange oorlog. Maar in het inslaggebied begon voor de bewoners die ternauwernood aan de dood waren ontsnapt een nieuwe strijd om het leven. Zowel boven als onder de paddenstoelenwolk drong hetzelfde besef door: een nieuw tijdperk van totale vernietiging was aangebroken. Maar wat zich onder de paddenstoelenwolk voltrok, was voor de rest van de wereld onbekend, totdat een jaar later de stilte werd verbroken door de journalist John Hersey.

Hibakusha-getuigenissen

In de daaropvolgende decennia intensiveerde de atoomwapenwedloop, terwijl de getuigenverslagen van hibakusha (zij die de atoombom overleefd hadden) als inspiratie dienden voor wereldwijde inspanningen om atoomwapens te verbieden. Door de inzet van de International Campaign to Abolish Nuclear Weapons (ICAN) werd in 2017 eindelijk dan toch het Verdrag inzake het verbod op kernwapens ondertekend; het trad op 22 januari 2021 in werking.

De paddenstoelwolk boven Hiroshima. Foto: National Archives and Records Administration op Wikimedia Commons

De nalatenschap van het atoombombardement omvat dus zowel wetenschappelijke kennis als geleefde ervaring als wereldwijde inzet om een toekomstige atoomoorlog te voorkomen. Deze nalatenschap is verankerd in het Vredesmonument van Hiroshima, ook wel de Atoombomkoepel genoemd. Een Engelstalig gidsboek legt uit dat de koepel, een skelet van een van de weinige overeind gebleven bouwwerken nabij het hypocentrum, de herinnering aan de noodlottige dag in 1945 ‘bewaart’, en zo het onbeschrijfelijke leed vastlegt dat decennia geleden plaatsvond.

Voor de lokale bewoners zijn de herinneringen echter nog levend, niet bevroren in het verleden.

Reddingsacties per tram

Bij het Vredesmuseum van Hiroshima vertelt een overlevende hoe bewoners van naburige steden tegen het einde van die 6augustus 1945 te hulp schoten met handkarren en houten boten. Ontsnappings- en reddingsacties werden belemmerd door brandende wrakstukken. Lichamen van doden en nog stervenden bedekten de grond en de rivieren.

Desondanks kwamen de overlevenden zelf in actie. Ze maakten de tramrails vrij en repareerden de transmissiesystemen. Velen gaven hun laatste adem aan dit werk. Op 9 augustus, de derde dag na het bombardement, reed de eerste tram de nog nasmeulende stad binnen. De tramconducteurs waren 14-jarige studenten van de Hiroden Home Economics Girls’ School. Zij vervoerden reddingswerkers het verschroeide land in en evacueerden zwaargewonde mensen, meerdere keren per dag.

Sindsdien worden trams geassocieerd met de dood. Een onderzoek naar hibakusha uit 1986 laat zien dat een hoog percentage van de mensen met PTSS getriggerd wordt door beeltenissen van trams. Door de decennia heen bleven de trams echter de gemeenschap bedienen. In 2005 werd in een nieuw vervoersplan voorgesteld om de door de atoombom getroffen trams uit de dienstregeling te halen. Toen liet nieuw onderzoek zien dat de trams een symbool waren geworden van weerbaarheid, hoop en vrede voor de hibakusha en bewoners van Hiroshima.

Het Vredesmonument in Hiroshima. Foto: IFg2 op Wikimedia Commons

Zoals een passagier het verwoordde: “Ik neem graag de tram, niet zozeer voor het gemak, maar omdat ze nog steeds werken, na alle verschrikkelijke dingen die ze hebben doorstaan.” De gebombardeerde trams werden weer in gebruik genomen en werden zo een drijvende kracht in de gemeenschap.

Wie nu zo’n tram binnengaat, treft lange banken vol passagiers. Ze schuiven naar links en naar rechts om overzeese reizigers ruimte te geven naast hen te komen zitten. Er ontvouwt zich een klein gesprek. “We komen uit Californië.” “Ah, wat leuk. Hebben jullie het Vredespark al gezien?” Hier in de tram, waar de herinneringen van Hiroshima zo zichtbaar aanwezig zijn, groeit de kloof van de paddenstoelenwolk dicht, en verspreidt zich de hoop dat het leven een weg zal vinden voorbij de schaduw van het verleden.

Vertaald door Yi Fong Au

Over de auteur

 

Luli van der Does

Luli van der Does is universitair hoofddocent Herinnering en sociale psychologie bij het Center for Peace aan de universiteit van Hiroshima.


Beeld boven aan artikel

De twee overgebleven trams na het afwerpen van de atoombom op Hiroshima. Bron: Nkensei op Wikimedia Commons (CC BY-SA 3.0)

De nalatenschap van Japans daderschap en atomisch slachtofferschap in Nagasaki

De atoombom die in augustus 1945 op Nagasaki werd afgevuurd, had verwoestende gevolgen. Binnen een paar maanden was zo’n 30 procent van de bevolking van de Japanse stad overleden. Ter nagedachtenis aan de slachtoffers werd een gedenkpark ingericht. Maar de vondst van gevangenisruïnes onder het park leidde decennia later tot een complex debat over slachtofferschap versus oorlogsschuld.

In de ochtend van 9 augustus 1945 explodeerde boven het noordelijke deel van de stad Nagasaki, gelegen in het westen van Japan, de tweede atoombom. Een gebied van 1 kilometer rond het hypocentrum werd onmiddellijk met de grond gelijkgemaakt. De schokken van de atoomexplosie, het vuur en de straling verspreidden zich tot op meerdere kilometers rond het hypocentrum.1 Tegen het eind van 1945 waren er naar schatting 73.884 mensen door de bom omgekomen, ongeveer 30 procent van de bevolking van Nagasaki.2

Nagasaki na de atoombom. Foto: U.S. National Archives op Wikimedia Commons

De Urakami-gevangenis lag op slechts een paar honderd meter ten noorden van het hypocentrum, en was daarmee het dichtstbijzijnde openbare gebouw. De gevangenis, opgericht in 1927, huisde gedetineerden die veroordeeld waren voor misdaden als diefstal, fraude, intimidatie en misdrijven tegen de openbare orde en veiligheid. De atoombom verwoestte de gevangenis en zijn faciliteiten geheel. 134 mensen kwamen ter plekke om: 18 werknemers, 35 familieleden van werknemers die woonden in de dienstwoningen naast de gevangenis, en 81 gevangenen.3 Volgens The Nagasaki Atomic Bomb Damage Records betrof het “de grootste catastrofe in de penitentiaire geschiedenis van Japan”.4

Park van de Vrede

Na het einde van de oorlog in 1945 werden de overblijfselen van de slachtoffers verzameld en gecremeerd. Ook werden de gevangenisruïnes opgeruimd en werd het terrein afgevlakt voor stedelijke wederopbouw. Tussen 1951 en 1953 werd op het voormalige gevangenisterrein een groot openbaar park aangelegd, het Park van de Vrede.

Stadsfunctionarissen zagen het park als een plek waar plaatselijke slachtoffers van de atoombom herdacht konden worden. Daarnaast wilden ze benadrukken dat Nagasaki, als ‘laatste’ door een atoombom getroffen locatie, een einde aan de oorlog had gemaakt en vrede had gebracht in de wereld.

In de daaropvolgende decennia werden er in het vredespark verschillende gedenktekens en monumenten geplaatst. Hiermee werd het idee van Nagasaki als een sleutellocatie van atoomslachtofferschap en wereldvrede bestendigd. Het Standbeeld voor de Vrede, geplaatst in 1955, werd een van de meest iconische symbolen van de atoomnalatenschap van Nagasaki. Het staat voor de eeuwige wereldvrede en is opgedragen aan de slachtoffers van het bombardement. Sinds de plaatsing vindt er voor het standbeeld jaarlijks een officiële herdenkingsceremonie plaats op de jaardag van het bombardement.

Een ander iconisch symbool is de Fontein van de Vrede, aangelegd in 1969 en opgedragen aan de atoomslachtoffers die krijsend om water stierven. Bij de fontein kunnen mensen deze slachtoffers in gebed gedenken en stilstaan bij de wens voor eeuwige wereldvrede. Door de plaatsing van deze en andere gedenktekens werd het vredespark in de decennia na de oorlog een van de belangrijkste gedenklocaties in de stad waar atomisch slachtofferschap herdacht en de  wereldvrede gevierd wordt.

De ontdekking van ruïnes en ‘zwarte bladzijden’ uit de geschiedenis

In 1992, kort na aanvang van de bouw van een ondergrondse parking in het park, werd dit imago van het Park van de Vrede aangetast. Tijdens de bouwwerkzaamheden stootte men vlak onder het aardoppervlak op de fundering van de Urakami-gevangenis, precies op de locatie waar de officiële herdenkingsceremonie altijd plaatsvond.

Krantenartikelen uit die periode tonen dat de ontdekking van overblijfselen van de gevangenis een grote verrassing was voor de bevolking. Men had altijd gedacht dat er niets van de gevangenis was overgebleven of dat de restanten opgeruimd waren in de naoorlogse wederopbouw.

Veel bewoners waren ook niet voorbereid op de ‘zwarte bladzijden’ die de geschiedenis van de Urakami-gevangenis bleek te herbergen. Stadsreportages en grassroots onderzoeken brachten een interessant verband tussen de gevangenis en de oorlogsvoering van het Japanse Keizerrijk in Azië aan het licht. Zo werd bekend dat 32 van de 81 omgekomen gevangenen uit China afkomstig waren, waar Japanse troepen afschuwelijke krijgshandelingen hadden uitgevoerd, en dat daarnaast minstens 13 slachtoffers afkomstig waren uit Korea, een kolonie van het Japanse Keizerrijk.

Sommige slachtoffers waren onder dwang vanuit hun thuisdorpen naar Nagasaki gebracht om te werken in de mijnen. Anderen waren zelf naar Japan gekomen, op zoek naar voedsel en werk, en verstrikt geraakt in dwangarbeid of situaties met vergelijkbare slechte en ongenadige arbeidsomstandigheden. De reden van hun arrestatie en internering in de Urakami-gevangenis: vermeende ‘anti-Japanse’ activiteiten.

De ontdekking van de gevangenisruïnes en van het verband tussen de gedenklocatie en de misdadige oorlogsvoering van het Japanse Keizerrijk tijdens de oorlog in Azië, leidde tot een fel debat onder belangstellende burgers van Nagasaki. Wat moest Nagasaki doen met deze overblijfselen, die het verhaal vertellen van Japanse agressie, op een plek die in het teken staat van atomisch slachtofferschap en de wereldvrede? Een inhoudelijk ingewikkelde vraag, die nog eens werd bemoeilijkt door een praktische vraag, namelijk wat te doen met de jaarlijkse herdenkingsceremonie.

Bewaren van de ruïnes en het openstellen voor het publiek zou betekenen dat de officiële herdenking naar een andere locatie zou moeten verhuizen. Wanneer echter de officiële herdenking als gewoonlijk zou plaatsvinden, zouden de ruïnes moeten worden afgebroken, begraven of verplaatst om ruimte te maken. De verschillende meningen die onder de bevolking van Nagasaki de ronde deden, reflecteren verschillende ideologische opvattingen.

De Urakami-gevangenis na de atoombom. Foto: Nagasaki Atomic Bomb Museum

Historisch daderschap in een stad van slachtofferschap

Onder de mensen die zich uitspraken tégen het behoud van de gevangenisruïne, waren veel lokale politici van conservatieve politieke partijen, die de geneigdheid hebben tot witwassen of ontkennen van het Japanse daderschap tijdens de oorlog. De meesten van hen zwegen bij voorkeur over Koreaanse of Chinese ingezetenen. Er waren er ook die het bestaan van niet-Japanse gevangenen wel erkenden, maar dat geen reden vonden om de ruïnes te behouden.

Aan de andere kant van het ideologische spectrum stond een grote groep burgers die vóór het behoud van de ruïnes waren, juist omdat ze herinneren aan de rol van de stad Nagasaki in de Japanse oorlogsvoering. Zij stelden dat Nagasaki’s oproep voor wereldvrede hol zou klinken als de stad en haar burgers het historische daderschap van Japan niet onder ogen zouden komen. Veel van deze burgers hadden zich eerder al openlijk kritisch uitgelaten over de Japanse oorlogsvoering in Azië, hetgeen in Japan een teken is van linkse politieke overtuigingen.

Het lokale debat over de gevangenisruïnes in Nagasaki reikt echter dieper dan de strijd tussen politiek links en rechts in Japan. Het riep complexere vragen op. Want wat is om te beginnen de betekenis van het Park van de Vrede? Wie of wat heeft het recht herdacht te worden in de publieke ruimte? En voor wie is het vredespark eigenlijk bedoeld: de omliggende buurt, de hele stad, de nabestaanden? Of iedereen bij elkaar?

Volgens de burgers die vóór het behoud van de ruïnes waren, behoort het park toe aan iedereen. De tegenstanders legden juist de nadruk op de waarde van het park voor bewoners uit de buurt. Zij waren tegen de aanwezigheid van ‘duistere’ tastbare herinneringen in een ‘stralend’ buurtpark waar kinderen spelen, ouderen een wandeling maken en families bijeenkomen.

Het debat ging ook over de betekenis van de ruïnes. De tegenstanders zagen de ruïnes daarbij niet zozeer als atoomerfgoed, maar als oorlogserfgoed. Hun redenering was dat de ruïnes slechts de fundering van de gevangenis waren en dat ze geen zichtbare tekenen vertoonden van het atoombombardement. Zij waren er niet happig op het oorlogserfgoed tentoon te stellen in een stad die in het teken staat van de slachtoffers van het atoombombardement. Voor hen was de stad in de eerste plaats een gedenkplaats van atomisch slachtofferschap.

Voorstanders van behoud van de gevangenisruïnes betoogden daartegenover dat de ruïnes zonder meer atoomerfgoed zijn, omdat ze een plek tonen waar Koreaanse, Chinese en Japanse atoomslachtoffers zijn omgekomen. Zij zagen de waarde van de ruïnes als atoomerfgoed ook in de contextualisering van historische gebeurtenissen. De ruïnes geven in hun ogen inzicht in het waarom van het atoombombardement, door te herinneren aan het Japanse daderschap in de oorlog.

Tot slot ging het debat ook over de toeristische waarde van Nagasaki. In de decennia na de oorlog groeide het vredespark uit tot een van de meest populaire toeristische trekpleisters in de stad. In de jaren negentig ging het om bezoekersaantallen van rond de 2 miljoen per jaar. De bewoners waren eenstemmig over de toeristische waarde van het park, maar verschilden van mening over wat toeristen eigenlijk wilden zien.

Voorstanders zagen het behoud van de ruïnes als een ideale manier om aan de wereld te laten zien dat zij, de stad en haar bewoners, het Japanse daderschap oprecht onder ogen kwamen. Zij stelden dat het park daarmee aantrekkelijk zou worden voor bezoekers uit het buitenland, met name uit Azië. Tegenstanders stelden dat toeristen helemaal geen behoefte hebben om gevangenisruïnes te zien en dat het behoud ervan in het nadeel zou werken van de toeristische aantrekkingskracht van het park.

Het vrijheidsbeeld in het Park van de Vrede in Nagasaki.. Foto: Aomi Mochida

Verwerkingsproces

Het debat over de gevangenisruïnes van Nagasaki laat de complexiteit en veelgelaagdheid zien van de omgang met tastbare sporen van een historisch daderschap. Niet alleen raken de verschillende meningen over het behoud van de ruïnes aan cruciale vragen rondom erfgoed, toerisme en de representatie van de oorlogsgeschiedenis van Nagasaki en Japan.

De gang van zaken rond de Urakami-ruïnes geeft ook een interessant inkijkje in het lastige verwerkingsproces van Japanse burgers, die geconfronteerd werden met een tastbare nalatenschap van het slachtoffer en dader zijn. Uiteindelijk besloot Nagasaki in 1992 tot een compromis. De ene helft van de ruïnes werd in stukken opgebroken en verplaatst naar een andere locatie om ruimte te maken voor de officiële herdenking van de slachtoffers van het atoombombardement. De andere helft werd behouden en opengesteld voor het publiek.

Die (gedeeltelijke) conservatie van de gevangenisruïnes in Nagasaki past binnen een bredere, nationale ontwikkeling die in de jaren negentig in Japan plaatsvond. Het naderen van de 50e jaardag van het einde van de Tweede Wereldoorlog, en de realisatie dat de generatie die de oorlog nog had meegemaakt zou uitsterven, leidde ertoe dat in Japan meer plekken die een verband hadden met de oorlog werden aangewezen als erfgoedlocatie. Lokale erfgoedorganisaties selecteerden diverse locaties die konden dienen als ‘levende getuigen’ van de oorlog, en die zowel het verhaal van Japan als oorlogsslachtoffer als dat van Japan als dader vertelden.

Voortdurende controverse

En nu, zo’n dertig jaren verder? De resten van de Urakami-gevangenis liggen nog steeds in het midden van het Park van de Vrede, omringd door een goed onderhouden gazon. Het meest recente gedenkbord uit 2009 maakt melding van de aanwezigheid van Chinese en Koreaanse gevangenen onder de slachtoffers, maar geeft geen uitleg hoe en waarom zij in Nagasaki en haar gevangenis terechtkwamen.

Ondanks herhaalde verzoeken van burgerbewegingen weigert de stad het bord aan te passen en ook de geschiedenis van kolonisatie en dwangarbeid te vermelden. Ze geven als reden dat “er onder bewoners meerdere perspectieven zijn over deze kwesties”. Het besluit in 1992 om de ruïnes gedeeltelijk te behouden maakte dus bepaald geen einde aan de controverse.

De representatie van de plaatselijke oorlogsgeschiedenis blijft een voortdurend onderwerp van discussie in Nagasaki, zoals ook op veel andere plaatsen in Japan het geval is. Gelegen in een stad en in een natie die worstelt met de representatie van Japans slachtofferschap en daderschap, zullen de ruïnes van de Urakami-gevangenis voor de nabije toekomst dus een twistpunt blijven.

Vertaald door Yi Fong Au

Over de auteur

 

Aomi Mochida

Aomi Mochida is als PhD-kandidaat verbonden aan de Radboud Universiteit en het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies. Zij werkt aan een proefschrift over de wisselwerking tussen herinneren en vergeten bij historische WOII-locaties in Japan die een verband hebben met Japans daderschap en oorlogsvoering.


Noten

1 Ikuo Morinaga, 長崎被爆50周年事業 被爆建造物等の記録 (Records of A-Bombed Buildings). Nagasaki: Nagasaki City, 1996, p. 8-9.

2 Nagasaki City, Nagasaki Atomic Bomb Museum (Pamphlet). Nagasaki, n.d.

3 Nagasaki Atomic Bomb Museum (ed.), The Nagasaki Atomic Bomb Damage Records, General Analysis Version, Vol. 1 (Revised Ver.), part 2, section 2, chapter 2. Nagasaki: Nagasaki City, 2006; https://www.peace-nagasaki.go.jp/abombrecords/index-e.html.

4 Idem.


Foto boven aan artikel

Nagasaki na de atoombom. Bron: National Museum of the U.S. Navy/ National Archives op Wikimedia Commons

De herinneringspolitiek van digitale platformen

Welke video’s over de oorlog in Syrië zijn er op YouTube te vinden, en welke komen er boven aan de lijstjes met voorgestelde filmpjes te staan als je een gerichte zoekopdracht geeft? Het antwoord hierop laat zien dat online platformen de documentatie van oorlogen en conflicten niet alleen faciliteren, maar ook op allerlei manieren sturen en modereren.

In de zomer van 2017 verwijderde YouTube van de een op de andere dag duizenden video’s die tijdens de almaar voortdurende oorlog in het land waren opgenomen en geüpload door Syrische activisten en burgers. Hoe dat kwam? Het videoplatform veranderde iets in zijn algoritme dat voortdurend scant of er videomateriaal op het platform geüpload is dat er volgens de regels van het platform niet op hoort te staan. In de verwijderde video’s waren schokkende beelden te zien die horen bij deze oorlog: verminkte lichamen, dode kinderen, mensen die happen naar adem doordat ze in aanraking zijn gekomen met zenuwgas.

Chris Woods, de directeur van Airwars, een organisatie die luchtaanvallen op burgers monitort, reageerde in de New York Times op de plotselinge verdwijning van de ooggetuigenvideo’s. Hij zei: “Wat er recht voor onze ogen verdwijnt, is de geschiedenis van deze verschrikkelijke oorlog.”1

In dit artikel zet ik uiteen hoe het samenspel tussen een platform en platformgebruikers ertoe leidt dat bepaalde representaties van het verleden dominant worden en andere worden vergeten of zelfs verdwijnen. Het betreft een proces dat belangrijk is om te snappen én te monitoren, omdat de commerciële platformen die wereldwijd als communicatiemiddel worden gebruikt, geen enkele verantwoording hoeven af te leggen over wat bewaard blijft en wat niet. En dat terwijl ze voor veel gebruikers, waaronder burgerjournalisten, activisten en mensenrechtenorganisaties, wel als archief fungeren.2

Aan de hand van het voorbeeld van de oorlog in Syrië en de manier waarop deze wordt gedocumenteerd op YouTube, wil ik laten zien hoe herinnering verstrengelt met de manier waarop dit platform werkt. Eerst zal ik echter kort stilstaan bij onderzoek dat gedaan wordt naar digitale herinnering, waaronder mijn eigen onderzoek.

Retorische oorlogen

Ook al zette YouTube na groot protest van gebruikers veel video’s terug, het bovenstaande voorbeeld laat zien hoe digitale platformen de documentatie van oorlog faciliteren en tegelijkertijd ook enorme invloed kunnen uitoefenen op wat we zien en wat bewaard blijft. Steeds meer wetenschappelijk onderzoek binnen het veld van digitale herinneringsstudies (digital memory studies) richt zich op deze dynamiek.

Zo hebben Ellen Rutten en collega’s bijvoorbeeld onderzoek gedaan naar web wars over herinneringen aan conflicten in postsocialistische staten.3 Deze online retorische oorlogen beïnvloeden de constructie van nationale identiteit in sterke mate, aldus Rutten c.s. Rutten bouwt voort op het werk van onder anderen Andrew Hoskins.4 Hoskins beargumenteert dat online digitale media ervoor hebben gezorgd dat het makkelijker is bij te dragen aan de representatie van het verleden. Hoskins meent daarom dat het collectieve geheugen meer fluïde, bottom-up en diffuus is geworden en minder institutioneel.

Voor mijn eigen onderzoek ontwikkelde ik het concept ‘digitaal herinneringswerk’ (digital memory work) om deze dynamiek beter te begrijpen. Herinneringswerk is al zo oud als de mensheid en verscheidene technologieën en technieken maken al lang deel uit van dit fenomeen, van grottekeningen en rituelen tot het schrift en televisie. Herinneringswerk kan persoonlijke vormen aannemen (denk aan het schrijven van een dagboek) of collectief zijn (zoals bij nationale herdenkingsdagen).

Beginscherm van de livestream op YouTube van de herdenking van de razzia in Putten, 2 oktober 2020. Een voorbeeld van herinneringswerk. Foto: YouTube

Herinneringswerk omvat dus de overlevering en reconstructie van kennis en ervaringen van verleden naar heden en de toekomst, maar ook het vergeten hiervan. Vandaag de dag spelen digitale platformen zoals YouTube, Facebook en Wikipedia een groeiende rol in dit proces. Platformen faciliteren, vormen en beperken herinneringswerk op eigen wijze, net als eerdere mediatechnologieën zoals de krant of televisie dat deden en doen. Platformen zijn dus geen neutrale instrumenten (hoewel ze vaak claimen dat wel te zijn). Ze maken actief deel uit van het herinneringswerk. Hoe werkt dit in de praktijk?

Tags, views en categorieën

YouTube-gebruikers uploaden gezamenlijk ongeveer 500 uren aan videomateriaal per minuut.5 De inhoud van deze video’s kan variëren van de eerste stapjes van een kind tot een opname van de heimelijke lancering van een raket. Zolang de video’s zich houden aan YouTubes ‘Regels voor Beleid, Veiligheid en Auteursrecht’ en ‘Communityrichtlijnen’ mag alles gedeeld worden op het platform.

Om hun materiaal zoek- en vindbaar te maken, moeten gebruikers hun video’s rudimentair archiveren, ordenen en categoriseren. Dat wil zeggen dat video’s titels, beschrijvingen en tags nodig hebben. In termen van de vind- en zoekbaarheid van een video is dit zelfs belangrijker dan de populariteit van een video (gemeten in het aantal views). Dit is de reden waarom YouTubers veel tags geven, uitgebreide beschrijvingen plaatsen bij hun video’s of lange titels gebruiken. Het rudimentair archiveren van video’s zorgt ervoor dat een zoekalgoritme (in het geval van YouTube: die van Google) zijn werk kan doen.

Daarnaast kunnen gebruikers videomateriaal ordenen door afspeellijsten te maken van (hun eigen) video’s. Sommige YouTubers zijn beter in het ‘archiveren’ van hun video’s dan andere, waardoor hun video’s zichtbaarder worden en ook jaren later nog vindbaar zijn.

Daarnaast speelt YouTube zelf een actieve rol in wat een gebruiker te zien krijgt, op ten minste vijf manieren. Ten eerste zijn zoekresultaten gesorteerd op basis van relevantie. Onder relevantie wordt hier verstaan hoe goed zoekresultaten matchen met titels, tags en beschrijvingen. Ten tweede laat YouTube gebruikers kiezen tussen voorgedefinieerde categorieën zoals ‘nieuws en politiek’ of ‘activisme’. Dit helpt het ordenen, maar stuurt natuurlijk ook. Ten derde degradeert YouTube algoritmisch video’s die bloederig of aanstootgevend worden bevonden, en zorgt er zo voor dat ze minder zichtbaar zijn. Ten vierde anticipeert Google op zoekgedrag door automatisch zoekopdrachten af te maken (autocomplete genaamd).

Maar het belangrijkste geautomatiseerde proces dat bepaalt wat gebruikers te zien krijgen op het platform is het vijfde: personalisatie. Iedere YouTube-gebruiker krijgt andere zoekresultaten te zien die gebaseerd zijn op eerder zoekgedrag, locatie en gebruikersprofiel.

Burgers, activisten, journalisten

Samen met twee collega’s heb ik onderzocht hoe de hierboven beschreven mechanismen het herinneringswerk ten aanzien van de oorlog in Syrië beïnvloeden.6 Dit conflict wordt sterk gemedieerd, niet door professionele journalisten, maar vooral door burgers en activisten, die met hun smartphones video’s maken van (de nasleep van) militair geweld en deze uploaden op YouTube.

Kaart waarop de aanvallen van 21 augustus 2013 zijn ingetekend. Foto: Wikimedia Commons

We vroegen ons in dit onderzoek af wiens video’s van de chemische wapenaanval op de wijk Ghouta op 21 augustus 2013 zichtbaar werden in de door ons geanonimiseerde zoekopdrachten. Daarnaast waren we benieuwd welke verhaalkaders (frames) gebruikt werden in de vaakst getoonde video’s. Dit gaf ons een goed beeld wiens herinneringswerk eigenlijk het effectiefst was, hoe dit bewerkstelligd werd en welke rol YouTube hierin speelde.

In eerste instantie was onze verwachting dat video’s van getuigen boven aan de zoekresultaten zouden staan en dat vooral hun herinneringswerk effectief zou zijn. In de literatuur wordt namelijk vol hoop gekeken naar het democratiserende potentieel van digitale media: iedereen zou nu zijn of haar kijk (letterlijk) kunnen toevoegen aan het verhaal van het verleden. We vonden iets anders, namelijk dat de populairste en meest zichtbare video’s over deze aanval compilaties waren van getuigenvideo’s, gemaakt door professionele, commerciële media. Op zich hoeft dit geen probleem te zijn, maar toen we keken naar de frames die gebruikt werden in de video’s vonden we dat vooral een sceptisch, bevragend frame overheerste: had de aanval wel echt plaatsgevonden?

Ook hierbij kan je je afvragen of dit zo erg is. Immers, er worden ook incidenten in scène gezet en op YouTube geüpload. Het echte probleem werd pas duidelijk aan het eind van het onderzoek. De originele video’s van getuigen die zichtbaar waren en die wij hadden opgenomen in onze dataset verdwenen na verloop van tijd van YouTube, terwijl de compilaties met de bevragende frames bleven bestaan. Dit viel deels te verklaren door de grote geautomatiseerde ‘opschoonactie’ die ik beschreef in het begin van dit artikel.

Uit ons onderzoek trokken we een aantal conclusies. Ten eerste werd duidelijk dat de manier waarop video’s door gebruikers worden ‘gearchiveerd’, doorslaggevend is voor de zichtbaarheid van bepaalde versies van het verleden. Wat voor de video van een vlogger of influencer geldt, geldt ook voor in potentie belangrijk historisch materiaal. Daarnaast kan dezelfde getuigenvideo worden hergebruikt voor verschillende politieke doeleinden. Welke compilatie zichtbaar blijft, heeft voor een groot deel te maken met de digitale vaardigheid van een uploader.

Bovendien werd duidelijk dat YouTube herinneringswerk niet alleen faciliteert, maar ook stuurt of er deel van uitmaakt. Het automatisch rangschikken van video’s op basis van ‘relevantie’ is een mild voorbeeld, terwijl het automatisch verwijderen van videomateriaal een sterke interventie is in herinneringswerk.

#4mei

Digitaal herinneringswerk manifesteert zich in veel meer vormen dan hierboven beschreven. Denk bijvoorbeeld aan het gezamenlijk reconstrueren van historische gebeurtenissen op Wikipedia, stilstaan bij het oorlogsverleden via #4mei op Twitter of het herbeleven van het verleden middels een digitale game. Wat echter voor bijna al het digitale herinneringswerk geldt, is dat platformen dit steeds meer faciliteren en vormen, en middels hun onderliggende (algoritmische) technologie ook steeds meer zelf aan herinneringswerk doen.

Screenshot uitCall of Duty WWII (Activision, 2017). Foto: Mobygames

Als ‘levend archief’7 faciliteert YouTube het doorgeven van kennis, ervaringen, ooggetuigenverslagen, culturele uitingen en gebruiken. Maar de ene partij weet simpelweg beter hoe zichtbaarheid en vindbaarheid vergroot kunnen worden dan de andere. Bovendien verandert YouTube constant zijn gebruikersvoorwaarden en laat algoritmen deze voorwaarden en richtlijnen afdwingen. Zo wordt het platform zelf een speler in plaats van een neutraal instrument in herinneringswerk.

Platformen bieden mogelijkheden voor de democratisering van de herinnering en geschiedenis, maar we moeten niet vergeten dat ze hypercommercieel zijn en geen enkele verantwoording hoeven af te leggen over wat bewaard blijft en wat niet. Dit terwijl ze wel steeds meer beïnvloeden hoe en wat we ons herinneren, als samenleving en als digitaal genetwerkte individuen. Laten we daarom vooral kritisch onderzoek blijven doen naar deze platformen en de manieren waarop zij collectieve en individuele herinnering faciliteren en beïnvloeden.

Over de auteur

 

Rik Smit

Rik Smit is universitair docent en onderzoeker bij het Center for Media and Journalism Studies (CMJS) van de Rijksuniversiteit Groningen. Zijn onderzoek richt zich op de intersecties van memory studies, digitale cultuur en nieuwe media.


Noten

1. M. Browne, ‘YouTube removes videos showing atrocities in Syria’, New York Times, 22 augustus 2017.

2. A.V. Banchik, ‘Disappearing acts: Content moderation and emergent practices to preserve at risk human rights-related content’. New Media & Society, 2020.

3. E. Rutten, J. Fedor & V. Zvereva (red.), Memory, Conflict and New Media: Web Wars in Post Socialist States. London/New York: Routledge, 2013.

4. A. Hoskins, ‘Digital network memory’, in: A. Erll & A. Rigney, Mediation, Remediation, and Dynamics of Cultural Memory (p. 27-43). Berlijn en New York: Walter de Gruyter, 2009.

5. J. Hale, ‘More Than 500 Hours Of Content Are Now Being Uploaded To YouTube Every Minute’, 7 mei 2019.

6. R. Smit, A. Heinrich & M. Broersma, ‘Witnessing in the new memory ecology: memory construction of the Syrian conflict on YouTube’, New Media & Society, jrg. 19 (2017) nr. 2, p. 289–307.

7. Susan Aasman, ‘Finding Traces in YouTube’s Living Archive: Exploring Informal Archival Practices’, TMG Journal for Media History, jrg. 22 (2019) nr. 1, p 35–55.


Foto boven aan artikel

Screenshot uit een video over de aanval op de wijk Ghouta, 2013. In de video is te zien hoe vaten met gifgas vanaf vrachtwagens worden weggeschoten. Bron: YouTube-kanaal Human Rights Watch

“Holocaust-educatie op locatie maakt de geschiedenis tastbaar”

Met busladingen tegelijk komen scholieren naar historische locaties zoals Nationaal Monument Kamp Vught en de Hollandsche Schouwburg. De schokkende geschiedenis van deze plaatsen raakt hen vaak diep. Maar weten ze daarna echt meer over de Holocaust? Een paar betrokken deskundigen reflecteren op die vraag.

De IHRA – de International Holocaust Remembrance Alliance – noemt in het onlangs verschenen Recommendations for Teaching and Learning about the Holocaust een aantal belangrijke doelen van Holocaust-onderwijs: het kennisniveau van leerlingen over deze geschiedenis vergroten en de herinnering aan de vervolgde en vermoorde groepen levend houden. Ten slotte dienen scholieren te leren reflecteren op de relevantie van de geschiedenis van de Holocaust voor bepaalde belangrijke politieke en morele thema’s vandaag de dag.1

Marc van Berkel, docent aan de lerarenopleiding geschiedenis van de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen, vertelt dat docenten steeds meer de nadruk leggen op dat laatste aspect. Ze willen dat hun leerlingen lessen trekken uit de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog  – leren van. En leerlingen zelf willen dat ook, zo blijkt uit onderzoek van Van Berkel. 56 procent van de jongeren is geïnteresseerd in de Tweede Wereldoorlog en zeven op de tien menen dat ze ervan kunnen leren. Maar: ze hebben vaak weinig feitenkennis – het ontbreekt dus aan leren over.

IHRA Recommendations for Teaching and Learning about the Holocaust. Foto: IHRA

Lichtpuntjes

Docenten kiezen dikwijls voor een bezoek aan een locatie als Nationaal Monument Kamp Vught, een van de drie voormalige Nederlandse concentratiekampen die nu te bezoeken zijn als herinneringscentrum, om hun leerlingen meer over de oorlog te leren. Maar wat voor soort kennis kunnen deze bezoeken bijdragen, en hoe wordt die kennis overgebracht?

“Scholen komen hier graag omdat een authentieke plek als deze echt iets toevoegt aan hun beleving en hen in staat stelt een brug naar het verleden te slaan,” vertelt directeur Jeroen van den Eijnde. “Kinderen vertonen soms uitgelaten schoolreisjesgedrag als ze hier aankomen, maar tijdens de rondleiding worden ze geraakt door de plek en het verhaal.” Alle nadruk ligt op de locatie, dat is volgens hem ook de wens van de scholen. “Ze komen hier voor de plek; die willen ze ervaren. De rondleiding voor scholen is daarom helemaal daaraan gewijd.

Per niveau kijken we wat passend is. Aan basisschoolkinderen vertellen we niet over de 74 vrouwen die hier een nacht werden opgesloten in één krappe cel. We vertellen het verhaal ook nooit zo dat het alleen maar naargeestig is. Er zijn ook lichtpuntjes: mensen toonden moed en solidariteit, en er ontstonden vriendschappen.”

Van Berkel stelt dat het belangrijk is om de historische context goed uit te leggen en dat kan bij jongeren heel goed aan de hand van dergelijke persoonlijke verhalen. Ook Kamp Vught werkt zo. Van den Eijnde: “We vertellen het verhaal van deze plek aan de hand van persoonlijke belevenissen van kinderen. Een daarvan is Roosje Mozes, een meisje dat hier echt heeft verbleven. Dat maakt het heel concreet voor leerlingen. De naam van Roosje op het kindermonument glimt door de vele vingers die eroverheen hebben gewreven.”

Een gedeelte van het terrein van Nationaal Monument Kamp Vught met onder meer het Kindermonument en een replica van een wachttoren. Foto: Bertknot op Wikimedia Commons (CC BY-SA 2.0)

Geen gruwelijke beelden

In reguliere jaren ontvangt Kamp Vught ruim 70.000 bezoekers, waarvan de helft uit scholieren bestaat. Er zijn aparte programma’s voor zevende- en achtstegroepers en voor middelbare scholieren. Het expositiegebouw van het kamp is in 2019 helemaal vernieuwd met drie aparte ontvangstruimtes voor scholieren.

Individuele bezoekers maken ook een rondgang door het hoofdgebouw, terwijl de scholieren een eigen route volgen en zich concentreren op de buitenruimte. Juist daar staan de elementen die grote indruk maken, zoals de wachttorens, een nagebouwde barak en een monument ter herdenking van de 1269 kinderen die in juni 1943 vanuit het kamp naar Sobibor werden gedeporteerd.

De interactieve tentoonstelling Kind onder Vuur, oorlog en vrijheid in Nationaal Monument Kamp Vught. Foto: Max Kneefel

Maar hoe vertel en verbeeld je die vaak gruwelijke verhalen op een passende manier? Bij de nieuwe indeling van Kamp Vught is gebruikgemaakt van de eigen educatieve ervaringen en van de adviezen van twee panels van experts, één voor educatie en één voor museale aspecten. Van den Eijnde: “Op hun advies tonen we geen gruwelijke foto’s, maar benoemen de vreselijke gebeurtenissen in toelichtende teksten. Ook ervaringen elders leren dat dat beter is: bij het Washington Memorial hadden ze aanvankelijk afscheidingswanden gezet bij gruwelijke foto’s, maar al gauw trokken die juist mensen aan.”

Van Berkel ondersteunt deze aanpak. “Gruwelijkheden kunnen traumatiserend zijn voor kinderen, zeker als ze zelf uit een oorlogsregio komen of andere geweldservaringen hebben. Verschillende onderzoekers menen daarnaast dat het gebruik van horrorbeelden het tegenovergestelde effect kan hebben van wat wordt beoogd. Jongeren kunnen hierdoor juist ‘verdoofd’ raken.” Van Berkel noemt hierbij onder meer het onderzoek van Elaine Culbertson uit 20162 en dat van Cornelia Brink uit 2000,3 naast het werk van Shulamit Imber, Holocaust-expert van Yad Vashem.

Tien fasen van genocide

Ook het Nationaal Holocaust Museum, onderdeel van het Joods Cultureel Kwartier in Amsterdam, trekt veel schoolklassen. Het museum heeft drie jaar proefgedraaid en gaat in 2022 officieel open. “We streven naar 150.000 bezoekers,” zegt educatief medewerker Inger Schaap, “van wie er ongeveer 20.000 scholieren tussen de tien en zestien jaar zullen zijn.”

Het museum omvat deportatieplaats de Hollandsche Schouwburg en de voormalige Hervormde Kweekschool ertegenover, vanwaar 600 Joodse kinderen werden weggesmokkeld en zo aan de vernietigingskampen ontkwamen. Een geschiedenis die diepe indruk maakt op de scholieren, vooral als ze op de plek staan waar de Joodse kinderen werden overgedragen aan het verzet.

Ontwerp van het nieuwe Nationaal Holocaust Museum. Foto: Nationaal Holocaust Museum

Bij de educatieve opzet gebruikt het museum de theorie van de Amerikaanse jurist Gregory Stanton als kapstok. Stanton vatte het proces van genocide samen in een model dat tien ‘voorspelbare, maar niet onomkeerbare’ stappen onderscheidt.  Onderzoek heeft aangetoond dat een stapsgewijze uitleg de Holocaust beter te begrijpen maakt. Anders blijft het voor veel leerlingen toch te abstract.

Schaap: “Tijdens de pilotfase hebben we jongeren opdrachten laten uitvoeren met behulp van Stantons model. We vroegen hen de verschillende fasen te onderzoeken en de mogelijkheden tot verzet te benoemen. Daarna legden we de link naar de actualiteit. Wat zien ze vandaag de dag? Wat kunnen ze doen? Jongeren zien zo bijvoorbeeld dat wij-zij-denken een eerste stap is. We proberen het natuurlijk niet te veel te vereenvoudigen. Pesten bijvoorbeeld leidt niet automatisch tot genocide.”

Het bezoek aan het Nationaal Holocaust Museum is voor veel scholen onderdeel van een lessenreeks. Het museum biedt een voorbereidend programma dat context geeft, al maken lang niet alle docenten daar gebruik van – vaak kiezen ze een eigen aanpak. De leerlingen worden ontvangen door educatief medewerkers en rondleiders die uitgaan van de zogeheten I ASK-methode, die erop is gericht een dialoog tussen de rondleider en de toehoorders te bereiken. Vervolgens stemmen de rondleiders hun verhaal af op het kennisniveau en de vragen van de groep.

Ongepaste opmerkingen

Volgens terugkerende berichten in de media hebben docenten moeite om in lessen de Holocaust nog ter sprake te brengen omdat sommige groepen daar niet over zouden willen horen. “Dat is niet aangetoond in onderzoek”, zegt Van Berkel. Hij promoveerde in 2017 op de weergave van de Holocaust in Nederlandse en Duitse leermiddelen. Momenteel doet hij onderzoek naar de relevantie van Holocaust- en oorlogseducatie voor het burgerschaps- en geschiedenisonderwijs. Daarvoor heeft hij inmiddels 60 docenten en 1500 leerlingen ondervraagd.

“Van de docenten die ik heb gesproken, heeft bijna niemand te maken met Holocaust-ontkenning. Er zullen kinderen zijn die thuis met anti-Joodse gevoelens worden opgevoed, maar die gedragen zich over het algemeen niet militant. Misschien geloven ze gewoon niet dat de Holocaust heeft plaatsgevonden. Als ze zich toch afwijzend opstellen, zou ik aanraden met hen in gesprek te gaan.”

Ook Van den Eijnde en Schaap merken weinig van Holocaust-ontkenning. Van den Eijnde: “Wel krijgen we soms ongepaste opmerkingen. Dan noemen ze de ovens in het crematorium bijvoorbeeld ‘pizza-oven’. Een deel van onze vrijwillige rondleiders heeft trainingen van de Anne Frank Stichting gevolgd om hiermee om te gaan. Ze werken volgens de LSD-methode: Luisteren, Samenvatten en Doorvragen. Ze herhalen en herformuleren zo’n opmerking, vragen een bevestiging van hun samenvatting en stellen daar een vraag over. Zo proberen ze erachter te komen waarom een leerling zich op deze manier uitlaat. Vervolgens bespreken ze waarom deze opmerking als kwetsend kan worden ervaren of ongepast is.”

In het Holocaustmuseum wordt ook daarvoor de I ASK-methode ingezet. Schaap: “Het Israëlisch-Palestijnse conflict roept soms reacties van jongeren op. In zulke gevallen stellen we vragen, maar we veroordelen hen niet. We laten leerlingen altijd in hun waarde.”

Leerlingen raadplegen het Joods Monument, een online monument voor de Nederlandse slachtoffers van de Holocaust. Foto: David Rozing

Tastbare geschiedenis

De vraag blijft wat Holocaustlessen op locatie nu precies opleveren. De impact van deze vorm van educatie is moeilijk vast te stellen, erkent Schaap. “De verwachtingen zijn torenhoog, net als bij het burgerschapsonderwijs. Het streven is ‘betere burgers’ te maken, maar dat kan nooit in één bezoek. Het gaat meer om kleine speldenprikjes tijdens het hele onderwijstraject, waarin leerlingen worden gewezen op hun eigen verantwoordelijkheid en het belang van democratische waarden.”

Omdat Holocaust-onderwijs tegenwoordig vaak wordt ingezet voor andere zaken, zoals maatschappelijke bewustwording, boeten leerlingen volgens haar in aan kennis. “Om de Holocaust echt te begrijpen, moeten ze ook de feiten kennen. We moeten waken voor de instrumentalisering van de Holocaust.”

Van den Eijnde en Van Berkel beamen dat. Maar leveren lessen op locatie ook meer kennis op – de eerste aanbevolen stap in de richtlijnen van de IHRA? Volgens Van Berkel niet per se.  “Als ik leerlingen vraag wat hun kennisbronnen zijn als het over de Holocaust gaat, verwijzen ze meestal naar het onderwijs en speelfilms. Ze noemen musea en herdenkingsinstellingen veel minder.”

Toch betekent dat volgens hem niet dat het onderwijs op een historische locatie zinloos is. Ze leren er misschien niet altijd over, maar zeker wel van de Holocaust. “Vaak komen er scholen uit de regio op bezoek. De leerlingen ondervinden daardoor dat de vreselijke geschiedenis van vervolgingen zich ook in hun buurt heeft afgespeeld. Dat maakt geschiedenis tastbaar. Dat is heel belangrijk, want steeds minder jongeren hebben opa’s en oma’s die de oorlog nog hebben meegemaakt. Zo gaat de oorlog toch voor hen leven.”

Over de auteur

 

Mirjam Janssen. Foto: Anne van Gelder

Mirjam Janssen heeft geschiedenis gestudeerd en is medewerker van Historisch Nieuwsblad. Ze schreef Liefde in de Lage Landen. Een portret van Nederland in 15 huwelijken (Spectrum, 2020). Daarnaast verzorgt ze schrijfcursussen, onder meer de workshop “Schrijven over geschiedenis”.


Noten

1 IHRA, Recommendations for Teaching and Learning about the Holocaust (International Holocaust Remembrance Alliance, 2015). Binnenkort verkrijgbaar in het Nederlands. Hier gratis te downloaden.

2  Elaine Culbertson, ‘A Reflection on the Use of Iconic Holocaust Resources’. In Essentials of Holocaust Education: Fundamental Issues and Approaches, red. Samuel Totten en Stephen Feinberg. Routledge/Taylor & Francis Group, 2016.

3  Cornelia Brink, ‘Secular Icons: Looking at Photographs from Nazi Concentration Camps’. History and Memory 12, nr. 1 (2000).


Verder lezen

M.L.F. van Berkel, Wat weten Nederlandse jongeren over de Tweede Wereldoorlog? Een onderzoek naar kennis, kennisbronnen en attitudes van Nederlandse scholieren in het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs (2018).

Marc van Berkel, ‘De toekomst van educatie over de Holocaust: zijn de lessen van Auschwitz geschikt voor burgerschapsvorming?’. In: Kennisbasis Lerarenopleiders, katern 6: vorming in de lerarenopleiding (VELON 2018), p. 149-160.


Foto boven aan artikel

De nieuwe vaste tentoonstelling in Nationaal Monument Kamp Vught met aandacht voor het bunkerdrama. Bron: Nationaal Monument Kamp Vught / DigiDaan

4 en 5 mei als immaterieel erfgoed

Het lijkt bijna een trend: rituelen rondom herdenken en herinneren streven steeds vaker naar het predicaat ‘immaterieel erfgoed’. Naast de Nationale Herdenking op 4 mei en de Nationale Viering van de Bevrijding op 5 mei, die in 2019 gezamenlijk werden bijgeschreven in de Inventaris Immaterieel Erfgoed in Nederland, kregen ook de viering van het Leidens Ontzet en de Keti Koti-viering in Rotterdam een plek. Wat betekent het om ‘erkend’ te worden als immaterieel erfgoed? Waar liggen kansen, waar uitdagingen?

Als hoofd Kennisontwikkeling van Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed Nederland is immaterieel erfgoed mijn dagelijks werk. Ons centrum is verantwoordelijk voor de implementatie van het UNESCO-verdrag inzake de bescherming van het Immaterieel Cultureel Erfgoed, dat door Nederland in 2011 werd ondertekend.

Voor een goed begrip is het belangrijk om je te realiseren dat herdenkingen op zichzelf geen immaterieel erfgoed zijn. Het gaat UNESCO om de rituele uitingsvormen die tijdens de herdenking plaatsvinden en die de deelnemers ‘een gevoel van identiteit en continuïteit’ geven, zoals het in het verdrag staat geformuleerd. Bij 4 en 5 mei moet je dan bijvoorbeeld denken aan het ritueel van twee minuten stilte, het blazen van de Taptoe en het ontsteken van het Bevrijdingsvuur.

Het UNESCO-verdrag biedt een helder en inspirerend kader voor een dynamische omgang met immaterieel erfgoed. Zo betekent ‘immaterieel erfgoed behouden’ volgens UNESCO dat je het soms moet veranderen om het op die manier een toekomst te geven. Met andere woorden: immaterieel erfgoed moet steeds weer opnieuw herijkt worden, en daarbij passen soms nieuwe rituele vormen die beter aansluiten bij onze tijd.

Een tweede belangrijke notie van het verdrag is dat UNESCO de verantwoordelijkheid voor dit immaterieel erfgoed legt bij clubs of organisaties als het Nationaal Comité 4 en 5 mei, die als organisatoren of hoeders van dit immaterieel erfgoed willen optreden om het een toekomst te geven. In Nederland bieden organisaties zoals het Kenniscentrum daarbij ondersteuning. Ook doen wij onderzoek.

UNESCO biedt vooral een ondersteunend platform voor nationale en internationale uitwisseling. Zo kan het bijvoorbeeld voor het Nationaal Comité 4 en 5 mei interessant zijn om ervaringen uit te wisselen met de mensen en instellingen die betrokken zijn bij de traditie van The Last Post in Ieper, die op de Vlaamse Inventaris Immaterieel Erfgoed staat.

Leidens Ontzet 1953 (3 oktoberfeest). Er wordt haring en wittebrood uitgedeeld. De viering van Leidens Ontzet is zelf ook een traditie geworden, sinds 1886 tot de dag van vandaag gevierd. Foto: Fotocollectie Anefo/ Nationaal Archief

Toekomstbestendig maken

Bij een herdenking van een historische gebeurtenis als de Tweede Wereldoorlog is naar mijn mening de grote vraag hoe je rituelen zoals de Taptoe of het ontsteken van het Bevrijdingsvuur relevant kan houden voor nieuwe generaties die de oorlog niet hebben meegemaakt. Of voor wie heel andere oorlogen verser in het geheugen liggen – neem een Syrische vluchteling die de burgeroorlog in eigen land ontvluchtte.

Er wordt gelukkig al druk geëxperimenteerd met nieuwe rituele vormen. Om mensen met vele verschillende achtergronden bijeen te brengen, werden bijvoorbeeld in 2012 in Amsterdam de zogenoemde Vrijheidsmaaltijden geïntroduceerd, geïnspireerd op de Pesach-maaltijden uit de joodse traditie. De bedoeling was om mensen met uiteenlopende achtergronden met elkaar in gesprek te laten gaan over de betekenis van vrijheid.

Het is mijn stelling dat dergelijke gezamenlijke maaltijden, waarin uiteenlopende ervaringen kunnen worden gedeeld, bij uitstek passen bij een diverse samenleving. Ze hebben ook een plek gekregen in andere herdenkingen, zoals de viering van Leidens Ontzet en Keti Koti. Met name bij deze laatste herdenking is gebleken dat dergelijke ontmoetingsmomenten ruimte bieden om pijnlijke herinneringen te delen op een manier die voor onze samenleving relevant is.

Corona

Dit jaar moest er om andere redenen worden geïmproviseerd en vernieuwd. Want hoe kun je bij elkaar komen in een tijd van social distancing? Het was fascinerend om te zien hoe geëxperimenteerd werd met rituelen ‘op afstand’. Zelf was ik zeer onder de indruk van de gezamenlijke Taptoe, ieder op een eigen locatie, maar toch in verbondenheid met elkaar dankzij televisie en internet. Corona als nieuw crisismoment maakte 4 en 5 mei misschien wel intenser dan ooit.

Daarbij is natuurlijk de vraag in hoeverre deze nieuwe rituelen zullen beklijven. Mogelijk zullen, al dan niet gedwongen door epidemieën zoals corona, digitale vormen meer en meer het aanzien van onze rituelen gaan bepalen.

Een jonge vrouw voert puja uit voor een klein huisaltaar gewijd aan de god Shiva, die gesymboliseerd wordt door een drietand naast het altaar. Foto: Woudloper op Wikimedia Commons (CC BY-SA 4.0)

Speciaal voor 4 en 5 mei zou dit zeker moeten kunnen, want was de herdenking op de Dam niet altijd al een nationaal televisiemoment? Religiewetenschappers die onderzoek hebben gedaan naar de opkomst van ‘online religion’ beweren echter dat rituelen zonder fysiek contact een dimensie missen en dat je rituelen niet alleen moet zien en horen om ze werkelijk te kunnen beleven, maar ook moet kunnen voelen en aanraken. Een voorbeeld dat vaak genoemd wordt, is de viering van het hindoeïstische Puja-ritueel met de kenmerkende kamfervlam, waarbij ook zintuigen als tast, reuk en geur worden aangesproken.

Maar geldt iets dergelijks niet eveneens voor de Vrijheidsmaaltijd, waarin naast verhalen ook gerechten van uiteenlopende smaak worden gedeeld? Dat ervaren en beleven minstens zo belangrijk is als een beroep doen op de cognitieve zintuigen, blijkt uit het Leidens Ontzet, met de traditionele hutspot- en haringmaaltijd waarmee de honger van toen invoelbaar wordt gemaakt.

Hoe het ook zij, één ding is duidelijk: immaterieel erfgoed wordt altijd gestuurd door hedendaagse betekenissen en bekommernissen. De confrontatie tussen heden en verleden bepaalt bij uitstek de dynamiek van immaterieel erfgoed.

Over de auteur

 

Albert van der Zeijden

Albert van der Zeijden is historicus en hoofd Kennisontwikkeling van Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed Nederland. Het kenniscentrum coördineert de Inventaris Immaterieel Erfgoed Nederland en doet aan kennisontwikkeling via onderzoekslijnen als ‘immaterieel erfgoed en superdiversiteit’ en ‘controversieel immaterieel erfgoed’.


Foto bovenaan artikel

Herdenken en vieren op 4 en 5 mei bijgeschreven in de Inventaris Immaterieel Erfgoed. Foto: Martijn Beekman