Herdenken als vorm van oorlogskritiek

Irak is sinds 1980 verwikkeld in een reeks bloedige oorlogen, van de Iran-Irakoorlog en de Amerikaanse invasie in 2003 tot aan de strijd tegen ISIS. Elk Iraaks gezin kent slachtoffers en herdenkt ze persoonlijk. Toch ontbreekt op staatsniveau erkenning van dit geweld. Waarom? Omdat officiële herdenking ervan de legitimiteit van de huidige politieke orde en van de aanwezigheid van buitenlandse troepen in twijfel zou trekken.

Als je alles op een rijtje zet, is Irak al meer dan veertig jaar in staat van oorlog. Het begon in de jaren tachtig met de Iran-Irakoorlog, waarin naar schatting 1 miljoen Iraakse en Iraanse burgers en soldaten omkwamen. Begin jaren negentig volgde de eerste oorlog met directe betrokkenheid van de Verenigde Staten. Door Operation Desert Storm en de opgelegde sancties tegen Irak vielen tussen 1990 en 2003 zo’n 1,7 miljoen directe en indirecte slachtoffers.1 In 2003 viel een door Amerika geleide coalitie, waaraan ook Nederland deelnam, Irak binnen. Na een luchtcampagne resulteerde dit in een langdurige bezetting door Amerika en de NATO, die anno 2024 nog steeds van kracht is. Het aantal doden in de eerste fase van de bezetting (2003-2011) wordt volgens de meest conservatieve schattingen geraamd op minstens 650.000. Binnen deze acute crisissituatie en de politieke voorschriften van de bezetting kon ISIS zich organiseren. In juli 2014 veroverde ISIS de Iraakse stad Mosul, gevolgd door talloze bloedbaden. Meer dan 40.000 Irakezen kwamen om het leven. Veertig jaar oorlog dus, met meer dan 2.5 miljoen doden.

Omgekomen geliefden

Er is in Irak dus oorlogsgeschiedenis te over. Toch zijn er maar weinig officiële herdenkingen. Zo blikten westerse kranten in 2023 veelvuldig terug op de oorlog tegen Irak twintig jaar eerder, maar vond er in Irak zelf geen officiële herdenking plaats. Dit betekent natuurlijk niet dat de oorlog niet doorwerkt in de individuele levens van Irakezen.

Tijdens veldwerk voor mijn onderzoek naar de geschetste reeks oorlogen bezocht ik verschillende mensen thuis. In tal van woonkamers zag ik foto’s hangen van geliefden die zijn omgekomen in een van de vele oorlogen. En ook op andere manieren herdenken mensen regelmatig zelf de impact die oorlog op hun leven heeft gehad. Elk gezin dat ik sprak, vertelde me over hun ervaringen met overleven en verwerken, maar ook met het verzet tegen bijna 40 jaar aan militair geweld. “Elke Irakees werd wakker, denkend: hoe kan ik deze dag doorkomen”, vertelde een bouwkundige me die alle oorlogen van de afgelopen 40 jaar meemaakte. Deze persoonlijke herdenkingen en de impact van oorlog zijn diep geworteld in het leven van Irakezen. Maar waarom vertalen deze publieke sentimenten over oorlog zich niet naar officieel herdenkingsbeleid in Irak?

Voor de goede orde: er bestaan wel monumenten die afzonderlijke slachtoffergroepen van specifieke massamoorden herdenken, zoals de Amariya-bunker in Bagdad, het Halabja-genocidemonument en het Kamp Speicher-monument in Koet. Een algemene herdenking van oorlog blijft echter achterwege. Hoe dat komt is een vraag die mensen in Irak bezighoudt, maar ook relevant is voor Nederland, dat haar deelname aan de interventies in Irak op 4 mei kritiekloos herdenkt als ‘vredesoperaties’, ondanks de grote anti-oorlogprotesten in 2003 tegen Nederlandse deelname in Irak.

Monument voor de slachtoffers van het bloedbad in Kamp Speicher te Tikrit in 2014 na de val van ISIS. Bron: Hamed Jafarnejad, Tashnim News via Wikimedia Commons

Systematische fragmentatie

Uiteraard zijn er veel publicaties over het Ba’ath-tijdperk (1968-2003) en de invasie in 2003 te vinden in de Iraakse traditionele en sociale media, maar deze vinden plaats buiten de Iraakse staat om. Je kunt stellen dat er sprake is van fragmentatie en decentralisatie van het Iraakse collectieve geheugen.

Dit komt grotendeels voort uit beleid dat werd ingevoerd tijdens de Amerikaanse bezetting. De Amerikaanse invasie resulteerde in de systematische ontmanteling van de Iraakse staat, waardoor de mogelijkheid voor de Iraakse overheid om een collectief narratief over oorlog, slachtofferschap en nationale identiteit te institutionaliseren, werd belemmerd.2 Ook maakten de grootschalige privatisering en bezuinigingen op het onderwijs na 2003 –  onder Amerikaanse druk – het bijna onmogelijk om consensus te bereiken over historische feiten.3 Bovendien had het etno-confessionele politieke systeem dat werd geïntroduceerd, waarbij politiek leiderschap vertegenwoordigd en verdeeld moest worden in termen van sjiieten, soennieten en koerden, een fragmenterend effect in de publieke ruimte.

Door de in 2003 hardhandig ingevoerde neoliberale globalisering wordt de Iraakse publieke opinie en debatruimte ook nog eens sterk beïnvloed door transnationale financiering en de focus van westerse ngo’s. Iets waar de verzwakte Iraakse overheid relatief weinig tegen kan doen.4 Wat in het Westen bijvoorbeeld vooral is bijgebleven van de ISIS-oorlog zijn niet de 40.000 Iraakse doden, maar de moord op specifieke etno-religieuze groepen, zoals de afschuwelijke genocide op de Yezidi’s. Telkens blijkt er internationaal meer aandacht voor slachtoffers in Irak te komen wanneer ze worden geportretteerd als een geïsoleerde minderheid. Ngo’s neigen zich te richten op identiteitspolitiek, vooral in het mondiale zuiden, ten koste van de bredere structuren van oorlog die geweld richting minderheden aanwakkeren.5

Politieke zelfmoord

Dit is natuurlijk niet het hele verhaal. Kijkend naar bijvoorbeeld de oorlog van 2003 is er ook politieke druk om deze niet te herdenken. Het introduceren van een formele herdenking van deze oorlog zou de legitimiteit ondermijnen van de aanhoudende westerse bezetting en het Iraakse etno-confessionele politieke systeem waar veel Iraakse politici hun draagvlak vandaan halen. Het herdenken van slachtoffers impliceert immers dat er ook daders waren, wat anti-imperialistische kritiek in de maatschappij zou versterken en legitimeren. Erkennen dat de meerderheid slachtoffer was van de westerse interventie zou een basis scheppen voor een sterkere onderlinge binding onder Irakezen die etnische en sektarische achtergronden overstijgt. Een officieel erkend monument voor de oorlog van 2003 zou bijna onvermijdelijk de aanwezigheid van buitenlandse troepen in een negatief daglicht stellen.

Demonstranten van de Iraakse oktober protestbeweging, 2019. Bron: Mondalawy via Wikimedia Commons

Hoewel verzet tegen westerse interventies altijd onderdeel is geweest van het mainstream culturele Iraakse zelfbeeld, heeft het een nieuwe dynamiek gekregen sinds de overwinning op ISIS in 2017. Het momentum groeit voor Irakezen die de grondbeginselen van de politieke en maatschappelijke orde na 2003 betwisten, en de maatschappelijke roep om het vertrek van de Amerikaanse bezetter neemt toe. Bewijs hiervan zijn de vele protesten sinds 2017 en de uiteindelijke parlementaire stemming voor het vertrek van buitenlandse troepen in 2020. Onder deze hernieuwde maatschappelijke druk en politieke mobilisatie zou het politieke zelfmoord zijn voor de bezetters en haar Iraakse politieke bondgenoten om de oorlog van 2003 officieel te herdenken.

Dit is overigens niet uniek voor Irak. Overal ter wereld is oorlog herdenken een politieke daad. Dit geldt net zozeer voor de vertegenwoordigers van de status quo die meer oorlog willen, als voor al diegenen die er een einde aan willen maken.

Over de auteur

Amir Taha

Amir Taha is historicus en PhD kandidaat bij de Amsterdam School for Regional, Transnational and European Studies (UvA) en het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies. Zijn PhD project is genaamdResisting Saddam: The 1991 Uprising in Iraq and Its Repression. 


Noten

1 Atwan Abdel-Bari, Islamic state: The digital caliphate. California University Press, 2019, p. 33.

2 Amir Taha, ‘Sovereignty and Nationalism in Contemporary Iraq through the Memory of the 1991 Uprising’. International Journal of Middle East Studies 55, nr. 2 (2023), p. 369-376.

3 Shahram Shadbash & Tahir Albakaa, ‘Iraq: An overview’. In: Education in the Arab World, Bloomsbury, 2019, p. 26-32.

4 Mehiyar Kathem, ‘Cultural (dis) continuity, political trajectories and the state in post–2003 Iraq’. International Journal of Heritage Studies 26, nr. 2 (2020), p.163-177.

5 James Petras, ‘NGOs: In the service of imperialism’. Journal of Contemporary Asia 29, nr. 4 (1999), p. 429-440.


Foto boven aan artikel

Kaarsen aangestoken op de plek van de bominslag op de Amariya-bunker in 1991 in Bagdad, 2021. Bron: Faisal1904 via Wikimedia Commons

Vergeten of onderbelicht?

Dit jaar openden twee tentoonstellingen waarin een ‘vergeten’ groep slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog voor het voetlicht wordt gebracht. In het Museum van de Geest Amsterdam valt tot december Who Cares? te bezoeken, over patiënten van psychiatrische instellingen. Nationaal Monument Kamp Amersfoort toont heel 2024 de wisselexpositie Gedwongen, over tewerkgestelden. De grondtoon van beide tentoonstellingen verschilt nogal. Welke ideeën over het belang van kennis en erkenning liggen daaraan ten grondslag?

Bestaat er een groep oorlogsgetroffenen die de laatste jaren nadrukkelijker in verband is gebracht met vergeten slachtofferschap dan de patiëntenpopulatie van psychiatrische inrichtingen? De afgelopen tien jaar is de term ‘vergeten slachtoffers’ in verband met deze groep gebruikt om naam te geven aan een stichting, een congres, een boek én een gedenkteken. En nu is er de tentoonstelling Who Cares? in het Museum van de Geest Amsterdam, over psychiatrisch patiënten en zorgverleners als de ‘vergeten slachtoffers en verborgen helden’ van de Tweede Wereldoorlog. 

‘Krankzinnigen’, zo werden ze destijds genoemd. Onder die noemer vielen allerlei verschillende groepen. Mensen met psychoses, met vergevorderde dementie of met het syndroom van Down, om een paar voorbeelden te noemen. Sinds tien jaar vraagt de Stichting Vergeten Slachtoffers, opgericht door zorgprofessionals, aandacht voor hun behandeling in bezettingstijd.  

Hun inzet ontsprong mede uit het hardnekkige vermoeden – soms als feit gepresenteerd – dat de patiënten in de Nederlandse inrichtingen naar Duits voorbeeld moedwillig werden verwaarloosd, zelfs met de dood tot gevolg. Eind vorig jaar zag het eindresultaat van twee projecten waarvoor de stichting fondsen wierf het licht: naast de tentoonstelling ook een onafhankelijke studie naar de oorlogsgeschiedenis van de inrichtingen. Die studie bracht de nodige ophef. NIOD-onderzoekers Eveline Buchheim en Ralf Futselaar weerspraken het verhaal van de systematische verwaarlozing. In een interview in Trouw beschuldigden ze de psychiatrische sector ervan selectief te ‘shoppen’ in het verleden om aandacht te vragen voor de positie van patiënten in het heden. Te midden van de onenigheid besloot stichtingsvoorzitter Armand Höppener om af te treden. 

Bij de opening van Who Cares? in de Amsterdamse vestiging van het Museum van de Geest waren de kruitdampen nauwelijks opgetrokken. Je kunt je goed voorstellen hoe de makers van de tentoonstelling zich tussen twee vuren gevangen hebben gevoeld. Het heeft hun ambitie niet gedempt. De verhalen uit de tentoonstelling, die expliciet als eerbetoon is ingestoken, verdienen volgens de openingstekst ‘een permanente plek in ons collectieve geheugen’. 

Tentoonstelling Who Cares? in Museum van de Geest Amsterdam. Bron: Bastiaan van Musscher Fotografie / Museum van de Geest

Regenboogvlaggen 

Who Cares? opent met een interessante blik op continuïteit en discontinuïteit tijdens de bezetting. De tentoonstelling begint niet bij de Duitse inval, maar met de eerste inrichtingen in Nederland. Die invalshoek is in lijn met de expertise van het Museum van de Geest, dat voortkomt uit het voormalige Haarlemse psychiatriemuseum Dolhuys. Een zwart-witfoto uit 1935 toont een lege slaapzaal op een herenafdeling. Hoe kan het geweest zijn om daar te liggen? Met een sterke audiotourtekst zet schrijver Splinter Chabot de verbeelding aan het werk. 

Dat is ook wel nodig, want de middelen die de tentoonstelling heeft om het verhaal te vertellen zijn beperkt. Wat het oorlogsleed van de patiënten specifiek maakt, is dat ze breed gevoelde gevolgen van de bezetting – bombardementen, evacuaties, de Jodenvervolging – vanwege hun psychische kwetsbaarheid anders beleefden. Het is lastig om dat verschil in belevingswereld en perspectief van de patiënten museaal te vertalen. Om de afstand te overbruggen put Who Cares? uit de rijke museumcollectie van kunst door psychiatrisch patiënten. De schilderijen die de Joodse patiënt A.H. Snijder begin jaren dertig maakte van de ondergang van de wereld zijn huiveringwekkend. Toch blijven ook die werken lastig te interpreteren zonder op het glibberige pad van speculatie te geraken, iets waar Who Cares? gelukkig van wegblijft. 

Evacuatie van Duin en Bosch, Castricum, naar Coudewater, Rosmalen, in juni 1942. Bron: Museum van de Geest / Collectie Dolhuys

Aankomst van geëvacueerde patiënten en personeel van het Provinciaal Ziekenhuis nabij Santpoort, Bloemendaal, 1943. Bron: Noord-Hollands Archief / Collectie van foto’s van de Provinciale Ziekenhuizen in Noord-Holland, inventarisnummer 107 

 

Het is in de tentoonstelling voelbaar dat het onderzoek van Buchheim en Futselaar een gat heeft geslagen in het narratief over de inrichtingen. De focus is niet altijd duidelijk, bijvoorbeeld wanneer bij de kunstwerken van de – vooral Duitse – patiënten uitvoerig wordt stilgestaan bij de nationaalsocialistische kunstopvattingen. Er is veel aandacht voor verzet door artsen, maar dat speelde zich lang niet altijd af binnen de instellingsmuren. Tussendoor legt Chabot de link met discriminatie van psychisch kwetsbare mensen in het heden.

In het filmpje waarmee de tentoonstelling opent, wordt de thematiek zelfs verder verbreed van discriminatie van mensen met mentale problemen naar discriminatie als oorzaak van mentale problemen. Beelden van een demonstratie met regenboogvlaggen worden afgewisseld met scènes van eenzaam verdriet in moderne keukens en slaapkamers. Het sluit aan bij het profiel van het Museum van de Geest, uitgesproken pleitbezorger van een inclusieve samenleving. ‘Who cares?’ vraagt de voice-over. Enigszins zelfgenoegzaam antwoordt ze: ‘We care.’ 

Onderzoekers Buchheim en Futselaar, met hun huiver voor de ontmoeting van geschiedbeoefening en emancipatiepolitiek, zullen het met kromme tenen aanhoren.  

‘Hulde en dank’

Tegen het einde van de tentoonstelling vangt een glasmozaïek de blik. Asklepios, de Griekse god voor genezing, staat afgebeeld tussen taferelen van vrede en verdoemenis. Glazenier Frans Balendong maakte de gedenkplaat in 1946 ter nagedachtenis aan de Joodse patiënten. Het werk raakt aan een volgend punt van kritiek van Buchheim en Futselaar. De twee onderzoekers nuanceren niet alleen het slachtofferschap, maar ook het vergeten. Er was in bevrijd Nederland wel degelijk aandacht voor het oorlogsleed in de inrichtingen, stellen Buchheim en Futselaar: er waren monumenten, gedenkboeken, studies en toespraken. 

Who Cares? presenteert met het glasmozaïek zelf het bewijs. Vergeten? Niet helemaal dus. Toch is het makkelijk schieten op dat woord door het absoluut op te vatten. Als we over de collectieve herinnering spreken, is ‘vergeten’ altijd relatief. Weinig Nederlanders zullen spontaan iets kunnen vertellen over de psychiatrie in bezettingstijd. Liever dan het woord ‘vergeten’ taboe te verklaren, kunnen we er de plicht aan verbinden om het te duiden, zodat bijvoorbeeld niet de suggestie van een doofpot blijft hangen waar die er niet is.  

Zo roept het glasmozaïek allerlei vragen op over hoe in die eerste naoorlogse jaren vorm werd gegeven aan de herinnering. Wie gaf de opdracht en waarom ging die naar een christelijke glazenier, bekend van glas-in-loodramen in kerken? ‘Hulde en dank der Joodse patiënten’, staat er groot op. Die tekst doet denken aan het Monument van Joodse Erkentelijkheid in Amsterdam uit 1950, een dankbetoon aan verzetplegers tegen de Jodenvervolging dat de kritiek kreeg dat het de slachtoffers tot figuranten reduceerde. Het mozaïek geeft een mooie aanleiding om de verbeelding, vervorming en vervaging van het oorlogsverhaal van de inrichtingen verder uit te diepen. Maar die stap zet Who Cares? niet. Het ‘vergeten’ blijft in de tentoonstelling een vlak concept. 

Gedenkraam door de Haarlemse kunstenaar Frans Balendong in het Provinciaal Psychiatrisch Ziekenhuis Haarlem, 1946. Bron: C. de Boer, Noord-Hollands Archief / Collectie van foto’s en negatieven van Fotopersbureau De Boer te Haarlem, inventarisnummer 371

Arbeitseinsatz

Hoe anders is dat bij de tentoonstelling Gedwongen in het museum van Nationaal Monument Kamp Amersfoort. Hier komt het woord ‘vergeten’ niet in de tentoonstellingsteksten voor, evenmin als de term ‘slachtoffers’. Toch had dat makkelijk gekund. De tentoonstelling vertelt het verhaal van het half miljoen Nederlandse mannen dat tijdens de bezetting gedwongen werd om in Duitsland te werken. In bijna elke familie was er wel een tewerkgestelde, maar na de oorlog werd er amper over gesproken.

Ook vandaag de dag nog blijft de tewerkstelling voor de Arbeitseinsatz een onderbelicht thema, zowel in de herinneringscultuur als in de geschiedschrijving. Dat stelt Renske Krimp-Schraven in haar boek Tewerkgesteld, dat ze schreef als onderzoeker bij het Nationaal Comité 4 en 5 mei en het NIOD. Ze interviewde 51 oud-tewerkgestelden over hun herinneringen aan hun tijd in Duitsland. Krimp-Schraven kreeg de inmiddels hoogbejaarde mannen aan de praat over zware werkdagen zonder einde, flirts met Russische arbeidsters en doodsangsten tijdens bombardementen.

Dat die verhalen voor velen onbekend zijn, was voor Krimp-Schraven een belangrijke motivatie in haar onderzoek, schrijft ze. Ze wilde weten hoe dat zo is gekomen, en, misschien belangrijker nog, ze wilde er iets aan doen, voor de nog levende tewerkgestelden en hun kinderen en kleinkinderen. Die kunnen nu ook naar de tentoonstelling die op basis van haar onderzoek werd ingericht.

Een groep mannen die bepakt en bezakt onder Duitse bewaking over de De Montignylaan lopen. Moeders en dochters op het trottoir zwaaien naar hun geliefden, 10 november 1944. Bron: H.F. Grimeyer, Beeldbank NIOD / Collectie NIOD, beeldnummer 83419

Jonge moeders

De mannen kijken je recht aan als je de tentoonstellingsruimte binnenkomt. Fotograaf Boudewijn Bollmann portretteerde vijf van de geïnterviewde oud-tewerkgestelden in een huiselijke sfeer die een sprekend contrast oplevert met hun verhalen (die in kaders worden verteld). Gul daglicht, vriendelijke ogen: als bezoeker loop je vanzelf op de foto’s af. De omringende thematafels en wandteksten bekijk je daarna wel.

Co Knuppelder draagt op de foto een stropdas. Dat ‘stroppie’ hoort bij hem, vertelt hij. Ook toen hij als 18-jarige jongen uit Amsterdam naar Duitsland vertrok, nam hij een representatief kostuum mee. Wist hij veel wat hem te wachten stond. Hij kwam in een bommenfabriek terecht waar hij twaalf uur per dag moest werken. Toen in 1945 de Russische troepen naderden, werd de situatie grimmig. Toch benadrukt hij dat hij goed te eten kreeg en relatief vrij gelaten werd. Zo erg was het allemaal niet, vindt hij zelf.

De inzet op erkenning bij Gedwongen zorgt voor een minder dwingende blik op de geschiedenis dan bij Who Cares? – die deze koppelt aan een inzet op emancipatie. De geïnterviewde mannen zijn er niet op uit om te bewijzen dat ze slachtoffers of helden zijn. Ze vragen simpelweg aandacht voor een ingrijpend hoofdstuk uit hun leven.

De interviews leveren samen met de portretten rijk materiaal op voor een tentoonstelling. Toch kan die rijkdom ook vertekenend werken. De oud-tewerkgestelden die nog in leven zijn, behoorden tot de allerjongsten die naar Duitsland werden gestuurd. Als er bijvoorbeeld ook jonge vaders tussen hadden gezeten, was een andere groep in beeld verschenen die door de Arbeitseinsatz werd getroffen: jonge moeders die achterbleven en soms in moeilijke omstandigheden op zichzelf waren aangewezen.

Het was mooi geweest als de tentoonstelling plek had gemaakt voor dat vrouwelijke perspectief. Tegelijkertijd biedt de zaal in Kamp Amersfoort geringe ruimte. Een tentoonstelling moet keuzes maken en bronnen hebben hun beperkingen. Onbedoeld illustreert Gedwongen zo hoe ‘vergeten’ ook kan werken.

Omslag Renske Krimp-Schraven, Tewerkgesteld. Getuigenissen van de Arbeitseinsatz. Amsterdam, Boom, 2024. 

Schaamte

Het onderzoek van Krimp-Schraven gaat voor een belangrijk deel over de herinnering. Over hoe de mannen zelf terugkijken op hun tijd in Duitsland. Maar ook over de plek die de Arbeitseinsatz kreeg in de collectieve herinnering en welke weerslag dit weer op de mannen had. Uit de interviews rijst een veelzijdig beeld op van de dynamieken die in zulke processen een rol kunnen spelen. 

Na de bevrijding was er weinig ruimte voor de verhalen van de mannen, die er zelf vaak ook het zwijgen toe deden. Uit schaamte dat ze niet waren ondergedoken of dat ze ook leuke tijden hadden beleefd. Omdat ze ervoeren dat hun verhaal niet gewenst was – “je kunt er maar beter niet over praten”, zei een vader tegen zijn teruggekeerde zoon. Maar ook omdat ze zelf besloten anderen niet met hun nare ervaringen te willen belasten.  

Co Knuppelder was zelf al snel een heel stuk van zijn herinnering kwijt. Het ging om de maanden van zijn evacuatie onder druk van Russische aanvallen. Als bezoeker vraag je je af of Knuppelder misschien trauma’s heeft verdrongen. In elk geval wordt duidelijk dat zijn lezing – “het was allemaal niet zo erg” – een betwijfelbare constructie is, een narratief waarin hij achteraf samenhang heeft aangebracht. Het vergeten slachtofferschap blijkt soms al bij de slachtoffers zelf begonnen. 

Het kostte energie om de herinnering niet te laten uitsterven. Vanaf de jaren tachtig maakte de Vereniging voor ex-Dwangarbeiders Nederland zich sterk in het maatschappelijk domein. Gedwongen laat daarnaast zien welke rol kinderen en kleinkinderen in het domein van de familie speelden. Ze stelden moeilijke vragen en zorgden dat dagboeken en brieven bewaard bleven. Daarmee traden ze soms ook naar buiten. De erkenning kwam traag.  

Een plek in het collectieve geheugen kun je opeisen, maar is nooit vanzelfsprekend. Ook dat is reden om, of je nou activistisch van ‘vergeten’ spreekt of academisch van een ‘onderbelicht thema’, goed te laten zien wat je daarmee bedoelt – zodat je nooit riskeert het werk uit te wissen dat sommigen toch jarenlang in de herinnering staken.

Over de auteur

 

Erik Schumacher. Foto: Lygia Sauers

Erik Schumacher is zelfstandig historicus en auteur. Hij schrijft veel over de bezettingstijd, vaak vanuit het perspectief van onderop. Onlangs verscheen zijn boek Sporen van Sobibor, dat hij schreef in opdracht van het NIOD. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Foto boven het artikel

Co Knuppelder, die dwangarbeid ervaarde, in de tentoonstelling van het museum van Nationaal Monument Kamp Amersfoort Gedwongen’. Bron: Bram Petraeus / Kamp Amersfoort

Historici kunnen het vergeten!

“Kennis en herdenken zijn twee verschillende dingen!” Dit riep Piotr Cywinski, directeur van Museum Auschwitz-Birkenau, bijna vertwijfeld uit op 21 maart 2024. Die dag werd hoogleraar Holocausteducatie Marc van Berkel officieel benoemd tot Honorary Consul van het museum.

Ik begrijp Cywinski’s emotie omtrent begripsverwarring goed. In mijn werk als Hoofd Onderzoek en Educatie van het Nationaal Comité 4 en 5 mei zie ik ook vaak met lede ogen aan hoe herdenken en herinneren worden verward en door elkaar worden gebruikt.

Herinneren draait namelijk om kennis, om het zichtbaar maken en begrijpen van de geschiedenis. En daarmee gaat het ook over educatie: het overbrengen van deze kennis met als doel de attitude en het handelen van jongeren positief te beïnvloeden. Herdenken is een dynamische activiteit die lijkt te draaien om het verleden, maar die vooral veel met het heden te maken heeft. Herdenken vindt plaats in het nu en heeft zijn belang ook in het heden. Herdenken gaat over het toekennen van waarde aan de geschiedenis. Een waarde die in het hier en nu door specifieke mensen en groepen belangrijk wordt gevonden.

Piotr Cywinski benoemt Marc van Berkel tot Honorary Consul van Museum AuschwitzBirkenau, 21 maart, 2024.

Onrecht?

Het verschil tussen deze twee begrippen is ook bepalend voor hoe er naar de vaak gebezigde termen ‘vergeten slachtoffers’ of ‘vergeten geschiedenis’ wordt gekeken. Zoals historicus Hinke Piersma in een lezing op het congres Leven met oorlog stelde, is vergeten soms een bewuste keuze. Een keuze om ergens niet aan herinnerd te willen worden of een keuze omdat men een ander perspectief belangrijker acht. Veel vaker is er geen sprake van een bewuste keuze, maar is een geschiedenis simpelweg onderbelicht. Nog niet uitgezocht, ondergesneeuwd onder de veelheid van onderwerpen, onder de veelheid die geschiedenis nu eenmaal is.

Bij het meegeven van het predicaat ‘vergeten slachtoffers’ of ‘vergeten geschiedenis’ wordt feitelijk een waardeoordeel meegegeven. Het wordt als een omissie gezien, een ontbrekend perspectief en zelfs als een vorm van onrecht dat de gebeurtenis of de slachtoffers wordt aangedaan. Het gebruik van de term ‘vergeten geschiedenis’ ligt daarom op het domein van het herdenken en niet in het domein van de historische kennis.

Dit maakt het volgens mij onjuist om historici te verwijten dat ze aan bepaalde gebeurtenissen of slachtoffers geen aandacht geven. Tegelijkertijd betekent dit dat mensen zoals mijn collega’s en ikzelf een bijzondere verantwoordelijkheid hebben wanneer wij kiezen wie wij een stem geven tijdens een herdenking. Terwijl historici onderbelichte geschiedenissen voor het voetlicht brengen, proberen wij niemand te vergeten.

Over de auteur

Cristan van Emden

Cristan van Emden is Hoofd Onderzoek en Educatie bij het Nationaal Comité 4 en 5 mei. 


Foto boven aan artikel

Herdenking slachtoffers van de aanslag op de Hasselt, 17 januari 1945, door leerlingen van basisschool Cleijn Hasselt, 2014. Bron: Niksbij26 via Wikimedia Commons

Cincang en dombreng. Resonanties van geweld tijdens de eerste fase van de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd

Hoe klonk het geweld dat in de eerste maanden van de Indonesische strijd voor onafhankelijkheid oplaaide? Strijdkreten, het geluid van geslepen messen, de klank van stokken op blikken: elk vertellen ze een ander verhaal.

Het Indonesisch is een poëtische taal. Er zijn woorden die in vertaling in het Bahasa Indonesia een dichterlijke omschrijving geven van een nuchter woord in het Nederlands. ‘Vulkaan’ is in het Indonesisch bijvoorbeeld gunung api: een berg van vuur. Een vliegtuig is kapal terbang: een vliegend schip. Het mooiste is wat mij betreft het Indonesische woord voor ‘zon’, dat in vertaling mata hari is: het oog van de dag. Als dat niet poëtisch is! Ook houden Indonesiërs van het spelen met taal, wat onder meer zichtbaar is in de voorliefde voor het gebruik van afkortingen. Puskesmas is een afkorting van Pusat Kesehatan Masyarakat: gezondheidscentrum voor de gemeenschap.

Verder kent het Indonesisch vele klanknabootsingen (onomatopeeën), waarin bepaalde kenmerkende geluiden hun plek hebben gevonden in taal.1 Indonesische straatverkopers zijn bijvoorbeeld herkenbaar aan het onderscheidende geluid dat ieder van hen maakt om hun komst aan te kondigen en hun koopwaar aan te prijzen. Zo bleek mevrouw van Roon-Koek, in 1924 in Bandung geboren, zich in een interview in 1999 niet zozeer de namen van straatverkopers te herinneren, maar de geluiden die zij maakten: “Je kon altijd horen wie er op straat was. De Chinees tikte op een bamboehoutje BAMI TOCK TOCK, een heel bepaald getik. BOT-BOTOL: daar is de rommelhandelaar. Al die soorten oproepjes.”2

Straatverkopers op Banda Neira, 2019. Bron: David Stanley via Flickr

Klanknabootsing speelt een grote rol in het benoemen van geluid: de slag op een gong spreekt voor zich. In het Indonesische sréét-srot horen we het slome slenteren op sloffen, teenslippers of sandalen van iemand in een gang of steeg. In tjies (ook de titel van een boek van Tjalie Robinson) horen we het afschieten van een kogel die een 22-kaliber-geweer verlaat, het vuurwapen waarmee jongens in de archipel jaagden.

Bersiap

Sommige klanknabootsingen en geluiden – en hier verlaten we het dichterlijke en dagelijkse domein – verwijzen naar gewelddadigheden die ten tijde van de Indonesische revolutie hebben plaatsgevonden. De strijdkreet bersiap! was in de eerste fase van de Indonesische revolutie, van 17 augustus 1945 tot 31 maart 1946, het signaal voor revolutionaire Indonesische jongeren om de wapens op te nemen teneinde de onafhankelijkheid van de jonge natie te verdedigen tegen iedereen die met het voormalige koloniale bestuur werd geassocieerd. Op vele Indo-Europeanen, Molukkers en Nederlanders heeft de kreet een diepe indruk achtergelaten.

In dit kader komt ook het woord tjintjangen (in het Indonesisch: cincang) op, dat letterlijk verwijst naar ‘in stukken hakken’, en in meer abstracte zin de betekenis heeft van meedogenloos vermoorden. Daarbij kan het specifiek gaan om het martelen, verminken en vermoorden van meer dan een persoon, bijvoorbeeld alle inwoners van een dorp.3 Tjintjangen is een nabootsing van het geluid wanneer de moord plaatsvindt: het doorsnijden van de hals met een mes, zoals bij het slachten van een dier, waardoor het ademhalingssysteem wordt belemmerd en de bloedtoevoer stopt.

Naast tjintjangen is er de onomatopee dombreng. Het beschrijft een ritueel waarmee Indonesische strijders lokale autoriteiten die met het koloniale regime hadden meegewerkt in het openbaar ontmaskerden en vernederden: “Als de persoon werd gevonden, werd hij buiten aan de menigte gepresenteerd, vaak met een ketting van rijst om, begeleid door het ‘breng dong breng’ van stokken die op lege blikken werden geslagen.”4 Dombreng is een samentrekking van twee Javaanse woorden, tong (bong) en breng. De twee klanknabootsingen zijn gecombineerd: “…woorden voor het geluid van slaan op hout of metaal (…). ‘Tong’ verwijst ook naar het geluid van de ketongan, de signaaltrommel waarmee met verschillende ritmes vergaderingen bijeengeroepen worden, de tijd wordt aangegeven of gewaarschuwd wordt voor brand, diefstal en andere noodsituaties.”5 Het in het openbaar vernederen van (vermeende) collaborateurs kwam soms in de plaats van daadwerkelijk fysiek geweld.

Revolutionairen strijden voor onafhankelijkheid op Java, 1946. Bron: Stichting Nationaal Museum van Wereldculturen

Intra-Indonesisch geweld

De kreet bersiap is als enige Indonesische woord in de Nederlandse geschiedschrijving naamgever geworden van de zogenoemde ‘bersiap-periode’, waarmee de periode van de eerste fase van de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd – van augustus 1945 tot en met maart 1946 – wordt aangeduid. Het laat zien dat herinneringen aan deze periode van extreem geweld diep verankerd zijn in de Indische en Molukse gemeenschap in Nederland. Maar om de gebeurtenissen beter te begrijpen, moet dat extreme geweld tegen Indo-Europeanen, Molukkers en Nederlanders in een bredere context worden gezien. Er was namelijk óók sprake van een extreem gewelddadige situatie waarin intra-Indonesisch geweld tegen Indonesische bestuurders en beambten en Indonesisch geweld tegen Chinese, Japanse en Britse burgers en/of gevangengenomen strijders plaatsvond, alsook geweld van Japanse, Britse en Nederlandse kant tegen Indonesische burgers en gevangengenomen strijders. Ook deze gewelddadigheden vonden meestal buiten gevechtsacties om plaats, zonder duidelijk militair doel of militaire noodzaak. 

Spandoeken met aanklachten tegen de Republiek Indonesië. Meegedragen tijdens de protestdemonstratie door Chinezen in Medan, Sumatra, 1947. Bron: Collectie Rups / Nederlands Instituut voor Militaire Historie

In de Nederlandse geschiedschrijving zijn deze Indonesische, Chinese, Japanse en Britse slachtoffers doorgaans minder benoemd. In de dynamiek van herinneringen aan geluiden van geweld resoneert bersiap in een Nederlandse herinneringscultuur die bovendien politiek geladen is, zoals de felle discussies en de rechtszaak over het gebruik van dit woord in de tentoonstelling Revolusi! Indonesië onafhankelijk in het Rijksmuseum in 2022 hebben laten zien. Waar bersiap en tjintjangen als klanken resoneren binnen de Nederlands-Indische herinneringsgemeenschap, doet dombreng dat binnen de Indonesische. De klanknabootsingen van het slaan op blik en metaal corrigeren een al te beperkt Nederlands-Indisch perspectief op de vroegste fase van de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd. Samen met dombreng zorgen deze ‘geluiden van geweld’ ervoor dat de vele slachtoffers aan zowel Nederlandse, Indische als Molukse kant, maar ook Indonesische, Chinese, Japanse en Britse zijde niet gemakkelijk vergeten kunnen worden. 

Over de auteur

Esther Captain. Foto: Suzanne Liem

Dr. Esther Captain is historicus en als senior onderzoeker werkzaam bij het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV) in Leiden. Zij is coauteur van Het geluid van geweld (2022) en co-redacteur van Staat en slavernijHet Nederlandse koloniale slavernijverleden en haar doorwerkingen (2023). Ook is ze lid van de commissie die het onderzoek leidt naar de rol van het Huis OranjeNassau in de koloniale geschiedenis. 


Noten

1 Esther Captain & Onno Sinke, Het geluid van geweld. Bersiap en de dynamiek van geweld tijdens de eerste fase van de Indonesische revolutie, 1945-1946. Amsterdam, Amsterdam University Press, 2022.

2 Sheri Lynn Gibbings & Fridus Steijlen, ‘Colonial Figures: Memories of Street Traders in the Colonial and Early post-Colonial Periods’. Public History Review, vol. 19 (2012), p. 63-85 (69). 

3 Met dank aan Oktoriza Dhia, mail van 15 januari 2021. Ontleend aan: Kamus Besar Bahasa Indonesia (KBBI) (Groot Indonesisch Woordenboek); Dendy Sugono (ed.), Kamus Besar Bahasa Indonesia. Jakarta, Pusat Bahasa, 2008, p. 284; Eko Endarmoko, Thesaurus Bahasa Indonesia, Jakarta, Gramedia Pustaka Utama, 2007, p. 130.

4 Anton Lucas, One soul, one struggle. Region and Revolution in Indonesia. Sydney, Allen & Unwin, 1991, p. 155.

5 Ibidem, p. 104-105.


Foto boven aan artikel

Vrijheidsleuzen op een muur in Indonesië, 1946-1949. Bron: Collectie Rups / Nederlands Instituut voor Militaire Historie

De ongemakkelijkheden van herdenken

Een focus op individuele slachtofferverhalen in plaats van op de grote complexere narratieven. En een onbedoelde ‘hiërarchie van vergetelheid’. Zie hier twee van de ongemakkelijkheden rond de Holocaust-herdenking die Frank van Vree in zijn nieuwe belangrijke publicatie over de herinnering aan de Jodenvervolging op tafel legt. Anne-Lise Bobeldijk, die zelf onderzoek deed naar het ‘vergeten’ kamp Maly Trostenets, analyseert de risico’s die ontstaan waar de strijd tegen vergetelheid belangrijker wordt dan feitenonderzoek.

Afgelopen maart was er een enorme hoeveelheid aandacht voor de geschiedenis van de Holocaust. In één week tijd werd het Nationaal Holocaust Museum geopend, een internationaal archeologisch project over het kamp Sobibor afgesloten in Amsterdam en de EO-serie De Joodse Raad gelanceerd. Hoewel de Holocaust inmiddels meer dan 75 jaar geleden plaatsvond, blijft de aandacht voor deze geschiedenis en de slachtoffers ervan behoorlijk levend. De Holocaust is verre van vergeten.

De dynamiek rond vergetelheid is, net als in dit nummer van WO2 Onderzoek uitgelicht, een rode draad in het nieuwe boek van Frank van Vree. Met zijn publicatie Nederland en de herinnering aan de Jodenvervolging, 1945-2024 wil Van Vree het vaak gemaakte punt weerleggen dat Joodse slachtoffers in de eerste jaren of zelfs decennia na de oorlog vergeten of verzwegen werden. “In tegenstelling tot dikwijls geventileerde opvattingen kreeg de Jodenvervolging in Nederland [betrekkelijk vroeg] een belangrijke plaats in de herinneringscultuur”, schrijft hij.1 Stap voor stap loopt Van Vree de Nederlandse naoorlogse geschiedenis van het herdenken van de Jodenvervolging in Nederland langs. Hij plaatst deze geschiedenis in een internationale context om aan te tonen dat Nederland behoorlijk vroeg was met het specifiek herdenken van de Holocaust, al was dat in de eerste decennia veelal impliciet.

Omslag Frank van Vree, Nederland en de herinnering aan de Jodenvervolging, 1945-2024. Hilversum, Uitgeverij Verbum, 2024.

Door Van Vrees boek loopt echter nog een tweede rode draad, namelijk die van de ongemakkelijkheid van het herdenken en de ongemakkelijkheid van de geschiedenis van het herdenken. Kopjes in het boek zoals ‘een problematisch genre’ of ‘ongemakkelijke monumenten’ laten een vijftal ongemakkelijkheden zien, die eigenlijk gedurende alle periodes die Van Vree beschrijft aanwezig waren. Allereerst de ongemakkelijkheid rond het wel of niet noemen van slachtoffers als groep. Ten tweede het ongemak met het wel of niet bestempelen van bepaalde slachtoffers als ‘vergeten’. Ten derde: ongemak rond het wel of niet noemen van specifieke individuele namen van slachtoffers. Een vierde ongemakkelijkheid speelt rond het politiek inzetten van de herinnering aan de Holocaust. En tenslotte: de ongemakkelijkheid van de verhouding tussen geschiedschrijving en de praktijk van het herinneren of herdenken. Een vijftal vormen van ongemakkelijkheid die integraal met elkaar samenhangen en die misschien ook wel inherent zijn aan het herdenken van zo’n gevoelige geschiedenis.

Democratisering van het verleden

De ongemakkelijkheid rondom het herdenken lijkt voor een groot deel voort te komen uit een tendens die Van Vree beschrijft als de ‘democratisering van het verleden’. Hij doelt hiermee op het wegvallen van zogenaamde grand narratives – door van Vree omschreven als “de grote onderliggende ideologische, nationale en religieuze verhalen” – waardoor er ruimte ontstond “voor stemmen en thema’s die tot dan toe vrijwel hadden ontbroken in het beeld van de geschiedenis – en dus ook het lot van individuele burgers”.2 Er kwam met andere woorden ruimte voor individuele verhalen van overlevenden van de Holocaust. Deze verhalen zijn cruciaal gebleken voor het schrijven van grote delen van de geschiedenis van de Holocaust. Zonder ooggetuigen zouden kampen als Sobibor, Maly Trostenets of Chelmno nooit tot in bepaalde details beschreven zijn, en zonder ooggetuigen zouden we niets weten van specifieke aspecten van de onderduik, dwangarbeid of deportaties.

Overlevende van vernietigingskamp Sobibor Jules Schelvis in Dresden, 2006. Bron: Jens Herrmann via Wikimedia Commons

Deze getuigenissen worden echter inmiddels ook veelvuldig gebruikt in de publieke domeinen van onderwijs, media en cultuur. Van Vree beschrijft hoe identificatie met slachtoffers hier wordt ingezet om ervoor te zorgen dat men “niet blijft steken in abstracties”, of voor “het opwekken van emoties om te engageren of informatie over te dragen”.3 Er is volgens Van Vree wel een risico verbonden aan deze tendens. Als een bredere historische context ontbreekt, dan dreigt de complexe geschiedenis van de Holocaust en de Tweede Wereldoorlog teruggebracht te worden tot “verhalen van slachtoffers, weliswaar beladen met zware morele noties”. Volgens Van Vree zijn individuele verhalen van slachtoffers dan ontoereikend “om dat verleden in al zijn complexiteit beter te begrijpen”.4 Het risico dat deze geschiedenis gereduceerd wordt tot enkel verhalen van personen is des te groter omdat de categorie ‘slachtoffer’ volgens Van Vree “eindeloos rekbaar is gebleken”.5

Groter narratief 

Dit is precies waar ‘geschiedschrijving’ en ‘herdenking’ schuren en waar de ongemakkelijkheid van herdenken weer om de hoek komt kijken. Als individuele slachtofferverhalen worden ingezet om te engageren of emotie op te wekken, ontstaat het gevaar dat de complexiteit van de geschiedenis van de Holocaust naar de achtergrond verdwijnt én dat deze simplificering van geschiedenis politiek wordt ingezet. Voor dit fenomeen waarschuwen ook Eveline Buchheim en Ralf Futselaar in hun nieuwe boek Uit zorg verdreven – Het Nederlandse Krankzinnigenwezen tijdens de Tweede Wereldoorlog, waarin zij de behandeling van psychiatrisch patiënten tijdens de Tweede Wereldoorlog onderzoeken. “[D]e focus op politiek bruikbare geschiedenis benadrukt die verhalen en gebeurtenissen die te koppelen zijn aan een dramatisch, persoonlijk verhaal”, schrijven ze.6 Hun conclusie is dat de hang naar identificatie met slachtoffers en de nadruk op de meest dramatische of misschien sensationele geschiedenis ervoor zorgt dat bepaalde andere verhalen juist niet verteld worden.7

Daarnaast zorgt de hang naar individuele verhalen als middel om het verleden te begrijpen mogelijk ook voor het onbegrip waarmee we veelal naar de herdenkingen in het verleden kijken. Het grotere narratief waaronder in de eerste jaren na de oorlog velen geëerd werden als held in plaats van herdacht als slachtoffer, zorgde misschien juist wel voor meer mogelijkheden om mensen te herdenken dan nu wordt aangenomen. Veel groepen mensen, waaronder ook Joden, werden in deze jaren weliswaar niet expliciet als slachtoffer erkend, maar werden volgens Van Vree niet “verzwegen of vergeten”. “[Z]e werden, net als […] andere categorieën slachtoffers, ingeweven in de nationale geschiedenis, als illustratie van de Duitse perversiteit en als exemplificatie van wat de Nederlandse volksgemeenschap als geheel was aangedaan.”8 Het inweven van verschillende categorieën slachtoffers in een groter verhaal – hoe onsympathiek wellicht ook – biedt dus ergens ook mogelijkheden om juist veel verschillende mensen te herdenken. Want andersom geldt ook: hoe specifieker en explicieter je benoemt, hoe groter de mogelijkheid dat je tegelijkertijd daardoor ook iemand vergeet.

Holocaust-ontkenners 

Dat brengt ons terug bij het thema van dit nummer: vergeten slachtoffers. Want ook in de categorie ‘vergeten slachtoffer’ zit een bepaalde ongemakkelijkheid en een risico op politisering, ondanks het feit dat het benoemen van een groep als vergeten, genegeerd of verdrongen een emancipatoire functie heeft voor die specifieke groep. Wederom is het de kruising van perceptie of beeldvorming en geschiedschrijving die dit vergeten slachtofferschap ongemakkelijk maakt. Buchheim en Futselaar beschrijven in hun studie hoe voorafgaand aan hun onderzoek de geschiedenis van de psychiatrie in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog al als vergeten bestempeld werd. Ook circuleerden er al grootse aannames over hoe het precies zat met de psychiatrie in oorlogstijd, terwijl het onderzoek nog uitgevoerd moest worden.9 Het onderzoek van Buchheim en Futselaar laat zien dat in Nederland, anders dan bijvoorbeeld in Duitsland, psychiatrische patiënten niet als zodanig door de Duitsers ‘getarget’ werden – hoe kwetsbaar hun positie ook was. Zij werden feitelijk niet veel anders behandeld dan andere Nederlandse burgers. De herinnering liep hier dus op de geschiedschrijving vooruit.

Door het bestempelen van een geschiedenis als ‘vergeten’ verandert deze direct in herinnering. Het kleurt namelijk de verwachtingen van deze geschiedenis. In mijn eigen onderzoek naar het zogenaamde ‘vergeten’ kamp Maly Trostenets, nabij Minsk, is de nadrukkelijke vergetelheid ook dat wat het politiek maakt. De vergetelheid als noemer biedt de mogelijkheid om een geschiedenis, zonder per se kennis te nemen van accurate historische feiten, naar eigen inzicht te interpreteren. In het geval van Maly Trostenets is dit bijvoorbeeld het gebruiken van historisch niet correcte en sterk gesimplificeerde symboliek in monumenten, simpelweg om deze geschiedenis en daarmee Wit-Rusland onderdeel te laten worden van een groot Europees Holocaust-narratief. Hoewel het geheel terecht is dat deze geschiedenis onderdeel wordt van een groter narratief, zit er een groot gevaar in de manier waarop. Als dergelijke complexe geschiedenissen onderworpen worden aan een vrije interpretatie en simplificatie ten behoeve van het herdenken van vergeten slachtoffers, wordt er ook ruimte geboden aan anderen met aanzienlijk minder goede bedoelingen – zoals Holocaust-ontkenners – om deze helemaal weg te interpreteren of af te doen als ‘bedacht’.10 Ongemakkelijkheid dekt dan de lading niet meer.

Begraafplaats A in het bos naast het voormalige vernietigingskamp Sobibor, 2018. Bron: Anton-Kurt via Wikimedia Commons

Hiërarchie van vergetelheid 

Waar voor geschiedschrijving het concept ‘vergeten’ de historicus dus niet verder helpt, zit er in het herdenken van ‘vergeten slachtoffersook een praktische ongemakkelijkheid. Als enerzijds de geschiedenis meer individualiseert en meer focust op de verhalen van individuele slachtoffers zoals Van Vree beschrijft, en anderzijds groepen slachtoffers als vergeten worden gezien, maakt dat de groep met individuen die vergeten slachtoffers zijn automatisch groter. Ook zorgt de ene persoon wel en de andere niet herdenken ervoor dat er een bepaalde hiërarchie lijkt te ontstaan: wie zijn of haar naam terugkrijgt wordt namelijk indirect belangrijker dan de andere slachtoffers wiens namen wellicht niet achterhaald kunnen worden.

Van Vree ziet een tendens in heel Europa waarbij het noemen van namen een belangrijk onderdeel is geworden van de herinneringscultuur. De vraag is echter of de ‘wereldwijde herinneringscultuur’ waarover hij spreekt – waarbij de Holocaust een samenbindende factor tussen landen en een gezamenlijk baken voor democratie en mensenrechten is – wel daadwerkelijk zo globaal is, en of hierbij de nadruk niet net te veel op West-Europa ligt. Want hoe je het ook wendt of keert: veel van de slachtoffers van de Holocaust zullen hun naam nooit ‘terugkrijgen’. In grote delen van Oost-Europa werden Joden anoniem vermoord, simpelweg omdat ze niet gedeporteerd werden en hun naam daarmee niet werd vastgelegd op lijsten die onbedoeld de oorlog overleefden. Het uit de vergetelheid halen van namen brengt dus weer nieuwe vergeten slachtoffers met zich mee. In zekere zin ontstaat hierdoor naast een al bestaande hiërarchie van slachtofferschap een parallelle hiërarchie van vergetelheid.

Hongaarse begraafplaats in Oekraïne, Vinnytsja, 1942. Bron: Wikimedia Commons

Omarming van het niet-weten

Een laatste ongemakkelijkheid van herdenken is de ongemakkelijkheid van het niet-weten en het vergeten. Misschien is het deze vorm van ongemak wel die we het meest moeten omarmen. Dit is waar de herinneringscultuur kan leren van de geschiedschrijving: dat het belangrijk is om te benoemen dat we niet alles weten. Om Simon(e) van Saarloos aan te halen: “Misschien is het herdenken van vergetelheid belangrijker dan het boven water halen van verzwegen geschiedenissen, omdat je met het toevoegen van verhalen nog altijd een poging doet tot volledigheid, terwijl een besef van eeuwige onvolledigheid, misschien wel eerlijker, accurater is.”11 Van Vree is het mogelijk, net als ik, niet eens met het niet willen onderzoeken van ‘verzwegen geschiedenissen’. Maar hij waarschuwt dat het herdenken van dit soort geschiedenissen zonder je erin te verdiepen ertoe kan leiden dat het niet meer wordt dan een “verwijzing naar een ultieme misdaad die buiten de geschiedenis staat. Dan is het een kleine stap om de herinnering naar je hand te zetten, te exploiteren dan wel te ontkennen.”12 Mogelijk is de beste oplossing hiervoor volledig open kaart te spelen en ook de vergetelheid te herdenken, of deze geschiedenissen te herdenken op een manier waarbij alle complexiteit ervan volledig omarmd wordt.

Over de auteur

Anne-Lise Bobeldijk

Dr. Anne-Lise Bobeldijk doet als postdoctoraal onderzoeker aan de Universiteit van Wageningen onderzoek naar de politieke inzet van geschiedenissen van honger in de SovjetUnie, Oekraïne en Rusland. In 2023 promoveerde ze aan de Universiteit van Amsterdam en het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies op de geschiedenis en herinneringscultuur van het kamp Maly Trostenets.


Noten

1 Frank van Vree, Nederland en de herinnering aan de Jodenvervolging, 1945-2024. Verbum, 2024, p. 11. 

2 Idem, p. 229. 

3 Idem, p. 247-248. 

4 Idem, p. 249-250. 

5 Idem, p. 250. 

6 Eveline Buchheim & Ralf Futselaar, Uit zorg verdreven: Het Nederlandse krankzinnigenwezen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Amsterdam, Boom, 2023, p. 254. 

7 Idem. 

8 Van Vree 2024, p. 48. 

9 Buchheim & Futselaar 2023, p. 250-251. 

10 Zie Anne-Lise Bobeldijk, ‘Forgetting History; the Memory of Maly Trostenets in Perspective of Its History’. S.I.M.O.N. Shoah: Intervention. Methods. Documentation 7, nr. 1 (2020) en Anne-Lise Bobeldijk, Entangled Narratives of Terror: Maly Trostenets and Blagovshchina Forest in History and Memory, 1937-2022 (University of Amsterdam, unpublished PhD dissertation, 2023). 

11 Simon(e) van Saarloos, Herdenken herdacht: een essay om te vergeten. Prometheus, 2019, p. 65. 

12 Van Vree, Nederland en de herinnering aan de Jodenvervolging, p. 361.


Foto boven aan artikel

Monument voor Maly Trostenets in Minsk, 2018. Bron: Aschroet via Wikimedia Commons

Het ene ‘vergeten’ is het andere niet

Als symbolische pleister op een collectieve wond zijn herdenkingen een belangrijk en betekenisgevend onderdeel van het herinneringslandschap. Maar wie uitzoomt, ziet ook de risico’s van het terugkijken op de Tweede Wereldoorlog door een herdenkingslens.

Het denken in termen van slachtofferschap, hoe noodzakelijk ook in allerlei verbanden, laat makkelijk andere zaken buiten beschouwing. Moeilijke vragen over collaboratie en omstanderschap of over de breed vertakte ideologische wortels van antisemitisme komen bij een plechtige herdenking vanzelfsprekend niet aan bod. De oorlog begrijpen, kortom, is iets anders dan hem herdenken.

De term ‘vergeten slachtoffers’ is interessant omdat die gaat over herdenken én over begrijpen. Enerzijds (‘slachtoffers’) sluit het begrip aan bij een herdenkingscultuur waarin erkenning van slachtofferschap de belangrijkste valuta is, maar anderzijds (‘vergeten’) is er ook een expliciete koppeling naar het kennisdomein. Het gaat, zo impliceert dat woord ‘vergeten’, om kennis over historische lotgevallen die we eerder niet hadden, die in de vergetelheid zijn geraakt, of soms zelfs verzwegen zijn.

Maar hoewel woorden als ‘vergeten’ of ‘verzwegen’ het goed doen in boektitels, gaat het zelden over letterlijk vergeten. De aandacht voor een onderwerp neemt het predicaat ‘vergeten’ ook zelden weg. “Vergeten is niet simpelweg het tegenovergestelde van weten,” schrijft literatuurwetenschapper Shoshana Felman. “Het duidt niet op iets passiefs of op het ontbreken van iets, maar op een dynamiek van ontkenning, op het actief buitenhouden van informatie.” Deze woorden schreef Felman in 1982. Het inzicht dat erachter schuilgaat, is inmiddels gemeengoed binnen de herinneringsgeschiedenis: dat wat we als samenleving collectief niet herinneren en herdenken, is niet het gevolg van willekeurige vergetelheid, maar zegt iets over de manier waarop die samenleving haar collectieve kennis wil ordenen.

Hedendaags ongemak 

Hoe dat collectieve ordenen van kennis in zijn werk gaat, en welke rol vergetelheidsterminologie daarin speelt, is wat we in dit nummer van WO2 Onderzoek uitgelicht centraal stellen. We werpen een kritische blik op de term ‘vergeten slachtoffers’ en bieden ruimte voor artikelen die elk op hun eigen manier de term bevragen, en die samen een beeld schetsen van de plek die de term inneemt in de herinneringsdynamiek rond de oorlog.

Anne-Lise Bobeldijk heeft het in haar bijdrage over ‘de hiërarchie van de vergetelheid’ en laat zien dat denken in termen van vergeten slachtoffers niet altijd de dominante manier van denken over de oorlog is geweest. Het is vooral een hedendaags ongemak dat we voelen als we vaststellen dat de Holocaust aanvankelijk geen prominente Nederlandse oorlogsherinnering vormde. Bovendien valt er best iets af te dingen op die claim: Bobeldijk bespreekt in haar stuk het recent verschenen boek van Frank van Vree over de Nederlandse herinnering aan de Jodenvervolging. Hij laat volgens haar juist zien “dat Nederland behoorlijk vroeg was met de specifieke herdenking van de Holocaust, hoewel deze in de eerste decennia veelal impliciet was”.

Dat de term ‘vergeten slachtoffers’ tegenwoordig wel dominant is, past in een bredere tendens rond het herinneren van de oorlog: het individu, emotie, slachtofferschap en getuigenissen nemen een steeds belangrijker plek in. Het grote gevaar is dat op die manier de complexiteit van de geschiedenis geen recht wordt gedaan, zo laat Bobeldijk zien. Dat maakt herdenken – waarbij emotie en getuigenissen centraal staan – een kwetsbaar genre voor politiek misbruik. Dat komt ook naar voren in de bijdrage van Amir Taha. Hij bespreekt de vraag waarom er in Irak – een land dat mede door westerse inmenging al een jaar of veertig in staat van oorlog verkeert – geen noemenswaardige herdenkingscultuur bestaat.

Bezoekers in de tentoonstelling van Kamp Amersfoort Gedwongen’. Bron: Bram Petraeus / Nationaal Monument Kamp Amersfoort

De rol van taal 

De term ‘vergeten’, zo betoogt Cristan van Emden in zijn column, gaat in de kern om de vraag om erkenning, om het toekennen van waarde aan verhalen. “Het gebruik van de term ‘vergeten geschiedenis’,” schrijft hij, “ligt daarom in het domein van het herdenken en niet in het domein van de historische kennis.” Niet historici, maar vooral herdenkingsorganisatoren moeten zich aangesproken voelen wanneer de term valt

Historici kunnen op hun beurt wijzen op de werking van de herinneringsdynamiek waar herdenkingsorganisatoren middenin zitten. Esther Captain doet dat in haar bijdrage door te wijzen op de rol van taal, in dit geval: taalgebruik rond de herinnering aan de Bersiap-periode in de woelige beginperiode van de Indonesische revolutie. De term ‘Bersiap’ is een onomatopee die verwijst naar het doorsnijden van de hals. Dat de term zijn naam geleend heeft aan deze periode, schrijft Captain, “laat zien dat herinneringen aan deze periode van extreem geweld diep verankerd zijn in de Indische en Molukse gemeenschap in Nederland”. Het stuurt onze herinneringen en zorgt ervoor dat we de ene vorm van geweld beter op het netvlies hebben dan de andere.

Wie het over ‘vergeten slachtofferschap’ heeft kan tot slot niet om de casus van psychiatrische inrichtingen tijdens de Tweede Wereldoorlog heen. Geen groep is “de laatste jaren zo nadrukkelijk in verband gebracht met vergeten slachtofferschap”, merkt Erik Schumacher dan ook op aan het begin van zijn bijdrage in dit nummer. Hierin bespreekt hij twee tentoonstellingen. De eerste is Who cares? in Museum van de Geest, waar het verhaal van de psychiatrische instellingen tijdens de oorlog in een breed perspectief geplaatst wordt. De tweede is Gedwongen in Herinneringscentrum Kamp Amersfoort, dat draait om het verhaal van de gedwongen arbeid in nazi-Duitsland. “Of je nou activistisch van ‘vergeten’ spreekt of academisch van een ‘onderbelicht thema’”, aldus Schumacher: beide tentoonstellingen vragen in de kern om aandacht voor een oorlogsverhaal dat ze als vergeten of onderbelicht beschouwen. Ze kiezen daar alleen verschillende strategieën voor.

Over de auteur

Matthijs Kuipers

Matthijs Kuipers is historicus en werkt als onderzoeker en beleidsadviseur bij het Nationaal Comité 4 en 5 mei. Hij zit in de redactie van WO2 Onderzoek uitgelicht.


Foto boven aan artikel

Hongaarse begraafplaats in Oekraïne, Vinnytsja, 1942. Bron: Wikimedia Commons

Vergeten leed?

Jaargang 13, nummer 2, april 2024

Wat maakt een geschiedenis vergeten, of zelfs verzwegen? En hoe en waarom eisen verschillende groepen een plek op in het collectieve geheugen? In deze WO2 Onderzoek uitgelicht werpen we in uiteenlopende bijdragen een kritische blik op de term ‘vergeten slachtoffers’.

De Holocaust als onvoltooide geschiedenis

Hoogleraar Dan Stone bepleit in een recent boek een kritische blik op de manier waarop de Holocaust wordt herdacht en geduid – door hedendaagse machthebbers, maar ook door onderzoekers en herinneringscentra. Christel Tijenk van Herinneringscentrum Kamp Westerbork verdiepte zich in Stones werk, en schetst wat je als herinneringscentrum kan met de inzichten die Stone voor het voetlicht brengt.

“In heel Europa heeft de collaboratie van continentale omvang (…) nieuwe vragen opgeroepen. De Holocaust was niet slechts een Duitse aangelegenheid – ook al ontstond hij in Duitsland en nam Duitsland het voortouw – en het is geen toeval dat de terugkeer van radicaal-rechts plaatsvindt in een tijd waarin deze onthullingen over pan-Europese medeplichtigheid aan het licht zijn gekomen. Plichtmatige herdenkingen met staatshoofden, de getuigenissen van een handjevol slachtoffers en gedichten van kinderen zijn niet genoeg om iets te veranderen aan de manier waarop fascisme verweven is met het langetermijngeheugen van de Westerse cultuur. De uitdaging blijft: zal de Holocaust goed begrepen worden?” 

Ziehier een citaat uit het boek De Holocaust – Een onvoltooide geschiedenis van Dan Stone. Herdenkingsbijeenkomsten als betekenisloze rituelen, die niet ingaan op de realiteit van de geschiedenis en waarin belangrijke onderdelen van dit verleden genegeerd worden… Met dat beeld eindigt Dan Stone zijn betoog, aan de vooravond van grootschalige vieringen van 80 jaar bevrijding.  

Stone is hoogleraar moderne geschiedenis en directeur van het Holocaust Research Institute aan de Universiteit van Londen. In zijn boek stelt hij dat de ware dimensie van de Holocaust in onze huidige herdenkingscultuur onbedoeld terzijde wordt geschoven. Deels door de focus op de industriële vernietiging in kampen als Auschwitz, en deels door het negeren van de collaboratie van staten en personen die geen deel uitmaakten van het naziregime. Gestructureerd rond vier thema’s – trauma, collaboratie, genocidale fantasie en naoorlogse gevolgen – betoogt Stone dat we, willen we de Holocaust kunnen duiden, voor de oorzaken ver vóór 1933 en wat betreft de gevolgen ver ná 1945 moeten kijken. 

Dan Stone, De Holocaust Een onvoltooide geschiedenis 

Kunstmatige orde

Wat betekent dit voor het werk op een voormalige vervolgingsplek als Kamp Westerbork, waaraan ik als hoofd van het Kenniscentrum verbonden ben? Herinneringscentrum Kamp Westerbork is een plek die van grote betekenis is voor nabestaanden van de slachtoffers. Voor sommigen is het een ‘heilige plaats’, voor anderen een ontmoetingsplek tussen verleden en heden. Daarnaast is het voor tienduizenden scholieren die jaarlijks naar het museum komen een locatie om te leren over de Holocaust. Voor veel reguliere bezoekers tot slot is er de behoefte aan ‘beleving’ en het willen staan ‘op de plek waar het allemaal gebeurd is’.

Kunnen Stones inzichten behulpzaam zijn in de dagelijkse praktijk van ons museum? Schuiven wij inderdaad de ware dimensie van de Holocaust onbedoeld terzijde om deze verschillende bezoekersgroepen te bereiken, en herdenken we plichtmatig?

Opening van Herinneringscentrum Kamp Westerbork door koningin Beatrix, 12 april 1983. Bron: Rob Bogaerts, Anefo / Nationaal Archief

Het Herinneringscentrum werd geopend in 1983, met een tentoonstelling die een kopie was van die in het Nederlandse paviljoen in het museum in Auschwitz. Twaalf jaar na de sloop van de laatste barakken van Kamp Westerbork werd zo dicht bij de historische plek verhaald over de Jodenvervolging in Nederland en de lessen die toekomstige generaties hieruit konden trekken. Daarmee maakte het nieuwe centrum deel uit van een herinneringscultuur die gericht was op het leren van lessen uit het verleden, wat gepaard ging met een vereenvoudiging van de geschiedenis. Bij de verschillende museale herinrichtingen daarna werd steeds meer gefocust op ‘het’ verhaal van kamp Westerbork. Een kunstmatige orde aanbrengen in de buitengewoon ingewikkelde werkelijkheid van kamp Westerbork was daarbij onvermijdelijk.  

Zoals Stone in zijn boek aangeeft neigt geschiedschrijving altijd naar orde, “naar het opleggen van regelmaat op gebeurtenissen die in wezen – zelfs in georganiseerde vorm – chaotisch waren, en met name voor de slachtoffers”. Maar, stelt Stone, “in het geval van de Holocaust is het misschien juist passend dat het verhaal nog niet ten einde is, een onvoltooide geschiedenis. Het idee van vervolgvragen en ontvankelijkheid voor nieuwe inzichten vormt een logisch tegenwicht voor het verlangen naar een definitieve oplossing, het laatste woord en afsluiting.” 

Als Herinneringscentrum Kamp Westerbork bevinden we ons aan de vooravond van een grote herinrichting van het terrein en herziening van het museum. Wat zijn de vernieuwende inzichten van Stone die kunnen worden meegenomen in dit traject?

Opening van het Herinneringscentrum Kamp Westerbork, 22 maart 1983. Bron: Rob Bogaerts, Anefo / Nationaal Archief 

Oude wensdromen

Een belangrijk inzicht dat ik als eerste wil noemen betreft het bewustzijn en de kennis dat de Holocaust niet enkel een Duits ‘project’ was, maar een breed gedragen en uitgerold Europees project met wereldwijde consequenties. Dat collaboratie vanuit verschillende motieven op nationaal, regionaal en lokaal niveau bijdroeg aan de enorme omvang van de moord en de verschrikkelijke ervaringen van de slachtoffers. En dat de manier waarop huidige machthebbers met deze geschiedenis omgaan – en die ontkennen of omvormen voor eigen gebruik – van grote invloed is in de huidige Europese samenleving.   

Daarnaast benadrukt Stone dat in onderzoek naar het nationaalsocialisme en de Holocaust het belang van de ideologie benadrukt moet worden. De fantasieën en wensdromen van een Jodenvrij Europa circuleerden al lang voor de eerste stappen van de Holocaust werden gezet. Het waren die wensdromen die uiteindelijk uitmondden in massamoord en genocide gebaseerd op rassenideologie en antisemitisme.   

Het derde aspect dat volgens Stone niet is doorgedrongen in het ‘Holocaustbewustzijn’, is het feit dat er geen sprake was van een industrieel vernietigingsproces. De focus op het moordproces in Auschwitz zorgt ervoor dat cruciale kennis het publiek niet bereikt: kennis over de beestachtige manier waarop een groot deel van de Joden slachtoffer werd van ontberingen in de getto’s en tijdelijke ‘kampen’, van executies en van Dodenmarsen.

Tot slot geeft Stone aan dat de Holocaust een onvoltooide geschiedenis blijft, omdat die niet eindigde in 1945. Ze werkte op persoonlijk niveau nog generaties door. Daarnaast is de Holocaust tot op de dag van vandaag alomtegenwoordig in internationale verhoudingen en het academisch debat, onder meer in de discussies rondom de verbinding met slavernij en kolonialisme, en recent rondom de gebeurtenissen in het Midden-Oosten sinds 7 oktober. 

Nieuw zijn deze verschillende inzichten elk voor zich binnen het internationaal Holocaustonderzoek niet. De kracht van Stones boek ligt in het samenbrengen van deze onderzoekslijnen in een toegankelijk boek, dat ook nog eens op een heldere manier de verbinding legt met het heden.

Jasenovac Memorial in Kroatië. Opgericht ter herdenking van concentratiekamp Jasenovac. Bron: Duniasoarmara, Wikimedia Commons 

Weerwoord

De eerste en laatste vraag van vrijwel alle bezoekers van het Herinneringscentrum Kamp Westerbork luidt: ‘Waarom is dit gebeurd?’ Om hierop een antwoord te kunnen geven, is het noodzakelijk de ideologische achtergrond van de Holocaust te benoemen: de genocide op Joden kwam voort uit vol overtuiging (uit)gedragen rassenwaan en antisemitisme. De voorbeelden van ondersteuning of zelfstandige uitvoering van deze massale vernietiging door niet-Duitse daders komen in Stones boek met name uit Oost-Europa en Frankrijk. Maar ook de geschiedenis van Westerbork kan niet verteld worden zonder aandacht voor collaboratie, al dan niet vanuit ideologische motieven. Het uitgebreidere historisch onderzoek dat door de opening van de CABR-archieven mogelijk zal zijn, kan hier meer licht op werpen. 

Dat de moord op de Europese Joden grotendeels buiten de vernietigingskampen plaatsvond en dat de moordmachinerie binnen de kampen sterk afweek van ons beeld van een ‘geïndustrialiseerd proces’, zal zeker een plaats krijgen binnen het Herinneringscentrum. De Holocaust was onvoorstelbaar gruwelijk en mensonterend. Het verhaal van kamp Westerbork eindigt niet bij de vertrekkende trein en ook dit aspect móet verteld worden. In de toespraak die overlevende Max van Trommel hield op de 4 mei-herdenking in Westerbork in 2023 beschreef hij het einde van zijn grootouders in de gaskamer van Sobibor tot in detail. Omdat het voor hem de kern was van zijn aanwezigheid die dag: vertellen wat er daadwerkelijk gebeurd is. 

Terugkomend op het openingscitaat: ik geloof niet dat een bezoek aan voormalige vervolgingsplekken of het bijwonen van een herdenking ervoor kunnen zorgen dat mensen geen vooroordelen en angst voor ‘de ander’ meer voelen. Maar leren over de Holocaust betekent wel dat we de kwetsbaarheid van het moderne Europa en haar natiestaten signaleren. Dat we het gegeven erkennen dat er een diepe fascinatie blijft bestaan voor fascisme en uitroeiingsfantasieën, en dat mensen zich in moeilijke tijden hiertoe blijven wenden. En dat we zien waartoe angst, ideologie en haat uiteindelijk kunnen leiden, zeker met ondersteuning vanuit een overheid.  

Het weerwoord daartegen bestaat inderdaad niet uit zielloze herdenkingen. Met behulp van fictie, getuigenissen, theater, poëzie, kunst, filosofie, sociologie en muziek kunnen we het onvoorstelbare dichterbij brengen. Hiervoor vinden we in ‘Westerbork’ steeds nieuwe vormen.
Daarnaast, stelt Stone, is ook de analytische aanpak van historici en musea nodig. Zij laten ons nadenken over de vraag of we wel genoeg hebben gedaan om te voorkomen dat apocalyptische visies en bewegingen ontstaan, aangezien dat al eerder is gebeurd en zal blijven gebeuren in een wereld geteisterd door klimaatverandering, vluchtelingenstromen, pandemieën en xenofobie, een wereld die steeds vaker gevormd wordt door een pervers verlangen naar een onvermijdelijke apocalyps”. Dat is de uitdaging waarvoor we de komende jaren gesteld staan.  

Over de auteur

Christel Tijenk

Christel Tijenk is hoofd van het Kenniscentrum van Herinneringscentrum Kamp Westerbork. In het Kenniscentrum zijn de inhoudelijke afdelingen van het Herinneringscentrum samengebracht: educatie, onderzoek, collectie en het Landelijk Steunpunt Gastsprekers. Als hoofd Kenniscentrum is Tijenk betrokken bij de ontwikkeling van het nieuwe museum en de herinrichting van het terrein van Kamp Westerbork. 

 

 


Foto boven aan artikel

Herinneringscentrum Kamp Westerbork heropend. Bron: Sake Elzinga / Herinneringscentrum Kamp Westerbork

Hoe werkt oorlog door op verschillende generaties?

Oorlogservaringen worden vaak levenslang meegedragen en werken ook weer door op kinderen en kleinkinderen van de eerste generatie oorlogsgetroffenen. Met het ons ontvallen van de mensen die de Tweede Wereldoorlog zelf hebben meegemaakt, verdwijnt de doorwerking van de oorlog dus niet uit onze levens. Hoe de doorwerking van oorlogservaringen van de eerste generatie via de tweede naar de derde generatie er precies uitziet, is regelmatig onderwerp van onderzoek. Ook in Nederland. 

Momenteel worden er in Nederland meerdere onderzoeken gedaan naar oorlog, familieverhalen en intergenerationele overdracht. De Universiteit voor Humanistiek (UvH) houdt zich bezig met intergenerationeel Holocaustonderzoek naar trauma en veerkracht vanuit een existentieel perspectief. ARQ Kenniscentrum Oorlog, Vervolging en Geweld doet onderzoek naar de doorwerking van de Tweede Wereldoorlog binnen drie generaties. En het Nationaal Comité 4 en 5 mei onderzoekt de doorwerking van oorlogsverhalen en – herinneringen binnen families. In alle drie de onderzoeksprojecten is sprake van interviews met drie betrokken generaties. Tijd voor een gezamenlijk interview met de onderzoekers van de hierboven genoemde projecten: Nicole Immler (UvH), Bart Nauta (ARQ) en Matthijs Kuipers (Nationaal Comité 4 en 5 mei). We spraken met ze over de overeenkomsten tussen hun ‘drie generaties’-onderzoeken én over de verschillende accenten die er gelegd worden.

v.l.n.r. Bart Nauta, Nicole Immler en Matthijs Kuipers

Spanning in huis

Het doorgeven van oorlogservaringen is een belangrijk aspect binnen het proces van doorwerking dat in de verschillende onderzoeken onder het vergrootglas ligt. “De eerste generatie heeft de Tweede Wereldoorlog zelf meegemaakt en dus ervaringen opgedaan waarvan we weten dat die bij sommige families een traumatiserende impact hebben gehad”, aldus ARQ-onderzoeker Bart Nauta. Binnen het Drie Generaties-onderzoek van ARQ is met tien families met uiteenlopende oorlogservaringen gesproken, wat heeft geresulteerd in ongeveer 30 uur aan interviews. De nadruk ligt in dit onderzoek met name op de psychologische doorwerking van de oorlog binnen families. “Collega’s van mij bij ARQ Centrum’45, merendeel psychologen en psychiaters, behandelen niet alleen mensen van de eerste generatie voor PTSS-klachten, maar ook mensen uit de tweede generatie. Door de psychische klachten van de eerste generatie was er in sommige families weinig oog voor de behoeften van de kinderen. Er heerste spanning in huis of er was sprake van overbescherming. Die kinderen kunnen daar later in hun eigen leven last van krijgen,” legt Nauta uit, om te benadrukken dat trauma niet alleen de eerste generatie treft. “De vraag die centraal staat in ons onderzoek is: hoe werkt oorlog door op verschillende generaties? En in het bijzonder: welke verhalen worden er verteld en op welke manier gebeurt dat?”

Meaning-making

Dat zijn vragen die ook binnen het intergenerationele Holocaustonderzoek van de UvH aan bod komen, maar dat onderzoek focust expliciet niet op trauma. “Holocaustonderzoek heeft de neiging zich te concentreren op trauma”, zegt hoogleraar Nicole Immler hierover. De verzameling familie-interviews in haar project richt zich juist op ervaringen van veerkracht en een existentieel perspectief. Studenten van de UvH die in opleiding zijn tot geestelijk verzorger of reeds zijn afgestudeerd, deden diepte-interviews met elf joodse families van drie generaties. Ze maakten daarbij gebruik van narratieve methodologie. “De opzet is niet historisch,” licht Immler toe. “De interviews zijn gedaan door geestelijk verzorgers die keken naar meaning-making1, oftewel naar de manier waarop mensen betekenis geven aan levensgebeurtenissen, relaties en het zelf.”  

Immler schat in dat deze existentiële insteek bijdroeg aan de bereidwilligheid van de geïnterviewden om mee te werken aan het onderzoek. “Sommige overlevenden waren er klaar mee om elke keer alleen hun levensverhaal te vertellen. Maar dat heeft ook meteen een ethische vraag naar voren gebracht. Mag je in verhalen van overlevenden ook ambivalentie naar voren halen? Wat bijvoorbeeld vanuit de eerste generatie als kracht kan worden ervaren, kan de tweede generatie als last ervaren. Dus weerbaarheid kan iets tegenstrijdigs hebben.”  

Nauta herkent de verhalen over weerbaarheid en veerkracht ook vanuit het ARQ-onderzoek. “Hoewel we er niet expliciet naar gevraagd hebben, vertelden veel mensen van de eerste generatie graag over hun leven, zowel dat van voor de oorlog als dat van daarna. Ze vertelden dan hoe ze ondanks de gewelddadige ervaringen tijdens de oorlog een gezin gesticht hebben of een carrière opgebouwd. Dat leken sommigen echt te willen benadrukken.”

Dwangarbeiders leggen kabel in Oostende, 1941. Bron: Das Bundesarchiv / Wikimedia Commons (CC-BY-SA 3.0)

Familiedynamiek

In het onderzoek Oorlog en vrijheid in drie generaties van het Nationaal Comité 4 en 5 mei ligt de nadruk dan weer sterk op de interactie tussen familieherinneringen en de maatschappijbrede herinnering aan de Tweede Wereldoorlog. Onderzoeker Matthijs Kuipers: “We willen graag weten hoe de herinneringen van de eerste generatie worden doorgegeven.” Binnen dit onderzoek wordt in zes verschillende deelstudies steeds met vijf families gesproken. Hierbinnen staan, net als in het onderzoek van ARQ, uiteenlopende oorlogservaringen centraal. Zo wordt gesproken met families van Holocaustoverlevenden, maar bijvoorbeeld ook met families met een Arbeitseinsatz-achtergrond. “We willen daarbij graag weten hoe de familiedynamiek beïnvloed wordt door de maatschappelijke omgang met het onderwerp. Daar zitten ook weer verschillen in.”  

Bij de eerste deelstudie naar herinneringen aan en de doorwerking van gedwongen arbeid in nazi-Duitsland speelt bijvoorbeeld dat er maatschappelijk minder over dit onderwerp gesproken werd. Kuipers: “Dat werd door de deelnemers ook zo gevoeld. Er was geen sprake van maatschappelijke erkenning voor het onderwerp. Dat zorgde er ook voor dat er binnen de families minder over gepraat werd, of dat ze het gevoel hadden dat ze niet gehoord werden of nergens met die ervaringen terecht konden.” In de maatschappelijke omgang zijn bepaalde beelden van de oorlog heel dominant, en die beïnvloeden sterk wat er gezegd kan worden, of in welk kader iets geplaatst wordt. “Ook binnen families. Om een voorbeeld uit een andere deelstudie te noemen: als je het hebt over ‘kampen’ in Indonesië, dan roept dat associaties op met de vernietigingskampen in Europa. Dat beïnvloedt weer hoe de derde generatie de verhalen van hun grootouders interpreteert.”

Methodeverschillen

Het uitgangspunt van de drie onderzoeken verschilt op het eerste gezicht niet zo veel. Door de verschillende accenten van de onderzoeken en de verschillende onderzoekstradities en -methodologieën waarbinnen de onderzoekers werken, zijn er in de praktijk echter wel degelijk verschillen. “Wij interviewen de verschillende generaties altijd apart, los van elkaar,” zegt Kuipers bijvoorbeeld over het onderzoek van het Nationaal Comité. “Wat zeggen de jongere generaties als vader of moeder, of opa of oma, niet in huis zijn?” Daar herkent Nauta zich wel in. “Ook ARQ had de wens om de familieleden die we spraken afzonderlijk te interviewen. Maar soms was de opstelling en de wil van de eerste generatie zo dat iedereen in dezelfde kamer zat. Daar konden en wilden we dan niks aan veranderen. Maar we hebben wel nagebeld. Als iemand nog iets extra’s kwijt wilde, dan kon dat tijdens die telefoongesprekken.”  

Ook de Universiteit voor Humanistiek kwam deze uitdaging tegen. Immler: “We hebben ook apart de interviews afgenomen als dat ging. Soms waren het gesprekken met partners die dan wel bij elkaar in de keuken zaten. Maar dit kon ook heel interessant zijn, namelijk om te zien hoe partners elkaar aanvullen en wát zij aanvullen.” In enkele gevallen zocht de UvH nog extra verdieping op door – naast de drie generaties – nog een ander familielid te spreken dat een tegengeluid zou kunnen inbrengen. “We spraken meestal drie tot vijf mensen. We hebben geprobeerd om bij families waar verschillende perspectieven best in spanning met elkaar stonden nog een extra persoon te spreken, bijvoorbeeld een zus of neef.”  

De verschillende insteken van de onderzoeken blijken ook goed uit de manier waarop interviews steeds begonnen werden. De UvH-onderzoekers vroegen bijvoorbeeld niet direct naar oorlogservaringen, maar naar de manier waarop de Holocaust een rol speelde in het leven van de geïnterviewde. Immler: “We keken gewoon wat mensen zelf wilden vertellen. Later vroegen wij dan wat specifieker door, bijvoorbeeld over de nasleep van hun ervaringen, en wat erkenning en herstel voor hen betekent.” ARQ pakte het iets anders aan. “Onze openingsvraag was waarom mensen ervoor gekozen hadden om mee te doen. Mensen gaven vaak aan dat ze het belangrijk vonden het verhaal van de oorlog door te vertellen. Dan kwam vaak het verhaal rond de ervaring vanzelf.” Bij het Nationaal Comité 4 en 5 mei vroeg men wel direct naar oorlogsherinneringen. Kuipers: “Wij beginnen dus wel met wat Nicole ‘het historische’ noemt, met vragen naar ofwel de ervaringen van de eerste generatie, ofwel wat je daarvan hebt meegekregen als jongere generatie. Vanuit die historische context bouwen we dan op naar de complexe dingen zoals doorwerking, stiltes en betekenisgeving. Vinden mensen het bijvoorbeeld belangrijk om bij een herdenking te zijn?” 

Een onverwachte bevinding voor Immler had te maken met de indruk die sommige geïnterviewden op haar maakten. “Ik was best verrast dat sommigen van de tweede generatie zich veel ouder gedroegen dan dat ze daadwerkelijk waren. Deze mensen vertelden over zichzelf als ‘toegetakeld’: fysiek, mentaal en hoe ze in het leven stonden. Je zou bijna kunnen zeggen: een tegenstem tegen het overlevenden-verhaal van hun ouders.” Nauta reageert hier herkennend op. “Bij de ontmoetingen die ik de afgelopen jaren heb gehad met mensen van de tweede generatie, viel mij op hoe zij soms sterk psychisch getroffen zijn door de oorlogservaringen van hun ouders. Dat heeft ook impact op de levens van hun naasten. In ons onderzoek komen we bijvoorbeeld in bepaalde families de doorwerking van angst of woede tegen, wat ook zijn weerslag had op de derde generatie.”

“Red wat nog te redden is.” Vader met kind voorop de fiets en een kinderwagen achter zich aanslepend, is op de vlucht voor de Duitsers, 1940. Bron: Fotocollectie Spaarnestad Onderwerpen, Nederlands Front – Meidagen ’40 / Nationaal Archief

Te simplistisch

Het trekken van overkoepelende conclusies is op dit moment nog best een uitdaging. “Als we al één conclusie kunnen trekken,” zegt Kuipers over het nog lopende onderzoek van het Nationaal Comité, “dan is het dat je aan de manier waarop oorlogsherinneringen voortleven binnen families een hoop kunt aflezen over de maatschappelijke omgang met het onderwerp. Veel nuances in de herinnering van de eerste generatie aan de oorlog verdwijnen bij het doorgeven van die herinneringen aan kinderen en kleinkinderen.” Het resultaat is soms tegenovergesteld: “Soms worden de slechte herinneringen wat weggedrukt, om de jongere generaties als het ware te ontzien. En soms worden juist de negatieve ervaringen uitgelicht, omdat dit belangrijk kan zijn in de zoektocht naar maatschappelijke erkenning.” 
Nauta: “Ik ben voorzichtig om tot overkoepelende conclusies te komen. Niet alleen omdat we nog bezig zijn met de analyse van de onderzoeksdata. Ook omdat er van familie tot familie, en ook binnen families en binnen generaties, zo verschillend met oorlogservaringen wordt omgegaan. Een broer kan de oorlogsgeschiedenis van zijn ouders heel anders ervaren dan zijn zus. Al die individuele ervaringen hebben waarde en mogen er zijn.”  
Ook Immler benadrukt het belang van oog hebben voor diversiteit in perspectieven. “Onze analyse heeft bijvoorbeeld aangetoond dat praten over generaties te simplistisch is. Het identificeren van meervoudige ik-posities van respondenten, van diverse stemmen die mensen in zich hebben en hoe deze zich tot elkaar verhouden, maakt het mogelijk wat afstand te nemen van eenvoudige identiteitsconstructies die gevoed worden door de huidige politiek. De analyse liet ook zien dat we verder moeten kijken dan de tegenstelling tussen trauma en veerkracht, omdat mensen zowel veerkrachtig als kwetsbaar kunnen zijn. Bovendien is veerkracht niet iets wat mensen ‘hebben’, het is een ervaring of een relationeel proces. Dus familie en samenleving hebben hier ook een verantwoordelijkheid in.” 

 

Over de auteur

 

Fabienne van Wijngaarden

Fabienne van Wijngaarden studeert geschiedenis aan de Universiteit Utrecht, is hoofdredacteur van Historisch Tijdschrift Aanzet en is journalist. Ze heeft onder andere voor Kleio en Impact Magazine geschreven.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Noten

1 Zie Michael Ignelzi, ‘Meaning-making in the learning and teaching process.’ New Directions for Teaching and Learning 2000 (82), p. 5-14. 


Verder lezen

Onderzoek Universiteit voor Humanistiek: https://www.uvh.nl/onderzoek/leerstoelgroepen-en-projecten/burgerschap-en-humanisering-van-de-publieke-sector/projecten/inter-generational-holocaust-research-trauma-resilience-from-an-existential-perspective

Onderzoek Nationaal Comité 4 en 5 mei: https://www.4en5mei.nl/onderzoek/oorlog-en-vrijheid-in-drie-generaties

Onderzoek ARQ Kenniscentrum Oorlog, Vervolging en Geweld: https://arq.org/projecten/drie-generaties  


Foto boven het artikel

Presentatie onderzoek ‘Oorlog en vrijheid in drie generaties’ van het Nationaal Comité 4 en 5 mei in Deventer, maart 2023. Bron: Beau Rutten, Nationaal Comité 4 en 5 mei

De rol van fysieke plaatsen in het vieren van vrijheid, democratie en burgerschap

In veel herdenkingsrituelen staan monumenten of locaties waar bepaalde gebeurtenissen hebben plaatsgevonden centraal: we bezoeken ze, leggen er kransen of zijn er samen stil. Maar welke rol spelen fysieke plekken bij het vieren van vrijheid en democratie, bijvoorbeeld op 5 mei? Aan de hand van voorbeelden uit onderzoek naar vrijheidsvieringen wereldwijd beschrijft Sander Mensink hoe het concept plaats kan bijdragen aan het vieren van vrijheid, democratie en burgerschap.  

Mijn belangrijkste herinnering aan 4 mei is de herdenking in mijn geboortedorp Beekbergen bij het monument voor verzetslieden. Het ritueel dat er jaar na jaar plaatsvond staat in mijn herinnering gegrift. Elk jaar werd de zorg voor het onderhoud van het monument door de leerlingen van groep 8 plechtig overgedragen aan groep 7. Toen ik later in Amsterdam ging studeren, was het de Dam die voor mij onlosmakelijk verbonden raakte met herdenken op 4 mei. En zo zijn er meerdere plaatsen die tijdens de Nationale Herdenking tot de verbeelding spreken: de Waalsdorpervlakte, Kamp Westerbork, erebegraafplaatsen, of een van die honderden plekken van lokale betekenis.

De Franse historicus Pierre Nora schetste in de jaren tachtig van de twintigste eeuw hoe belangrijk fysieke plaatsen zijn in herinneringsculturen en als het ware de ankers van onze herinneringscultuur vormen. Ze maken dat we direct verbinding voelen met een verhaal over het verleden en spelen een centrale rol bij veel rituelen. Niet alleen is het terugkomen naar plekken een rituele gebeurtenis an sich. Ook het leggen van kransen en de gewoonte je op een bepaalde manier te gedragen rondom deze plekken, getuigen van een rituele functie.

Uit onderzoek van Nationaal Comité 4 en 5 mei en ARQ Nationaal Psychotrauma Centrum blijkt dat mensen zich sterk verbonden voelen met herdenkingsrituelen op 4 mei. Rituelen op 5 mei zijn minder afgebakend en slaan ook minder aan. De onderzoekers concluderen dat ‘het herdenkingsritueel op 4 mei concreter en duidelijker [is] afgebakend in de tijd dan de viering van de vrijheid op 5 mei’. Het is interessant om deze notie van een afbakening in tijd uit te breiden met een afbakening in ruimte. Vergeleken met de herdenkingsrituelen op 4 mei lijken ook fysieke plaatsen op 5 mei een minder afgebakende rol te spelen in de collectieve beeldvorming. Dat wil niet zeggen dat er op 5 mei geen activiteiten plaatsvinden op betekenisvolle plaatsen1, maar door de bank genomen lijkt het vieren van vrijheid geografisch meer diffuus dan herdenken op 4 mei.

Namens het Nationaal Comité 4 en 5 mei verricht ik een studie naar vrijheids- en democratievieringen in het buitenland.2 Op basis van twee voorbeelden uit die studie onderzoek ik in dit artikel hoe fysieke plekken zouden kunnen bijdragen aan het vieren van vrijheid en aanverwante fenomenen als democratie en burgerschap, en hoe die plaatsen een rol kunnen spelen in het creëren van (nieuwe) rituelen.

Geheugenboei

In zijn werk Les lieux de mémoire schrijft Pierre Nora over het belang van ‘plaatsen van herinnering’. Hij bedoelt hiermee locaties, monumenten en ruimtes rondom objecten – maar ook immateriële zaken als een feestdag – waarin herinneringen als het ware opgeslagen liggen; ze fungeren als portalen waar mensen in kunnen tappen op herinneringen. Historicus Willem Frijhoff opperde hiervoor de term ‘geheugenboei’, een soort ‘aanhechtingspunten van onze herinneringscultuur’. Nora geeft aan dat die plaatsen in zichzelf een rituele functie hebben. Ze ‘markeren de rituelen van een samenleving zonder rituelen’ en lijken bedevaartsoorden naar het verleden in een tijd die geheugen ‘achter [zich] heeft gelaten’.3

Het is waardevol om Nora’s insteek aan te vullen met een sociologische blik. Rituelen rond ‘plaatsen van herinnering’ hebben ook een bindingsfunctie: de collectieve handelingen die we daar uitvoeren bevestigen welk verhaal uit het verleden ‘ons’ bindt, en creëren daarmee een collectief bewustzijn. Emile Durkheim stelt dat mensen in die rituelen een gevoel van saamhorigheid ervaren dat we moeilijk kunnen duiden en daarom vaak toeschrijven aan bepaalde plaatsen of objecten.4 Durkheim beschrijft dat gevoel als collective effervescence, een collectief bruisen. Een ritueel behelst in feite dat opzoeken van collectief bruisen, het je herhaaldelijk onderdeel willen voelen van een gemeenschap. Durkheim benadrukt dus net als Nora dat plaatsen en bijbehorende rituelen een blik terug bieden in de geschiedenis, maar ook sterk gaan over het vieren van de gemeenschap in het hier en nu.

Het ‘Heldenmonument’ in de zogenaamde Äußeres Burgtor, gezien vanaf de Heldenplatz. Bron: Simon Matzinger op Wikimedia Commons (CC-BY-SA 4.0)

Heldenplatz, Wenen

De Oostenrijkse viering van de bevrijding biedt een interessant voorbeeld van hoe bestaande historisch geladen plaatsen een ‘aanhechtingspunt’ kunnen vormen voor het vieren van vrijheid en democratie. Tot diep in de twintigste eeuw werd de Oostenrijkse herinneringscultuur gedomineerd door de these dat Oostenrijk met de Anschluss in 1938 Hitlers eerste slachtoffer was. De ‘Bevrijdingsdag’ op 8 mei was echter lang een ingewikkelde dag. Voor vele Oostenrijkers betekende deze bevrijding namelijk ook een nieuwe ‘bezetting’ door de geallieerden, wat ervoor zorgde dat 26 oktober 1955 – de dag dat formele neutraliteit werd gerealiseerd – de belangrijkste Nationalfeiertag werd. Lang werd medeverantwoordelijkheid voor de Tweede Wereldoorlog nauwelijks benoemd en stonden slachtofferschap, maar ook het herdenken van Wehrmacht-soldaten die hun vaderlandse ‘plicht’ hadden gedaan centraal. Deze herinneringscultuur vond ook vruchtbare bodem op de Heldenplatz in Wenen, waar monumenten al sinds de 19e eeuw in het teken stonden van een militaristisch verleden. Na 1945 werden de namen van Wehrmacht-soldaten toegevoegd aan de boeken in de crypte van het Heldenmonument, ooit opgericht om slachtoffers van eerdere oorlogen te eren. Hoewel in 1965 een ruimte in het monument werd geopend ter nagedachtenis aan de vrijheidsstrijd tegen het nationaalsocialisme, bleef het officiële Oostenrijk jaarlijks op verschillende momenten, waaronder op Nationalfeiertag, kransen leggen bij een monument waar in feite Wehrmacht-soldaten werden geëerd.5

Aan het begin van de 21e eeuw bereikte de omgang met 8 mei een dieptepunt, toen de dag door extreemrechtse studentenverenigingen werd aangegrepen om parades ter ere van Wehrmacht-soldaten te houden bij het Heldenmonument. Al snel ontstonden tegendemonstraties van progressieve groepen. Als onderdeel van een brede omwenteling binnen de Oostenrijkse herinneringscultuur, waarin medeverantwoordelijkheid voor de Tweede Wereldoorlog centraler kwam te staan, begon een groep maatschappelijke organisaties, waaronder het Mauthausen Komitee, maar ook jeugdvakbonden, academici, activisten en vertegenwoordigers van de Joodse gemeenschap, zich te verzetten tegen de invulling en rituelen op de Heldenplatz op 8 mei en andere dagen. Op 8 mei 2012 bezetten zij door middel van een grote tegendemonstratie daarom de Heldenplatz. Sinds 2013 wordt er op voordracht van het Mauthausen Komitee en met steun van de regering het succesvolle Fest der Freude georganiseerd.

De boodschap van dit festival is dat 8 mei vooral een dag van vreugde en viering (van op het nationaalsocialisme herwonnen vrijheid en democratie) dient te zijn, in plaats van een dag van treurnis om een verloren gegaan verleden. Het festival kent een avondprogramma met sprekers uit binnen- en buitenland en een muzikale omlijsting door het Wiener Symphoniker. Ieder jaar is er een jaarthema dat specifieke aandacht krijgt; in 2023 was dit bijvoorbeeld ‘burgerlijke moed’. De avond wordt standaard afgesloten met een nieuw ritueel: het door duizenden mensen zingen van Beethovens Ode an die Freude, tevens het Europese volkslied. Hiernaast organiseert het Mauthausen Komitee sinds kort rondleidingen op en rondom het plein die informeren over hoe de gebouwde omgeving verhalen vertelt (of juist verzwijgt). Ook vinden er rond 8 mei openluchttentoonstellingen plaats op de Heldenplatz die bijvoorbeeld verhalen van overlevenden over het voetlicht brengen.

Het eerste Fest der Freude op 8 mei 2013 op de Heldenplatz in Wenen. Bron: Manfred Werner op Wikimedia Commons (CC-BY-SA 3.0)

Ontwijding

De Weense Heldenplatz speelt daarmee een belangrijke rol in het Fest der Freude: het vormt het decor van nieuwe praktijken van vieren en probeert een nieuwe symbolische betekenis (van vrijheid, democratie en tolerantie) aan deze plaats te koppelen, terwijl oude rituelen en betekenissen worden aangevochten. Hoewel het daadwerkelijk fysiek veranderen van een beladen ruimte als de Heldenplatz geen sinecure is, heeft de nieuwe invulling van 8 mei daar wel aan bijgedragen. Zo werd de crypte van het Heldenmonument officieel ‘ontwijd’, waarna er geen officiële staatsrituelen meer hebben plaatsgevonden. Wanneer we nog wat dieper kijken, valt ook op dat de brede beweging van burgers die zich hier mengden in herinneringspolitiek, door letterlijk ruimte te claimen, in zichzelf een verwezenlijking van democratisch burgerschap in het hier en nu is. De Heldenplatz heeft als zodanig ook de (toekomstige) potentie om een ruimte te zijn waar mensen de idealen die ze vieren ook kunnen belichamen. Of deze potentie echt benut zal worden is de vraag. Het festival en de voorgestelde maar telkens uitgestelde herinrichting van het plein zouden volgens critici het nog altijd beladen debat over herdenken en vieren vooral pacificeren.6

Het voorbeeld van Oostenrijk legt nog een ander punt bloot. Nora’s lieux de mémoire representeren ‘plaats’ vooral als een statische container met één dominante boodschap. Belangrijke plaatsen belichamen regelmatig de ogenschijnlijke eenheid van de natiestaat, al dan niet door een koloniale bril. Rituelen hebben vaak als functie die boodschap te reproduceren, terwijl afwijkende perspectieven nauwelijks vertegenwoordigd zijn. Het is daarom wellicht productiever om in navolging van Michael Rothberg te spreken over knooppunten van herinnering7 en plaatsen te zien als veranderlijke punten waar stromen van mensen en ideeën samenkomen, verblijven en doorheen trekken. Het idee van knooppunten past ook beter bij de rituele functie van plaatsen in vieringen van vrijheid, democratie en burgerschap. Openheid en meerstemmigheid zijn immers bouwstenen van een democratische samenleving.

Denen vieren de aankomst van Britse troepen in Kopenhagen in mei 1945. Bron: Nationalmuseet op Wikimedia Commons (CC-BY-SA 2.0)

Bornholm, Denemarken

Fysieke plaatsen hoeven niet altijd reeds bestaande, historisch geladen plekken te zijn om bij te kunnen dragen aan het vieren van vrijheid en democratie. Denemarken vormt hierbij een boeiende casus. Dit land kent net als Nederland een 4 en 5 mei-traditie rondom de Tweede Wereldoorlog, waarbij op 4 mei herdenkingen plaatsvinden en op 5 mei Bevrijdingsdag wordt gevierd. In vergelijking met Nederland is 5 mei echter een relatief bescheiden aangelegenheid.

De Denen kennen ook andere momenten waarop democratie of vrijheid centraal staan, zoals de ‘Grondwetdag’ op 5 juni. Daarnaast springt het Deense festival Folkemødet (‘Volksvergadering’) in het oog, als onderdeel van een succesvolle Scandinavisch-Baltische traditie van democratiefestivals. Sinds 2011 komen jaarlijks zo’n 65.000 mensen naar het eiland Bornholm om zich onder te dompelen in activiteiten rondom allerlei maatschappelijke thema’s. Onder hen zijn ook politici van alle politieke partijen en vertegenwoordigers van zeer verschillende organisaties (waaronder universiteiten, ngo’s, bedrijven). Opvallend is het belang van fysieke plaats hierbij. Het festival stelt: ‘Folkemødet is een fysieke setting en een verzamelpunt. Het is een democratische ambitie.’ Het afgesloten zijn van de buitenwereld en de fysieke ervaring van drie dagen intensief met elkaar bezig zijn in een ‘microkosmos’, roepen gevoelens van solidariteit, gemeenschap en vertrouwen op. Deze gevoelens – gelijkend op Durkheims collectieve bruisen – stimuleren een soort basaal-democratische ervaring: het doorleven van waarden die aan de basis liggen van een democratische samenleving.

Peter Christiansen, directeur van het festival, noemt het belang van een geschikte fysieke setting waar inhoud, cultuur en vermaak samengaan zeer groot. Dit wordt nog eens benadrukt door bezoekers en organisaties als het ware mede-eigenaren te maken en het programma grotendeels door henzelf te laten bepalen. Zij kiezen de thema’s en de samenwerkingen, mogen zelf weten hoe ze stands inrichten, en alle deelnemers worden actief gestimuleerd om te participeren. Uit onderzoek naar dergelijke gezamenlijke (ruimtelijke) vormgevingsprocessen op festivals blijkt hoezeer dit gevoelens van solidariteit en gemeenschap opwekt.8

Bezoekers van het Deense democratiefestival Folkemødet op het eiland Bornholm. Bron: News Uresund op Wikimedia Commons (CC-BY-SA 2.0)

Bubbels

Tegelijkertijd moeten we waken voor een te hoge verwachting van plaatsen als Folkemødet. Een veel gehoorde kritiek is dat we het hier hebben over weinig diverse bubbels voor elites. Het reële gevaar bestaat dat dit soort initiatieven vooral mensen trekt met veel democratische interesse en een hoge hoeveelheid economisch en sociaal kapitaal. In tijden van polarisering en afnemend politiek vertrouwen dreigen juist mensen die zich maatschappelijk niet aangehaakt voelen niet te komen. Een plaats kan dan ironisch genoeg ook juist een barrière gaan vormen: een eiland biedt mogelijkheden, maar kan ook lastig bereikbaar zijn. Democratiefestivals proberen dit te ondervangen door gratis toegankelijk te zijn en door expliciet organisaties zonder middelen en van diverse achtergronden een plek te bieden. Hoewel er nog weinig onderzoek is gedaan naar de werking van democratiefestivals, plaatst een eerste studie in Noorwegen enige kanttekeningen. Mensen die al een groot netwerk hadden bleken vooral onder elkaar te netwerken, terwijl de uitwisseling met mensen met minder kennis en netwerken beperkt bleef.

Wat laat een plaats als Bornholm desondanks wel degelijk zien? Dat ook ‘nieuwe’ plaatsen door het gezamenlijk inrichten ervan kunnen bijdragen aan een geleefde democratische ervaring en het vieren daarvan. Een interessant gegeven voor festivals zoals de Nederlandse Bevrijdingsfestivals, die – letterlijk – ruimte zouden kunnen bieden door na te denken over hoe inrichting van de fysieke ruimte kan bijdragen aan interacties waar iedereen aan mee kan doen.

En kunnen festivals naast een viering ook als ritueel gezien worden? Zeker is dat ze ‘rituele potentie’ hebben: het samen voorleven van bepaalde idealen kan een bruising oproepen waarin mensen een vorm van collectief bewustzijn ervaren. Door een koppeling aan specifieke tijden en plekken kunnen op den duur nieuwe ‘aanhechtingspunten’ ontstaan waar mensen naar willen terugkeren. Oog voor hoe die ruimtes enerzijds uitnodigen maar ook kunnen uitsluiten, is daarbij wel cruciaal.

Vieren is doen?

Laten we eens resumeren hoe plaatsen – van pleinen tot festivallocaties – kunnen bijdragen aan het (ritueel) vieren van vrijheid, democratie en burgerschap. Een complexe vraag waarop het antwoord zich niet laat vangen in een simpele formule. Toch kunnen we een paar mechanismen onderscheiden die ons laten nadenken over de vraag hoe we de werking van fysieke plaats (bewuster) kunnen meenemen in vieringsmomenten zoals 5 mei.

De belangrijkste rol blijkt weggelegd voor het doen. We vieren democratie en gemeenschappelijke vrijheid vooral door deze – al is het maar een klein beetje – voor te leven. In dat samen doen wordt het belang van gemeenschappelijke vrijheid en democratie – inclusief nog bestaande beperkingen en tekortkomingen – duidelijker. Fysieke plaatsen kunnen ons daarbij helpen. We horen steeds vaker dat ‘plaats’ vervangen kan worden door online settings. Onderzoek naar ‘collectief bruisen’ tijdens de coronapandemie suggereert echter dat online omgevingen niet zomaar de positieve effecten van fysieke nabijheid kunnen overnemen.10 De Oostenrijkse en Deense voorbeelden suggereren iets soortgelijks. Bestaande plaatsen rondom vrijheid (en onvrijheid) kunnen werken als haakjes waaraan we activiteiten en debatten rondom vrijheid, burgerschap en democratie kunnen ophangen en tastbaar maken. Door mensen bovendien actief te betrekken bij het samen (her)vormgeven van zulke plaatsen vieren ze niet alleen die idealen, maar belichamen ze deze ook al deels in hun handelingen. Uiteraard dient dit zorgvuldig te gebeuren; sommige plaatsen wekken door hun lading sterke emoties of zelfs polarisatie op. We zien ook dat plaats in termen van nieuwe ruimtes belangrijk is: hoe zorgen fysieke settings van viering voor in- of juist uitsluiting? Of hoe stimuleren ze democratische interacties?

Dit alles betekent allerminst dat we bestaande vormen van vieren overboord moeten gooien. Wel zouden bijvoorbeeld Bevrijdingsfestivals kunnen nadenken (voor zover ze dat nog niet doen) over hoe fysieke plaatsen uitnodigen tot interacties die de idealen die we vieren ook versterken. Kleine, intiemere ruimtes hebben bijvoorbeeld vaker potentie om interacties te stimuleren dan grote open ruimtes. Ook kunnen we vieringen zelf nog meer bottom-up maken en democratiseren, door meer organisaties actief te betrekken bij de inrichting ervan. Het erkennen dat die vieringen en plaatsen soms ‘politiek’ zijn is daarbij belangrijk. Tot slot kunnen juist nieuwe rituelen zoals de Vrijheidsmaaltijden, die samen handelen al centraal stellen, een prachtige manier zijn om betekenisvolle, lokale plaatsen te creëren. De uitdaging zal daarbij zijn om mensen van verschillende achtergronden uit te nodigen naar die plaatsen te komen en ze inclusief te maken. Wat dat betreft is lokale laagdrempeligheid een realistisch startpunt. Democratie en vrijheid hoeven niet alleen grootschalig gevierd te worden. Het is ook de betrokkenheid in de directe omgeving die deze zaken robuust maken.

Over de auteur

 

Sander Mensink

Sander Mensink is politicoloog en werkte twaalf jaar als docent bij de opleiding Interdisciplinaire Sociale Wetenschap aan de Universiteit van Amsterdam. Momenteel werkt hij als onderzoeker bij het Nationaal Comité 4 en 5 mei. Hij is tevens tijdelijk hoofdredacteur van WO2 Onderzoek uitgelicht.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Noten

1 Een goed voorbeeld is Wageningen (zie hiervoor ook de interessante bijdrage van Matthias Lukkes in dit nummer). De Bevrijdingsfestivals zijn daarnaast belangrijke plaatsen op 5 mei, maar kennen toch veelal niet dezelfde afgebakende rituele of historische betekenis als veel plaatsen op 4 mei.

2 De studie waaruit deze voorbeelden komen betreft een breder, lopend onderzoek van het Nationaal Comité 4 en 5 mei naar vrijheids- en democratievieringen in het buitenland. Naar verwachting wordt de studie in het najaar van 2023 afgerond en later gepubliceerd op www.4en5mei.nl/onderzoek.

3 Pierre Nora, ‘Between Memory and History: Les Lieux de Mémoire’. Representations nr. 26 (1989), p. 12.

4 Emile Durkheim, ‘The elementary forms of the religious life’. In Classical Sociological Theory, Greg Calhoun et al (eds.), Wiley-Blackwell 1912/2012, p. 243-254.

5 Zie voor een uitgebreide geschiedenis o.a. Peter Pirker, Johannes Kramer & Matthais Lichtenwager, ‘Transnational memory spaces in the making: World War II and Holocaust Remembrance in Vienna’. International Journal of Politics, Culture and Society, nr. 32 (2019); Tatiana Zhurzhenko, ‘The Soviet war memorial in Vienna: Geopolitics of memory and the new Russian diaspora in post-Cold War Europe’. In: Remembering the Second World War, Patrick Finney (ed.), Routledge 2017, p. 89-114.

6 Peter Pirker, Magnus Koch & Johannes Kramer, ‘Contested heroes, contested places: Conflicting visions of war at Heldenplatz/Ballhausplatz in Vienna’. In: Views of violence: Representing the Second World War in German and European museums and memorials, Jorgen Echternkamp & Stephan Jaeger (eds.), Berghan 2019, p. 174-214 (zie vooral p. 194-203).

7 Michael Rothberg, ‘Introduction: Between memory and memory: From lieux de mémoire to noeuds de mémoire’. Yale French Studies, nr. 118/119 (2010).

8 Tristi Brownett & Owen Evans, ‘Finding common ground: The conception of community arts festivals as spaces for placemaking’. Health and Place, nr. 61 (2020).

9 Dag Wollebaek & Ketil Raknes, ‘Interest group access to decision makers at a democracy festival’. Interest Groups & Advoacy, nr. 11 (2022), p. 333-352.

10 Tom Vine, ‘Is physical co-presence a prerequisite for Durkheimian collective effervescence? Reflections on remote working during the COVID-19 pandemic’. Culture and Organization, Vol. 29, nr. 5 (2023), p. 380-396.


Foto boven het artikel

Het Fest der Freude met op de achtergrond het omstreden ‘Heldenmonument’. Bron: Manfred Werner op Wikimedia Commons (CC-BY-SA 3.0)