Hoe ontwerp je een inclusief herdenkingsmonument?

In Lelystad wordt een nieuw herdenkingsmonument gerealiseerd. De ambitie is groot: het moet een plek worden die álle pijnlijke en historische verhalen over oorlog en conflict weerspiegelt, dus niet langer uitsluitend de verhalen die betrekking hebben op de Tweede Wereldoorlog. Saadat Mousavi ging met architecte Arna Mačkić in gesprek over het waarom en hoe van dit monument.

Een ruimte die plaats biedt aan uiteenlopende vormen van pijn, hoop en herinneringen, van een diversiteit aan inwoners. Dat is wat het nieuwe herdenkingsmonument aan de noordwestzijde van het Lelystadse Zilverpark moet gaan bieden. Er is daarvoor een oppervlakte van 650 vierkante meter beschikbaar. De herdenkingsplek is een initiatief van de gemeente Lelystad en wordt ontworpen door de architecten Arna Mačkić en Lorien Beijaert van Studio L A.

Het oorspronkelijke idee voor een nieuw monument in Lelystad ontstond al in 2017, memoreert Arna Mačkić. De gemeente Lelystad en Stichting Herdenken, Verzoenen en Vrijheid Lelystad constateerden toen samen dat de bestaande herdenkingslocatie, Het Stadspark, onvoldoende capaciteit bood voor bezoekers van de Dodenherdenking op 4 mei. Ook kunnen mensen met een mobiliteitsbeperking of rolstoelgebruikers de plek niet goed bereiken. Het eerste plan was een verplaatsing van de bestaande sculptuur waar mensen bloemenkransen neerleggen van de huidige herdenkingsplek naar het stadscentrum, om zo de toegankelijkheid te verbeteren. Daar kwamen sommige mensen tegen in verzet. Daarop werd besloten dat oude monument op zijn oorspronkelijke plek te laten en daarnaast een nieuwe plek te ontwerpen.

Daarbij wordt zoals gezegd ingezet op een meer inclusief herdenkingsmonument. Waar komt die keuze vandaan? Arna: “De afgelopen jaren zijn discussies ontstaan over wat wel en niet herdacht moet worden.” Daarnaast speelt ook de vraag hoe de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog, waarvan de directe getuigen verouderen en sterven, verbonden kan blijven met jongere generaties op een manier die ook aansluit bij hun actuele vragen en zorgen.

Arna Mačkić (links) en Lorien Beijaert van studio L A. Fotograaf: Siese Veenstra

Intensief consultatieproces

Voor de ontwikkeling van het multiculturele ontwerp werd een klankbordgroep opgericht waar ook de twee architecten deel van uitmaakten. Ze voerden uitgebreide gesprekken met verschillende gemeenschappen: de Joodse gemeenschap, veteranen, de Roma- en Sinti-gemeenschap, de Indische gemeenschap en vertegenwoordigers van Inheemse gemeenschappen uit Suriname, maar ook kerkelijke gemeenschappen, moslimgemeenschappen, het slavernijherdenkingscomité, de lhbtiqa+-gemeenschap en belangenorganisaties van mensen met een lichamelijke beperking. Arna: “Het doel van deze gesprekken was om helder te krijgen hoe we een publieke herdenkingsplek kunnen creëren waar iedereen zich vertegenwoordigd kan voelen. Een plek waar niemand belangrijker of groter wordt gepresenteerd dan een ander, en die toegankelijk is voor iedereen. Zo zien bijvoorbeeld Surinaamse gemeenschappen voor het eerst een deel van hun geschiedenis terug in dit ontwerp.”

Het intensieve consultatieproces stuitte op kritiek van sommige rechtse politieke partijen, die de kosten te hoog vonden en meenden dat hun achterban hier niet op zat te wachten. Arna reageerde daarop door hen uit te nodigen deel te nemen aan de gesprekken, onder het motto: ‘Jullie kiezers zitten hier ook, ook zij hebben eigen ervaringen van verlies en pijn.’ Zo is er gebouwd aan een breed draagvlak, en aan een ontwerp dat volgens Arna de tegenstelling tussen links en rechts overstijgt, “het gaat over samenleven”.

Naast betrokkenheid van een brede waaier aan inwoners is de andere belangrijke ambitie van het project dat het monument geen formele, afgesloten plek wordt, maar een vrij toegankelijke ruimte voor alle inwoners van Lelystad. Mensen moeten er in het dagelijks leven kunnen wandelen, zitten, lunchen. Kinderen moeten er kunnen spelen. En jongeren moeten er kunnen chillen en ondertussen nieuwsgierig worden naar de stenen en symbolen, en zo tot reflectie komen over het verleden, het heden en de toekomst. “Net zoals het Nationaal Comité 4 en 5 mei de laatste jaren zoekt naar manieren om relevant te blijven voor huidige en toekomstige generaties, zochten wij daar met ons ontwerp ook naar.”

Ontwerp voor de stenen voor verschillende gemeenschappen. Bron: Studio L A.

Polderstructuur

Het begin van de bouw van het monument staat gepland voor september van dit jaar. Naar verwachting zal het in maart volgend jaar klaar zijn. Het ontwerp bestaat uit een stenen constructie op het water. De steen staat hierin symbool voor geschiedenis en collectief geheugen: iets dat door de tijd heen blijft bestaan en verhalen en herinneringen van generatie op generatie doorgeeft. Het patroon waarin de stenen zijn gelegd, is geïnspireerd op de polderstructuur van Flevoland. Van bovenaf zijn deze polders ook duidelijk herkenbaar. Het idee voor deze vorm kwam voort uit gezamenlijke sessies met alle betrokken partijen.

Het centrale element in het ontwerp is een cirkel die dient als ontmoetingsplek. Daaromheen liggen afzonderlijke stenen voor verschillende gemeenschappen: een steen voor Roma en Sinti, voor afstammelingen van totslaafgemaakten, voor slachtoffers van de Holocaust, voor de lhbtiqa+-gemeenschap, voor Indië-gangers en hun nakomelingen, voor de Inheemse bewoners van Suriname en voor veteranen. Deze stenen zijn gezamenlijk ontworpen en vormen samen één geheel. Zo geeft het monument handen en voeten aan het belangrijke uitgangspunt van gelijkwaardigheid: geen enkele gemeenschap krijgt een grotere of prominentere plaats dan een andere.

Impressie van het nieuwe monument in Lelystad. Bron: Studio L A.

Terugkijkend op het ontwerpproces is Arna heel tevreden. “Het proces liet zien dat uiteenlopende groepen, met verschillende religieuze en ideologische achtergronden, linkse en rechtse politieke overtuigingen, met en zonder beperking, veel gemeen blijken te hebben en bereid zijn om samen, met empathie en dialoog, het verleden betekenisvol te maken voor het heden en de toekomst. Ik hoop dat Lelystad trots zal zijn op deze plek en dat het een voorbeeld kan worden voor de nationale herdenking op 4 mei.”

Over de auteur

Saadat Mousavi. Fotograaf: Paul Robert.

Saadat Mousavi (1990) is een Afghaans schrijver en journalist, woonachtig in Nederland. Hij schrijft over thema’s als migratie, herinnering, identiteit en de sociale gevolgen van oorlog en ontheemding. Zijn werk bevindt zich op het snijvlak van journalistiek, essayistiek en interculturele reflectie, en richt zich vaak op de menselijke ervaring van ballingschap en leven in diaspora.


Beeld bovenaan artikel

Impressie van het nieuwe monument in Lelystad. Bron: Studio L A.

Omgang met de Holocaust als inburgeringstoets

In Nederland wordt antisemitisme steeds meer geframed als een ‘importprobleem’ van moslims. En net als in andere Europese landen wordt gewerkt aan Holocausteducatie als onderdeel van het inburgeringstraject. Wat kunnen herinneringscentra leren van het debat en onderzoek in Duitsland, waar de Holocaustherinnering al decennia geleden een markering van nationale identiteit werd, met alle haken en ogen van dien?

“We weten dat Jodenhaat bijna onderdeel is van de islamitische cultuur.” Met die woorden zorgde toenmalig BBB-kamerlid Mona Keijzer in mei 2024 voor opschudding in het televisieprogramma Sophie & Jeroen. Ze verdedigde daar het BBB-plan om nieuwkomers in Nederland als onderdeel van hun inburgering verplicht kennis te laten nemen van de Holocaust. De redenering: omdat veel nieuwkomers moslim zijn en antisemitisme “bijna onderdeel is van de islamitische cultuur”, is Holocausteducatie voor hen noodzakelijk. Diverse organisaties deden aangifte. Het Openbaar Ministerie oordeelde dat Keijzer zich in beginsel schuldig had gemaakt aan groepsbelediging. Toch werd zij niet vervolgd, omdat politici een ruime vrijheid van meningsuiting hebben.

Dit incident staat niet op zichzelf. Sinds de jaren 2000 kwamen moslims in meerdere Europese landen steeds centraler te staan in discussies over omgang met de Holocaust(herinnering).1 Niet als vanzelfsprekende deelnemers, omdat zij ook onderdeel zijn van de nationale gemeenschap in westerse landen, maar als vermeende probleemgroep met antisemitische overtuigingen of te weinig kennis over en empathie voor de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust.2 De voorgestelde oplossing? Holocausteducatie.

Screenshot uit de aflevering van Sophie & Jeroen, 17 mei 2024. Bron: BNNVARA.

Verplicht herinneren

Deze aannames leidden in diverse Europese landen tot Holocausteducatieprogramma’s voor moslims. Ook in Nederland zijn pogingen ondernomen. Op 1 juli 2025 werd kennis van de Holocaust onderdeel van het inburgeringsexamen Kennis van de Nederlandse Maatschappij.3 Daarnaast werkt het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan plannen om bezoeken aan Holocaustmusea en herinneringscentra onderdeel te maken van het inburgeringstraject.4 Onder twaalf instellingen werd een verkenning uitgevoerd naar de inhoudelijke en financiële consequenties hiervan.5 Naar de mening van inburgerende nieuwkomers zelf werd opvallend genoeg niet gevraagd. Hun ervaringen met oorlog, vervolging en onvrijheid lijken irrelevant, net als eventuele trauma’s die bij een confrontatie met de Holocaustgeschiedenis kunnen opspelen. Ook is niet aangetoond dat Holocausteducatie effectief is in het tegengaan van hedendaags antisemitisch gedachtegoed, laat staan onder deze doelgroep. Hoogleraar Holocausteducatie Marc van Berkel stelt zelfs, verwijzend naar de spanningen na 7 oktober, dat “het thema momenteel te politiek gevoelig is om effectief te zijn tegen het antisemitisme”.6

Begin dit jaar startte desondanks een pilot om te onderzoeken hoe de waarschijnlijk verplichte bezoeken vorm kunnen krijgen. Vooral die ‘verplichting’ zorgt bij enkele herinneringscentra voor terughoudendheid, blijkt uit het verkenningsrapport.7 Meerdere instellingen benadrukken dat ze “niet willen dat het bezoek door inburgeraars een ‘vinkje’ van de politieke agenda wordt”. Een verplicht bezoek kan volgens hen meer kwaad dan goed doen, vooral bij bezoekers met een (mogelijk) oorlogstrauma. Opvallend is dat de in het rapport vermelde bezwaren vooral van praktische aard zijn, en niet expliciet ingaan op de politieke drijfveren achter de totstandkoming van deze pilot. Blijkbaar voelen de instellingen weinig ruimte om de discussie over de politieke instrumentalisering van deze bezoeken openlijk te voeren.

Met Holocausteducatieprogramma’s die zich richten op moslims en/of ‘nieuwkomers’ dringen zich fundamentele vragen op, waar ook herinneringscentra zich toe moeten verhouden. Want hoe is het zover gekomen dat moslims een prominente plaats innemen in het debat over Holocaustherinnering? En wat zegt het over burgerschap wanneer kennis van de Holocaust ‒ naast een beperkt aantal andere aspecten van de Nederlandse geschiedenis ‒ als maatstaf geldt om Nederlander te zijn? Met dit artikel beoog ik niet deze grote vragen definitief te beantwoorden. Wat ik wel doe, is verkennen of inzichten uit onderzoek in Duitsland – waar dit debat uitvoerig is en wordt gevoerd – bruikbaar zijn voor de Nederlandse context.

De publicatie waarin de bijdrage van Havva Jürgensen is opgenomen. Bron: Aktion Sühnezeichen Friedensdienste.

Paradoxen van nationale identiteit

Het erkennen van schuld en het trekken van morele lessen uit het naziverleden groeide na WO2 uit tot fundament van de Bondsrepubliek. De naoorlogse identiteit werd gebouwd op het idee dat ‘de Duitsers’ verantwoordelijkheid droegen voor de misdaden van het naziregime. Maar de vraag is natuurlijk wie er precies onder de ‘wij’ van die groep viel.

De plek van moslims en immigranten in de Duitse herinneringscultuur was lange tijd niet evident. Arbeidsmigranten en hun kinderen hielpen weliswaar mee aan de wederopbouw van Duitsland, stellen herinneringswetenschappers Michael Rothberg en Yasemin Yildiz, maar werden niet vanzelfsprekend opgenomen in het sociale contract rond schuld en verwerking van het naziverleden, vooral omdat zij geen familiegeschiedenis hadden die hen direct daarmee verbond.8 In 1998 wees historicus Dan Diner op de paradox die daardoor ontstond in de Duitse herinneringscultuur. Want om verantwoordelijkheid te nemen voor de Holocaust leek het noodzakelijk vast te houden aan een duidelijk omlijnde, etnisch homogene Duitse identiteit,9 terwijl juist dat idee een van de ideologische bronnen van de gruwelijke nazimisdaden was.

Die paradox plaatst migranten in een onmogelijke positie, omdat er gelijktijdig van hen wordt verwacht dat ze zich als nieuwkomers identificeren met Duitsland als daderland. Zoals de Turks-Duitse Havva Jürgensen het formuleerde: “We krijgen vaak te horen dat het onderwerp nationaalsocialisme niets met ons te maken heeft omdat we migranten zijn. Maar even vaak wordt gesuggereerd dat we sowieso te antisemitisch zijn om ons voor dit onderwerp te interesseren.”10 De Duitse herinneringscultuur krijgt zo een disciplinerend karakter: ze markeert wie erbij hoort en wie moet bewijzen de juiste houding te hebben tegenover het verleden.

Omslag van Subcontractors of Guilt: Holocaust Memory and Muslim Belonging in Postwar Germany. Bron: Stanford University Press.

Export-importtheorie van antisemitisme

Maar sinds de jaren 2000 worden moslims vaker aangehaald in discussies over Holocaustherinnering in Duitsland. Hoe komt dat? In Subcontractors of Guilt: Holocaust Memory and Muslim Belonging in Postwar Germany uit 2023 wijst Esra Özyürek op meerdere oorzaken.11 Volgens haar is de verschuiving onmogelijk los te zien van het veranderde demografische landschap van West-Europese landen door arbeidsmigratie en gezinshereniging, en van geopolitieke ontwikkelingen zoals de aanslagen van 11 september 2001 in New York. Özyürek ziet ook dat de gedachten over Holocausteducatie en moslims veranderden onder invloed van onder meer anti-Israëlprotesten, maar ook door ontwikkelingen in Israël zelf. Özyürek noemt daarbij bijvoorbeeld rechts-nationalistische politici in Israël die de vervolging van Joden in Noord-Afrika en het Midden-Oosten steeds vaker in een doorlopende lijn met de Holocaust plaatsten. De omstreden uitspraak van premier Benjamin Netanyahu in 2015, waarin hij suggereerde dat de Grootmoefti van Jeruzalem Hitler zou hebben aangezet tot genocide van de Joden, paste in die tendens om Arabieren expliciet als dader in de Holocaustgeschiedenis op te nemen.12 Hoewel deze claim breed werd bekritiseerd, had zij volgens Özyürek effect op het debat in Duitsland: het werd eenvoudiger om ook Arabische migranten in Europa te framen als daders in een langere geschiedenis van antisemitisch geweld.

Deze denkwijzen hangen samen met wat Özyürek de ‘export-importtheorie van antisemitisme’ noemt. Volgens deze redenering, aangehangen door meerdere antisemitismeonderzoekers, werd antisemitisme vanuit Europa naar het Midden-Oosten ‘geëxporteerd’, via missionarissen in het Ottomaanse Rijk en tijdens de Tweede Wereldoorlog door nazi’s die samenwerking zochten met moslim-Arabieren. Na de oorlog, zo luidt de redenering, had Duitsland zijn antisemitisme onder ogen gezien en overwonnen.13 Vervolgens werd ditzelfde antisemitisme via migranten uit het Midden-Oosten weer terug ‘geïmporteerd’ in een moreel gereinigde Duitse samenleving.

De consequentie van deze denkwijze is verstrekkend. Antisemitisme wordt niet langer gezien als een vraagstuk voor de gehele natie, maar als een probleem van een geracialiseerde minderheid. Op moslims gerichte educatieprogramma’s tegen antisemitisme versterken dat beeld. Daarmee wordt een deel van de historische last symbolisch ‘uitbesteed’. Dit proces, door Esra Özyürek aangeduid als subcontracting guilt, verschuift de verantwoordelijkheid naar migranten, waardoor het nationale zelfbeeld van Duitsland minder beladen wordt.14

Migrantenarchieven

Rothberg, Yildiz en Özyürek laten zien dat Holocaustherinnering en -educatie in Duitsland een markering van nationale identiteit is geworden, en daardoor tot uitsluiting leidt. Tegelijkertijd benadrukken zij dat er ook initiatieven ontstaan waarin mensen met een migratieachtergrond een actieve rol vervullen in de herinneringscultuur van de Holocaust en deze mede vormgeven. Rothberg en Yildiz spreken in dat verband over ‘migrantenarchieven’.15 Een goed voorbeeld zijn de jongerenprojecten die Özyürek bespreekt en het Berlijnse Stadtteilmütter-project, waarin vrouwen met een migratieachtergrond zich verdiepen in de geschiedenis van het nationaalsocialisme en de Holocaust en deze kennis doorgeven in hun wijken.

In hun analyse benadrukken Rothberg en Yildiz dat herinnering geen vast bezit is van één groep en niet automatisch voortvloeit uit afkomst.16 Migranten en hun kinderen ontwikkelen juist vaak vormen van betrokkenheid bij de geschiedenis van het land waarin zij leven, ook wanneer zij daar geen familiale of etnische wortels hebben. Wanneer betrokkenheid bij herdenkingen van de Tweede Wereldoorlog uitsluitend wordt gelegitimeerd via een etnische ‘haak’, blijft men denken in wat zij ‘een gesloten vorm van verbondenheid’ noemen.

In de jaren zestig was het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging alleen zo te doorzoeken. Bron: Nationaal Archief.

Nederlands verzetsnarratief

Hoe zijn deze analyses toepasbaar op de situatie in Nederland? De Duitse context verschilt met name van de Nederlandse in de mate waarin van burgers, en dus ook nieuwkomers, wordt verwacht zich te identificeren met een schuldig verleden. In Duitsland is die schuld voor het naziverleden onderdeel geworden van de collectieve identiteit en nationale herinneringscultuur, al bestaat daartegen in sommige kringen toenemend verzet. In Nederland domineerde na de oorlog een heroïsch verzetsnarratief waarin antisemitisme werd voorgesteld als iets van de bezetter, slechts gesteund door een kleine NSB-minderheid. Het fenomeen van het ‘uitbesteden van schuld’ dat Özyürek in Duitsland signaleert, lijkt dus niet direct toepasbaar op de Nederlandse herinneringscultuur, want door antisemitisme uitsluitend als nationaalsocialistisch fenomeen op te vatten is het in beginsel Duits, en dus al uitbesteed.

Aan de andere kant is er de laatste jaren meer aandacht voor Nederlandse collaboratie en ‘schuld’, niet in de laatste plaats door de openstelling van het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR). Het beeld van Nederland als verzetsnatie wordt vaker bevraagd. Het framen van antisemitisme als probleem van moslims zou ook gezien kunnen worden als een uitweg uit lastige vragen en kan een manier zijn om het Nederlandse nationale zelfbeeld van een tolerante natie ongeschonden te laten. In die zin zou er toch sprake kunnen zijn van een vergelijkbare uitbesteding – of eerder: ontwijking – van schuld. Al zou onderzoek naar het discours rondom moslims en omgang met de Holocaust meer duidelijkheid kunnen scheppen in hoeverre de toenemende aandacht voor Nederlandse collaboratie daarmee verband houdt.

Marokkaanse militairen in Zeeland

Dan de export-importdynamiek van antisemitisme die in Duitsland speelt. Deze zien we ook in  Nederland terug in debatten over moslims en antisemitisme. PVV-kamerlid Fleur Agema stelde bijvoorbeeld in 2009: “Antisemitisme en homofobie zijn geen Nederlandse verschijnselen. Ze zijn geïmporteerd, voor een bedroevend groot deel uit Marokko.”17 Historica Evelien Gans toont echter aan dat deze voorstelling ook voor Nederland te simplistisch is: antisemitisme is niet exclusief verbonden aan één specifieke groep of ideologie. Het komt voor in extreemrechtse kringen, hooligangemeenschappen,  linkse én islamitische groeperingen. Bovendien grijpen veel van de hedendaagse antisemitische uitingen terug op oudere in Europa (en dus ook Nederland) gewortelde beelden, die na de Tweede Wereldoorlog geenszins zijn verdwenen.18

De door Rothberg en Yildiz beschreven veronderstelling dat herinnering direct samenhangt met afkomst vinden we ook in Nederland vaak terug, bijvoorbeeld in pogingen om migrantengroepen te betrekken bij de herdenking van de Tweede Wereldoorlog door een verbinding te leggen met WO2-oorlogservaringen uit de herkomstlanden van die groepen. Zo was er in 2003 tijdens de bewuste 4 mei-herdenking in Amsterdam-West aandacht voor de Marokkaanse militairen die in Zeeland begraven liggen en als onderdeel van het Franse koloniale leger meevochten tegen de nazi’s, met als doel de Marokkaanse gemeenschap aan te spreken. Hoewel zulke initiatieven historisch waardevolle verhalen zichtbaar maken, vertrekken ze vanuit de veronderstelling dat mensen zich vooral aangesproken voelen door ‘hun eigen’ nationale of etnische verleden. Daarmee blijft het kader beperkt en exclusief.

Niet over maar met

Ondanks wezenlijke verschillen tussen de Duitse en Nederlandse herinneringscultuur bieden de genoemde Duitse onderzoeken ook adviezen voor Nederland. Zowel Rothberg en Yildiz als Özyürek beschrijven dat door herinnering los te koppelen van etniciteit en te benaderen als een gezamenlijke verantwoordelijkheid, herdenken inclusiever kan worden. Voorwaarde hierbij is echter ook dat we de ruimte moeten bieden aan migrantengemeenschappen om hun eigen omgang met de herinnering aan de Holocaust en de Tweede Wereldoorlog te ontwikkelen. Dat betekent in de praktijk dus niet over moslims, nieuwkomers, inburgeraars, ‘allochtonen’ spreken, maar met ze.

Om te achterhalen hoe ‘migrantenarchieven’ in Nederland vorm krijgen, en hoe moslims in Nederland zich verhouden tot de herinnering aan de Holocaust, is aanvullend onderzoek nodig. Het Duitse onderzoek biedt in ieder geval voorbeelden van hoe het niet moet, en kritische vragen waarmee zulk onderzoek vormgegeven kan worden.

Over de auteur

Pepijn de Koning.

Pepijn de Koning volgde de onderzoeksmaster Nederlandse Literatuur en Cultuur aan de Universiteit Utrecht en is redacteur voor WO2 Onderzoek uitgelicht. In zijn onderzoek verdiept hij zich met name in de representatie van disability en (chronische) ziekte in Nederlandstalige literatuur en cultuur. Daarnaast doceerde hij moderne letterkunde aan de Universiteit Utrecht en schrijft hij regelmatig recensies en artikelen voor onder meer De Reactor.


Noten

1 Esra Özyürek, Subcontractors of guilt: Holocaust memory and Muslim belonging in postwar Germany. Stanford University Press, 2023, p. 1-2.

2 In Nederland ontbreekt overtuigend statistisch bewijs voor het idee dat het merendeel van antisemitische misdrijven wordt gepleegd door moslims. Toch verschuift de publieke aandacht wel in die richting, mede onder invloed van onderzoeken uit andere Europese landen en de VS waaruit blijkt dat antisemitische stereotypen onder moslims twee tot drie keer zo vaak voorkomen als bij niet-moslims. Voor een toegankelijk overzicht van deze onderzoeken, zie Martijn Katan, ‘Wat we weten over Islam en antisemitisme’, NRC, 20 juni 2024.

3 Hoewel dat inburgeringsexamen zich niet uitsluitend richt op moslims, blijkt de keuze voor deze verandering wel ingegeven door zorgen over specifiek moslims, getuige de uitspraak van Mona Keijzer.

4 Een motie in de Tweede Kamer van SGP’ers Diederik van Dijk en André Flach, ingediend op 25 april 2024, riep op om zulke bezoeken verplicht te maken voor inburgeraars. Deze motie, te lezen op https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/moties/detail?id=2024Z07557&did=2024D17387, werd aangenomen.

5 Lees de rapportage op https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2025/05/15/bijlage-2-eindrapportage-verkenning-bezoek-holocaustlocaties.

6 Https://www.ru.nl/diensten/recharge/overzicht/holocaust-in-het-onderwijs-helpt-niet-zonder-meer-tegen-antisemitisme.

7 Pagina 26.

8 Michael Rothberg & Yasemin Yildiz, ‘Memory citizenship: Migrant archives of Holocaust remembrance in contemporary Germany’. Parallax 17 nr. 4 (2011), p. 32-48, aldaar p. 35.

9 Dan Diner, ‘Nation, Migration, and Memory: On Historical Concepts of Citizenship’. Constellations 4 nr. 3 (1998), p. 303.

10 Havva Jürgensen, ‘Ich wünsche mir einmal eine Bundeskanzlerin mit türkischen oder arabischen Wurzeln’. In: Aktion Sühnezeichen Friedensdienste, Neuköllner Stadtteilmütter, p. 54.

11 Özyürek 2023, p. 13.

12 Haaretz. 2015. “Netanyahu: Hitler Didn’t Want to Exterminate the Jews.” Haaretz, October 21. https://www.haaretz.com/israel-news/netanyahu-absolves-hitler-of-guilt-1.5411578.

13 Özyürek 2023, p. 15-16.

14 Özyürek 2023, p. 21.

15 Rothberg en Yildiz 2011, p. 37.

16 Özyürek 2023, p. 43-44.

17 Zie https://www.pvv.nl/index.php?option=com_content&task=view&id=1906. De geluidsopname van Agema’s volledige toespraak staat op YouTubehttps://www.youtube.com/watch?v=CDSvX0FrDd8.

18 Evelien Gans, ‘“Hamas, Hamas, All Jews to the Gas.” The History and Significance of an Antisemitic Slogan in the Netherlands, 1945-2010’. In: G. Jikeli & J. Allouche-Benayoun (red.), Perceptions of the Holocaust in Europe and Muslim Communities.  Springer, 2013, p. 85-103.


Foto bovenaan artikel

In Duitsland speelt de discussie over de plek van moslims in de herinneringscultuur al sinds het midden van het vorige decennium. Bron: Tagesspiegel.

Nooit meer – voor wie? Lotfi El Hamidi en de grenzen van het Nederlandse geheugen

Mag je gebeurtenissen in de Tweede Wereldoorlog vergelijken met oorlogshandelingen en -leed in het heden, ergens anders op de wereld? In Stakkers en wolven analyseert Lotfi El Hamidi het “mijnenveld” van de Nederlandse herinneringscultuur. Het blijkt vooral een kwestie van wíé bepaalde verbanden mag leggen.

In 2018 stond ik op 4 mei in Noordwijkerhout om samen met mijn nieuwe buren de doden van de Tweede Wereldoorlog te herdenken. Ik was uitgenodigd omdat ik uit Aleppo kom, uit een stad die toen nog in oorlog was. Ik zei wat ik op dat moment ervoer: dat de beelden in mijn hoofd heen en weer schoten van het gebombardeerde Aleppo naar het verwoeste Rotterdam. Dat oorlog zich niet keurig houdt aan één land of één periode. Niemand vond dat ongepast. Toen ik jaren later Stakkers en wolven van Lotfi El Hamidi las, vroeg ik me af: zou ik dat vandaag de dag nog kunnen zeggen?

Aleppo in 2017 (links) en Rotterdam in 1940 (rechts). Bron: Aleppo: Foreign and Commonwealth Office op Wikimedia Commons (OGL v1.0) – Rotterdam: Museum Rotterdam op Wikimedia Commons (CC BY-SA 3.0).

Historicus en journalist El Hamidi, tot voor kort chef Opinie bij NRC, kwam voor precies datzelfde dilemma te staan. Begin 2024 hield hij de Hoflandlezing, die jaarlijks georganiseerd wordt ter herdenking van het bombardement op Rotterdam. De parallel met Gaza lag dat jaar voor het grijpen, want “natuurlijk gaan de bombardementen op Gaza ook over Rotterdam en vice versa”, schrijft hij in Stakkers en wolven. Maar hij sprak dit bewust niet uit. Deels omdat zijn positie bij de krant betekende dat zijn woorden onvermijdelijk zouden afstralen op dat instituut. Deels ook omdat “de Nederlandse herdenkingscultuur een heus mijnenveld is [waar] welke parallellen getrokken mogen worden nauw luistert, zoals het ook uitmaakt wie de afzender is”.

Stakkers en wolven. Bron: Uitgeverij Pluim.

Domicide

Stakkers en wolven focust op meer dan de Nederlandse herdenkingscultuur alleen – de PVV-zege, de Maccabi-rellen, Rotterdam, Mekka – maar raakt telkens aan de vraag wie er mag meepraten wanneer Nederland terugblikt op de oorlog. In het hoofdstuk ‘Stenen tranen’ doet El Hamidi wat hij in 2024 op het podium naliet. Hij trekt de lijnen door, van het bombardement op Guernica in 1937 via Warschau en Rotterdam tot aan de bombardementen van vandaag. Zijn sterkste instrument in het maken van die doorlopende lijn is het begrip ‘domicide’: het moedwillig vernietigen van huis en haard, van de ruimtes waar levens worden geleefd en herinneringen ontstaan. Hij haalt schrijver en journalist Henk Hofland aan, die beschreef hoe met het Rotterdamse bombardement niet alleen een stad maar ook 650.000 individuele leefwerelden werden verwoest. Hij haalt dichter J.C. van Schagen aan, die in een kelder van het Rotterdamse stadhuis schuilend schreef: “De slagen, de slagen, en dan het donderbreuken van ’t beton.” Het zijn regels die moeiteloos bij hedendaagse bombardementen herhaald kunnen worden. Over Zadkines De verwoeste stad schrijft hij dat deze in elke verwoeste stad had kunnen staan. Als steden konden huilen, lieten ze allemaal dezelfde stenen tranen.

De ruïnes van Guernica in 1937. Bron: Fotograaf onbekend / Wikimedia Commons (Publiek domein).

Zo stelt El Hamidi in dit hoofdstuk de vraag die de herinneringscultuur nog niet heeft beantwoord: is ‘nooit meer’ een universele morele belofte, of een cultureel en geografisch afgebakende boodschap? In het hoofdstuk ‘Slachtoffers van de slachtoffers’ laat El Hamidi zien dat het hierbij niet alleen een kwestie is van wat we herdenken, maar ook van wie de verbanden mag leggen. Aan de hand van het werk Permission to Narrate van de Palestijns-Amerikaanse literatuurwetenschapper Edward Said, betoogt El Hamidi dat feiten pas beklijven als er een dragend verhaal omheen bestaat, en dat wie dat verhaal mag vertellen een kwestie van macht is. Hij focust daarbij op het Palestijnse narratief, dat het van meet af aan aflegde tegen een krachtiger Israëlisch ‘master narrative’ – het verhaal over Joodse wederopstanding na de Holocaust.

Maar de asymmetrie in wie het verhaal mag vertellen reikt nog verder, toont El Hamidi aan de hand van het werk van de Palestijns-Britse auteur Isabella Hammad: zelfs erkenning van onrecht kan de machtsverhouding bevestigen. Neem bijvoorbeeld de Amerikaanse auteur Ta-Nehisi Coates, die tot dan toe bekendstond om zijn werk over racisme in de VS. Wanneer hij de apartheid op de Westelijke Jordaanoever herkent als een kopie van de Jim Crow-wetten, is het niet de Palestijn maar de plots bekeerde buitenstaander die het podium betreedt als onverwachte held, terwijl de Palestijn de vernederende last heeft gedragen om zijn menselijkheid te bewijzen. Het is een mechanisme dat ook in de Nederlandse herinneringscultuur herkenbaar is: de ruimte om verbanden te leggen tussen verleden en heden is er wel, maar niet voor iedereen en niet op elk moment.

Onbeantwoorde vragen

Hier stuit het boek op een spanning die het niet volledig oplost – en die het juist waardevol maakt. El Hamidi erkent, in navolging van Holocaust-overlevende Imre Kertész, dat de Holocaust uniek is, “ingebed in twee millennia Europees-christelijke vervolging”, iets dat je van andere oorlogsmisdaden niet kunt zeggen. Tegelijkertijd betoogt hij via domicide en Zadkine dat alle verwoeste steden dezelfde tranen huilen. Hij kent de bezwaren: schrijver Robert Vuijsje vreest de “ontjoodsing” van 4 mei, Ben van der Velden noemt de permanente discussie over de inhoud van de Dodenherdenking een uniek Nederlands verschijnsel, en El Hamidi bekent dat hij eerder zelf in De Groene Amsterdammer waarschuwde voor een “catch all-herdenking” die aan betekenis verliest. Maar toch.

Dit geschipper van El Hamidi roept vragen op. Want als de Holocaust historisch uniek is, hoe kan zijn les dan toch automatisch overdraagbaar zijn op domicide elders? En als domicide universeel genoeg is om die les te dragen, wat blijft er dan over van de uniciteit van de Holocaust die hij erkent? El Hamidi oppert dat de Rotterdamse herdenking van 14 mei zich wellicht beter leent voor een ‘verbreding’ dan de Dodenherdenking. Maar de diepere vraag – of een herinneringscultuur de les van een oorlog kan universaliseren zonder de specificiteit te verliezen die haar gewicht geeft – blijft onbeantwoord.

De waarde van Stakkers en wolven ligt wat mij betreft juist daar: niet in een sluitend antwoord, maar in het blootleggen van een spanning die de Nederlandse herinneringscultuur niet heeft opgelost. Tussen een herinneringscultuur die ‘nooit meer’ beperkt tot een afgebakende Europese tragedie en eentje die alle oorlogsleed gelijkschakelt, bevindt zich het gesprek dat we nog niet goed hebben leren voeren. El Hamidi opent dat gesprek, en het feit dat hij het niet afsluit, is het bewijs dat de vraag groter is dan één boek kan bevatten.

Over de auteur

Somer Al Abdallah.

Somer Al Abdallah is een Syrisch-Nederlandse journalist en schrijver. Hij publiceert in diverse Nederlandse media over vluchtelingen, het Midden-Oosten en Syrië.


Foto bovenaan artikel

‘De Verwoeste Stad’ van Zadkine in Rotterdam. Bron: Rene Boulay op Wikimedia Commons (CC BY-SA 3.0).

Het getal van twee miljoen

In zijn herdenkingstoespraak op 15 augustus 2025 sprak koning Willem-Alexander over “twee miljoen Nederlanders met een verbinding met voormalig Nederlands-Indië”. Het is een getal dat al enige tijd rondzingt, maar waar komt het vandaan? En wat zegt het over de plek die ons koloniale verleden in ons collectieve geheugen inneemt?

Wat koning Willem-Alexander tijdens de Nationale Herdenking 15 augustus met het noemen van het getal van twee miljoen waarschijnlijk wilde uitdrukken, is dat ons koloniale verleden in Indonesië iets van ons allemaal is, en dat een grote groep Nederlanders een lijntje met die geschiedenis heeft liggen. Met zijn uitspraak vertolkte de koning een sentiment dat in opmars lijkt te zijn. Het is immers nog niet heel lang geleden dat dit koloniale verleden juist in een hoekje zat weggestopt, als iets waar alleen de Indische gemeenschap zich mee bezighield, en een enkele wetenschapper.

Maar zo nieuw als het sentiment is, zo relatief nieuw is ook dat getal van twee miljoen. Waar komt dat getal eigenlijk vandaan? Wie worden eronder geschaard? Waarom wordt het zo gretig omarmd? En wat zegt dat over de nieuwe plek die het koloniale verleden inneemt in ons collectieve bewustzijn?

Militairen uit Amersfoort gaan aan boord voor een reis naar Indonesië, 1949. Bron: Nationaal Archief / Fotocollectie Anefo / Publiek domein.

“Indisch bloed”

De eerste keer dat het getal van twee miljoen viel is in 1999, in een artikel dat Het Parool wijdde aan het toen in oprichting zijnde Indisch Huis (een voorloper van het huidige Indisch Herinneringscentrum):

De Indische gemeenschap in Nederland bestaat uit naar schatting twee miljoen mensen. Van de eerste generatie, die de oorlog op volwassen leeftijd heeft meegemaakt, zijn er nog zo’n honderdduizend in leven. De tweede generatie Indische mensen is veel groter; deze wordt op ruim een half miljoen geschat. Bij de derde en volgende generaties zou het volgens schattingen van de stichting wel eens om meer dan een miljoen mensen kunnen gaan. Daarnaast bestaat er een grote groep Nederlanders die niet tot de Indische groep wordt gerekend, maar wier (voor-)ouders in Nederlands-Indië hebben gewoond en gewerkt, of er als militair hebben gediend.1

Waar de twee miljoen vandaan kwam, of waar het Indisch Huis zich op baseerde, is niet bekend. De eerstvolgende keer dat het getal opduikt is pas weer op 15 augustus 2010, in een interview dat toenmalig NIOD-onderzoeker Peter Post aan het Algemeen Dagblad gaf.2 Daarin zei hij te schatten dat er tussen de anderhalf en twee miljoen mensen “met Indisch bloed” in Nederland woonden. Ook hij rekent dus niet de militairen mee, en ook hij lijkt het over alle generaties te hebben.

Tussen 1999 en 2010 leek de vraag hoeveel Indische Nederlanders er in Nederland woonden vooral een bedaagde vraag voor demografen. Een studie van het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI) uit 2002 komt lager uit dan het Indisch Huis en Post, namelijk op circa een half miljoen Indische Nederlanders in Nederland. Het Indisch Huis rekende alle generaties mee, het NIDI alleen de eerste en de tweede generatie. Dat verklaart echter niet het grote verschil – het Indisch Huis noemt alleen al voor de tweede generatie ruim een half miljoen, dus evenveel als het totaalgetal voor eerste én tweede generatie van het NIDI.

Gevoelsband

Interessant aan de NIDI-studie is dat een ‘demografische reconstructie’ ook vraagt om een precieze definitie. Wie hadden de onderzoekers eigenlijk op het oog? Zij telden in de eerste plaats alle nog levende mensen met de Nederlandse nationaliteit die in 1945 in Indonesië verbleven. Daarnaast rekenden ze de mensen mee die in deze periode in Nederland verbleven, maar ter wereld waren gekomen in Nederlands-Indië/Indonesië, en de kinderen van deze groep mensen. Tot slot rekenden de onderzoekers nog groepen mee die in 1945 niet de Nederlandse nationaliteit hadden, maar die nationaliteit in de maalstroom van de Indonesische onafhankelijkheid (uiteindelijk) wel verkregen, zoals Molukkers.

De onderzoekers van het NIDI komen zo voor het jaar 2001 via een demografische reconstructie uit op 458.000 in Nederland woonachtigen die onder de hierboven genoemde groepen vallen. Daar zouden nog de 20.000 mensen bij opgeteld kunnen worden die volgens het NIDI vielen in de categorie ‘(kinderen van) Indonesiërs zonder speciale gevoelsband met Nederland’, en die ze daarom niet tot de ‘Indische Nederlanders’ wilden rekenen, maar die wel voldoen aan het in het hier en nu losjes gehanteerde criterium van het hebben van ‘een band met voormalig Nederlands-Indië’.

1975: Aanhangers van ir. Johan Manusama, president in ballingschap van de Republiek der Zuid-Molukken, vieren het 25-jarig bestaan van de Republiek der Zuid-Molukken in Den Haag. Bron: Nationaal Archief / Fotocollectie Anefo / Publiek domein.

Het hanteren van het criterium van ‘een gevoelsband’ leidt natuurlijk tot een problematische categorisering. Dit komt nog sterker naar voren als we kijken naar een andere subcategorie uit het NIDI-rapport. De groep Indische Nederlanders die tijdens de Tweede Wereldoorlog in Nederland verbleef wordt in grote delen van het rapport namelijk versmald tot een groep die ‘katjangs’ genoemd wordt. Voor de onderzoekers zijn dat de 15- tot 30-jarigen die in 1945 al in Nederland waren. In de praktijk kwam dat vooral neer op jonge mensen die hier voor studie of scholing verbleven. Het woord ‘katjang’ duidt echter ook op een verhuld raciaal criterium. Het betekent ‘pinda’, geldt als pejoratief voor Indisch, en maakt de ‘gevoelsband’ tot iets dat bij uiterlijk en kleur hoort. De leeftijdsgrens was bedoeld om een andere groep gescheiden te houden, namelijk personen die in Indonesië geboren waren of daar langere tijd hadden gewoond. Het is een scheidslijn die precies samenvalt met de rassenlijnen die in de koloniale samenleving getrokken werden: als witte koloniaal kon je altijd weer opgaan in het witte Nederland, maar als je huidskleur dat onmogelijk maakte bleef je ‘Indisch’, ook in Nederland.

Indië-veteranen

Wie heeft er gelijk? De aantallen die worden genoemd, lopen sterk uiteen. Wie de aantallen die het Indisch Huis in 1999 noemt nog uitbreidt met de wel genoemde maar niet meegerekende groepen zoals militairen, komt zelfs ruim boven de twee miljoen uit. Daar komt het NIDI bij lange na niet aan, terwijl hun schatting – op basis van een demografische reconstructie – wel veruit de betrouwbaarste is. Op het eerste gezicht lijkt het er daarom op dat het aantal van twee miljoen wat opgeblazen is. Toch is het interessant de getallen nog eens na te lopen om te kijken op welke orde van grootte het NIDI was uitgekomen als het wél de jongere generaties en de niet-meegerekende groepen zoals militairen had meegenomen.

Laten we beginnen met die vraag wie je meerekent bij de ‘oergroep’ van de naoorlogse jaren. Het NIDI hanteerde al een brede definitie van ‘Indische Nederlanders’, en rekende daartoe bijvoorbeeld ook Molukkers en anderen die in 1945 niet (noodzakelijkerwijs) de Nederlandse nationaliteit hadden. Maar de groep die ‘een band met voormalig Nederlands-Indië’ heeft is natuurlijk nog groter dan dat, want daar vallen ook nog de Nederlandse militairen onder die in de periode ’45-’49 in Indonesië hebben gevochten. Dat zou in totaal 140.000 personen betreffen, als we de Nederlandse militairen van het KL en de KM meerekenen (en het KNIL buiten beschouwing laten, vanuit de aanname dat KNIL-militairen die naar Nederland kwamen al in de ‘oergroep’ van het NIDI meegerekend zijn). Met deze toevoeging zou de groep van de eerste generatie zo’n anderhalf keer groter worden.

Zou die groep Indië-veteranen zijn toegevoegd aan het aantal dat het NIDI hanteert voor 1946 en naar rato zijn meegegroeid, dan zou het totaal voor 2002 richting de 700.000 personen kruipen.3 Let wel, dat is natuurlijk geen getal waarop je uitkomt via een echte demografische reconstructie, maar het geeft een indicatie van de orde van grootte waaraan je kunt denken. Dit aantal hoort dan bij de groep met ‘een verbinding’ met Indië/Indonesië in de brede definitie zoals die nu de ronde doet, maar daarvan alleen maar de eerste en tweede generatie.

Pasar Malam in de Houtrusthallen in Den Haag, 1975. Bron: Nationaal Archief / Rob Bogaerts / Fotocollectie Anefo / Publiek domein.

Eén, twee, drie of vier generaties

Ander punt is die generatiekwestie. Het maakt natuurlijk veel uit of je de derde en vierde generaties meerekent of niet. De NIDI-studie uit 2002 richtte zich alleen op de eerste en tweede generatie. Wie grootouders heeft die in Indonesië geboren zijn, vindt zichzelf daarmee dus niet terug in de statistieken, terwijl diegene zich best als Indisch kan identificeren, en zeker voldoet aan het losse criterium van ‘een band met voormalig Nederland-Indië’. Dit gaat bijvoorbeeld om de vele families van gemengde afkomst die al voor de oorlog in Nederland woonden, en die dus niet in de NIDI-cijfers vertegenwoordig zijn.

Zou je die jongere generaties ook meerekenen, dan kom je uiteraard op een hoger aantal uit. De berekening die hiervoor nodig is, is complexer. Er moet niet alleen rekening gehouden worden met het gemiddeld aantal kinderen, maar ook met het aantal ‘gemengde huwelijken’.

Wie uitgaat van een geboortegetal van 1,5 – een hoogte waar het in Nederland al een tijd rond zit – en een percentage van 65% voor gemengde huwelijken (het percentage dat in de NIDI-studie ook gebruikt werd), kan berekenen dat er uiteindelijk zo’n 580.000 leden van de derde generatie zullen zijn, en 700.000 van de vierde generatie. Ook dit is uiteraard een berekening waar geen demograaf in mee kan gaan, want hij houdt met veel factoren geen rekening en is niet meer in de tijd geplaatst.

Wat je hieruit wel kunt afleiden, is dat het totaal aantal mensen ‘met een verbinding met Nederlands-Indië/Indonesië’, van alle generaties, op deze manier goed richting de 2 miljoen zou kunnen zijn gegaan, ergens in de jaren tussen 2002 en nu.4 Twee miljoen lijkt op basis hiervan nog steeds aan de hoge kant, maar zeker niet zo opgeblazen als in eerste instantie misschien gedacht kan worden.

Bovendien kom je via andere wegen ook tot zulke aantallen. In het Nationaal Vrijheidsonderzoek, een enquête die het Nationaal Comité 4 en 5 mei jaarlijks laat uitvoeren, werden de respondenten in 2022 gevraagd aan te geven op welke mogelijke manieren zij een band met Nederlands-Indië/Indonesië hadden, volgens dezelfde brede definitie als hierboven. Het kwam neer op 11% van de respondenten, die als representatieve steekproef van de Nederlandse populatie gelden. Extrapoleren we dat naar de totale bevolking, dan zou het om net iets minder dan 2 miljoen mensen gaan. Hoewel ook dit niet door kan gaan voor meer dan een hele grove schatting, zit het aardig in de buurt van de twee miljoen (met de aantekening dat we inmiddels ruim twintig jaar verder zijn).

Koningin Beatrix onthult het Indisch Monument in Den Haag, 15 augustus 1988. Bron: Nationaal Archief / Rob Croes / Fotocollectie Anefo / Publiek domein.

De popularisering van het getal

De popularisering van het getal van twee miljoen lijkt echter weinig van doen gehad te hebben met demografische schattingen. Nadat Peter Post het getal in 2010 noemde in het Algemeen Dagblad, dook het namelijk al snel vaker op en ging het een eigen leven leiden, resulterend in de brede bijval die het getal vandaag vindt. Dat ging stap voor stap. In 2014 bijvoorbeeld ontving theatermaker Bo Tarenskeen een stipendium om een theatertekst uit te werken over de gedwongen migratie uit Indonesië en de doorwerking hiervan, waarbij het aantal van twee miljoen ook weer genoemd werd. Bij de Indië-monologen, de bekende theaterproductie die hier in 2018 uit voortkwam, idem dito.

In 2016 haalde de toenmalig voorzitter van Stichting 15 augustus 1945, Erry Stoové, het aantal van twee miljoen aan in een aantal interviews. Daarin liet hij ook zien hoe breed de definitie kon zijn, door ook vriendschappen mee te rekenen: “Er zijn in Nederland 2 miljoen mensen die op de een of andere manier iets met Indië en Indonesië hebben via familieverbanden, aantrouwen, vriendschappen. De herdenking op 15 augustus moet van die 2 miljoen mensen worden.”

Het noemen van vriendschappen lijkt een klein detail, maar laat misschien wel goed zien waar het Stoové en anderen om te doen was. Niet om de discussie hoe groot de Indische gemeenschap nou precies is, of om de vraag waar precies de scheidslijnen liggen. Eerder om het tegenovergestelde: laten zien dat die lijnen niet scherp te trekken zijn en dat de Indische gemeenschap verweven is met de rest van Nederland.

Inmiddels omarmt ook bestuurlijk Nederland het getal, in toespraken en in rapporten. De commissie-Bussemaker, die zich boog over de plek die het koloniale verleden inneemt in het onderwijs, schreef in 2023 in haar rapport: “Zo’n twee miljoen Nederlanders hebben een persoonlijke band met wat ooit Nederlands-Indië was en na een heftige strijd Indonesië werd. Die band is buitengewoon divers en kan teruggaan tot een ver koloniaal verleden, tot ervaringen tijdens de Tweede Wereldoorlog in Nederlands-Indië, de bersiap-periode, de onafhankelijkheidsoorlog en uiteindelijk de overdracht van Nieuw-Guinea.”

Indonesische markt Pasar Malam in Amsterdamse RAI, 1974. Bron: Nationaal Archief / Hans Peters / Fotocollectie Anefo / Publiek domein.

Koloniale logica

De vraag die overblijft is waarom het getal van twee miljoen in zulke vruchtbare aarde lijkt te vallen. Dat de verbinding met voormalig Nederlands-Indië zo benadrukt wordt, laat zien dat dit verleden een belangrijker onderdeel van het collectieve geheugen aan het worden is. Want als de Indische gemeenschap verweven is met de rest, is de koloniale geschiedenis dat ook. Dat deel van het verleden is dan ook een onderdeel aan het worden van de geschiedenis zoals die op scholen en in de media verteld wordt – het is een gedeelde geschiedenis.

Het getal van twee miljoen zegt daarmee vooral iets over wat degenen die het gebruiken willen uitdragen. Dat wordt vooral duidelijk als je in een gedachte-experiment kijkt naar hele andere groepen uit de Tweede Wereldoorlog. Die worden niet op dezelfde manier besproken. Zo waren er tijdens de Tweede Wereldoorlog in Nederland zo’n 70.000 NSB-leden. Met dat deel van de geschiedenis zouden volgens dezelfde demografische logica nu zo’n miljoen mensen verbonden moeten zijn. Maar collaboratie wil maar moeilijk onderdeel worden van het collectieve zelfbeeld. In herdenkingstoespraken wordt zelden benadrukt dat een fout WO2-verleden iets van ons allemaal is (al zou je prima kunnen betogen dat de Nederlandse herinneringscultuur een inhaalslag te maken heeft als het aankomt op reflectie over daderschap).

Indonesië en voormalig Nederlands-Indië worden daarentegen wel in toenemende mate als ‘van ons allemaal’ gezien. Dat blijkt ook uit de brede en losse definities die er door verschillende spelers gehanteerd wordt. Kind van de rekening in deze ontwikkeling is de serieuze demografie, die vervangen is door grove schattingen die een ander doel dan voorheen dienen. Dat is op zich niet erg, zeker niet zolang er genoeg kritische meeluisteraars zijn die af en toe een kanttekening maken bij de hoogte van een schatting. Maar demografische studies hebben één belangrijk neveneffect dat ook verdwijnt. Wie precies telt, is namelijk ook gedwongen precies te zijn over wie of wat er geteld wordt.

Dat levert niet per se een fraai beeld op. Dat de NIDI-onderzoekers in 2002 met hun categorisering een echo van het koloniale rassendenken lieten horen is kwalijk. Maar ze moesten daar omwille van hun demografische metier tenminste wel open over zijn, of konden het hoogstens achter een eufemistische term als katjang laten schuilen.

Maar wie de precisie van demografen achter zich laat – en dat gebeurt, nu het getal van twee miljoen als algemeen geaccepteerd de ronde doet – verliest ook die openheid over de gebruikte categorisering. Dat betekent dat ook de doorwerking van koloniale logica over de vraag wie erbij hoort en wie niet, weer ondergronds kan gaan. Nu het koloniale verleden in toenemende mate ‘van ons allemaal’ is, maakt dat reflectie op wat we eigenlijk verstaan onder het hebben van ‘een verbinding met voormalig Nederlands-Indië’ alleen maar belangrijker. Niet om koppen te tellen, maar om het koloniale verleden en de doorwerking daarvan goed in beeld te krijgen.

Over de auteur

Matthijs Kuipers

Over de auteur

Matthijs Kuipers is historicus en werkt als onderzoeker en beleidsadviseur bij het Nationaal Comité 4 en 5 mei. Hij maakt deel uit van de redactie van WO2 Onderzoek uitgelicht.


Noten

1 Edith van Zalinge, ‘Vanuit Indisch perspectief’. Het Parool, 7 juni 1999.

2 Algemeen Dagblad, 15 augustus 2010.

3 Het NIDI schat het aantal Indische Nederlanders op 1 januari 1946 als volgt in. Ze gaan uit van 254.000 personen in Nederlands-Indië met de Nederlandse nationaliteit die uiteindelijk naar Nederland zijn gemigreerd en 34.000 personen die op dat moment al in Nederland waren (de ‘Katjangs’). Dat zijn in totaal 288.000 personen, door de NIDI-onderzoekers aangeduid als de ‘oerpopulatie’ Indische Nederlanders, waarbij bijvoorbeeld groepen die later de Nederlandse nationaliteit verkregen (zoals met name Molukkers) nog niet meegerekend zijn (p. 51). In 2001 bestond het aantal Indische Nederlanders volgens het NIDI-rapport uit 458.000 personen (p. 91). Dat getal is echter wel inclusief Molukkers, zij die ‘geen speciale gevoelsband met Nederland’ hebben en de ‘vergeten groepen’ (geboren in Nederlands-Indië, tijdens de oorlog in Nederland, en niet onder de groep ‘katjangs’ vallend). Trekken we die groepen er weer af, dan komen we op ca. 423.000 personen. De groei van de ‘oerpopulatie’ tussen 1946 en 2001 komt dan neer op 423.000/288.000, oftewel ca. 1,47. Hanteren we die factor ook voor de groei van de 140.000 militairen – wat in werkelijkheid natuurlijk niet precies zo is, aangezien voor deze groep andere parameters zullen gelden – dan zouden er in 2001 ca. 206.000 nog in leven zijnde militairen of ‘kinderen-van’ moeten zijn. Het totaalgetal van het NIDI voor 2001, dit keer inclusief alle bovengenoemde groepen zoals Molukkers, komt neer op 498.000 (p. 91). Tellen we daar de militaire groep bij op, dan komt het totaal in 2001 op ca. 704.000.

4 Als we uitgaan van de eerder in dit artikel genoemde 700.000 leden van de eerste en tweede generatie Indische Nederlanders, Molukkers en militairen, en daar de 580.000 en 700.000 bij optellen, komen we op ca. 1,9 miljoen uit. Dat getal houdt geen rekening meer met sterfte, terwijl niet alle leden van de derde en vierde generatie al geboren zullen zijn terwijl er niemand van de eerste en tweede generatie overlijdt. Dit getal moet, nog los van alle andere grove onzekerheden in mijn berekening, daarom gezien worden als een theoretische bovengrens.


Foto bovenaan artikel

De koning in 2025 tijdens de Nationale Herdenking 15 augustus 1945 in Den Haag. Fotograaf: Ilvy Njiokiktjien.

Elke tijd stelt zijn eigen vragen. Oorlog op vijf continenten, achttien jaar later

In 2008 publiceerde het NIOD het boek Oorlog op vijf continenten, dat de WO2-herinnering in een breder, internationaal kader wilde plaatsen. Nu, achttien jaar later, kijken de auteurs samen met Monique Brinks terug. Wat heeft het boek in hun ogen teweeggebracht en wat staat er nog te doen als het gaat om verbreding van het Nederlandse blikveld?

Een voetbal en een krans

Op 4 mei 2003 ging in Amsterdam een groep voetballende jongeren met een Marokkaanse migratieachtergrond aan de haal met herdenkingskransen. Nederland reageerde geschokt. Maar waar veel commentatoren stil bleven staan bij de onrust zelf, zagen anderen een dieperliggende vraag. Namelijk: hoe kan een samenleving met steeds meer mensen wier wortels elders liggen, een gedeelde herinneringscultuur onderhouden als dat collectieve geheugen vooral het verhaal is van één groep?

Van links naar rechts: Kees Ribbens, Joep Schenk en Martijn Eickhoff. Bron: NIOD, Universiteit Utrecht, Robin Alysha Clemens.

Het instituut voor multiculturele ontwikkeling FORUM vroeg het NIOD hierna om onderzoek. Dat leidde in 2004 tot een eerste, bescheiden publicatie. Mede op initiatief van het ministerie van VWS verscheen vier jaar later het grotere vervolg: Oorlog op vijf continenten, geschreven door Kees Ribbens, Joep Schenk en Martijn Eickhoff.1 In dit boek beschreven zij de WO2-ervaringen van acht landen die samen het herkomstgebied vormen van een groot deel van de naoorlogse immigranten in Nederland: China, Marokko, Suriname, de Nederlandse Antillen, Joegoslavië, de Sovjet-Unie, Indonesië en Turkije. Geen vergelijkende studie maar een panorama, bedoeld om zichtbaar te maken dat de Tweede Wereldoorlog voor verschillende gemeenschappen verschillende betekenissen had en dat dat ertoe doet als je samen herdenkt. Achttien jaar later blijkt de koloniale context – met name rond Indonesië – de meest zichtbaar veranderde lijn. Maar het boek schetste een veel breder perspectief: ook de WO2-ervaringen van China, Joegoslavië of de Sovjet-Unie vallen buiten het Nederlandse blikveld.

De cover van Allochtonen van nu & de oorlog van toen. Bron: Bohn Stafleu van Loghum.

Pionieren

Als je de drie auteurs vraagt wat het boek primair was, is het antwoord eensgezind: geen historiografisch statement, maar een publieke interventie. “Het idee was dat de Tweede Wereldoorlog – en de herinnering eraan – misschien niet vanzelfsprekend is voor allerlei relatief nieuwe groepen in de samenleving”, zegt Ribbens. “We hebben een panorama geboden van de variatie in oorlogservaringen en tegelijkertijd de vraag opgeworpen: hoe vanzelfsprekend is het Nederlandse verhaal eigenlijk?”

Eickhoff typeert het als bevrijdend: “Je merkt dat je ingekapseld bent. We werden zelf geconfronteerd met ons gebrek aan kennis. We hebben onszelf in die zin ook gecorrigeerd.” Schenk, die hoofdstukken schreef over Suriname, de Antillen, Marokko en Turkije, is even duidelijk: “Ik was niet belast met enige voorkennis. Alles wat ik leerde, corrigeerde mijn beeld van de Tweede Wereldoorlog.”

Het was in 2008 serieus pionieren. Nederlandstalige literatuur over de WO2-ervaringen in China of Marokko was er nauwelijks. Het boek werd positief ontvangen, ook omdat het geschiedenissen zichtbaar maakte die eigenlijk niemand goed kende. Het boek bereikte een breder publiek dan verwacht. Eickhoff werd aangesproken door mensen die het lazen als eyeopener. Dat waren niet zozeer mensen met een migratieachtergrond maar autochtone Nederlanders, die voor het eerst kennismaakten met het oorlogsverhaal vanuit een Turks of Chinees perspectief en zich zo realiseerden dat dit perspectief überhaupt bestond.

De cover van Oorlog op vijf continenten. Bron: Uitgeverij Boom

Trage integratie

Achttien jaar later ziet het herdenkingslandschap er voor een deel anders uit. De term ‘meerstemmigheid’, die in 2008 niet eens werd gebruikt in het boek – men sprak van “perspectieven verbreden” – is nu gemeengoed. Global history is academisch mainstream. Sinds 2022 herdenkt het Nationaal Comité 4 en 5 mei op de Dam expliciet ook de slachtoffers van de koloniale oorlog in Indonesië, een besluit dat niet zonder strijd tot stand kwam. De koloniale context van WO2 heeft een plek gekregen in het publieke debat, gestimuleerd door Black Lives Matter en de hernieuwde belangstelling voor Anton de Kom.

Maar het koloniale verhaal blijft vaak een aanvulling en dreigt bovendien vooral een Nederlands verhaal te blijven: over hoe Nederland zich verhoudt tot zijn eigen verleden. De vraag wat het Indonesische of Surinaamse perspectief zelf inhoudt, los van die Nederlandse positiebepaling, komt minder makkelijk aan bod. “De kritiek op het eurocentrisme als het over de Tweede Wereldoorlog gaat, heeft niet zo veel voeten aan de grond gekregen”, zegt Eickhoff. “Als ik naar de boekentafel bij het NIOD kijk, gaat het grotendeels over Europa.” Ribbens stelt: “Ik geloof niet dat er al een geïntegreerd geschiedbeeld is waarin de Tweede Wereldoorlog en de koloniale oorlog in Indonesië echt samenkomen.” Eickhoff illustreert hoe fundamenteel de omslag is die gemaakt moet worden met een detail uit zijn eigen praktijk: van de Indonesische historicus Bambang Purwanto leerde hij niet langer te spreken van ‘Nederlands-Indië’ als vanzelfsprekend vertrekpunt, maar van ‘de Indonesische archipel ten tijde van Nederlands-Indië’. Deze andere bewoording biedt een andere lens, die ruimte schept voor andere perspectieven.

Ribbens signaleert dat de trage integratie ook nog eens plaatsvindt in een tijd waarin steeds meer mensen niet ontvankelijk lijken te zijn voor verbreding van wie en wat herdacht wordt. Maatschappelijke polarisatie zie je inmiddels ook terug in hoe we herdenken. “Er zijn mensen die openstaan voor een bont geheel aan uiteenlopende herinneringen. En er zijn mensen die vasthouden aan nationale kaders en een overzichtelijk verhaal, waarbij een eenduidig narratief belangrijker wordt geacht dan de feitelijke onderbouwing van dat beeld”, aldus Ribbens. Die groepen staan nu scherper tegenover elkaar dan in 2008. Oorlog op vijf continenten verscheen in een politiek klimaat waarin PVV’er Martin Bosma het op de radio als een overbodige exercitie beschouwde, zo herinnert Ribbens zich, want al die andere landen “deden er in zijn optiek absoluut niet toe”. Schenk voegt toe dat Bosma het ook “multiculturele geschiedvervalsing” noemde. Die spanning is sindsdien niet verdwenen. Toch vindt Ribbens het zinvol om als historicus publiekelijk stelling te blijven nemen: “Andere stemmen die pleiten voor blikverbreding kunnen wel wat steun gebruiken.”

Verschuiving in taal

Het gesprek over het boek raakt ook aan de taal ervan. In Oorlog op vijf continenten staan woorden die inmiddels als problematisch of verouderd gelden: ‘zigeuner’, ‘bosneger’, ‘allochtoon’. Eickhoff is er direct over: “Dat verbaast me eerlijk gezegd. We hadden dat toen echt wel in beeld.” Ribbens nuanceert: “Inderdaad zou de hedendaagse sensibiliteit leiden tot andere keuzes. Maar ‘allochtoon’ had ook iets pragmatisch: je kon er snel mee duidelijk maken waar je het accent legde.”

Die verschuiving in taal zegt iets groters. De concepten waarmee historici werken, zijn zelf historisch geworden. Het besef dat archieven en musea niet neutraal zijn, dat kennis geconstrueerd wordt binnen machtsstructuren, wint terrein onder studenten en jonge onderzoekers. “Maar of dat buiten die kring even breed leeft,” zegt Eickhoff, “durf ik eigenlijk niet te zeggen.”

Juist die verbreding maakt de positie van de historicus ingewikkelder. Eickhoff deed in mei 2025 als NIOD-directeur voor het eerst uitspraken over ‘genocidaal geweld’ in Gaza; de reacties waren fel. Eickhoff reflecteert: “Als je vanuit integriteit, zelfreflectie en empathie die thema’s aansnijdt én openstaat voor dialoog, dan kan het gebeuren dat je merkt dat dit mensen pijn doet. Dat is part of the deal. Als je dat uit de weg gaat, kom je in een heel klein, ingekapseld hoekje.” Geen pleidooi voor provocatie, wel voor het bewust bewonen van een ongemakkelijke positie.

Versie 2.0

De auteurs zijn het erover eens dat een versie 2.0 er fundamenteel anders uit zou zien. Het nationale kader – land per land, hoofdstuk per hoofdstuk – zou losgelaten worden. In plaats ervan: entangled histories, verhalen die elkaar raken en daarmee alle veranderen. “Het mooiste is als verhalen niet naast elkaar staan, maar elkaar raken, want dan krijgen ze een andere lading,” zegt Eickhoff. “Dat zou ons uitgangspunt zijn.”

Dat zou ook betekenen: niet meer alleen schrijven óver die gemeenschappen, maar samen mét hen. Schenk constateert dat de begeleidingscommissie destijds “merendeels witte Nederlandse mannen” waren. Schenk herkent dat ongemak ook in zijn eigen werk: bij een later artikel over Anton de Kom stelde hij zichzelf de vraag of hij wel de juiste persoon was om dat te schrijven. Zijn conclusie: ja, als historicus is het juist je taak om ook over mensen met een heel andere achtergrond te schrijven, maar dan wel met expliciete zelfreflectie op je eigen positie. “Nu zouden we voor zo’n hoofdstuk iemand uit de herkomstgemeenschap vragen”, zegt Eickhoff. “Of je doet het samen.” Ribbens oppert ook een heel andere invalshoek: niet landen als uitgangspunt, maar de mensen die tijdens de oorlog al in Nederland woonden en de wereldgeschiedenis in hun eigen leven droegen. Hij vertelt over een Japanner in Nederland die een Duitse soldaat ingekwartierd had, die op een gegeven moment fataal van de trap viel. Of over Surinaamse mannen die zich ineens in uniform in Australië bevonden. “Dit is de wereldgeschiedenis in een notendop”, zegt Ribbens. “Zulke verhalen zijn er. Je moet ze alleen willen zoeken en ze als vertrekpunt nemen, niet als curiosum.”

De werktitel voor zo’n 2.0-versie die in het gesprek valt, zegt misschien het meest: Oorlog en dekolonisatie op vijf continenten. Schenk legt uit waarom die koppeling onvermijdelijk is: voor gekoloniseerde samenlevingen als Suriname, Marokko en Indonesië was de Tweede Wereldoorlog geen opzichzelfstaand conflict, maar onderdeel van een veel langere geschiedenis van strijd en onderdrukking. Die context geeft de oorlog in die herinneringsculturen een heel andere rol in de identiteitsvorming en rechtvaardigt daardoor de keuze voor een andere titel.

Omslag van De lange Tweede Wereldoorlog. Nederland 1940-1949. Bron: Uitgeverij Balans.

De vraag die overblijft

De Tweede Wereldoorlog als moreel ijkpunt staat onder druk. Ribbens: “Zeker sinds 7 oktober, maar vooral sinds de Israëlische inval in Gaza, wordt er door steeds meer mensen getwijfeld. Mensen vragen zich af of je de Holocaust kunt herdenken zonder daar consequenties aan te verbinden ten opzichte van het optreden van Israël.” Eickhoff ziet daarin ook de kracht van het boek die nog niet volledig benut is: “Door dit gesprek realiseer ik me dat dit boek in zekere zin de potentie heeft om die uiteenlopende morele kaders bij elkaar te brengen, omdat het verbonden geschiedenissen zijn.”

Die verbinding is precies waar in 2008 op werd ingezet en die nog steeds niet is afgerond. Een gedeeld verhaal over de Tweede Wereldoorlog kun je niet afdwingen, zegt Eickhoff, en dat moet je ook niet willen. “Maar je kunt verschillende geschiedenissen wel bevragen, met elkaar verbinden en het aantrekkelijk maken je daarin te verdiepen.” Hij noemt Peter Romijns De lange Tweede Wereldoorlog (2020) als voorbeeld van hoe dat kan: een boek dat bezetting en dekolonisatie verbindt en veel mensen bereikt. Fragmentatie ontstaat niet door meerstemmigheid, maar door het loslaten van context. “Elke tijd en elk publiek stelt zijn eigen vragen aan de geschiedenis”, staat er ergens in Oorlog op vijf continenten. Die zin klopt nog steeds, ook als hij nu meer wringt dan toen.

Over de auteur

Monique Brinks. Fotograaf: Ton Bennemeer Fotografie.

Over de auteur

Monique Brinks werkt als senior Publiek & Innovatie bij Stichting WO2Net. Dit artikel is gebaseerd op een interview met Kees Ribbens, Martijn Eickhoff en Joep Schenk, gehouden op 27 maart 2026.


Noot

[1] Martijn Eickhoff is anno 2026 directeur van NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies, Kees Ribbens is senior onderzoeker bij datzelfde NIOD en Joep Schenk is universitair docent Geschiedenis van de Internationale Betrekkingen aan de Universiteit Utrecht.


Foto bovenaan artikel

Surinaamse soldaten op weg naar Australië. Bron: Beeldbank WO2 – NIOD.

Oorlog en dekolonisatie op vijf continenten

Jaargang 15, nummer 2, mei 2026

Dat de Tweede Wereldoorlog een mondiale gebeurtenis was is evident. Lang werd de WO2-geschiedenis echter vooral bestudeerd in een nationaal kader. Inmiddels is de aandacht voor meerstemmigheid toegenomen. Wat heeft de groeiende aandacht voor zulke meerstemmige oorlogsgeschiedenissen opgeleverd?

De ‘eigen’ geschiedenis?

“Waarom ging de voorstelling niet over de 27 miljoen Sovjetburgers die zijn gestorven? Of over de zes miljoen Joden?” vraagt een man uit het publiek. Het is 5 mei 2026, Theater Na de Dam. Acteurs Marcos Valster Da Costa Ferreira en Mahfoud Mokkadem spelen Gharib, een voorstelling over de geschiedenis van Marokkaanse soldaten die onder de Franse vlag hebben gevochten tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het belicht een relatief onbekend verhaal, dat en passant de positie van jongeren met een (met name Marokkaanse) migratieachtergrond in de hedendaagse samenleving aan de kaak stelt.

De vraag die na afloop van de voorstelling aan de acteurs wordt gesteld, raakt aan een spanning die regelmatig binnen het WO2-veld speelt: is het behandelen van onderbelichte geschiedenissen een geschikte manier om jongeren – of anderen die verder af lijken te staan van vooral de Nederlands ingevulde WO2-geschiedenis, daarbij te betrekken? Of is dit simpelweg een goedkoop en gezocht ‘haakje’, en zou ieders interesse idealiter verder moeten reiken dan die van de ‘eigen’ groep?

Dergelijke vragen worden ook besproken in het in 2008 verschenen boek Oorlog op vijf continenten – Nieuwe Nederlanders & de geschiedenissen van de Tweede Wereldoorlog,  een publicatie van NIOD-onderzoekers Kees Ribbens, Joep Schenk en Martijn Eickhoff. Doel: de kennis over de Tweede Wereldoorlog in mondiaal perspectief vergroten, en met name die over de geschiedenis in zogenoemde ‘herkomstlanden’  waar een aanzienlijk aantal Nederlanders hun wortels hebben liggen: China, Marokko, Suriname en de Nederlandse Antillen, Joegoslavië, de Sovjet-Unie, Indonesië en Turkije. Hoewel de aandacht voor oorlogservaringen van buiten Nederland aan de Noordzee groeit, zo constateerden zij, betekent dat geen automatische bijstelling van het heersende beeld van “bezet Nederland tussen mei 1940 en mei 1945”. Daarvoor hebben discussies over deze geschiedenis al te vaak een hoge morele en emotionele lading.

Hoe zit dat nu, achttien jaar na deze publicatie? In hoeverre is het dominante beeld van de oorlog in Nederland aan de Noordzee bijgesteld? Welke ontwikkelingen hebben er in de tussentijd plaatsgevonden, en welke stappen moeten er nog altijd gezet worden? In dit nummer van WO2 Onderzoek uitgelicht reflecteren we op deze vragen.

Na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog werden er vrijwilligers uit Congo geworven. Zij traden toe tot de Force Publique. Bron: Afbeelding uit ‘Belgian Colonial Policy’ van de Belgian Information Center uit 1943.

Koloniale geschiedenissen

Dat doen we allereerst met een interview door Monique Brinks met Martijn Eickhoff, Kees Ribbens en Joep Schenk, de auteurs van Oorlog op vijf continenten. Zij stellen dat er nog altijd onevenredig veel aandacht is voor de Europese geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog en dat de koloniale geschiedenis enkel als aanvulling wordt gezien. Ook hun eigen werkwijze van destijds moet het ontzien. Zo zouden de auteurs in een geüpdatete 2.0-versie van het boek de verwevenheid van bepaalde geschiedenissen veel meer proberen te belichten. Dit zou de mogelijkheid geven om ook de langduriger context van strijd en onderdrukking te benadrukken in met name de landen die gekoloniseerd zijn geweest.

Het nieuw geopende Suriname Museum in Amsterdam is een recent voorbeeld waarin deze verwevenheid in tijd en ruimte effectief wordt benadrukt, schrijft Wim Manuhutu in een bijdrage aan dit nummer. In de vaste tentoonstelling wordt de bijdrage van Suriname aan de geallieerde oorlogsinspanningen gekaderd binnen de 350 jaar geschiedenis die Suriname en Nederland met elkaar delen, waar het slavernijverleden en de doorwerking daarvan een belangrijk onderdeel van uitmaken.

Als er één ‘herkomstland’ is waarmee veel mensen in Nederland zich verbonden weten, dan is het wel Indonesië. Maar liefst twee miljoen Nederlanders hebben een connectie met Nederlands-Indië/Indonesië, zo zingt al enige tijd rond. Maar klopt die schatting wel? Matthijs Kuipers boog zich over de totstandkoming van dit getal, en wat de omarming ervan zegt over de plek van Indonesië en voormalig Nederlands-Indië in het bewustzijn van het koloniale verleden. Wat betekent het dat deze geschiedenis “in toenemende mate als ‘van ons allemaal’ gezien” wordt?

‘Van ons allemaal’ is zeker niet het sentiment ten aanzien van de geschiedenis van Belgisch-Congo. Dat wil maar moeizaam onderdeel worden van het collectieve geheugen in België. In zijn artikel schrijft Frank Gerits over Congolese koloniale troepen die tussen 1940 en 1944 onder meer in Ethiopië en het huidige Myanmar vochten tegen het fascisme. Waarom zijn deze Congolese soldaten en Congolese verzetshelden zo lang onzichtbaar gebleven in de geschiedenisboeken? Racisme speelde hierbij een belangrijke rol, legt Gerits uit, maar dat geldt ook voor de specifieke dynamiek van de Belgische herinneringscultuur, waarin collaboratie nog lange tijd werd vergoelijkt.

Aleppo in 2017 (links) en Rotterdam in 1940 (rechts). Bron: Aleppo: Foreign and Commonwealth Office op Wikimedia Commons (OGL v1.0) – Rotterdam: Museum Rotterdam op Wikimedia Commons (CC BY-SA 3.0).

Spanningen in de herinneringscultuur

Als we het feit dat de Tweede Wereldoorlog een wéreldoorlog was serieus willen nemen, heeft dat ook consequenties voor wie we herdenken en hoe dat herdenken eruitziet. Somer Al Abdallah bespreekt de recent verschenen essaybundel Stakkers en wolven van Lotfi El Hamidi, waarin de auteur onder meer schrijft over spanningen in de Nederlandse herinneringscultuur. Die ondervond El Hamidi zelf aan den lijve bij het voorbereiden van een lezing ter herdenking van het bombardement op Rotterdam, waarbij hij aarzelde om een parallel te trekken met de bombardementen van Israël op Gaza. De ruimte om verbanden te leggen tussen hedendaagse conflicten en het verleden van de Tweede Wereldoorlog is er wel, “maar niet voor iedereen, en niet op elk moment”, zo vat Al Abdallah El Hamidi’s argument samen. Al Abdallah ziet Stakkers en wolven vooral als een broodnodige opening van een breder gesprek over deze spanningen in de Nederlandse herinneringscultuur, een gesprek dat nog niet genoeg gevoerd wordt.

Ook Pepijn de Koning verdiept zich in spanningen in de Nederlandse herinneringscultuur. Specifieker: in de risico’s van het verknopen van ‘Nederlanderschap’ met kennis over of bewustzijn van de Nederlandse geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog. In Tegen heldere verhalen waarschuwde Sinan Çankaya er al voor om van 4 mei geen “voorwaardelijk burgerschapsritueel te maken voor Nederlanders met een migratieachtergrond”. Die angst lijkt verder bewaarheid te worden nu er in diverse Europese landen Holocausteducatieprogramma’s voor moslims zijn opgezet. Gedegen onderzoek naar de Nederlandse context ontbreekt nog, maar recent Duits onderzoek biedt al waardevolle aanknopingspunten. Zo laat De Koning zien dat het loskoppelen van herinneren en etniciteit essentieel is om herdenken inclusiever te maken.

In de praktijk wordt al gewerkt aan het vormgeven van herdenkingsplekken die beogen inclusiever te zijn dan de bestaande. Een goed voorbeeld is het initiatief van de gemeente Lelystad, waar binnenkort de bouw start van een nieuwe, inclusieve en toegankelijke herdenkingsplek die “álle pijnlijke en historische verhalen” zou moeten weerspiegelen, en niet alleen die betrekking hebben op de Tweede Wereldoorlog. Saadat Mousavi ging in gesprek met Arna Mačkić, een van de architecten van Studio LA dat de opdracht kreeg het ontwerp te maken. Cruciaal in dit proces was het betrekken van de verschillende gemeenschappen in Lelystad, waardoor het ontwerp een plek creëert waar iedereen zich kan herkennen.

Voor een foto-essay in dit nummer koos fotograaf Negin Zendegani een aantal foto’s uit die ze in 2020 maakte voor een tentoonstelling in Museum Arnhem. Het zijn portretten van mensen die recent hebben moeten vluchten, samen met mensen die in de Tweede Wereldoorlog op de vlucht sloegen, vormen een andere manier om verbanden tussen verleden en heden, tussen hier en elders, scherp te krijgen.

Impressie van het nieuwe monument in Lelystad. Bron: Studio L.A.

Voorbij de ‘eigen’ geschiedenis

De artikelen in deze editie laten zien dat de oproep om de Tweede Wereldoorlog in mondiaal perspectief te plaatsen nog altijd resoneert, bijna twee decennia na het verschijnen van Oorlog op vijf continenten. Indien vragen van het publiek suggereren dat interesse voor de eigen, vaak onderbelichte oorlogsgeschiedenis van een bepaalde groep discutabel is, wordt al te gemakkelijk uit het oog verloren hoezeer de Nederlandse blik op de Tweede Wereldoorlog doorgaans niet veel verder reikt dan de bezettingstijd in eigen land. Als het raadzaam is verder te kijken dan de geschiedenis van de ‘eigen’ groep, geldt dat dan niet voor iedereen?

Het is hoe dan ook onvermijdelijk om te accepteren dat iedere nieuwe generatie op een eigen manier betekenis geeft aan het oorlogsverleden, zo stellen Ribbens, Schenk en Eickhoff. Weigeren de verwevenheid van WO2-geschiedenissen en van verleden en heden te benadrukken, vormt bovendien een reëel risico, schreven zij al in 2008: “Het bevriezen van herinneringen doet onrecht aan het levend en relevant houden van geschiedenis, maar kan wel leiden tot het buitensluiten van nieuwkomers.”

 

Met bijzondere dank aan Rob Hartgers van RFG Media.

 

Over de auteur

Sophie van den Bergh.

Sophie van den Bergh is hoofdredacteur van WO2 Onderzoek uitgelicht en werkt op de afdeling Onderzoek en educatie van het Nationaal Comité 4 en 5 mei. Aan de Universiteit Gent werkt ze aan een proefschrift over herdenkingstheater.


Foto bovenaan artikel

Scène uit Gharib. Fotograaf: Bart Grietens.

Meervoudig misbruikt: het lot van ‘troostmeisjes’ in en na de oorlog

Ze zijn misschien wel de meest bekende groep slachtoffers van seksueel geweld in oorlogstijd: de ‘troostmeisjes’. Eerst gedwongen tewerkgesteld in Japanse militaire bordelen, en na de oorlog vaak verstoten door familie en gemeenschap. Pas sinds 1990 is er aandacht voor hun lot. Helaas blijken ze daarbij vooral speelbal van anderen en inzet van politieke schermutselingen in en tussen Japan, Zuid-Korea en China.

Wereldwijd leven er nog maar een handjevol vrouwen die tussen 1932 en 1945 door Japanse militairen seksueel zijn misbruikt. De laatste overlevenden zijn inmiddels de negentig gepasseerd. Sommige van hen vrezen dat als zij er niet meer zijn, hun ervaringen vergeten worden of, misschien nog erger: verdraaid. In de strijd die ze sinds het publiekelijk uitdragen van hun persoonlijke verhaal voerden, werden ze al te vaak teleurgesteld. Ze hebben aan den lijve ervaren hoe er sinds de jaren 90 van de vorige eeuw zelden met hen werd gesproken over de erkenning van hun leed en genoegdoening daarvoor. Niet alleen (conservatieve) politici, ook activisten en soms de herinneringsindustrie schikten de ervaringen van deze vrouwen vooral naar hun eigen behoeften.

De vrouwen die moesten werken in het georganiseerde militaire prostitutiesysteem, ook wel eufemistisch ‘troostmeisjes’ genoemd, kwamen uit alle hoeken van de door het Japanse rijk bezette gebieden.1 Veel van hen kwamen uit Korea, dat tussen 1910 en 1945 een kolonie van Japan was. De relatief korte maar traumatische episode uit hun jeugd waarin ze tewerkgesteld werden in militaire bordelen tekende hen voor het leven.

Tijdens het Tokio Tribunaal in 1946 beperkte de aandacht voor de slachtoffers van verkrachting zich tot wat er gebeurde tijdens het Bloedbad van Nanjing. Pas vanaf 1991, decennia later dus, kwamen de eerste moedige vrouwen met hun ervaringen naar buiten. De vrouwen die in de publiciteit traden moesten heel wat overwinnen. Als slachtoffers van seksueel geweld voelen zij tot de dag van vandaag vooral schaamte voor wat hen overkomen is. Maar zolang zij hun pijn geheimhouden, kunnen de daders buiten schot blijven.

Myitkyina, 14 augustus, 1944. Drie Koreaanse vrouwen worden door Amerikaanse soldaten ondervraagd. De vrouwen waren seksueel misbruikt door soldaten van het Japanse leger. Bron: U.S. Army op Wikimedia Commons.

Halfslachtige boetedoening

De eerste vrouw die in Korea haar ervaringen publiekelijk besprak, was Kim Hak-sun. In 1991 vertelde ze wat haar op 17-jarige leeftijd was overkomen. Geïnspireerd door haar verhaal traden steeds meer vrouwen naar buiten. Eind 1991 begon Kim Hak-sun samen met twee andere vrouwen een rechtszaak tegen de Japanse regering. Het was de van oorsprong Nederlandse Jan Ruff O’Herne die als eerste Europese vrouw in 1992 een verklaring aflegde op de internationale hoorzitting over Japanse oorlogsmisdaden in Tokio. Vanaf dat moment nam de aandacht voor het lot van deze vrouwen toe. Wereldwijd werden monumenten geplaatst die hun ervaringen gedenken en onder andere in Seoul (2012), Nanjing (2015), Taipei (2016) en Berlijn (2022) zijn musea opgericht waar de verhalen rondom de gedwongen prostitutie voor het Japanse leger centraal staan.

Binnen de Japanse politiek ontstond in 1990 een eerste kleine opening om deze geschiedenis publiekelijk onder ogen te zien. Na een onderzoek dat concludeerde dat Japanse militairen vrouwen destijds inderdaad gedwongen hadden te werken in militaire bordelen, liet de Japanse minister Yōhei Kōno in 1993 namens zijn regering een verklaring uitgaan. Kōno sprak excuses en spijt uit, maar helemaal van harte ging dat niet. Hij kondigde een historisch onderzoek aan naar deze geschiedenis en gaf aan dat er een fonds zou worden ingesteld. Een jaar later werd het Asian Women’s Fund ingesteld.2 Als een vorm van boetedoening werden projecten opgetuigd die het welzijn en de levensomstandigheden van de slachtoffers moesten verbeteren.

Vanaf het begin ontstond er controverse rondom dit fonds, omdat sommige slachtoffers de donaties niet wilden accepteren.  Het voornaamste bezwaar was dat de compensaties niet direct van de staat afkomstig waren, maar via de omweg van het fonds.  Overigens kregen vrouwen in China en Noord-Korea helemaal geen geld uit dit fonds omdat deze landen geen overeenkomst hadden gesloten met Japan. Een succes kun je dit fonds, dat in 2007 werd ontbonden, dan ook niet noemen.

Witwassen

Sindsdien ondernam de Japanse regering verschillende pogingen om wat het “troostmeisjes-probleem” was gaan heten uit de weg te ruimen. Die pogingen bleven meestal nogal halfslachtig. De meeste misbruikte vrouwen vonden dat de Japanse regering nooit een formeel excuus of een ruimhartige compensatie had aangeboden. Door de toenemende druk werden er wel wat initiatieven ontwikkeld, zoals bijvoorbeeld het Kōno-statement in 1993, en een overeenkomst tussen Korea en Japan in 2015. Maar in beide gevallen werden de afspraken over de hoofden van de slachtoffers heen gemaakt.

Wat geïnterpreteerd zou kunnen worden als een erkenning van morele schuld, betekende ook bepaald niet dat de zaak hiermee was afgedaan. Rechtse politici en media in Japan bleven volhouden dat Korea leugens verspreidde, met name over de dwang waaronder vrouwen in de militaire bordelen hadden moeten werken. In de twee ambtstermijnen van premier Abe, van september 2006 tot september 2007 en van december 2012 tot september 2020, werd er van alles gedaan om deze onverkwikkelijke geschiedenis zo snel mogelijk weer wit te wassen. Zo werd in schoolboeken het verhaal dat de vrouwen gedwongen waren geweest weer teruggedraaid.

Een woensdagdemonstratie in Seoul, oktober 2012. De demonstranten zijn verzameld rondom het standbeeld Pyeonghwaui Sonyeosang (Standbeeld van de Vrede).  Bron: Pudmaker op Wikimedia Commons (CC BY-SA 3.0).

Activisme en herdenking in Zuid-Korea en China

In Zuid-Korea, waar veel van de slachtoffers vandaan kwamen, werd de strijd tegen de Japanse regering vanaf het begin professioneel ingezet. De ngo Korean Council die in 1990 werd opgericht ontplooide een breed scala aan activiteiten waarmee zij nationaal en internationaal de gedwongen militaire prostitutie op de agenda zetten. Het zwaartepunt van het activisme tegen de gedwongen prostitutie lag hierdoor steevast in Zuid-Korea, en ligt dat nog steeds. Lange tijd was daarbij ook een grote rol weggelegd voor de voormalige ‘troostmeisjes’ zelf. De Korean Council droeg zorg voor hun levensomstandigheden en welzijn en wierf fondsen om dit te bekostigen. Sinds 1992 staat er elke woensdag opnieuw een groep slachtoffers te demonstreren voor de Japanse ambassade in Seoul.

Maar in 2020 ontstond er een schandaal. Een van de vrouwen, de toen al hoogbejaarde Lee Yong-soo, beschuldigde de activisten van de Korean Council van politieke en financiële uitbuiting. Zij stelde dat zij zich jarenlang geëxploiteerd had gevoeld door de activisten en benadrukte dat er beter geluisterd zou moeten worden naar wat de voormalige ‘troostmeisjes’ zelf wilden. De zaak had veel impact in Zuid-Korea. Het hoofd van een tehuis waar vrouwen verbleven pleegde in 2020 zelfmoord. Parlementslid en gewezen hoofd van de Korean Council Yoon Mee-hyang werd aangeklaagd en uiteindelijk veroordeeld voor verduistering van geld.3

Ook in China beïnvloeden politieke motieven de representatie van de voormalige ‘troostmeisjes’. Dat is bijvoorbeeld te zien aan hoe het Liji Alley Comfort Women Museum hun geschiedenis presenteert. Het museum werd in 2015 geopend op de historische locatie van een voormalig militair bordeel in Nanjing. Het centrale motief in de museumopstelling: tranen. Daardoor ligt de focus bijna geheel en al op het slachtofferschap en lijden van deze vrouwen. Ook gaat de meeste aandacht naar de veroorzakers van al dat lijden: destijds de Japanse militairen en nu de Japanse regering. Een kanttekening valt daarbij wel te plaatsen. Voor de problemen ná de oorlogsperiode in het verdere, soms lange leven van de voormalige ‘troostmeisjes’ zijn wel meer actoren verantwoordelijk. Veel van hen werden door hun gemeenschappen en zelfs naasten uitgestoten en hadden weinig steun te verwachten van de overheid. In het museum blijven deze aspecten bijna geheel buiten schot.

Ook de geopolitieke geschillen tussen Japan en China blijven in het museum onbenoemd. Maar het is overduidelijk dat zij een grote rol spelen bij het vanzelfsprekende benadrukken van de kwalijke rol van Japan. De voormalige ‘troostmeisjes’ blijken een effectief middel om sympathie op te wekken voor zaken die veel verder reiken dan hun lot.4

Het Liji Alley Comfort Women Museum in Nanjing, China. Bron: Liji Alley Comfort Women Museum.

Monddood

De hier aangehaalde voorbeelden uit Zuid-Korea en China illustreren dat er achter de aandacht voor het lot van de voormalige ‘troostmeisjes’ soms politieke en activistische beweegredenen schuilgaan waar de betreffende vrouwen zelf niet per se beter van werden. Integendeel. In feite worden zij soms opnieuw, nu op een andere en soms subtielere manier, misbruikt. Dat is misschien wel het meest tragische van deze hele geschiedenis: dat deze vrouwen meervoudig slachtoffer zijn geworden. Eerst kregen ze, vaak op zeer jonge leeftijd, te maken met langdurig misbruik door Japanse militairen. Velen bezweken onder de mishandelingen of werden vermoord. Vervolgens spraken overlevenden na de oorlog uit schaamte lange tijd niet over wat er met hen gebeurd was. En wie het wel vertelde, liep grote kans te worden verstoten door haar omgeving en beschuldigd te worden zelf de schuld te dragen van wat er was gebeurd. Toen er meer aandacht voor hun ervaringen kwam, kregen of namen de overlevende vrouwen zelf nauwelijks een stem. Het waren anderen die op de voorgrond traden, of het nu ging om de manier waarop de ervaringen van ‘troostmeisjes’ herdacht werden, de wijze waarop ze gecompenseerd werden, of hoe ze hun trauma’s het beste konden verwerken. Op de valreep sprak de hoogbejaarde Lee Yong-soo zich in 2020 alsnog uit, maar is dat genoeg om te komen tot herdenkingen die recht doen aan de complexiteit van de verhalen van de slachtoffers?

Met het overlijden van steeds meer van de vrouwen die de beproevingen aan den lijve hebben ervaren, sluit het boek voor hen definitief. Zelf hebben ze binnenkort geen enkele invloed meer op de wijze waarop hun verhalen worden verteld. Vrouwen als Lee Yong-soo benadrukken het belang van historische waarheidsvinding en van een beter begrip tussen Japanners en Koreanen. Dat is bepaald niet eenvoudig. Desalniettemin is het van belang zorgvuldigheid te betrachten als we proberen de slachtoffers te herdenken en na te gaan hoe politieke of andere beweegredenen die maar zijdelings met hun lot te maken hebben buiten de deur kunnen worden gehouden.

Over de auteur

 

Dr. Eveline Buchheim

Dr. Eveline Buchheim werkt als onderzoeker bij het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies. Ze bracht publicaties uit op het gebied van oorlog en gender, intieme relaties in koloniale contexten en erfgoedtoerisme. Zij werkt momenteel aan een onderzoek naar de Nederlandse Spoorwegen tijdens de Duitse bezetting.


Noten

1 Het woord ‘troostmeisjes’ is de letterlijke vertaling van het Japanse Ianfu. De term is omstreden. Als alternatief wordt ook de term seksslavin gebruikt. De slachtoffers zelf zijn het niet eens welk woord de voorkeur geniet en gebruiken beide benamingen.

2 Zie https://www.mofa.go.jp/files/100173322.pdf voor de informatie van het Japanse ministerie van Buitenlandse zaken hierover.

3 https://koreajoongangdaily.joins.com/2020/09/14/national/socialAffairs/Yoon-Meehyang-Korean-Council-Lee-Yongsoo/20200914185500362.html.

4 Zie voor een uitgebreide analyse van dit museum Eveline Buchheim, ‘The motif of tears: representations of activism and suffering in the Liji Alley Museum in Nanjing’. Women’s History Review (2022), DOI: 10.1080/09612025.2022.2090704.


Foto bovenaan artikel

Het Vredesbeeld (Friedensstatue) in Berlijn is in september 2020 ontuld. Het standbeeld is ontworpen door Kim Seo-kyung en Kim Eun-sung. Bron: C.Suthorn op Wikimedia Commons (CC-BY-SA-4.0)

Een gedeeld oorlogsverleden verbindt generaties en culturen

Stilstaan bij de Dodenherdenking op 4 mei en het vieren van de Bevrijding op 5 mei heeft niet voor iedereen dezelfde betekenis. Niet alleen is er tussen jong en oud een vanzelfsprekend verschil in draagvlak en beleving. Ook verschillende groepen jongeren in Nederland zitten er anders in. Jongeren met een Nederlandse komaf hechten belang aan het oorlogsverhaal in Europa dat zij leren op school. En jonge Nederlanders met een migratieachtergrond? Die kennen ook altijd een ander oorlogsverhaal.

Deze jongeren zijn nakomelingen van grofweg drie groepen. Allereerst: migranten uit de voormalige koloniën, zoals Nederlands-Indië en Suriname. Ten tweede: oorlogsvluchtelingen, uit Bosnië en Syrië bijvoorbeeld. En tot slot gastarbeiders uit met name Marokko en Turkije. Aandacht voor het oorlogsleed van de ouders of grootouders van deze jongeren ontbreekt vaak in het (geschiedenis)onderwijs. Hoog tijd om dat te veranderen, maar dan wel met nadruk op de verbinding tussen de verschillende oorlogsverhalen. Zo verklein je de kloof tussen generaties en culturen.

Marokkaanse soldaten in Zeeland

Die verbinding start met een grondige kennis van de eigen migratiegeschiedenis en het oorlogsverleden van de eigen (groot)ouders. Belangrijk hierbij is het visualiseren van de ontberingen van de eigen (groot)ouders in combinatie met die van de grootouders van hun Nederlandse leeftijdsgenoten tijdens en na WO2. Dit helpt jongeren – en eigenlijk iedereen – om een breder historisch perspectief te ontwikkelen. Zo’n breed perspectief is nodig om te voorkomen dat huidige generaties een te eenzijdige blik krijgen op de eigen geschiedenis. Een te gekleurde kijk maakt blind en leidt tot mythes of heroïsche verhalen. Cruciaal is dat jongeren hierbij (leren) gebruikmaken van onderzoek op basis van betrouwbare bronnen (inclusief ooggetuigen), wat helpt bij een betere duiding van wereldgebeurtenissen.

Een sprekend voorbeeld is het gegeven dat duizenden Marokkaanse soldaten in Europa hebben meegevochten tegen de nazi’s, onder meer in Zeeland, en dat Marokkaanse soldaten die in Duitse handen vielen als dwangarbeiders werkten aan de Atlantikwall. Zo’n verhaal opent de ogen voor een gedeelde geschiedenis. Belangrijk om te weten is dat dit ‘sterven voor onze vrijheid’ geen vrijwillige keuze was van de Marokkaanse soldaten. Dat zij – gesteund door de Marokkaanse sultan – vochten in dienst van het Franse leger was een gevolg van het feit dat hun geboorteland gekoloniseerd was. Door de Franse annexatiepolitiek werden Marokkaanse boeren beroofd van hun broodwinning, akkers en vee. Dit was een belangrijke reden voor hen om zich aan te sluiten bij het Franse leger: ze namen liever het risico te sneuvelen dan dat hun familie van de honger omkwam. Naast dwang om mee te vechten liepen hun motieven uiteen: van economische noodzaak tot persoonlijke ambities.

Iets soortgelijks gebeurde eerder ook al, bij het uitbreken van de Spaanse burgeroorlog. Een deel van de voorouders van Marokkaanse Nederlanders vocht voor de fascistische generaal Franco. Ook dat was niet hun eigen strijd. Ondanks dat deze recruten door Riffijnen als verraders werden gezien deden sommigen toch mee uit wanhoop en om niet van de honger te sterven. Hun vraag was niet wie goed of fout zat, maar hoe te ontsnappen aan de misère.

Marokkaanse soldaten in Italië, december 1943. Bron: The digital collections of the National WWII Museum

Wiens vrijheid?

Als we ons verder verdiepen in het oorlogsverleden stuiten we op nog een belangrijk verhaal: de dubbele standaarden van westerlingen die destijds het nazisme van Hitler zo fel bestreden. De ‘vrijheid, gelijkheid en broederschap’ die de Franse revolutie eind achttiende eeuw zo kenmerkte, bleek in hun ogen niet voor iedereen bestemd. Want toen de Europeanen in 1945 de bevrijding vierden, eisten de Algerijnen en Indonesiërs hun vrijheid op. Deze opstanden werden echter bloedig neergeslagen door Frankrijk en Nederland. Ziehier slechts twee voorbeelden van Europese wereldmachten die anderen de vrijheid niet gunden die ze zelf net hadden terugveroverd. Vrijheid bleek zo iets dat enkel bestemd was voor West-Europeanen. Het etnocentrisme vierde kortom hoogtij, hoezeer het idee dat het witte ras superieur was ook indruiste tegen de universele mensenrechten die in dezelfde tijd hoog in het vaandel werden gehesen. En ook nu nog zien we dat het ‘zich superieur voelen’ wereldwijd tot uitwassen als racisme, uitbuiting en geweld leidt.

Naast verdieping in de eigen geschiedenis en een gelaagder verhaal over het oorlogsverleden is er nog iets van belang voor jongeren met diverse achtergronden. ‘Verborgen’ oorlogsverhalen, hoe klein ook, kunnen positief bijdragen aan hun vermogen om zich te verplaatsen in andermans perspectieven en aanknopingspunten voor herkenning te vinden. Het vergt moed om buiten de eigen comfortzone te treden en bij herdenkingen oog te hebben voor andermans oorlogsleed. Deze verbinding komt tot stand als we behalve bij de Tweede Wereldoorlog ook stilstaan bij andere oorlogen en genocides die onder Nederlanders met een migratieachtergrond voor diepe littekens hebben gezorgd. Als we alleen ons eigen lijden centraal stellen, is er geen ruimte om ons te verplaatsen in de ander.

Vrijheid, vrede, veiligheid

Ik zie twee manieren om samen te komen tot een helder en verbindend verhaal over het oorlogsverleden. Ten eerste: laten we in samenwerking met WO2-instellingen een gedeeld verleden in kaart brengen, met ruimte voor verschillende perspectieven. Daartoe moet in het onderwijs en in openbare ruimtes zoals musea en bibliotheken een prominentere plek worden ingeruimd voor de geschiedenis van Nederlanders die na de Tweede Wereldoorlog naar Nederland kwamen.

Ten tweede: laten we onderzoeken hoe de betrokkenheid en inclusie onder de nieuwe generaties bij de jaarlijkse tradities van herdenken en vieren van vrijheid bevorderd kan worden. Daarbij zouden de oorlogsverhalen van Nederlanders met uiteenlopende achtergronden het uitgangspunt moeten vormen, waaronder bijvoorbeeld Nederlanders met Molukse, Marokkaanse of Bosnische roots. Het is zaak dat de overheid én het onderwijs de oorlogsverhalen die grote groepen Nederlanders persoonlijk raken structureel inbedden in onderzoek en beleid, en deze vertalen in acties en (onderwijs)programma’s. Dit leidt bij iedereen tot meer kennis, bewustwording en wederzijds begrip. Om deze opdracht te stroomlijnen is regie vanuit een speciaal op te richten taskforce nodig. Daarin zie ik vooral experts, bruggenbouwers en (nakomelingen van) ooggetuigen van oorlogsgeweld. Het benadrukken van een gedeeld oorlogsverleden zorgt ervoor dat we uit dezelfde bron putten en maken oorlogsverhalen inclusiever. Daarnaast verbindt het nazaten van alle mensen die hun leven gaven voor onze universele waarden, zoals vrijheid, vrede en veiligheid.


Over de auteur

Youssef Azghari

Dr. Youssef Azghari is schrijver van In dialoog met mijn zoon. Over 100 jaar migratie en docent Social Work en senior onderzoeker Geweld in Afhankelijkheidsrelaties bij Avans Hogeschool.


Foto bovenaan artikel

Marokkaanse soldaten rusten uit tijdens een oefening en poseren met hun wapens, Marokko 1943. Bron: Life magazine / Wikimedia Commons (publiek domein).

Jolande Withuis: “Door alles ‘trauma’ te noemen, ben je het woord voor het allerergste kwijt”

Jolande Withuis – socioloog, gelauwerd biograaf en voormalig NIOD-onderzoeker – is een dwarse stem in het debat over intergenerationeel trauma. Twintig jaar geleden schreef ze al kritisch over de ‘trauma-industrie’ en hekelde ze ‘slachtofferitis’: oorlogsslachtofferschap als levenslange identiteit. Hoe kijkt ze nu terug op die uitspraken? Is haar denken veranderd nu ze in twee boeken haar eigen familiegeschiedenis (en de doorwerking daarvan op haarzelf) tegen het licht heeft gehouden? Ze weet als ‘communistenkind’ immers als geen ander hoeveel het verleden van je ouders met je kan doen?

Verwacht van Jolande Withuis (1949) geen instemmend geknik bij theorieën over overgedragen trauma op derde en vierde generaties slachtoffers. In 2002 stelde ze in haar boek Erkenning. Van oorlogstrauma naar klaagcultuur vraagtekens bij de ‘traumacultuur’ die ze had zien ontstaan. En die is nu, 20 jaar verder, in haar ogen alleen nog maar sterker geworden. “Er zijn steeds meer groepen bij gekomen die zich onder de noemer ‘wij ook’ onder het traumabegrip schaarden. Het werd naast een medisch begrip een politiek argument. Wat zo ‘aantrekkelijk’ is aan het begrip – en dat is raar om te zeggen, want trauma ging altijd over het ergste van het ergste – is dat je psychische problemen hebt, maar dit niet door jou komt. Jíj bent niet gek. Bij een trauma is er altijd een eervolle, externe factor die het heeft gedaan. Het draait om erkenning van aangedaan leed.”

Withuis wil deze manier van denken ‘ontmantelen’. Haar oproep aan historici en sociologen: “Loop niet klakkeloos achter slachtoffergroepen aan, maar onderzoek in plaats daarvan het traumabegrip in zijn individuele en maatschappelijke functie. Dat betekent: niet uitgaan van de vooronderstelling dat er een mathematische wet is van overerfbaar leed.”

Ik spreek Withuis in de woonkamer van haar monumentale pand vol boeken en kunst. Hartje Zutphen. De achtertuin grenst aan een rustig hofje. Vanuit de voorkamer zie je een deel van de stadspoort met kanteel, de veertiende-eeuwse Berkelpoort. Maisgeel geverfde muren, de poes komt even buurten en wil daarna naar buiten.

Erkenning. Van oorlogstrauma naar klaagcultuur. Bron: De Bezige Bij.

Jolande Withuis is van veel markten thuis. Ze is van de grote lijnen en verbindt moeiteloos historische gebeurtenissen uit de wereldpolitiek met de geschiedenis van een begrip als trauma. Ze doceerde vrouwenstudies, was NIOD-onderzoeker, Opzij-columnist en literair recensent bij NRC, en schreef veelgeprezen biografieën over onder andere prinses Juliana en verzetsstrijder Pim Boellaard. Ze analyseert rationeel en met kennis van zaken. In haar proefschrift Opoffering en heroïek (1990), over de mentale wereld van communistische verzetsvrouwen in naoorlogs Nederland, onthulde Withuis de verkrachting van bevrijde gevangenen uit het concentratiekamp Ravensbrück door het Rode Leger. Invoelend én kritisch onderzoekt ze groepen aan wie de geschiedenis een keiharde klap heeft uitgedeeld – Holocaustoverlevenden, communistische strijders, verzetsmensen – en hoe trauma bij hen doorwerkt. In 2006 luidde de kop boven een opiniestuk van haar hand in Trouw: ‘Trauma is niet erfelijk en dat is nog altijd taboe’. 

Vietnam-veteranen

Volgens Withuis speelden in de Werdegang van het begrip trauma motieven van uiteenlopende groepen een rol. Ook hebben landen elk hun eigen ‘trauma-historie’. In Nederland was de Tweede Wereldoorlog daarbij bepalend, waar dat in de Verenigde Staten de discussie met betrekking tot Vietnam-veteranen tussen hardliners en softliners was. Withuis: “De pacifisten in de VS zagen de teruggekeerde Vietnamsoldaten als babykillers. De haviken beschouwden hen als een losgeslagen, aan drank en drugs geraakte horde die na terugkeer van de door hen verloren oorlog tot niets meer kwam. Het was een humane en politieke oplossing om hun staat van zijn te benoemen als een ziekte, met die oorlog als oorzaak. Met het traumabegrip als compromis konden beide kampen leven. De soldaten werden slachtoffers en psychisch lijden veranderde van een bron van schaamte in een eervolle identiteit.” Met extra nadruk voegt Withuis toe: “Die analyse doet niets af aan het feit dat die soldaten wel degelijk leden. Maar het laat zien dat de erkende ziekte ‘trauma’ ook een sociaal product is.” Het nieuwe begrip werd bekroond met opname in het psychiatrisch classificatiesysteem DSM als de stoornis Post-Traumatic Stress Disorder (PTSD, in het Nederlands afgekort tot PTSS).

Vietnamveteranen kwamen door alle problemen erg moeilijk aan een baan. Bron: Reddit.

In Nederland was ‘trauma’ lang een vrij eenduidig begrip, zegt Withuis. “In de Van Dale uit 1956 is trauma gewoon een auto-ongeluk, en een traumachirurg een arts die medisch traumaletsel opereert. En ‘verwerken’ betekende in diezelfde Van Dale het omzetten van turf in steenkool.” In de jaren vijftig heerste ook nog een cultuur van geslotenheid en oppotten, maar midden jaren zestig bleek dat veel kampoverlevenden en verzetsmensen leden onder allerlei symptomen, angsten en depressies. “Dat werd toen KZ- of postconcentratiekampsyndroom genoemd en voor die groep kwam psychiatrische hulp op gang. Vervolgens bleken verwante symptomen voor te komen bij misdaden als incest, kindermisbruik en verkrachting, door feministen aan de kaak gestelde misdaden. Ook daar kwamen slachtoffers pas veel later in hun leven met hun verhaal. Het begrip trauma was nuttig om al die uiteenlopende ervaringen met gelijksoortige gevolgen onder één noemer te brengen: een ervaring die te erg was om direct te vertellen.”

Emotionele draagkracht

Het was mooi en pure winst dat er in de jaren zeventig over ‘het onzegbare’ kon worden gesproken en dat er een woord voor kwam, aldus Withuis. Maar tot haar leedwezen raakte het begrip trauma in de loop der jaren onderhevig aan inflatie. Withuis, ironisch: “Zelfs zakken voor je examen heet nu een trauma.” En er gebeurde nog iets anders, dat tot op de dag van vandaag aan de gang is en waarover Withuis een harde noot kraakt. “Groepen zijn het zich gaan toe-eigenen. Maar trauma is een individuele aandoening. Je kunt ‘nabestaanden van tot slaaf gemaakten’ of ‘verkrachte vrouwen’ niet categoraal verklaren tot traumagroep. Of iemand door een ervaring getraumatiseerd raakt, hangt niet van die ervaring alleen af. Ook van de omstandigheden, de steun op het moment zelf, de situatie na afloop – of er opvang is bijvoorbeeld –, iemands persoonlijke weerbaarheid. Mensen verschillen in emotionele draagkracht. Dat is ook mijn bezwaar tegen het huidige gebruik van het traumabegrip. Alsof het een automatisme is. Groepen collectief tot getraumatiseerd verklaren is een politieke daad. En daar help je mensen niet mee. Integendeel: het kan ze een levenslange identiteit als slachtoffer bezorgen. Erkenning van trauma moet altijd een stap zijn om het lijden te boven te komen, niet om ‘een verklaring van ongeneeslijkheid’ te krijgen, zoals Arend Jan Heerma van Voss het zo treffend formuleerde.”

De twee mémoires van Jolande Withuis. Bron: De Bezige Bij.

Raadselvader

Withuis zelf is de dochter van twee communisten: Berry Withuis (1920-2009) en Jenny van Ringen (1921-2020). Haar ouders leerden elkaar kennen bij dé krant voor de ware communist, De Waarheid, waar hij chef binnenland was en zij secretaresse. Haar jeugdherinneringen leverden in recente jaren prachtige, maar ook huiveringwekkende mémoires op: Raadselvader (2018) en Moeder anti-moeder (2024). In beeldende, trefzekere zinnen schetst Withuis hierin haar ouders. Een citaat: “Mijn vader praatte graag maar zei weinig. Ik wilde mijn echte vader leren kennen in plaats van die druk-op-de-knop-anekdote-jukebox.” Over haar moeder: “Ik was haar dochter in een periode van armoede, isolement en keiharde politieke tegenstellingen. Zij meende zich geen zachtheid te kunnen permitteren.”

Voor de boeken over haar ouders gebruikte Withuis een curieuze bron: hun uitgebreide BVD-dossiers. Het gezin werd jarenlang nauwlettend in de gaten gehouden door deze voorloper van de AIVD, de Binnenlandse Veiligheidsdienst. “Buitengewoon komisch. Hun dossiers gaven antwoord op vragen waar mijn ouders nooit op wilden antwoorden.” Lachend: “Ik zou de BVD eigenlijk moeten bedanken.”

In het hardcore communistische gezin waarin Jolande met broer Max opgroeide werd over emoties niet gesproken. Aan ‘burgerlijke’ zaken zoals verjaardagen vieren, gezamenlijk avondeten en knuffelen werd niet gedaan. Daarnaast was er telkens de boodschap dat de vijand overal kon loeren. Withuis is een soort Nederlandse ‘red diaper-baby’. Dat is de term voor Amerikaanse kinderen die in het McCarthy-tijdperk opgroeiden in een communistisch gezin. Withuis beschrijft deze kinderen in haar boek Moeder anti-moeder als volgt: “Kenmerkend voor de red diapers is dat hun jeugd werd gekleurd door illegaliteit, isolement, angst voor verraad en de innerlijke overtuiging geen deel te kunnen hebben aan de echte wereld – de wereld van de anderen.” Dit sluit aan bij hoe Withuis haar eigen jeugd ervoer. “Het deed me goed om over de red diapers te lezen. In Nederland waren er maar zo weinig. Communistenkinderen vallen hun ouders niet graag af. Als kind keek ik tegen mijn vader op.” Met enige spot in haar stem: “Ik heb alles gedaan om een goed communistje te worden.”

Pittige opgave

In Raadelvader beschrijft Withuis onder meer hoe een paspoort vernieuwen door haar opvoeding een zenuwslopende ervaring werd. Ze schrijft: “Ik bleef met zijn nervositeit lang besmet. Pas toen ik een jaar of veertig was durfde ik zonder kalmerende pillen naar het stadhuis om een pas aan te vragen.” Hiernaar gevraagd licht ze toe: “Mijn vader kreeg als communist lang geen pas. De eerste keer dat hij er weer een ging aanvragen, mocht ik mee. Een heel zenuwachtige vader en een heel gevoelig kind. Die angst is door mijn vader onbedoeld op mij overgedragen. En dat zit ’m niet in de genen of dat leed ‘in de biologie zou zijn geëtst’, nee, dat komt door dergelijke concrete ervaringen in mijn jeugd.”

Een interessante vraag is natuurlijk of Withuis zich nog steeds dat kind voelt van ouders die geharnast waren in het zwijgen en er een geheel eigen wereldbeeld op na hielden, of dat er inmiddels een verandering heeft plaatsgevonden? “Het communisme was lang mijn fundament. Op mijn twintigste kende ik wel de slag om Stalingrad, maar D-Day – die enorme veldslag met al die arme jongens op de stranden van Normandië en Bretagne – bestond voor mij nauwelijks. Op mijn 22e kreeg ik mijn eerste angstaanvallen. In therapie leerde ik denken buiten de ideologie. Ik moest mijn blik op de wereld helemaal omvormen. Het was een pittige opgave om de levensbeschouwing van mijn ouders van me af te schudden, met daarin mantra’s als ‘je mag niet zwak of sentimenteel zijn’, ‘politiek is alles’ en ‘kunst en muziek zijn overbodige luxe’. Het was een lang proces, maar ik ben er goed uitgekomen.”

Pijltje trekken

Withuis begrijpt vanwege haar eigen familiegeschiedenis maar al te goed wat een problematisch verleden van ouders met een kind kan doen. Maar ze ziet op basis van haar ervaringen vooral ook dit als het over trauma gaat: “Er zit toch echt een schakel tussen: het gezin.” Een trauma dat doorwerkt op een volgende generatie komt zeker wel voor, stelt ze, maar dat gebeurt via de opvoeding en is geen biologisch of genetisch gegeven. “Ik schreef in de jaren tachtig al over wat toen nog ‘tweede generatie’ heette. Maar dat mensen psychische klachten overhouden aan hun jeugd geldt ook voor mensen die opgroeien met een ouder met een psychiatrische ziekte of in een orthodox-gereformeerd gezin. Dat leden van de Joodse naoorlogse generatie de druk ervoeren van het kampverleden van hun ouders was in de jaren zeventig een ontdekking. Je krijgt er iets van mee als je uit een grotendeels uitgemoorde familie komt of een verzetsvader had die niet meer tot normale gevoelens in staat is.” Maar dan nog: “Je kunt geen pijltje trekken van moeder in kamp naar kind getraumatiseerd.”

‘Mijn angsten komen door mijn opvoeding’ zeggen is echter moeilijker dan ‘Het zit in de maatschappij’ roepen, aldus Withuis. “In mijn ogen moet de ontdekking van de achtergronden van je problemen – bij mij én de gevolgen van mijn vaders oorlogservaringen én het feit dat wij in de Koude Oorlog de vijand waren emancipatoir werken. Dóe er wat aan, therapie kan heel nuttig zijn. Ik leerde daar een bepaalde dynamiek te doorzien. Maak je los van de groep.”

Wat een trauma oorspronkelijk is, benadrukt Withuis nog eens, is “een onuitspreekbare ervaring, die zo buiten het menselijke ligt dat het niet te delen is. Je kunt niet echt met iemand delen hoe het is als jij in een concentratiekamp hebt moeten meewerken aan een ophanging.” Precies dit maakt het in haar ogen zo betreurenswaardig dat het begrip intergenerationeel trauma zozeer wordt opgerekt, niet alleen in aantallen generaties maar ook in het traumabegrip zelf. “Als elke tegenslag als trauma wordt gedefinieerd, nivelleer je het begrip weg. Door alles ‘trauma’ te noemen, ben je het woord voor het allerergste kwijt. Dat is verlies.”


Over de auteur

Larissa Pans

Larissa Pans is journalist en historicus en schrijft als freelancer voor diverse magazines en websites. Ook is zij fellow bij Atria, Kennisinstituut voor Emancipatie en Vrouwengeschiedenis en het Aletta Jacobs Fonds. Momenteel werkt zij aan de biografie van Mary Zeldenrust-Noordanus (1928-1984), voorzitter van de Nederlandse Vereniging Seksuele Hervorming in de jaren zestig. Zeldenrust was een icoon van de seksuele revolutie en is in de vergetelheid geraakt. De biografie (tevens proefschrift) zal eind 2026 verschijnen bij Balans. Pans is daarnaast auteur van Onbeperkt vruchtbaar. Een zoektocht naar de maximale houdbaarheidsdatum van het moederschap (De Bezige Bij, 2018) en Oorlogsgesprekken. De erfenis van bezetting en bevrijding. (Boom, 2020, met co-auteur: Leonard Ornstein).


Foto bovenaan artikel

Jolande Withuis. Fotograaf: Frank Ruiter ©.