Online herdenken: lonkend perspectief voor de toekomst?

Het jaar 2020 was om twee redenen vol betekenis voor de herdenking van de Holocaust en de Tweede Wereldoorlog. Het markeerde om te beginnen de viering van 75 jaar bevrijding van de laatste naziconcentratiekampen. Tegelijkertijd was 2020 het (eerste) jaar waarin veel van deze herdenkingen door de COVID-19-pandemie noodgedwongen online gepresenteerd werden aan het publiek. Natuurlijk nam het gebruik van digitale media de afgelopen jaren al behoorlijk toe. Maar door de pandemie werd het internet voor het eerst de voornaamste vorm van communicatie tussen herdenkingsinstellingen en bezoekers.

2020 was een jaar vol uitdagingen. Terwijl iedereen probeerde te wennen aan thuiswerken en -studeren, en velen hun zorg- en opvoedplichten moesten zien te combineren met online vergaderen, zochten herdenkingsinstellingen en musea in 2020 naarstig naar manieren om de Holocaust en de Tweede Wereldoorlog digitaal te herdenken. Niet alleen vanwege het feit dat Europa 75 jaar bevrijding niet onopgemerkt voorbij kon laten gaan. Maar ook omdat het na 75 jaar steeds minder vanzelfsprekend is dat overlevenden aanwezig zijn bij de plechtigheden. Wie dan wel, en in welke vorm dan, was de vraag. Nietsdoen was simpelweg geen optie.

Als onderzoeker gespecialiseerd in digital memory en media studies, in het bijzonder in relatie tot de Holocaust en andere genocides, stelde ik mijzelf de vraag in hoeverre de omschakeling naar online herdenken onze opvattingen verandert over wat een herdenkingsevenement is en typeert. En nodigen de noodgedwongen aanpassingen in 2020 ons uit de integratie van digitale media bij dit soort evenementen in het vervolg serieuzer te nemen?

Stenen, bloemen, vlaggen

Nadenken over de digitalisering van herdenkingsplechtigheden vraagt natuurlijk allereerst om een heldere afbakening: wat onderscheidt herdenkingsceremonies eigenlijk van andere vormen van gedenken en herinneren? Als typering van dergelijke ceremonies verschijnen misschien om te beginnen monumenten, gedenktekens en historische locaties op je netvlies, of de attributen die gedragen of gebruikt worden tijdens de plechtigheden, zoals stenen, bloemen en vlaggen.

Het kan ook zijn dat je vooral moet denken aan het verloop van de plechtigheid – terugkerende betuigingen, gebeden en liederen – of aan de individuen en groepen die uitgenodigd worden om deel te nemen. Als herdenkingsevenementen online gaan, verdwijnen echter veel van deze materiële aspecten uit beeld. Dan kan bijvoorbeeld slechts een beperkte groep mensen aanwezig zijn op de herinneringslocatie en deelnemen aan handelingen zoals de kranslegging.

Dat was in 2020 ook het geval bij VE Day en Remembrance Sunday in het Verenigd Koninkrijk. Hier mocht maar een klein aantal mensen participeren in de kranslegging en herdenkingstochten. Van een digitalisering van deze herdenkingen was daarbij overigens verder geen sprake, alleen van een uitgezonden registratie. Het grootste deel van het publiek bestond uit toeschouwers op afstand: mensen die thuis meekeken. Omdat de plechtigheden via de publieke omroep werden uitgezonden, betrof het hier een nationaal publiek.

Wellicht is voor andere ceremonies online streaming een beter uitzendmiddel, helemaal als de plechtigheid een wereldwijd publiek aanspreekt, of als de plechtigheid een diasporagemeenschap samenbrengt waarop de publieke omroep zich normaal gesproken niet richt.

De herdenking van de oorlogsslachtoffers bij de Cenotaph in Londen, 2020. Anders dan in voorgaande jaren was er geen publiek aanwezig en maar een select gezelschap genodigden. Foto: Martin Evans / Alamy Stock Photo

Global village

Maar eerst nog terug naar de vraag wat herdenkingsplechtigheden typeert. Voor een nader antwoord dook ik in de meest invloedrijke teksten over herdenkingen, variërend van Emilé Durkheim, Edward S. Casey en Paul Connerton tot Aleida Assmann. Ik zocht naar de essentie van herdenkingsevenementen búíten de materiële aspecten die ik hierboven noemde.

De academische literatuur benadrukt drie thema’s die in commemoration events centraal staan, namelijk sacraliteit (die niet religieus van aard hoeft te zijn, maar verwijst naar een intens gemeenschapsgevoel), herhaling en belichaamde participatie. Voor mij benadrukken deze drie aspecten de ‘co’ van ‘commemoratie’: het gezamenlijk aangaan van herinneringsactiviteiten binnen de context van specifieke ritualistische handelingen of materiële locaties en objecten.

Nu is natuurlijk al vaak naar het internet verwezen als een ruimte die ons ‘samenbrengt’, of een netwerk van ruimtes. Ik denk hier aan Marshall McLuhans bekende concept van de global village en aan de voorspellingen die er in de jaren negentig werden gedaan over hoe het internet en mobiele telefoons ons meer met elkaar zouden verbinden. Is het dus mogelijk om een intens gemeenschapsgevoel te bewerkstelligen met digitale middelen? Of vermindert het belang van materiële herdenkingstradities – waar mensen van oudsher lichamelijk bij aanwezig zijn – als deze plechtigheden online gaan?

Laten we ons eens over deze vragen buigen aan de hand van twee voorbeelden van herdenkingen uit 2020 waarbij digitale technologie werd gebruikt.

20 april 2020: Yom HaShoah (27 Nisan)

Het herdenkingsevenement Yom HaShoah – ‘dag van vernietiging en heldendom’ – is een van oorsprong Israëlische herdenkingsdag die erkend wordt door Joodse diasporagemeenschappen over de hele wereld. In tegenstelling tot de Internationale Herdenkingsdag voor de Holocaust, die draait om de bevrijding van Auschwitz-Birkenau en de aandacht vestigt op de wreedheid van de concentratie- en vernietigingskampen, herdenkt Yom HaShoah de verhalen van het Joods verzet, met name in het getto van Warschau.

In 2020 werd Yom HaShoah vanuit het Verenigd Koninkrijk gelivestreamd via een speciale webpagina. Ook ging de herdenking vergezeld van een live Twitterfeed vanuit het officiële account @yomhashoahuk. In veel opzichten hield de plechtigheid vast aan eerdere offline tradities, met uitvoeringen van de Hatikvah (‘de hoop’), het Britse volkslied en het Jiddische partizanenlied ‘Zog nit keyn mol’, geschiedenislezingen, geloften en het uitspreken van het Jizkor (herinneringsgebed) en het Kaddisj. Maar zoals de spreker opmerkte ‘spreken we gewoonlijk niet een Kaddisj uit zonder een minjan’ (tien joodse mannen).

De uitzonderlijke omstandigheden dwongen dus tot het breken van de traditie, al was er uiteraard een zeer grote kans dat er digitaal wél tien mannen aanwezig waren, alleen niet in dezelfde fysieke ruimte. Het moment bood stof tot nadenken over wat het betekent om samen te zijn in digitale ruimtes.

Het meest aangrijpende moment in de plechtigheid was de kaarsceremonie. Onder normale omstandigheden ziet men bij Yom HaShoah wellicht een heel stadion of gemeenschapshuis verlicht door honderden, zo niet duizenden van deze kleine lichtjes. De digitale plechtigheid in 2020 bootste de kaarsceremonie na door mensen samen te brengen op een manier die deed denken aan hoe het zou zijn geweest als ze er lijfelijk bij aanwezig waren. Eerst staken zes overlevenden die fysiek bijeen waren een kaars aan. Een voor een werden ze op de livestream in beeld gebracht.

Vervolgens verschenen ze alle zes in afzonderlijke schermpjes in een galerijweergave. Daarna kondigde men het gezamenlijke aansteken van de kaarsen aan. Meteen hierop vulde het beeldscherm zich met 25 schermpjes waarop de mensen die deelnamen met een voordracht of uitvoering gelijktijdig hun kaarsen aanstaken. De gastheer, Henry Grunwald, nodigde de thuisparticipanten vervolgens uit om hun kaars ook aan te steken en een foto hiervan te delen op sociale media.

Twitter ‘ontstak’ in een explosie van talrijke foto’s van de speciale Yellow Candle-kaarsen die waren verdeeld onder de thuisparticipanten. Elk van deze kaarsen was voorzien van de naam van en een kort verhaal over een Holocaustslachtoffer. Elke tweet ging vergezeld van de hashtag #yellowcandle. Zo creëerde men een moment van verbondenheid tussen alle kaarsaanstekers.

Hoewel de Yom HaShoah-herdenking in het Verenigd Koninkrijk gepresenteerd werd via een digitale interface, repliceerde het verder de stijl van uitvoering en manier van deelname van eerdere, vertrouwde plechtigheden waar men in het verleden fysiek bij aanwezig kon zijn. De livestream en de ingebedde Twitterfeed dienden als uitzendmiddelen die niet zo enorm afwijken van de door de publieke omroep uitgezonden televisieopnames van VE Day en Remembrance Sunday.

Er was echter één opvallend verschil, namelijk dat het aansteken van de kaars een gedeelde handeling werd. In plaats van de plechtigheid te bekijken als een gefilmd evenement, konden participanten zelf deel uitmaken van de gebeurtenis via het bijdragen aan de Twitterfeed.

Ook de herdenking van Yom Hashoah 2021 vond plaats als online evenement. Foto: Facebook Yom Hashoah UK

15 april 2020: viering van 75 jaar bevrijding van Bergen-Belsen

Waar de ceremonie voor Yom HaShoah normaliter overal gehouden kan worden, zolang de locatie maar groot genoeg is voor de gewenste publieksgrootte, is de viering van de bevrijding van Bergen-Belsen een plaatsgebonden evenement. Het is daarom niet verrassend dat er op de plek waar het beruchte krijgsgevangen en -concentratiekamp ooit stond het afgelopen jaar kleine anderhalvemeterplechtigheden werden gehouden.

Hieraan deden Duitse hoogwaardigheidsbekleders, scholieren en herdenkingsmedewerkers mee. De bijdragen van de scholieren en herdenkingsmedewerkers waren van tevoren opgenomen en samen met toespraken en ander materiaal geplaatst op een speciale website. De officiële kranslegging door politici werd uitgezonden op de NDR.

Toen ik deze uitzending bekeek, werd ik getroffen door de afstand die de verslaggever door zijn taalgebruik creëerde. Het evenement werd duidelijk aan ons ‘uitgezonden’ in plaats van dat wij kijkers deelnamen. Er was sprake van een ‘wij’ die erbij waren en een ‘u’ – het publiek – die er niet bij was. De televisieverslaggeving betrok daarmee de mensen thuis niet bij de herdenking, zoals dat wel gebeurde bij de livestream van de Yom HaShoah-ceremonie in het Verenigd Koninkrijk.

De herdenkingswebsite daarentegen nodigde op verschillende manieren uit tot digitale deelname. Er was een virtueel gastenboek en er stond een lijstje met voorgestelde hashtags, waaronder #bbandme en #bergenbelsen75 (hoewel de tweede geschikter was dan de eerste, die ook veel gebruikt bleek bij foto’s van mensen met hun huisdieren).

Interessant was ook dat een link werd gelegd met het werk van andere Duitse herdenkingslocaties middels de sociale-mediacampagne #befreiung75. Deze campagne, op touw gezet door toenmalig hoofd Onderwijs bij de gedenkplaats concentratiekamp Neuengamme Iris Groschek, liep van januari 2020 tot mei 2020.

Historische locaties die deel uitmaakten van een netwerk van geweld, marteling en moord werden door hashtags en een twitteraccount samengebracht in een netwerk van herinnering. In plaats van één moment van intens gemeenschapsgevoel te creëren, verspreidde men zo het gevoel over een breder publiek en het potentieel bereik over een langere periode.

De vluchtigheid voorbij

Wanneer we ‘herdenkingsevenementen’ definiëren, zien we ze als gebeurtenissen: momenten die wellicht terugkerende handelingen bevatten, maar desondanks in zichzelf uniek en onherhaalbaar zijn. De gevoelens en de betrokkenheid die zij teweegbrengen zijn daarmee intens, maar ook vluchtig. Het verspreiden van het gemeenschapsgevoel door de tijd en de ruimte heen maakt dat de intensiteit niet zo vluchtig is. Daar is wat voor te zeggen. Ik zeg niet dat we dat alleen met digitale middelen kunnen bereiken. We dienen voorzichtig te zijn met de aanname dat digitale media in grotere mate uitnodigen tot ‘participatie’ dan andere media.

De reden hiervoor is dat we altijd al ‘participeerden’ in culturele gebeurtenissen en uitingen, lang vóór de komst van het internet. Het internet biedt ook niet altijd andere of nieuwe vormen van participatie aan. Niettemin zet de notie van de hashtag als distributiemiddel van betrokkenheid ons aan tot nadenken.

De herdenking van de oorlogsslachtoffers bij de Cenotaph in Londen, 2020. Anders dan in voorgaande jaren was er geen publiek aanwezig en maar een select gezelschap genodigden. Foto: MediaPunch Inc / Alamy Stock Photo

Het laat ons nadenken over de temporele begrenzing van herdenkingsevenementen en hoe we hun impact in de toekomst kunnen verruimen, voorbij de vluchtigheid van een specifiek herdenkingsmoment. Het is goed mogelijk dat we dit net zozeer offline als online kunnen bewerkstelligen.

Online herdenken kan grenzen afbreken tussen het exclusieve ‘wij’ van de herdenkingsgemeenschap en ‘de anderen daarbuiten’, en zo de herdenking toegankelijker maken (hoewel goede marketing noodzakelijk blijft om daadwerkelijk een nieuw publiek te bereiken). Maar het digitaliseren van een evenement leidt niet vanzelfsprekend tot meer toegankelijkheid, gemeenschappelijkheid of participatie.

Het simpelweg in leven roepen van een hashtag door een organisatie wil nog niet zeggen dat hij daadwerkelijk in gebruik raakt. Zo bracht de #befreiung75-campagne vooral officiële herdenkingsinstellingen, politici en overlevenden en hun familie samen – niet een breder publiek. Bij het Yom HaShoah-evenement in het Verenigd Koninkrijk gaf de inzet van sociale media deelnemers vooral een plaatsvervangende ervaring voor de normaliter fysiek gehouden bijeenkomst. De ceremoniemeesters hanteerden nog steeds een taal die een specifieke herinneringsgemeenschap afbakent en hun groepsidentiteit versterkt, maar daarmee ook anderen uitsluit.

Als we de betrokkenheid bij herdenkingen duurzamer en inclusiever willen maken, dienen we goed na te denken over de structuur van de evenementen en hoe we media en technologie – digitaal of niet – gebruiken. We moeten er vooral niet van uitgaan dat veranderingen vanzelf komen wanneer we de keuze maken voor een bepaald platform.

Vertaald door Yi Fong Au

Over de auteur

 

Victoria Grace Walden

Dr. Victoria Grace Walden is senior lecturer in mediastudies en lid van het Weidenfeld-instituut van Joodse studies aan de Universiteit van Sussex. Ze schreef het boek Cinematic Intermedialities and Contemporary Holocaust Memory (2019). Ze beheert de website www.digitalholocaustmemory.com en is onder de naam @Holocaust_digi actief op Twitter.


Verder lezen

Aleida Assmann, Shadows of Trauma: Memory and the Politics of Postwar Identity. New York: Fordham University Press, 2016.

Edward S. Casey, Remembering: A Phenomenological Study (2e editie). Bloomington/Indianapolis: Indiana University Press, 2010.

Paul Connerton, How Societies Remember. Cambridge: Cambridge University Press, 1989.

Émile Durkheim, The Elementary Forms of Religions Life (vertaling Carol Cosman). Oxford: Oxford University Press, 2001 [1912].


Foto boven aan artikel

Onderdeel van de Yom Hashoah-herdenking was het opsteken van een kaars. Bron: YouTube Yom HaShoah UK

De meerwaarde van videogetuigenissen in de klas

Het aantal ooggetuigen van de Tweede Wereldoorlog slinkt snel. Tegelijkertijd komen er steeds meer mogelijkheden om met ooggetuigenverhalen in contact te komen. Zo zijn er intussen vele tienduizenden interviews online beschikbaar. Sinds kort kennen we ook de zogenoemde Holocaust-hologrammen: opnamen van Holocaustoverlevenden die, dankzij 3D-opnameapparatuur en spraakherkenningstechnologie, live antwoord lijken te geven op vragen uit het publiek.

Hiermee zijn dus niet alleen de getuigenissen zelf voor de toekomst vastgelegd, maar wordt ook de mogelijkheid tot interactie met overlevenden bewaard – een even opmerkelijke als spectaculaire poging om de tijd stil te zetten. Maar wat willen we eigenlijk met deze op afroep beschikbare oorlogsherinneringen?

Oppervlakkig gebruik

Voor mijn onderzoek naar online ooggetuigenissen over de Tweede Wereldoorlog bestudeerde ik onder meer de website Getuigenverhalen.nl. Deze site, die wordt beheerd door het NIOD, geeft toegang tot een collectie video-interviews over uiteenlopende aspecten van de Tweede Wereldoorlog in Nederland, in Nederlands-Indië en op Aruba. Zo’n vijfhonderd interviews zijn op thema geordend en op trefwoord doorzoekbaar.

Dit betekent dat een websitebezoeker een willekeurige zoekterm kan intypen, bijvoorbeeld de eigen woonplaats of ‘onderduiken’. Het systeem geeft vervolgens alle videofragmenten uit de hele collectie terug waarin die zoekterm(en) voorkomen. Dit ‘googelen’ in interviews – of eigenlijk in de achterliggende, volledig uitgeschreven tekstversies daarvan – is de nieuwe standaard voor dit soort collecties.

De site wordt zo’n 1500 keer per maand bekeken. Maar: de gemiddelde duur van een sessie is slechts 2.56 minuten. Ook heeft sinds de lancering van deze website in 2010 niemand ooit een volledig interview bekeken. Wat gaat er mis als er zoveel tijd en geld is gestoken in het maken en ontsluiten van deze interviews en ze vervolgens maar buitengewoon kortstondig worden bekeken?

Het verhaal van Koos Valk op de website van getuigenverhalen.nl. Bron: getuigenverhalen.nl

Publiekgestuurd

Wat mijn onderzoek allereerst laat zien, is dat dit medium – doorzoekbare online interviewcollecties – een nieuw soort interactie met getuigenissen genereert. Websitebezoekers kunnen (of moeten) kiezen tussen onderwerpen, getuigen, interviews en fragmenten. Met hun zoekactie op de site starten ze in feite de (asynchrone en gemedieerde) conversatie met de ooggetuige.

Dit plaatst hen in een actieve positie. Dat is anders dan bij gastlessen, tentoonstellingen en documentaires, waar de getuige, de curator of de documentairemaker bepaalt wat er wordt verteld, voor hoelang en in welke volgorde en context. Die zijn ‘aanbodgestuurd’, terwijl interviewportals vraag- of publiekgestuurd zijn.

Mijn enquête, die een jaar lang aan Getuigenverhalen.nl was gekoppeld, bracht aan het licht dat ruim de helft van de websitebezoekers, dus ook degenen die maar een paar minuten bleven, kon vinden wat zij of hij zocht. Dat varieerde van algemeenheden als ‘zeer veel mooie indrukwekkende verhalen’, ‘allerlei soorten verhalen die de oorlog tot leven wekken’ en ‘persoonlijke emoties’ tot meer specifieke zoekdoelen als ‘vrouwen uit het verzet’, ‘interview met Geert Nales’ of zelfs ‘mijn opa’.

We moeten daarom niet zozeer denken in termen van mislukking of succes, al kan de gebruiksvriendelijkheid van deze specifieke website wel beter. Productiever is om bezoekers van dit soort sites goed toe te rusten op de actieve rol die het medium van hen vraagt. Weten ze bijvoorbeeld dat hun zoektermen letterlijk in de tekst van een interview moeten staan om dat interview naar boven te laten komen? Zo niet, dan levert hun zoekactie niet gauw goede resultaten op.

Emotie of informatie?

Mijn tweede conclusie is dat we eigenlijk maar op een zeer specifieke, om niet te zeggen beperkte manier in ooggetuigenissen geïnteresseerd lijken te zijn. De nieuwe, door technologie gedreven interactiemogelijkheden met ooggetuigenissen zoals de interviewportals en de hologrammen maken zichtbaar wat al tijden aan de gang is: we zoeken vooral emotie in oorlogsgetuigenissen, we willen van oorlogsgetuigen voornamelijk horen hoe ze met de ellende zijn omgegaan en we willen jongeren door middel van getuigenverhalen empathie bijbrengen.

Dat is belangrijk, maar waarom zien we ooggetuigen vooral als voorbeelden van hoe je met trauma en verlies kunt omgaan, en niet ook als belangrijke informatiebron over de oorlog?

Een Holocaust-overlevende met zijn hologram. Foto: Illinois Holocaust Museum & Education Center

Hoewel interviewportals nog nauwelijks in het onderwijs worden gebruikt, liggen juist op dit punt grote mogelijkheden. Een gastspreker in de klas geeft één kant van één verhaal, waarna de docent verder gaat met het hoofdstuk over de ‘Tijd van televisie en computers’. Een interviewportal bezoeken met een zoekterm als ‘onderduik’ levert daarentegen tientallen verschillende aspecten, ervaringen en perspectieven op over dat ene verschijnsel. Juist die meerstemmigheid roept vragen op en geeft inzichten waar leerlingen ook buiten het onderwerp ‘Tweede Wereldoorlog’ iets aan kunnen hebben.

Om die meerstemmige en soms tegenstrijdige informatie goed te kunnen duiden, is het nodig dat je mondelinge bronnen op waarde kunt schatten. Ook op dat punt kunnen interviewportals helpen. De afstand die het computerscherm creëert, en die doorgaans als beperking wordt ervaren, is ook de kritische distantie die nodig is om je af te vragen, zoals een van de leraren in opleiding deed die deelnam aan mijn onderzoek, of iemand die tijdens de oorlog twee jaar oud was wel echt een ooggetuige genoemd kan worden.

Die realisatie kan het startpunt zijn van een onderwijsleergesprek over bronkritiek, herinnering als bron en waar we onze kennis over de oorlog eigenlijk vandaan hebben. Een grootschalige vakdidactische studie die in 2017 in Duitsland is verricht, bevestigt dit. Hoewel leerlingen bij een live gastles het idee hadden meer te hebben geleerd, scoorden deze leerlingen lager op vragen over kritisch historisch denken over het onderwerp van de gastles dan leerlingen die hetzelfde verhaal van dezelfde ooggetuige op video hadden gezien.

Het wegvallen van de ooggetuigengeneratie is een groot verlies, maar biedt dus ook didactische kansen. Goede, gebruiksvriendelijke technologie zou moeten inspelen op de actieve rol die het publiek in dit tijdperk zonder ooggetuigen heeft.

Over de auteur

 

Susan Hogervorst. Foto: Hucopix

Dr. Susan Hogervorst is universitair docent Cultuurgeschiedenis aan de Open Universiteit. In samenwerking met de Erasmus Universiteit Rotterdam en het NIOD deed ze onderzoek naar het gebruik van interviews met ooggetuigen van de Tweede Wereldoorlog in de klas, in musea en online, en schreef hierover onder meer The era of the user. Testimonies in the digital age.


Foto bovenaan artikel

In het Illinois Holocaust Museum & Education Center kunnen groepen “in gesprek” met een hologram van een Holocaust-overlevende. Foto: Illinois Holocaust Museum & Education Center

We waren en zijn hier: meerstemmigheid in musea

Kort geleden bezocht ik HIER. Zwart in Rembrandts tijd. Op deze tentoonstelling in Museum Het Rembrandthuis zijn voor het eerst in de geschiedenis de portretten samengebracht die Rembrandt en zijn tijdgenoten maakten van zwarte mensen. Ik ging langs om praktijkvoorbeelden van meerstemmigheid te analyseren en raakvlakken te zoeken met oorlogserfgoed in musea. Welke methodes zijn inspirerend? Hoe meerstemmig ontsluiten zij het verleden?

Musea spelen een grote rol in de vorming van identiteit en dominante narratieven. Zoals erfgoed dynamisch is – met dank voor dit inzicht aan historicus Willem Frijhoff – is ook identiteit geen statisch construct.1 Dit houdt in dat de betekenis of waarde van erfgoed kan veranderen en dat ook nieuwe vormen van erfgoed kunnen ontstaan. Musea vervullen in deze veranderingsprocessen een cruciale functie.

Een belangrijk onderdeel van tentoonstellen en ontsluiten van collecties is representatie. Volgens museoloog Nina Simon is de overgrote meerderheid van musea ontstaan vanuit wit privilege: ze vertellen louter verhalen over de veroveringen door witte mannen, presenteren vooral meesterwerken van witte mannelijke kunstenaars en tonen bijna uitsluitend uitvindingen van witte mannelijke wetenschappers en theorieën van academici.2 Zelfs als je daar niet omheen kunt omdat je collectie nu eenmaal die basis heeft, is er werk aan de winkel.

De beslissingen die museummedewerkers nemen omtrent het gebruik van narratief en thematiek hebben allerlei sociaalmaatschappelijke effecten.3 Het maakt uit wiens erfgoed wordt getoond, welk erfgoed, en door wie de verhalen verteld worden.

Meerstemmigheid kan daarin een sleutelrol vervullen. Het begrip verwijst naar een proces van bewustwording waarin het dominante narratief wordt verbreed, aangevuld of bijgesteld met andere perspectieven. Dit is een schurend proces van verkenning, erkenning, verbinden, accepteren en accommoderen. Schurend omdat de conservatieve en gevestigde orde vaak niet mee lijkt te bewegen.

Museum Het Rembrandthuis ging de uitdaging wél aan, met initiatiefnemers Stephanie Archangel en Elmer Kolfin. En met de hulp van historicus Mark Ponte, de creatieve breinen Brian Elstak en Raul Balai en vele externe adviseurs.

De realiteit versus stereotyperingen

De eerste zaal van HIER. Zwart in Rembrandts tijd maakt duidelijk dat Amsterdam al in de 17e eeuw een multiculturele stad was. Tussen circa 1630 en 1660 was er een kleine gemeenschap van vrije zwarte mensen in de omgeving van de Jodenbreestraat, in de buurt waar ook Rembrandts huis en atelier zich bevonden. Op een kaart uit 1625 zie je precies waar zijn zwarte buurtgenoten woonden.

Ik ontdek hier bijvoorbeeld dat Antonio Manuel van St. Jago van Capo Verde en Hester Jans van Capo Verde op een steenworp afstand van Rembrandt woonden. Geen wonder dat Rembrandt en zijn tijdgenoten hen portretteerden. Kunstenaars gingen immers de straat op, op zoek naar levende modellen om zo realistisch mogelijk na te tekenen.

Een kaart uit de tentoonstelling. Foto: Museum Het Rembrandthuis

Het valt op dat zwarte mensen begin 17e eeuw het vaakst zonder negatieve stereotypering in de kunst zijn weergegeven. Ik loop langs fraai ingelijste olieverfschilderijen van statige zwarte individuen: de Congolese gezant Dom Miguel de Castro en Koning Caspar. Beiden in vol ornaat en in een houding die getuigt van zelfvertrouwen. De tentoonstelling brengt hier een belangrijke boodschap naar buiten: We waren en zijn hier. Wij zijn onderdeel van de Nederlandse samenleving.

Verderop in de zaal hangen heel andere werken: voorbeelden van portretten die getuigen van misplaatste witte superioriteit en exotisme. In de tweede helft van de 17e eeuw werden zwarte mensen ingezet in de promotie van koloniale producten. De tentoonstelling toont allerlei vormen van reclame voor thee en tabak waarin zwarte figuren met buitenproportionele roodgekleurde lippen en een extra brede neus figureren. In dit deel van de tentoonstelling zie ik ook vele portretten van de witte elite met hun zwarte bedienden.

Eeuwenlange reproductie van deze beelden heeft gezorgd voor een oneerlijke, onrealistische representatie, waarbij zwarte mensen enkel als onderdanig en minderwaardig worden neergezet. Deze gedachtegang is in de wereld gebracht ter legitimering en rechtvaardiging van de slavernij. Hedendaags racisme is hier een hardnekkige nawee van.

Dit eerste deel van de tentoonstelling is een goed voorbeeld van hoe je representatie bespreekbaar kan maken in een museale context, en tegelijkertijd bijdraagt aan de verbetering hiervan. De kern: leren waar stereotypen vandaan komen en deze ontleren.

Tronie van een jonge zwarte man. Gerrit Dou, 1630/1635. Foto: Niedersächsisches Landesmuseum

Identiteit en representatie

De tweede zaal toont een eregalerij van portretten van zwarte mensen, thematisch ingedeeld in verhalen, portretten en tronies – portretstudies van naamloze modellen. De studies voor de portretten werden later vaak verwerkt in schilderijen over de bijbel of klassieke mythologie. Het schilderij dat in deze zaal alle aandacht steelt is Tronie van een jonge zwarte man van Gerrit Dou.

Prachtig hoe het licht weerkaatst op zijn bruine glanzende huid, de zijden tulband, het kobaltblauwe gewaad en de opvallende glinstering in de zilveren creool in zijn oor. Hij kijkt je recht aan en heeft qua blik en houding opvallend veel weg van Meisje met de parel van Johannes Vermeer.

Als aanvulling op de historische, door witte kunstenaars gemaakte werken worden er ook hedendaagse werken getoond van zwarte kunstenaars, zoals Iris Kensmil, Hedy Tjin, Dion Rosina en Jaasir Linger. Zij portretteerden familie, vrienden en belangrijke politici. Daarnaast maakten Raul Balai en Brian Elstak speciaal voor de tentoonstelling samen een schilderij van een zwarte Jezus, als tegengeluid bij de vele schilderijen met Jezus als witte man.

Het uiterlijk dat Jezus in al die portretten wordt aangemeten, komt niet overeen met dat van zijn tijdgenoten uit Palestina. Volgens Balai en Elstak is dit whitewashing van de geschiedenis: het vooropstellen van westerse kenmerken in de geschiedschrijving.

Don Miguel de Castro, geschilderd door Jasper of Jeronimus Becx in 1643. Foto: Statens Museum for Kunst

Met hun werk reflecteren de hedendaagse kunstenaars die meededen aan HIER. Zwart in Rembrandts tijd op hun eigen identiteit, vanuit hun eigen perspectief. Zo dragen zij bij aan een inhaalslag die ook veel andere musea te wachten staat.

Zoals de nieuwe verhalen en beelden uit HIER. Zwart in Rembrandts tijd de lacunes van museale representatie aanvullen, hoop ik ook een genuanceerder en completer verhaal over de Tweede Wereldoorlog tegen te gaan komen in musea. Bijvoorbeeld over de onmisbare rollen van de voormalige koloniën ten tijde van oorlogvoering. Tachtig procent van de geallieerde vliegtuigen werd gemaakt van aluminium uit Suriname en zestig procent van de vliegtuigen vloog met brandstof geraffineerd in de voormalige Antillen.

Ik hoop op musea waar bezoekers zich met trots kunnen identificeren met verzetsstrijders als Boy Ecury, George Maduro en Anton de Kom. Niet lukraak in een tijdelijke tentoonstelling, maar in de vaste presentaties. Zodat iedereen, ook jij of je buurman, zich gerepresenteerd voelt.

Over de auteur

 

Guinevere Ras

Guinevere Ras is een erfgoedprofessional met een expertise in meerstemmigheid. Ze werkt bij het Nederlands Fotomuseum als junior curator en draagt met haar onderneming Museale Meerstemmigheid projectmatig en door middel van workshops en advies bij aan een inclusievere erfgoedsector.


Noten

1. W. Frijhoff, Dynamisch erfgoed. Amsterdam: Uitgeverij SUN, 2007.
2. N. Simon, ‘On White Privilege and Museums’, 6 april 2013.
3. G. Black, Transforming Museums in the Twenty-first Century. London: Routledge, 2012.


Foto boven aan artikel

Black Jesus aka Fuck Cracker Christ. Raul Balai & Brian Elstak, 2020. Bron: Museum Het Rembrandthuis

Elizabeth Buettner: “Activisme rond het koloniale verleden dwingt de erkenning van een nieuwe realiteit af”

Historica Elizabeth Buettner is specialist op het gebied van dekolonisatieprocessen. Zij werkt nu bijna zeven jaar in Nederland. Hoe kijkt zij naar de Nederlandse omgang met het koloniale verleden en de effecten van het actuele antiracistische activisme? En waarin verschillen wij daarin van andere Europese landen?

Het interview met Elizabeth Buettner over de nawerking van het koloniale verleden in Europa stond al gepland toen begin deze zomer een wereldwijde protestbeweging tegen racisme ontstond, waarin ook monumenten voor koloniale figuren het moesten ontgelden. De van oorsprong Amerikaanse Buettner maakte in 1997 de overstap naar het Verenigd Koninkrijk, waar toen de impact van het koloniale verleden op het land fel bediscussieerd werd.

In 2014 vertrok ze naar Nederland, waar inmiddels een soortgelijke ontwikkeling in volle gang was. Als hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam (UvA) werkte de historica aan het staartje van haar boek Europe after Empire (2016). Hierin onderzocht ze de effecten van het dekolonisatieproces op vijf Europese ‘moederlanden’: Nederland, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, België en Portugal. De hamvraag: is Europa zelf eigenlijk wel gedekoloniseerd?

De herinnering aan het koloniale verleden leeft in Nederland. Maar welke specifieke herinnering aan de dekolonisatie hebben wij?
“De historische herinneringscultuur in Nederland draait primair om de dubbele bezetting van Nederland en Nederlands-Indië tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het is echter een moeilijk proces geweest om de Indische ervaringen een plaats te geven naast de herinnering aan de oorlog in Nederland, waarin thema’s als de Holocaust, collaboratie en verzet centraal stonden.

Monumenten voor de Indische oorlogservaringen zijn bijvoorbeeld veel later opgericht dan voor de Nederlandse. En nog steeds zijn 4 en 5 mei veel prominenter aanwezig in de publieke opinie dan de herdenking van het einde van de Japanse bezetting op 15 augustus. Voor Indische Nederlanders voor wie de oorlog door ervaring of familieband nog een nabij verleden is, is dat natuurlijk anders. Het was interessant geweest om te zien hoe de herdenkingen en alle media-aandacht er dit jubileumjaar hadden uitgezien, 75 jaar na dato, als ze in hun oorspronkelijke vorm hadden kunnen doorgaan.”

In het kader van 75 jaar vrijheid werd op 15 augustus 2020 een bijeenkomst over het einde van de Tweede Wereldoorlog en de oorlog in Nederlands-Indië georganiseerd. Ook was er een live-televisieprogramma. Foto: Martijn Beekman

Wat betekenen de excuses die koning Willem-Alexander in maart maakte voor het Nederlandse geweld tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog voor het debat over het Nederlandse koloniale verleden?
“Excuses zijn natuurlijk in principe een goede zaak. Maar het gevaar is dat excuses gebruikt worden om een onwelgevallig verleden weg te kunnen zetten.

Dankzij de Excessennota van 1969 kon het ongemakkelijke verhaal van Nederlands geweld tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog bijvoorbeeld worden afgedaan als uitzondering. In mijn onderzoek zag ik dat excuses vaak louter gebaren zijn, die gaan over een specifieke gewelddadige episode, maar weinig echte verandering teweegbrengen.

Natuurlijk zijn gebaren belangrijk, maar ze leiden ertoe dat de grotere koloniale geschiedenis niet ter discussie hoeft te worden gesteld. In het Verenigd Koninkrijk hebben recente rechtszaken over het Britse optreden in Kenia in de jaren vijftig geleid tot schadevergoedingen, maar dit wordt verder niet in verband gebracht met het Britse kolonialisme in het algemeen. In Nederland laat de uitspraak dat de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog verschrikkelijk was, mijns inziens ruimte voor het idee dat het vóór 1942 wel prima was in Nederlands-Indië.”

Een gevangengenomen lid van de Mau Mau-beweging wordt aan een stok gebonden. De Mau Mau was een guerillabeweging die vocht tegen de Britse overheersing in Kenia in de jaren 1950. Foto: ANP Photo / CAMERA PRESS / Terence Spencer

De focus op Indonesië maakt het beeld bovendien incompleet, zegt Buettner. Nu de Indonesische dekolonisatie een plaats krijgt in de Nederlandse herinnering, dient zich immers een nieuw hiaat aan: Nederlands kolonialisme in ‘de Oost’ is nog altijd veel prominenter in beeld dan dat in het voormalige West-Indië.

Buettner: “Het beeld van het Nederlandse kolonialisme in Suriname en op de Antillen wordt gedomineerd door slavernij en slavenhandel. Er is bijvoorbeeld relatief weinig aandacht voor de grote migratiebewegingen van Hindoestanen en Javanen naar Suriname na afschaffing van de slavernij.

Dat geldt ook voor ontwikkelingen in de twintigste eeuw. Er wordt fantastisch onderzoek gedaan naar Nederlands West-Indië tussen 1945 en de jaren zeventig, als onderdeel van het Koninkrijk der Nederlanden. Maar dit verleden speelt weinig in het publieke debat. En dat terwijl het een veel recenter verleden is – Suriname werd pas in 1975 onafhankelijk en de Nederlandse Antillen vormen nog steeds een residu van het Nederlandse imperium.

Natuurlijk ging het om een ander soort dekolonisatie dan in Indonesië. Maar toch: het is onterecht dat Indonesië een veel grotere rol speelt in het Nederlandse zelfbegrip dan Suriname en de Antillen, zeker omdat zoveel Nederlanders van Surinaamse en Antilliaanse komaf zijn.”

Is er door het huidige maatschappelijke debat over racisme en discriminatie niet juist meer aandacht voor de koloniale geschiedenis van Suriname en de Antillen?
“Daardoor wint die geschiedenis voor veel mensen inderdaad aan belang. Jarenlang zijn migranten uit de koloniën in Europa als tweederangsburgers behandeld. In de periode na de Tweede Wereldoorlog kwamen de meesten als Frans, Brits, Portugees of Nederlands staatsburger naar Europa. Maar op basis van hun afwijkende etniciteit, ras of religie hebben ze overal moeten strijden om voor vol aangezien te worden.

Indische Nederlanders hebben actief gewerkt om hun herinnering aan ‘Indië’ in het nationale Nederlandse verhaal te integreren. Surinaamse en Antilliaanse Nederlanders doen dat nu ook, ze willen een meer inclusief beeld bewerkstelligen waar ook hun ervaringen deel van uitmaken. De jaarlijks terugkerende slavernijherdenkingen zijn onderdeel van deze beweging, net als het protest tegen Zwarte Piet. Afro-Nederlanders laten van zich horen, uit de voormalige Nederlandse koloniën én daarbuiten.

Maar zij niet alleen: ik zie onder mijn studenten dat het protest tegen Zwarte Piet inmiddels veel breder gevoerd wordt. En docent maatschappijleer Zawdie Sandvliet ontwikkelde in 2018 voor de UvA en de Hogeschool van Amsterdam bijvoorbeeld een vak over ‘Afro-Nederlandse Studies’, dat zeer populair was onder zowel zwarte als witte studenten. Voor hen gaat koloniale geschiedenis echt niet alleen over Indonesië, merkte ik als docent, maar ook over Suriname en de Antillen.

Als voorbereiding van de onafhankelijkheid in Suriname tonen premier Arron (rechts) en oppositieleider Lachmon de nieuwe vlag van de Republiek Suriname. Foto: Nationaal Archief / Fotocollectie Anefo

Hun interesse komt deels voort uit wat de bekende Britse wetenschapper Paul Gilroy een convivial culture noemt: vooral jongeren zijn allang gewend aan de alledaagse multiculturele realiteit en staan doorgaans meer open voor de perspectieven van anderen. Dat zal ook gevolgen hebben voor de herinnering aan kolonialisme. Het dominante beeld van ‘Indië’ als tempo doeloe is bij de jongere generaties al achterhaald. Zij associëren het steeds meer met oorlogsmisdaden of met een lange geschiedenis van verovering, uitbuiting en racisme.”

Hoe verhouden de Nederlandse herinneringen aan de dekolonisatie zich tot die in andere landen?
“Het grote verschil is dat de herinnering aan de dekolonisatie in andere Europese landen niet zo verbonden is met de Tweede Wereldoorlog, en daarom meer gefragmenteerd is. Voor het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk bijvoorbeeld was de oorlog, net als de Eerste Wereldoorlog, een imperiale oorlog waarin koloniale troepen juist een cruciale bijdrage leverden.

Voor de onafhankelijkheid van het voormalige Brits-Indië in 1947 was de oorlog zeker doorslaggevend. Maar dat was slechts een vroeg geval binnen een lange serie dekolonisaties, die zich in bijvoorbeeld Rhodesië – het huidige Zimbabwe – voortsleepte tot 1980. Sterker nog, met sommige koloniën ging het Britse bestuur zich na de oorlog alleen maar meer bezighouden. Voor het Britse zelfbeeld werd het gezichtsverlies van de Suezcrisis van 1956 een belangrijkere waterscheiding dan de Tweede Wereldoorlog.

In Frankrijk ligt het iets anders. Dat moest net als Nederland een traumatische bezetting verwerken, en net als Nederland probeerde Frankrijk zijn koloniale rijk te gebruiken om nog een zekere machtspositie te handhaven in de naoorlogse wereldorde. Hoewel het uit elkaar vallen van het Franse rijk geleidelijker ging dan het Nederlandse, is er voor Fransen ook één oorlog het sleutelmoment geworden dat altijd veel wordt besproken: die in Algerije. De dekolonisatie van het voormalige Indochina speelt amper een rol in het publieke bewustzijn.”

Wat is de waarde van zo’n vergelijkend Europees perspectief op het koloniale verleden?
“Imperialisme is onderdeel van een brede Europese geschiedenis. Ook van de geschiedenis van de Europese Unie. Vergeet niet dat de EU via lidstaten als Nederland en Frankrijk nog altijd allerlei overzeese gebiedsdelen in de Caraïben en de Stille Oceaan heeft. Toen in 1957 de Europese Economische Gemeenschap werd opgericht, beschouwde men Algerije nog als onderdeel van Frankrijk en dus als onderdeel van de EEG. Sommige lidstaten stelden zich in de late jaren vijftig zelfs een permanente rol van de EEG in Afrika voor.

Daarnaast bestrijden internationale vergelijkingen exceptionalisme in de geschiedenis. Ze laten de overeenkomsten zien tussen het koloniale denken van Europese landen. Elke koloniale macht dacht van zichzelf dat ze bijzonder goed was in het onderhouden van harmonieuze rassenrelaties, of dat ze bijzonder tolerant naar haar onderdanen was. Iets soortgelijks geldt ook voor de nawerking van het koloniale verleden: Europese landen voeren over hun nationale geschiedenis hun eigen debatten, terwijl die eigenlijk heel vergelijkbaar zijn.”

Een tank van het Nederlandse leger wordt in 1948 in Nederlands-Indië ontscheept.Foto: Nationaal Archief / Marine Voorlichtingsdienst

Kun je zeggen dat het wereldwijde activisme uit de samenleving dat we nu zien ons beter met de neus op de feiten drukt dan de officiële, institutionele initiatieven zoals herdenkingen en excuses?
“Ik denk dat je beide kanten nodig hebt en ze niet kunt scheiden. Beide zijn onderdeel van de conversatie. Officiële instellingen geven aanvankelijk misschien niet zo veel aandacht aan activisme, maar toch beïnvloedt het debat ook hun aanpak – het activisme dwingt de erkenning van een nieuwe realiteit af.

Sinds ik in Nederland ben, is bijvoorbeeld het grote, door de overheid gefinancierde onderzoeksproject naar de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog tot stand gekomen. Je zult concurrerende verhalen en spanningen nodig hebben om tot een productieve discussie te komen. En die spanningen zullen in onze heterogene samenlevingen voorlopig niet verdwijnen.”

Over de auteur

 

Miel Groten

Miel Groten is een historicus die gespecialiseerd is in koloniale geschiedenis, moderne Europese geschiedenis en architectuurgeschiedenis. Hij combineert deze thema’s aan de Vrije Universiteit Amsterdam in een proefschrift over de aanwezigheid van de koloniale wereld in de straten en steden van Europa, in de vorm van bijvoorbeeld fabrieken, kantoren en zendingshuizen.


Foto bovenaan artikel

Koning Willem-Alexander biedt excuses aan aan de president van Indonesië Joko Widodo op 10 maart 2020. Bron: ANP Photo/Robin Utrecht 

Een geblinddoekte getuige

Kunstuitingen kunnen oorlogsverschrikkingen zeer effectief in beelden vatten, én ons beeld van de geschiedenis danig doen kantelen. In deze nieuw rubriek lichten we daarom steeds een theaterstuk, tentoonstelling of andere kunstuiting uit waarin de oorlog een belangrijke rol speelt. Belle van Heerikhuizen, regisseur bij KONVOOI, bijt het spits af.

Op 28 november 2018 schuif ik in hun kantoor aan de Amstel aan tafel bij de organisatie van Theater Na de Dam. De vraag: of ik interesse heb om iets te maken voor 4 mei 2020. Het is geen moeilijke vraag. We lopen een rondje, eten een broodje, drinken een kopje koffie en twee uur later is het beklonken.

Verheugd informeer ik Jacob de Groot, Jasper van Hofwegen en Victor IJdens van mijn muziektheatercollectief KONVOOI. Onze eerste voorstelling ILIAS moeten we dan nog maken en nu al een tweede voorstelling in het vooruitzicht hebben, stemt hoopvol.

Na veel gesprekken over interessante en ingewikkelde thema’s komt Victor op een blauwe maandag eind 2019 aan met de Wannsee-conferentie. De uitgegeven notulen zijn ontluisterend bronmateriaal. Voor wie niet weet wat de Wannsee-conferentie is (zoals ikzelf tot voor kort): op 20 januari 1942 kwamen vijftien nazikopstukken bijeen in een villa aan de Wannsee om een ‘eindoplossing voor het Jodenvraagstuk’ te formuleren.

Ze rookten een sigaar, aten een hapje, dronken een cognacje en nog geen twee uur later was het beklonken. De treinen, de gaskamers, de verbrandingsovens. U weet het wel. Maar ik wist het niet, dat dit aan een vergadertafel bedacht is. Dat taal en cijfers tot de onoverkomelijke ‘oplossing’ hebben geleid. Dat eufemismen als evacuatie en genadedoding in de mond genomen werden en dat daarmee genocide bedoeld werd

Adolf Eichmann was secretaris van de Wannsee-conferentie en was verantwoordelijk voor de tijdschema’s en logistiek van de transporten van miljoenen Joden naar de concentratie- en vernietigingskampen. Na de oorlog vluchtte hij naar Argentinië waar hij door de Israëlische geheime dienst is opgepakt. Hierna werd hij terechtgesteld in Israël. Hij werd in 1962 opgehangen voor zijn aandeel in de Jodenvervolging. Foto: United States Holocaust Memorial Museum

De Wil, De Cijfers en De Wet

We wilden een voorstelling maken met weinig poespas en veel aandacht voor de taal. In de kleine zaal van Theater Bellevue zou het publiek met de drie acteurs aan tafel zitten en getuige zijn van een van de efficiëntste vergaderingen uit de geschiedenis.

Maar toen kwam corona. Met het publiek rond de tafel zat er niet meer in. Twijfel of we door zouden gaan was er niet. De beslissing om een hoorspel te maken werd dezelfde avond nog genomen. We gingen verder met het bewerken van de tekst zonder dat we nog na hoefden te denken over de enscenering. De focus kwam nu alleen nog maar meer op de taal te liggen. We konden geen commentaar in een oogopslag stoppen. Het publiek zou alleen met zichzelf en de woorden zijn.

Via Zoom en Google Docs discussieerden we over de tekst. We wilden geen nadruk leggen op de verschillende rangen en de psychologie van de afzonderlijke aanwezigen. Wij wilden de denkstappen uitlichten, de argumenten die aangevoerd werden. De vijftien mannen brachten we terug tot drie stemmen die we De Wil, De Cijfers en De Wet noemden.  Ze vergaderden over de dood van elf miljoen mensen, maar beschouwden het als een lastige puzzel die zo elegant mogelijk opgelost diende te worden.

Waar de mannen aan de Wannsee zo nu en dan hun vergadering onderbraken voor een verfrissing of versnapering, kozen wij ervoor om de taal af te wisselen met close harmony-liedjes van The Comedian Harmonists. Het lichtvoetige karakter van de Duitse muziek uit de jaren dertig leek ons een goede tegenhanger voor de ambtelijke taal. Tijdens de opnames realiseerden we ons dat er ook een overeenkomst was. De close harmony zit ingenieus in elkaar en toont de Duitse denkkracht die ook zo veel schoonheid voortgebracht heeft.

Geblinddoekte getuige

Tijdens het schrijven, repeteren en opnemen was ik ongevoelig geworden voor de woorden van het hoorspel. Ze raakten me niet meer. Ik vroeg me af of de zakelijke toon wel de juiste was. Twee dagen zat ik naast Femke Bosma, die de tekst monteerde. Na acht uur luisteren en herluisteren keek ik naar opzij en zag haar met uitgeholde ogen kijken.

Een paar dagen later kreeg ik een proefversie opgestuurd met het ruimtelijke 8D-geluid ingevoegd. Ik zette mijn koptelefoon op, sloot mijn ogen en drukte op play. De stemmen waren niet meer van Jacob, Jasper en Victor. Voor het eerst betekenden de woorden weer iets.

Ik hoorde hoe geopperd werd gas te gebruiken. Voor het eerst realiseerde ik me dat dit geen theater, maar geschiedenis was.

Ik voelde me een geblinddoekte getuige. Ik wilde de mannen zien, ze aanwijzen en verantwoordelijk stellen.

Het is 4 mei 2020 en ik ben net twee minuten stil geweest. Hopelijk met vele anderen tegelijk doe ik mijn oortjes in en zet het hoorspel aan. Vanuit achterin de zaal beschouw ik het publiek, houd nauwlettend in de gaten hoe ze reageren. Maar dan in mijn hoofd, vanaf mijn eigen bank thuis. Ik probeer me te verplaatsen in iedereen die nu luistert, maar verbonden voelt het niet. Na afloop staat de teller op 400 luisteraars, meer dan we in vier dagen bij elkaar hadden kunnen spelen. Er is geen foyer om na te praten, dus moeten we het hebben van sms’jes. Het hoorspel lijkt gewerkt te hebben. Zij die reageerden noemen het indringend, afgrijselijk en bizar en misten het live element niet.

Over het hoorspel

WANNSEE is een productie van Orkater & Theater na de Dam. Met stemmen en muziek van: Jacob de Groot, Jasper van Hofwegen en Victor IJdens. Regie: Belle van Heerikhuizen. Muziek: Bart Sietsema. Geluidsopname: Robert van Delft. Mixage: Femke Bosma. Sound design: Marte Bosma. Met dank aan: “Conspiracy” van Loring Mandel.

Beluister het hoorspel op Soundcloud of Spotify.

Over de auteur

 

Belle van Heerikhuizen

Belle van Heerikhuizen (1992) studeerde in 2016 af aan de regieopleiding van de Toneelacademie Maastricht met de voorstelling Een Lolita (winnaar Ton Lutz Award). Sindsdien maakt ze voorstellingen bij onder andere de Toneelmakerij en Orkater. In 2019 won ze de Zilveren Krekel voor Sweet Sixteen, over zelfdoding onder jongeren.


Foto bovenaan artikel

De opname van het hoorspel (Belle is rechts).

4 en 5 mei als immaterieel erfgoed

Het lijkt bijna een trend: rituelen rondom herdenken en herinneren streven steeds vaker naar het predicaat ‘immaterieel erfgoed’. Naast de Nationale Herdenking op 4 mei en de Nationale Viering van de Bevrijding op 5 mei, die in 2019 gezamenlijk werden bijgeschreven in de Inventaris Immaterieel Erfgoed in Nederland, kregen ook de viering van het Leidens Ontzet en de Keti Koti-viering in Rotterdam een plek. Wat betekent het om ‘erkend’ te worden als immaterieel erfgoed? Waar liggen kansen, waar uitdagingen?

Als hoofd Kennisontwikkeling van Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed Nederland is immaterieel erfgoed mijn dagelijks werk. Ons centrum is verantwoordelijk voor de implementatie van het UNESCO-verdrag inzake de bescherming van het Immaterieel Cultureel Erfgoed, dat door Nederland in 2011 werd ondertekend.

Voor een goed begrip is het belangrijk om je te realiseren dat herdenkingen op zichzelf geen immaterieel erfgoed zijn. Het gaat UNESCO om de rituele uitingsvormen die tijdens de herdenking plaatsvinden en die de deelnemers ‘een gevoel van identiteit en continuïteit’ geven, zoals het in het verdrag staat geformuleerd. Bij 4 en 5 mei moet je dan bijvoorbeeld denken aan het ritueel van twee minuten stilte, het blazen van de Taptoe en het ontsteken van het Bevrijdingsvuur.

Het UNESCO-verdrag biedt een helder en inspirerend kader voor een dynamische omgang met immaterieel erfgoed. Zo betekent ‘immaterieel erfgoed behouden’ volgens UNESCO dat je het soms moet veranderen om het op die manier een toekomst te geven. Met andere woorden: immaterieel erfgoed moet steeds weer opnieuw herijkt worden, en daarbij passen soms nieuwe rituele vormen die beter aansluiten bij onze tijd.

Een tweede belangrijke notie van het verdrag is dat UNESCO de verantwoordelijkheid voor dit immaterieel erfgoed legt bij clubs of organisaties als het Nationaal Comité 4 en 5 mei, die als organisatoren of hoeders van dit immaterieel erfgoed willen optreden om het een toekomst te geven. In Nederland bieden organisaties zoals het Kenniscentrum daarbij ondersteuning. Ook doen wij onderzoek.

UNESCO biedt vooral een ondersteunend platform voor nationale en internationale uitwisseling. Zo kan het bijvoorbeeld voor het Nationaal Comité 4 en 5 mei interessant zijn om ervaringen uit te wisselen met de mensen en instellingen die betrokken zijn bij de traditie van The Last Post in Ieper, die op de Vlaamse Inventaris Immaterieel Erfgoed staat.

Leidens Ontzet 1953 (3 oktoberfeest). Er wordt haring en wittebrood uitgedeeld. De viering van Leidens Ontzet is zelf ook een traditie geworden, sinds 1886 tot de dag van vandaag gevierd. Foto: Fotocollectie Anefo/ Nationaal Archief

Toekomstbestendig maken

Bij een herdenking van een historische gebeurtenis als de Tweede Wereldoorlog is naar mijn mening de grote vraag hoe je rituelen zoals de Taptoe of het ontsteken van het Bevrijdingsvuur relevant kan houden voor nieuwe generaties die de oorlog niet hebben meegemaakt. Of voor wie heel andere oorlogen verser in het geheugen liggen – neem een Syrische vluchteling die de burgeroorlog in eigen land ontvluchtte.

Er wordt gelukkig al druk geëxperimenteerd met nieuwe rituele vormen. Om mensen met vele verschillende achtergronden bijeen te brengen, werden bijvoorbeeld in 2012 in Amsterdam de zogenoemde Vrijheidsmaaltijden geïntroduceerd, geïnspireerd op de Pesach-maaltijden uit de joodse traditie. De bedoeling was om mensen met uiteenlopende achtergronden met elkaar in gesprek te laten gaan over de betekenis van vrijheid.

Het is mijn stelling dat dergelijke gezamenlijke maaltijden, waarin uiteenlopende ervaringen kunnen worden gedeeld, bij uitstek passen bij een diverse samenleving. Ze hebben ook een plek gekregen in andere herdenkingen, zoals de viering van Leidens Ontzet en Keti Koti. Met name bij deze laatste herdenking is gebleken dat dergelijke ontmoetingsmomenten ruimte bieden om pijnlijke herinneringen te delen op een manier die voor onze samenleving relevant is.

Corona

Dit jaar moest er om andere redenen worden geïmproviseerd en vernieuwd. Want hoe kun je bij elkaar komen in een tijd van social distancing? Het was fascinerend om te zien hoe geëxperimenteerd werd met rituelen ‘op afstand’. Zelf was ik zeer onder de indruk van de gezamenlijke Taptoe, ieder op een eigen locatie, maar toch in verbondenheid met elkaar dankzij televisie en internet. Corona als nieuw crisismoment maakte 4 en 5 mei misschien wel intenser dan ooit.

Daarbij is natuurlijk de vraag in hoeverre deze nieuwe rituelen zullen beklijven. Mogelijk zullen, al dan niet gedwongen door epidemieën zoals corona, digitale vormen meer en meer het aanzien van onze rituelen gaan bepalen.

Een jonge vrouw voert puja uit voor een klein huisaltaar gewijd aan de god Shiva, die gesymboliseerd wordt door een drietand naast het altaar. Foto: Woudloper op Wikimedia Commons (CC BY-SA 4.0)

Speciaal voor 4 en 5 mei zou dit zeker moeten kunnen, want was de herdenking op de Dam niet altijd al een nationaal televisiemoment? Religiewetenschappers die onderzoek hebben gedaan naar de opkomst van ‘online religion’ beweren echter dat rituelen zonder fysiek contact een dimensie missen en dat je rituelen niet alleen moet zien en horen om ze werkelijk te kunnen beleven, maar ook moet kunnen voelen en aanraken. Een voorbeeld dat vaak genoemd wordt, is de viering van het hindoeïstische Puja-ritueel met de kenmerkende kamfervlam, waarbij ook zintuigen als tast, reuk en geur worden aangesproken.

Maar geldt iets dergelijks niet eveneens voor de Vrijheidsmaaltijd, waarin naast verhalen ook gerechten van uiteenlopende smaak worden gedeeld? Dat ervaren en beleven minstens zo belangrijk is als een beroep doen op de cognitieve zintuigen, blijkt uit het Leidens Ontzet, met de traditionele hutspot- en haringmaaltijd waarmee de honger van toen invoelbaar wordt gemaakt.

Hoe het ook zij, één ding is duidelijk: immaterieel erfgoed wordt altijd gestuurd door hedendaagse betekenissen en bekommernissen. De confrontatie tussen heden en verleden bepaalt bij uitstek de dynamiek van immaterieel erfgoed.

Over de auteur

 

Albert van der Zeijden

Albert van der Zeijden is historicus en hoofd Kennisontwikkeling van Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed Nederland. Het kenniscentrum coördineert de Inventaris Immaterieel Erfgoed Nederland en doet aan kennisontwikkeling via onderzoekslijnen als ‘immaterieel erfgoed en superdiversiteit’ en ‘controversieel immaterieel erfgoed’.


Foto bovenaan artikel

Herdenken en vieren op 4 en 5 mei bijgeschreven in de Inventaris Immaterieel Erfgoed. Foto: Martijn Beekman

Simon(e) van Saarloos: “Voor mij is verandering altijd gelieerd aan activisme”

“De meeste herdenkingsrituelen zoals ik die ken in Nederland, creëren geen vervoering. Je wordt niet opgezweept om te rouwen, ratelend te praten, te zingen of te dansen. Het draait om rust, ruimte en veiligheid. Een kaars branden in plaats van vuur.” Van Simon(e) van Saarloos (1990) mag het allemaal wel wat rumoeriger en activistischer. Een gesprek met haar – of hen, of hem; ze gebruikt het zelf door elkaar – over nieuwe manieren van herdenken en herinneren. 

Het is de laatste week van de ‘intelligente lockdown’. De zon schijnt. We zitten in het Amsterdamse Westerpark aan de kade, croissants en koffie bij de hand, Van Saarloos heeft haar eigen thermoskan mee. Ik vraag haar hoe zij Dodenherdenking 2020 heeft beleefd, dit jaar toch anders dan anders door de stille Dam en de toespraak van de koning. Zo héél anders vond de filosoof het niet. “Het idee was: ‘We laten het ons niet afpakken’, alsof corona tegen de herdenking is. Blijkbaar heeft men gauw het gevoel dat bestaande, grote, bekende herdenkingsrituelen worden bedreigd.

Ik vond het eigenlijk een vrij ‘normale’ herdenking, ondanks coronatijd. Het idee dat iets gewoon door zou moeten gaan, of dat standbeelden gewoon zouden moeten blijven staan, dat begrijp ik niet. Mensen geven pas om een ritueel of standbeeld als het wordt verstoord. Dat is interessant.”

Een lege Dam tijdens de Nationale Herdenking 2020. Foto: Mischa Schoemaker

In Van Saarloos’ essay Herdenken herdacht uit 2019 pleit ze voor een nieuwe, ‘lossere’ manier van herdenken. Die kan wat haar betreft best dagelijks, op individuele basis. En een monument hoeft niet ‘in steen gegoten te zijn’, maar kan ook best bestaan uit gedachtes op papier. ‘Chaotisch’ herdenken mag ook, zonder één ijkmoment te benoemen. Doen onze ‘stille rituelen’ waarin statigheid en vastomlijnde handelingen voorop staan wel recht aan ‘de chaos van de gebeurtenissen’ zelf, vraagt ze zich al schrijvend af. De vraag stellen is het antwoord geven: nee.

Ze schrijft in haar essay: “Niet voor niets worden demonstraties als het tegendeel van herdenkingen gezien: daar klinken trommels en wapperen leuzen. Toch heb ik zelf vaak demonstraties meegemaakt die als een herdenking zouden kunnen worden gezien. Het ging dan om het herdenken van die mensen die anders niet zouden worden herdacht – de 99 procent tijdens Occupy Wall Street, het leven van zwarte burgers tijdens Black Lives Matter-demonstraties.”

Op de plek waar George Floyd gedood werd ontstonden protesten onder de noemer ‘Black Live Matters’. Deze protesten vonden al snel ook buiten Minneapolis plaats.Foto: Lorie Shaull op Wikimedia Commons (CC BY-SA 2.0).

Kom bij Van Saarloos dus niet aan met gangbare definities over herdenken, waarin volgens een draaiboek gewerkt wordt en gezagsdragers zoals burgemeesters, politici, voormannen en -vrouwen van belangenorganisaties of leden van het Koninklijk Huis een hoofdrol spelen. Ze zal je een beetje spottend aankijken en vragen of ‘categorisatie’ nodig is, wie überhaupt bepaalt wat ‘een historisch moment’ is en of de lineaire tijdsindeling die we aanhouden wel de enige moet zijn. De filosoof deconstrueert algemene aannames achter herdenken en herinneren en daagt haar lezers uit na te denken over nieuwe vormen.

Van Saarloos: “Ik vind het frappant dat er meteen al over een ‘historisch moment’ werd gesproken toen de coronacrisis net was losgebarsten en de economie min of meer werd stopgezet. Wat voor agenda zit er achter die kwalificatie? Dat bedoel ik niet paranoïde, maar wat moet er gewonnen worden bij het feit dat deze pandemie met zulke grote woorden gemarkeerd wordt? Is dat omdat de witte bovenklasse, de elite, door deze crisis nu ook wordt geraakt? Juist zij moeten thuisblijven en raken beperkt in hun bewegingsvrijheid.

Terwijl je aan de andere kant mensen hebt wier levens maar nauwelijks worden erkend in het heden. Dit was indertijd de reden van de demonstraties in Ferguson in 2014, naar aanleiding van de moord op Michael Brown. In protestbewegingen zoals Black Lives Matter zie je dat de beelden van demonstraties in de straten van Ferguson op sociale media werden vergeleken met oude foto’s van de Civil Rights Movement. Die vergelijking wordt door demonstranten gemaakt, omdat het hoop biedt en omdat het de aandacht opeist: ‘Mis dit niet, dit is historisch’. Bij een protestbeweging biedt de verwijzing naar zo’n historisch moment kracht en zichtbaarheid.”

Een vergelijking tussen de Civil Rights Movement uit de jaren ’60 en de Black Live Matters demonstraties van dit jaar. Foto: Facebook

Maar kun je niet juist van ‘historisch’ spreken omdat de coronacrisis iedereen treft? Niemand ontkomt eraan, het is wereldwijd…
“Het gaat mij om de verbintenis van autoriteit met historiciteit: wanneer wordt iets historisch genoemd en door welke autoriteit? Stel dat de hele zwarte bevolking in de VS door iets geraakt wordt, dan spreken we niet van ‘ons allemaal’.

Maar als in Nederland 200 witte mensen die een stem hebben in de media iets meemaken, dan wordt dat groot naar voren gebracht. Voor mij is herdenken altijd gelieerd aan activisme, aan het vraagstuk wie er bepaalt wat er in het heden als belangwekkend wordt gezien en wat er wordt gerepresenteerd én gedocumenteerd. Herdenken is dus nauw verbonden met de vraag welke toekomst we willen zien.

Ik begrijp wel dat mensen een gevoel van ‘een historisch moment’ nodig hebben om gebeurtenissen belangwekkend te laten zijn en ze te kunnen plaatsen in een langere geschiedenislijn. Maar vaak is dat een steriele opvatting van geschiedenis, waarbij gebeurtenissen zogenaamd helder aan te wijzen zijn en feiten allesbepalend zijn.”

Volgens Van Saarloos gaat herdenken ook over de verhalen die niet verteld worden. “En om de vraag: hoe zouden we een manier kunnen vinden om te leven met dat wat niet verteld wordt? Het standbeeld, het boek met oorlogsherinneringen: voor mij is het niet zo dat je pas herdacht hoeft te worden als je jezelf zichtbaar maakt.

Eigenlijk moeten we steeds in ons hoofd houden dat er uitsluitingsmechanismes zijn en dat er een exclusieve vorm is die zichtbaar maakt wat we ons herinneren en wat niet. Het besef dat lang niet alles dat niet verteld is, alsnog verteld kan worden. Al was het maar omdat sommige dingen werkelijk verdwenen zijn en ondanks dat tóch nog hun invloed kunnen hebben.

 

 

We zouden een meer lichamelijk uitgangspunt kunnen nemen, waarbij je ook het gevoelsmatige, het sensitieve betrekt. Je hebt niet per se bewijs nodig om iets te ervaren. De ooit in zeeën overboord gegooide mensen, tot slaaf gemaakt, zijn er niet meer, maar ze waren er ooit wél en dat water vertegenwoordigt ook een stukje geschiedenis, is ook een monument. Het is alleen niet te vatten wie en wat precies en hoe die mensen van elkaar gescheiden zijn. Het mooiste zou zijn als we hen kunnen herdenken zonder dat we hun bestaan moeten bewijzen door hun namen te kennen. Simpelweg omdat dat soort kennen vaak niet mogelijk is.”

Om schaarste (‘je kunt niet alles herdenken’) en competitie (‘sommige verhalen zijn belangrijker dan andere’) tegen te gaan, pleit je voor dagelijks, lichamelijk herdenken. Hoe zie je dat voor je?
“De heersende overtuiging in Noord-Europa is dat gebeurtenissen in eeuwige vorm moeten verschijnen om als herdenking te worden gezien. In steen gegoten, een monument. Terwijl het lichamelijke natuurlijk tijdelijk is. De heersende overtuiging is ook: de geest is waar het gebeurt, daar vindt het herdenken plaats. Het lichaam, dat is organisch, dat gaat dood, daar heb je niks aan.

Maar van mij mag de voorbijgaande herinnering die een lichaam kan ervaren net zo belangrijk zijn als het eeuwenoude monument. Door lichamelijk en dagelijks herdenken als mogelijkheid op te werpen, hoop ik een aanzet te doen voor herdenken zonder indeling van tijd – zonder verleden, heden, toekomst. Herdenken is betekenisgeving en die vindt altijd plaats.”

Rituelen zijn in de ogen van Van Saarloos ontworpen om een gemeenschappelijke ervaring te creëren en op te leggen. “Ze herbestendigen het idee van een bepaalde gemeenschap. Het idee is dat er maar één soort ervaring is. Maar herdenken kan juist op een verspreide manier en in meerstemmigheid. Waarom moet de stilte op 4 mei precies 2 minuten zijn, waarom dat kader?”

Van Saarloos deed onlangs een open uitnodiging (‘Open Call’) waarin ze oproept om herinneringen op te sturen die deze coronatijd typeren, hoe eenieder ‘geschiedenis ervaart’. Het maakt onderdeel uit van een onderzoekstraject dat ze uitvoert samen met TAAK, een vernieuwend Amsterdams collectief dat kunstprojecten in het publieke domein initieert en in opdracht produceert.

Van Saarloos: “Mijn verzoek in deze Open Call luidt: Stuur je monument in, zodat er een overvloedige hoeveelheid herinneringen samenkomt. Ik doe niet aan selectie of categorisatie, alles telt mee. Ik gebruik in mijn oproep de termen memorial (gedenkplaats) en monument heel losjes en door elkaar. In het academisch gebruik verschillen de termen van elkaar, maar voor mij kan een ‘monument’ van alles zijn: een bepaalde plek, een stuk papier met een paar zinnen of gedachtes. Al vind ik het ook én-én: meerdere manieren van herdenken, ook de meer traditionele, kunnen naast elkaar bestaan.”

Nationaal Comité 4 en 5 mei/ARQ Nationaal Psychotrauma Centrum.

Het Nationaal Comité 4 en 5 mei heeft samen met het Kenniscentrum Oorlog, Vervolging en Geweld van ARQ Nationaal Psychotrauma Centrum in de jaren 2016-2019 grootschalig onderzoek gedaan naar herdenken en hoe Nederlanders daartegenaan kijken. Een van de uitkomsten was dat jongeren, vaak ook met een migratieachtergrond, bij de Tweede Wereldoorlogherdenkingen regelmatig de wens uitspraken om op 4 mei ook andere onderwerpen te herdenken, zoals vluchtelingen wereldwijd of de Syrië-oorlog. Ook gaven jongeren vaak aan dat ze herdenken en vieren meer inclusief, actueel en voelbaar willen maken. Graag je reactie op deze opvallende uitkomsten.
“Zeker begrijp ik die wens. Ik wil wel benadrukken dat het niet gaat om ‘invoegen’. Minderheden hoeven niet ‘in te voegen’. 4 en 5 mei krijgen enorm veel media-aandacht, die dagen zijn zowat het ‘nationaalste moment’ van het jaar. Dat is niet per se slecht, maar het zou mooi zijn als we juist ook zouden oefenen met nieuwe herdenkingsmomenten die je ook nationaal zou kunnen uitvoeren. Dat bijvoorbeeld een van die jongeren die heeft gereageerd in dit onderzoek mag zeggen: deze dag gebruik ik om dit te herdenken. Er hoeft geen bewijs te zijn hoe erg dingen waren, er hoeft geen onderzoek, vergelijking of collectief erkende moraal achter te zitten.

Herdenken nu gaat hand in hand met een bepaald nationalisme. We bakenen grenzen af, het gaat over díe groep doden of de slachtoffers uit dát land of tijdvak. We moeten denken voorbij een wereld met natiestaten, dus daarin past ook het herdenken van alle mensen en niet alleen ‘de Nederlandse oorlogsslachtoffers’ of ‘allen die gevallen zijn onder Nederlandse vlag’.”

Echt allemaal?
“Ja, waarom niet? Mijn ideeën worden vaak als ‘heel filosofisch’, ‘ontoegankelijk’ of ‘ontwrichtend’ beschouwd, maar de grap is dat de manier waarop we nu herdenken – eentje die volledig geaccepteerd is door een grote meerderheid – ook stoelt op abstracte begrippen als collectiviteit en de natiestaat. Het is maar net wat je kiest en welk gedachtegoed je aanhangt.”

En toch, mag je niet vinden dat de Tweede Wereldoorlog een uitzonderlijke periode was waarin extreem veel gruweldaden plaatsvonden en dat je enkel die oorlog wil herdenken? 
“Ik blijf pushen op het idee dat én-én bestaat. Oude en nieuwe vormen van herdenken kunnen goed naast elkaar bestaan. Ik daag iedereen uit om deze filosofische oefening te doen: probeer echt waarde te voelen in wat of wie je herdenkt, zonder dat je prioriteit, categorisatie en hiërarchie nodig hebt.

Ik liep drie maanden mee bij een nanoscience-instituut in Delft en merkte dat het daar precies hetzelfde werkte: door prioriteit, categorisatie en hiërarchie aan te brengen komt men tot kennis. Die ordening zit superdiep in de samenleving, het heilige geloof in het rationalisme.”

Je hoeft niet exclusief de Tweede Wereldoorlog te herdenken op 4 mei, je zou ook langer terug kunnen gaan. De industriële, georganiseerde kant van de gaskamers met transporten en hun organisatiestructuur is verwant met het slavernijverleden, met de kennis die is opgedaan met transporten van grote groepen, het ontmenselijken van mensen, rangordes aanbrengen.

Ik wil niemand een monument afnemen. Ik vraag alleen wanneer en waarom we iets definiëren als betekenisvol? Herdenken verwijst al gauw naar de rituelen die er zijn, terwijl het voor mij ook gaat om het denken. Uiteindelijk gaat het over de vraag hoe we iets naar de voorgrond van onze geest halen en onze lichamelijke ervaring erbij betrekken.”

Een lang fragment uit Van Saarloos’ Herdenken herdacht is te lezen op Lilith Mag.

Over de auteur

 

Larissa Pans Foto: Merlijn Doomernik

Larissa Pans (1976) is journalist, historicus en moderator. Daarnaast is ze auteur: in 2018 verscheen Onbeperkt vruchtbaar, en onlangs kwam Oorlogsgesprekken uit. Dat laatste boek schreef ze samen met Leonard Ornstein. 


Foto bovenaan artikel

Simon(e) van Saarloos – Foto: Ashley Röttjers.

 

‘Koppel Holocaust op scholen aan vluchtelingenvraagstuk’

Hoe blijft de Holocaust levend in de herinneringscultuur in Nederland? Is het wenselijk om het onderwerp op scholen te koppelen aan actuele kwesties zoals het vluchtelingenvraagstuk? En welke rol spelen gedenkmonumenten? Marlies Dinjens sprak met Cleveringa-hoogleraar Katja Happe en Wichert ten Have van de International Holocaust Remembrance Alliance over de herdenkingscultuur anno 2020.

Aan het Zwitserse Meer van Genève spraken regeringsleiders van 32 landen in 1938 over de opvang van Joodse vluchtelingen. De Amerikaanse president Franklin D. Roosevelt had de wereldleiders uitgenodigd om naar het schilderachtige kuuroord Évian te komen, te midden van de bossen, voor overleg over het verhogen van de immigratiequota.

Het was een van de meest treurniswekkende bijeenkomsten over vluchtelingen ooit, constateerde de Militaire Spectator twee jaar geleden in een artikel. De ene na de andere regeringsvertegenwoordiger sprak “gloedvol” over het verschrikkelijke lot van de Joden, om vervolgens de redenen op te sommen waarom zijn land “helaas niet in de positie was om hulp te bieden”.

Kan en mag je een parallel trekken tussen de Holocaust en het hedendaagse vluchtelingenvraagstuk? En is dit een goed uitgangspunt voor lessen op de middelbare school, bijvoorbeeld bij het vak Burgerschap? Het is een van de vragen die aan de orde komen in een gesprek met Katja Happe en Wichert ten Have.

Zeker, zo meent de laatste, speciaal adviseur van de International Holocaust Remembrance Alliance (IHRA). Binnen deze ngo werken experts en politici/diplomaten uit bijna alle Europese landen, Israël, de Verenigde Staten, Canada, Argentinië en Australië samen aan educatieve projecten en onderzoek rond de herdenking van de Holocaust.

“Regeringsleiders voeren nu geregeld internationaal overleg over de vluchtelingencrisis”, zegt Ten Have. “Je kunt meteen een parallel trekken naar hoe dat vlak voor de Tweede Wereldoorlog is gegaan. Dit is een heel belangrijk element in de context van de herdenking van de Holocaust die kan bijdragen aan hoe we aankijken tegen het opvangen van vluchtelingen in deze tijd.

Natuurlijk zijn de verschillen tussen de Holocaust en het vluchtelingenvraagstuk groot, maar het gaat erom dat je mensen aan het denken zet over de gevolgen van wel of niet handelen of van het treffen van bepaalde maatregelen.”

De experts van de IHRA hebben zich al vaak gebogen over de vraag hoe de Holocaust aan bod zou moeten komen in het onderwijs. “Herdenking van en aandacht voor de Holocaust kan en moet niet zonder na te denken over de betekenis die deze geschiedenis heeft voor de eigen tijd”, vindt Ten Have. Vooral in het onderwijs, dat een grote rol speelt bij het levend houden van de herinneringen aan de Holocaust onder de jongere generaties.

Recommendations on Teaching and Learning about the Holocaust. Foto: IHRA

In dat kader formuleerde IHRA onlangs de Recommendations on Teaching and Learning about the Holocaust. Docenten en specialisten op het gebied van Holocauststudies concludeerden namelijk dat het voor leraren makkelijker zou zijn als er richtlijnen zijn over hoe dit onderwerp binnen het onderwijs moet worden behandeld. “In veel landen is er natuurlijk vrijheid van onderwijs en kun je als overheid niet opleggen wat er precies in de les moet worden behandeld. Maar het is wel mogelijk om richtlijnen te schetsen en dat is hiermee gebeurd.”

In gesprek met verveelde pubers

Katja Happe werd dit jaar geïnstalleerd als Cleveringa-hoogleraar en schreef het monumentale werk Veel valse hoop. Dit in 2018 verschenen boek wordt inmiddels gezien als een van de standaardwerken over de Jodenvervolging in Nederland. Maar Happe is ook ervaringsdeskundige als het gaat om met kinderen en jongeren spreken over de Holocaust. Zij stipt het thema vaak aan als ze schoolklassen rondleidt in het voormalige kamp in Ladelund, Duitsland.

Kamp Ladelund was een buitenkamp van het concentratiekamp Neuengamme en bestond slechts kort, van 1 november tot 16 december 1944. Er waren meer dan 2000 gevangenen in het kamp, die moesten werken aan de Friesenwall, een verdedigingslinie. Ook mannen die waren opgepakt tijdens de razzia in Putten kwamen hier om het leven.

Happe: “Ik zeg tijdens die rondleidingen altijd: het gaat hier in Ladelund om aandacht voor het respect en waarden van de mens. Vervolgens is het natuurlijk een belangrijke vraag hoe het zit met het hedendaagse respect ten opzichte van andere mensen, ten opzichte van vluchtelingen. Het eerste artikel uit de Duitse grondwet stelt dat de menselijke waardigheid onaantastbaar is. Dat geldt voor alle mensen, dus ook voor vluchtelingen. Zo kun je dus op een goede manier een koppeling maken tussen het herdenken in Ladelund, de herinneringen aan het nationaalsocialisme en het verhaal van vluchtelingen.”

Natuurlijk zijn er soms verveelde pubers die weinig belangstelling kunnen opbrengen voor wat ze zien in het kamp, maar die zijn gelukkig in de minderheid, stelt Happe. “Ik benadruk ook altijd dat ze alles mogen vragen. Als ze daarop kunnen vertrouwen als je met hen in gesprek gaat, worden ze vaak opener. Dan uiten ze hun mening en vragen echt door. Dat is altijd spannend en goed.”

Burgerschapsonderwijs

Op sommige scholen met leerlingen van verschillende etnische achtergronden vinden geschiedenisdocenten het lastig om de Holocaust in de les te behandelen. Uit onderzoek uit 2010 van weekblad Elsevier en onderzoeksbureau ResearchNet onder 339 docenten bleek dat een op de vijf docenten in de vier grote steden weleens heeft meegemaakt dat hij of zij de Holocaust niet of nauwelijks ter sprake kon brengen, omdat met name islamitische leerlingen daar moeite mee hadden.

Ten Have: “In de richtlijnen die we uitbrachten komt het verschil in culturele afkomst als aandachtspunt aan de orde , en later gaan we het nog uitgebreider behandelen. We noemen nadrukkelijk dat je rekening moet houden met andere achtergronden en leerlingen niet in een hoek moet drukken, maar moet proberen om het onderwerp met begrip én verduidelijking te benaderen.”

Hoe doe je dat het slimste? “Door te bevragen in welke context de Holocaust in Nederland plaats kon vinden. De rechtsstaat wankelde, verdween in een aantal opzichten. Dat betekende dat individuele rechten en ook rechten van bevolkingsgroepen niet meer verdedigd werden door de overheid. Wat rechtsstaat en de democratie inhouden en hoe groot hun waarde is, dat zijn natuurlijk kernpunten van het burgerschapsonderwijs.”

Hologram-getuigenissen

Ten Have ziet bij het levend houden van de herinneringen aan de Holocaust voor jongeren een onmiskenbare rol weggelegd voor de tweede en derde generatie. “Zij kunnen bijvoorbeeld op scholen vertellen over hun verwerking van het oorlogsverleden, of over de verhalen die ze gehoord hebben van ouders of grootouders. Na de oorlog werd er natuurlijk weinig gesproken over de ervaringen in de kampen, maar later vertelden de overlevenden tegen de kleinkinderen vaak meer. Die generatie kan die verhalen weer doorgeven.”

Maar ook technische middelen kunnen worden ingezet om kennis over de Holocaust te delen. In de jaren ‘90 legde cineast Steven Spielberg met zijn stichting Survivors of the Shoah wereldwijd getuigenissen vast van maar liefst 50.000 overlevenden van de Holocaust. Ook in Nederland spraken 55 interviewers met ruim 1000 mensen. Ten Have: “Ik was onlangs in Los Angeles bij de stichting van Spielberg en zag daar dat van een aantal getuigenissen hologrammen zijn gemaakt, waardoor ze op een interactieve manier kunnen worden gebruikt.

Opnames voor het Hologram-project ‘Take a Stand Center’ van het USC Shoah Foundation in samenwerking met het Illinois Holocaust Museum. Foto: Illinois Holocaust Museum

Het lijkt net alsof iemand echt voor je op een podium zit. Scholieren kunnen ook vragen stellen aan getuigen, bijvoorbeeld een vraag als ‘Had je altijd honger in het concentratiekamp?’ In de enorme hoeveelheid interviews wordt dan gezocht naar antwoorden van getuigen op deze vraag. Het is bijna alsof je met een ooggetuige communiceert. Dit soort audiovisuele middelen zullen in de toekomst ongetwijfeld een grotere rol gaan spelen.”

Het gevaar van versimpeling

Bij het koppelen van een precair onderwerp als de Holocaust aan een actueel vraagstuk is het wel van groot belang om de historische context niet uit het oog te verliezen, benadrukt Ten Have.

“Het is zaak om ervoor te zorgen dat de Holocaust in de aandacht blijft, maar er tegelijkertijd voor te waken dat het beeld van deze uitroeiingsmachinerie niet verdraaid, versimpeld of vervalst wordt. Eerlijk gezegd is dat tegenwoordig een groter gevaar dan het ontkennen van de Holocaust, dat vooral in de marges gebeurt.”

Ten Have doelt hier op de vergelijking die steeds vaker gemaakt wordt tussen de uitroeiing van de Joden en de andere slachtoffers die vielen tijdens de oorlog. “Zo van: ‘Onder de Russen zijn ook veel doden gevallen en onder de Duitsers ook; die Russen waren tegenover de Duitsers ook geen lieverdjes.’ Mensen verdraaien hiermee het feit dat de Holocaust, het welbewust vermoorden van Joden, voortkwam uit een ideologie van antisemitisme en een vooropgezet plan was.”

Omstreden monumenten

Naast gedenkplaatsen of herinneringscentra hebben monumenten ook een belangrijke plaats in de herdenkingscultuur, al komen gedenkplaatsen lang niet altijd zonder slag of stoot tot stand. Over het Holocaust Namenmonument in Amsterdam bijvoorbeeld werd maar liefst 12 jaar lang een bittere strijd gestreden tussen kritische omwonenden en initiatiefnemers van het monument. Omwonenden vinden het monument te groot en niet geschikt voor de gekozen plek aan de Weesperstraat, in de voormalige joodse buurt. Ook zijn ze verbolgen over de gevolgde procedure en de kap van bomen en uiten ze hun angst over de komst van veel toeristen.

Het monument, naar een ontwerp van architect Daniel Libeskind, mag er nu toch komen, besloot de Raad van State in juli 2019. Op het monument komen 102.000 namen te staan. Het zal 250 meter lang worden en bestaan uit een aantal stenen muren die zo geplaatst worden dat ze een labyrint van gangen vormen.

Artist impression van het Holocaust Namenmonument. Foto: Studio Liebeskind

Ook in Berlijn werd al ver voor de bouw in 2005 kritiek geuit op de komst van het imposante Holocaust-monument met 2710 betonblokken in het centrum van de stad, vlakbij de Brandenburger Tor. Waar de discussie zich in Nederland vooral richtte op het gebruik van de publieke ruimte, werd in Duitsland de vraag opgeroepen of de Holocaust eigenlijk wel verbeeld kon worden met een monument.

En kon Duitsland als dader eigenlijk wel een gedenkplaats bouwen voor de Joodse slachtoffers? Inmiddels is iedereen het erover eens dat het veld met de golvende blokken een overweldigend gevoel van desoriëntatie en isolement oproept, symbolisch voor de ervaringen van de Joden tijdens het nazibewind.

Ten Have ziet de discussie over het monument zoals die in Nederland gevoerd is niet als een gevaar voor de Holocaust-herdenking. “Ik zie dit niet als een waterscheiding die markeert dat er iets verandert of dat er minder belangstelling is voor de Holocaust. Sterker nog, in de decennia na de oorlog was er natuurlijk juist weinig aandacht voor de Jodenvervolging. Dat is inmiddels fundamenteel veranderd. Daarvan is het monument een teken.”

Hij begrijpt de gevoeligheden rondom het monument goed. “Natuurlijk is er een groep mensen die zegt: ‘Dit raakt ons diep en we hebben een tekort gevoeld aan solidariteit van anderen en dat voelen we nu weer.’ Hoezeer de tegenstanders ook benadrukken dat dit niet het geval is, zulke gevoelens spelen natuurlijk. Maar als je mij vraagt of dit een verandering markeert in de plaats die de Holocaust inneemt in het herdenken van de Tweede Wereldoorlog, dan geloof ik niet dat dit het geval is.”

Happe vindt het feit dat de discussie mag bestaan juist positief. “Dat we nu de mogelijkheid hebben om onze mening te uiten zonder te hoeven vrezen dat er iets gebeurt, dat is een groot goed. Ik vind het zelf erg belangrijk dat deze monumenten er zijn. Ik woon in Berlijn en kom vaak bij het Holocaust-monument. Als je daar doorheen loopt, gebeurt er iets.

Het doet iets met je en zet aan tot nadenken.” Juist het feit dat een monument een discussie kan aanwakkeren, is belangrijk, denkt Happe. “Je kijkt ernaar en praat erover wat het met de ander doet. Of juist niet doet. Communicatie over het monument en de herinnering is toch al iets.”

Blik op het individu

Een derde belangrijke thema in de herdenkingscultuur van de laatste jaren is de toenemende aandacht voor individuele lotgevallen. Op 26 november 2019 hield Happe haar Cleveringa-oratie aan de Universiteit van Leiden. Daarin schonk zij veel aandacht aan de rol van individuele getuigenissen. Zo stond ze stil bij het feit dat ze haar oratie hield vanaf hetzelfde spreekgestoelte waar hoogleraar Rudolph Cleveringa ooit protesteerde tegen het ontslag van zijn Joodse collega’s, en wat hiervan de reikwijdte is geweest:

“Het zijn uiteindelijk altijd individuen die wetten ondertekenen, brieven schrijven of toespraken houden. Staten noch bestuursapparaten kunnen autonoom handelen, want ze bestaan altijd uit afzonderlijke personen. En als die personen hun mening uiten, dragen ze daarmee bij aan het ontstaan en veranderen van de geschiedenis.”

Cleveringahoogleraar Katja Happe op hetzelfde spreekgestoelte waar Cleveringa protesteerde tegen het ontslag van zijn Joodse collega’s. Foto: Marc de Haan

In haar rede pleitte Happe ervoor om de houding en daden van mensen die opstonden tegen de Holocaust nauwgezetter te onderzoeken en naar de achtergronden ervan te speuren ‘wanneer zij zich in hun tijd uitspreken en handelen’.

Ze maakt daarbij duidelijk de geschiedenis niet als ‘een groot blok steen’ te zien. “Wanneer je heel veel kleine punten hebt, veel meningen en veel mensen, dan krijg je een breed beeld met veel nuance. Al onze perspectieven vormen samen het beeld van de geschiedenis.”

Happe weerspreekt de kritiek dat te veel nadruk leggen op individuele getuigenissen bedreigend is voor een goede blik op de verantwoordelijkheid en rol van instituties of de samenleving als geheel. “Als je je op het individu richt, dan verlies je de geschiedenis niet uit het oog. Het individu is onderdeel van het totaalbeeld. Het is voor mij geen tegenstelling.”

Er speelt al enige tijd discussie rond het feit dat meer aandacht voor individuele ervaringen betekent dat niet alleen de slachtoffers aandacht krijgen, maar ook de daders. Hierbij ligt het gevaar van nivellering op de loer: het vervagen van de grenzen tussen daders, slachtoffers, omstanders en medeplichtigen dan ze in de historische context waren.

Historicus en tv-maker Ad van Liempt werd in dit verband recent nog bekritiseerd vanwege zijn inmiddels omstreden proefschrift over kampcommandant van Westerbork Albert Konrad Gemmeker. Voormalig universitair hoofddocent Rudolf Dekker beschuldigt Van Liempt van plagiaat, maar ook van nivellering.

Ten Have relativeert. “In het algemeen ben ik niet tegen biografieën van daders”, stelt hij. “We hebben in de afgelopen decennia geleerd dat het belangrijk is om voldoende aandacht te schenken aan het leed van de slachtoffers, maar dat neemt niet weg dat het goed is om te weten hoe daders tot hun daden gekomen zijn, ook in dit geval.”

Over de landsgrenzen heen

Happe schreef met Veel valse hoop een belangrijk nieuw boek over de geschiedenis van de Jodenvervolging in Nederland en een nieuwe belangrijke toevoeging in het eervolle rijtje van werken van Abel Herzberg, Loe de Jong en Jacques Presser.

Zelf blijft Happe bescheiden wanneer haar naam wordt genoemd tussen deze monumentale geschiedschrijvers en geeft daarbij het belang aan van een bredere inbedding. “Het boek gaat over de Jodenvervolging in Nederland, zeker, maar ook over de regering in ballingschap en de hulporganisaties en wat die voor Joden deden. Ik hoop natuurlijk dat het een standaardwerk wordt, omdat de boeken van Presser en De Jong natuurlijk al langer geleden zijn verschenen. We hebben nu toch beschikking over nieuwere studies, bronnen en literatuur.”

Ten Have signaleert dat de geschiedschrijving in de verschillende Europese landen steeds meer overeenkomsten gaat vertonen. “Door het bestaan van het NIOD en de activiteiten van Loe de Jong zijn wij in Nederland al vroeg begonnen met een fundamentele wetenschappelijke studie van wat er gebeurd is in de oorlog. De Jong had ook al vroeg een kritische blik richting de Nederlandse overheid. In bijvoorbeeld België en Frankrijk was dit minder het geval. Kritiek op het Vichy-regime in Frankrijk kwam daar pas later. Langzaam kruipt dat wel naar elkaar toe.”

Een breuklijn ziet Ten Have nog wel ten opzichte van Oost-Europa. “Vrij onderzoek was daar natuurlijk lang onmogelijk door het communisme. En nu ondervinden Oost-Europese landen opnieuw tegenwerking door de opkomst van het nationalisme, waardoor het moeilijker is om kritisch naar de eigen bevolking en de eigen geschiedenis te kijken.”

Als Happe, die in Duitsland woont en werkt, de geschiedschrijving over de oorlog tussen Nederland en Duitsland vergelijkt, denkt ze in eerste instantie aan de blik die vanuit Duitsland meer naar het oosten gericht is, omdat daar de concentratie- en vernietigingskampen waren.

“Maar wat je in alle landen ziet, ook in Duitsland, is dat men naarmate de afstand met het verleden groter wordt meer over de landsgrenzen kijkt: zo kijkt men nu in Duitsland ook naar de positie van Nederland ten opzichte van andere landen.” Ook Nederlanders hadden hun blik lange tijd vooral naar binnen én richting het land van de daders – Duitsland – gericht. Happe: “In beide landen wordt nu de eigen positie bekeken in het hele netwerk van het nationaalsocialisme. De blik verwijdt zich.”

Over de auteur

 

Marlies Dinjens

Marlies Dinjens is historicus en journalist/tekstschrijver. Ze werkte eerder voor de Volkskrant, Het Parool en Metro en schreef het non-fictieboek De vlucht van een paradijsvogel. Dit boek vertelt het verhaal van Hannie de Rijke, die een vliegramp overleefde in Nederlands Nieuw-Guinea.


Foto bovenaan pagina

De Amerikaanse gezant Myron Taylor spreekt tijdens de conferentie in Évian. Foto: United States Holocaust Memorial Museum / National Archives and Records Administration, College Park.

De politiek van de Holocaust-herinnering in Wit-Rusland

In het dwangarbeidskamp Maly Trostenets en de omliggende bossen net buiten Minsk vermoordden de nazi’s tussen de 60.000 en 90.000 mensen tussen 1942 en 1944. Een groot deel van hen waren Joden uit Wit-Rusland en uit Midden- en West-Europa. Anne-Lise Bobeldijk doet onderzoek naar de geschiedenis van Maly Trostenets en de complexe herinneringscultuur die rond deze plek is ontstaan.

In het Haus der Geschichte Österreich in de Hofburg in Wenen, het gebouw waar Hitler 81 jaar eerder de Anschluss tussen Duitsland en Oostenrijk uitriep, werd in oktober 2019 het boek Das Massiv der Namen gepresenteerd. Het zogenaamde ‘massief der namen’ is een monument dat in maart 2019 werd onthuld in Minsk. Het gedenkt de Oostenrijkse Joden die tijdens de Tweede Wereldoorlog werden vermoord bij Maly Trostenets, een klein dorpje vlak buiten de hoofdstad van Wit-Rusland.

Tijdens de Duitse bezetting werd een kolchoz-terrein in het dorpje gebruikt als dwangarbeidskamp. Er werkten Sovjet krijgsgevangen, Wit-Russische burgers (zowel Joods als niet-Joods), maar ook West-Europese Joden uit wat nu Oostenrijks, Duits en Tsjechisch grondgebied is. De laatste groep was relatief klein, omdat slechts een zeer klein deel van de circa 33.000 naar Minsk gedeporteerde Joden in het Maly Trostenets-kamp terechtkwam. Het overgrote deel werd tussen 1942 en 1943 direct na aankomst in Minsk vermoord in gaswagens of doodgeschoten en begraven in twee bossen dichtbij het kamp, Blagovshina en Shashkova.

Maly Trostenets bleef lang onbekend in West-Europa. Pas eind jaren negentig ontstond er mondjesmaat aandacht voor deze plek, waar naar schatting 60.000 tot 90.000 mensen werden vermoord door de nazi’s. Sinds 2010 neemt de interesse zienderogen toe. In Minsk zijn verschillende monumenten onthuld en een Duits-Wit-Russische tentoonstelling over Maly Trostenets reist langs verschillende steden in Duitsland, Oostenrijk en Wit-Rusland. Bij Maly Trostenets zelf werden in 2015 en 2018 twee staatsmonumenten geopend: eentje in het voormalige kamp en eentje in Blagovshina, waar de meeste Joden vermoord werden.

Laveren

Wat opvalt bij alle herdenkingen en evenementen die rond Maly Trostenets worden georganiseerd, is dat betrokken hoogwaardigheidsbekleders graag benadrukken dat Maly Trostenets een Europese plek is en hoezeer de Europese herinnering aan deze plek van belang is. Zo gaf de projectdirecteur van het nieuwe monumentencomplex in Minsk in 2013 aan dat deze “deel uitmaakt van een gedeelde Europese herinneringscultuur”. En werd Maly Trostenets bij de recente boekpresentatie in Wenen een Europees Vernichtungsort genoemd.

Maly Trostenets is daarmee meer dan alleen een herdenkingsplek. Ze wordt – vrij openlijk – door zowel Duitsland en Oostenrijk als door Wit-Rusland ingezet om de banden tussen de landen te versterken.

Wit-Rusland is een van de meest geïsoleerde landen van Europa. Het land wordt sinds 1994 door Aleksandr Loekasjenko geregeerd en staat bekend als de laatste dictatuur van Europa. Sancties door de Europese Unie, die in de eerste plaats het doel hebben om de afschaffing van de doodstraf te bewerkstelligen en het ondemocratische klimaat in het land te veranderen, maken Wit-Rusland sterk afhankelijk van Rusland.

Maar sinds de bezetting van de Krim in 2014 door Rusland is een politieke koersverandering zichtbaar. President Loekasjenko is in het openbaar in het Wit-Russisch gaan spreken – voorheen sprak hij alleen Russisch – en in 2014 en 2015 trad hij op als onderhandelaar in het conflict tussen Oekraïne en Rusland door twee topontmoetingen te organiseren. Met deze stap in de richting van Europa is het voor Wit-Rusland wenselijk om ook deel uit te maken van een Europese geschiedenis.

De monumentalisering en musealisering van Maly Trostenets laten echter zien dat het lastig is voor Wit-Rusland om te laveren tussen een Europese Holocaustherinnering en het eigen nationale narratief over de Grote Patriottische Oorlog, zoals de periode tussen 1941 en 1945 in de voormalige Sovjet-Unie werd genoemd.

Het museum voor de Grote Patriottische Oorlog in Minsk. Foto: Anne-Lise Bobeldijk, juni 2018

Sovjet-burgers

In juni 2015 hield Loekasjenko een toespraak bij het hoofdmonument voor Maly Trostenets, de Poort der Herinnering. In zijn toespraak sprak hij over andere landen die “de pijn van Trostenets” delen met de Wit-Russen, terwijl hij tegelijkertijd de prestaties van het Rode Leger prees en de “grootheid van het Sovjetvolk wiens nakomelingen wij zijn”. De verwijzing naar de grootsheid van het Sovjetvolk valt niet uit de toon in Wit-Rusland.

Enerzijds werd Wit-Rusland tijdens de Tweede Wereldoorlog zwaar getroffen door de terreur van de nazi’s; circa een vierde van de bevolking stierf als gevolg van de Duitse bezetting of werd door de nazi’s vermoord. Anderzijds is in Wit-Rusland ook de felle strijd van grote groepen partizanen van belang binnen de nationale geschiedenis.

Zij vochten, net als het Rode Leger, tegen het naziregime. Het nationale narratief dat werd omarmd tijdens de Sovjettijd, dat dus zowel het heldendom als het persoonlijk leed van het Sovjetvolk benadrukte, werd ook na de onafhankelijkheid van Wit-Rusland in ere gehouden en is ook nu nog altijd het belangrijkste onderdeel van de geschiedenis van de Grote Patriottische Oorlog.

De verwijzing naar de gedeelde pijn met andere Europese landen is ongebruikelijker. Hiermee wordt namelijk gerefereerd aan de Holocaust, en dat is niet vanzelfsprekend. Het laatste Sovjet-monument voor Maly Trostenets, dat in 1963 werd geplaatst, herdenkt alleen de vreedzame Sovjet-burgers die hier werden vermoord. Het feit dat een groot deel van deze burgers Joods was, valt nergens uit op te maken, net zomin als het feit dat een derde van de slachtoffers gedeporteerde West-Europese Joden waren.

In de Sovjet-Unie was dit een vrij gebruikelijke omgang met het verleden. Er was er weinig tot geen ruimte om Holocaust-slachtoffers te herdenken, omdat de Joodse slachtoffers slechts als Sovjet-burgers werden herdacht. Hetzelfde gold voor leden van andere minderheidsgroepen en hen die als Sovjet-krijgsgevangene of partizaan het doelwit waren van de nazi’s.

Hoewel het idee om iedereen als Sovjet-burger te beschouwen het herdenken van verschillende groepen onder dezelfde noemer mogelijk maakte, resulteerde het meestal in het onzichtbaar maken van de Holocaust en in onverschilligheid ten aanzien van het lot van mensen die vervolgd werden voor het feit dat ze Joods waren. Hoewel er iets meer ruimte voor komt, wordt deze geschiedenis nog altijd niet volledig erkend. Een vrij directe verwijzing naar de Holocaust is dus hoogst ongebruikelijk.

De Poort der Herinnering. Foto: Anne-Lise Bobeldijk

‘Kl. Trostenets’

Het benoemen van het gedeelde Holocaust-verleden heeft verschillende effecten. Een daarvan is dat er zo een plek voor een gemeenschappelijk toekomstbeeld ontstaat. Zoals James E. Young in Textures of Memory schrijft: “Door het creëren van gemeenschappelijke ruimten voor het geheugen propageren monumenten de illusie van een gemeenschappelijk geheugen. […] Door het creëren van een gevoel van een gedeeld verleden, zoals bijvoorbeeld nationale gedenkdagen, bevorderen zij het gevoel van gemeenschappelijkheden en zelfs een gevoel van een gedeelde nationale bestemming.”

Het ontwerp van het monumentencomplex in Minsk geeft een poging weer om de geschiedenis binnen het kader van het Europese geheugen van de Holocaust te plaatsen.

Het Maly Trostenets monumentencomplex ligt aan de rand van Minsk, op de grens met het kleine dorpje Maly Trostenets, en staat in schril contrast met de omgeving. Hoge appartementengebouwen en een supermarkt omringen het complex, terwijl een bord de bezoekers naar de verschillende monumenten op het terrein leidt: ‘de weg des doods’, de ‘ruïnes van het vernietigingskamp’ en de ‘plek waar 6500 gevangenen zijn verbrand’.

De appartementen kijken uit op het hoofdmonument, de ‘Poort der Herinnering’, en op de ‘Weg der Herinnering’ die ernaartoe leidt. Grote stenen blokken met herdenkingsplaten waarop alle plaatsen staan waar de nazi’s in Wit-Rusland misdaden hebben gepleegd, bevinden zich aan weerszijden van de weg. Deze eindigt bij een tien meter hoge bronzen sculptuur van een groep menselijke figuren die uit twee zeer hoge poorten tevoorschijn komen.

De figuren zijn slechts half gekleed, de meeste in lompen of in gestreepte outfits, en hebben een blik van wanhoop op hun gezicht. De bronzen deuren lijken een houten kamppoort en zijn gewikkeld in prikkeldraad. Op een van de poorten staat een bordje met daarop ‘Kl. Trostenets’.

Het bord op de Poort der Herinnering. Foto: Anne-Lise Bobeldijk, september 2017

Het is duidelijk dat hier wordt verwezen naar diverse iconen die ingebed zijn in de Europese herinnering aan de Holocaust. De gestreepte kleding bijvoorbeeld herinnert de bezoeker direct aan de kleding die de gevangenen in veel concentratiekampen moesten dragen. Het ‘Kl. Trostenets’-bordje roept een associatie op met de afkorting KL (Konzentrationslager), dat stond voor de namen van de concentratiekampen: KL Dachau, KL Buchenwald, KL Auschwitz…

Holocaust-iconografie

Monumenten zijn nooit een letterlijke weergave van het verleden. Maar in zijn toespraak bij de onthulling van het monument benadrukte president Loekasjenko dat de architecten de lastige taak hadden gehad om “de historische waarheid te bewaren en een volledig beeld te geven van het lijden van de mensen”.

De projectdirecteur en hoofdarchitect van het monumentencomplex, Anna Aksjenova, benadrukte dit eveneens en stelde dat “het monumentencomplex is gecreëerd met het doel de slachtoffers van het nationaalsocialistische regime te herdenken en de historische authenticiteit van de locatie te waarborgen”.

Als men het monument in het licht van deze opmerkingen bekijkt, ontstaat er een probleem met de ‘authenticiteit’ van de ‘historische waarheid’ die wordt verbeeld. In zijn studie over Holocaust-iconen herinnert Oren Baruch Stier ons eraan dat “Holocaust-symbolen een zekere mate van historische authenticiteit moeten uitstralen, willen ze gebruikt worden om de waarheid van de gebeurtenissen die ze moeten weergeven over te brengen.” In het geval van de herdenkingspoort van de Trostenets wordt de ‘historische waarheid’ echter niet in zijn geheel weerspiegeld.

In het monumentencomplex wordt de indruk gewekt dat Maly Trostenets een concentratie- of vernietigingskamp was. Dit is echter niet het geval, ondanks dat er ook in de media recentelijk veel gesproken wordt over Maly Trostenets als vernietigingskamp. Het kamp werd in 1942 gebouwd door Eduard Strauch, commandant van de Sicherheitspolizei in Minsk (KdS Minsk).

Het werd voornamelijk gebruikt als agrarisch kamp voor de KdS Minsk en bestond uit een aantal barakken, werkplaatsen voor arbeiders en een landhuis. Het merendeel van de mensen die bij Maly Trostenets werden gedood, werd direct na hun deportatie vermoord in het bos van Blagovshina en is nooit in het kamp terechtgekomen.

Hoewel er zeker overeenkomsten zijn tussen Maly Trostenets en andere kampen in het nazi-kampsysteem stond het, in tegenstelling tot de meerderheid van de concentratiekampen (KL’s) in het Duitse Rijk en bezette gebieden, niet onder het gezag van de Inspektor der Konzentrationslager. In plaats daarvan werd het gerund door de SS Minsk. De ‘Kl. Trostenets’-inscriptie op het monument verwijst in dit geval niet naar het kamp zelf, maar naar een bord dat tijdens de oorlog bij de ingang van het dorp Maly Trostenets hing en dat de Duitse naam van het dorp droeg: Klein Trostenets.

De uniformen van de mensen die op het monument zijn afgebeeld zijn ook niet geheel waarheidsgetrouw. De gevangenen van Trostenets droegen namelijk niet de gestreepte kleding die de gevangenen van concentratiekampen droegen en die op het monument zijn afgebeeld. Voor een monument dat is opgericht “om de historische waarheid te bewaren”, lijkt het enigszins problematisch dat deze historische elementen niet helemaal authentiek zijn.

Het intrigerende is dat er aan de ene kant geprobeerd wordt om door middel van deze Holocaust-iconografie dichter bij de Europese herinnering aan de Holocaust te komen, terwijl er anderzijds heel terughoudend wordt omgegaan met het expliciet benoemen ervan.

Bij de ingang van het monumentencomplex staat een bord met daarop deze tekst: “Het Trascianec-kamp is een nazistisch centrum voor de uitroeiing van inwoners van Minsk en inwoners van andere Wit-Russische steden en dorpen, leden van de antifascistische ondergrondse strijd, de partizanenbeweging, de krijgsgevangenen van het Rode Leger, burgers die uit Europa zijn gedeporteerd.” Nergens, ook niet in het geval van de West-Europese burgers, wordt het feit genoemd dat een aanzienlijk deel van deze mensen Joods was, terwijl dit wel de enige reden was dat ze vermoord werden.

Bilaterale verhoudingen

Een vergelijkbare omgang met Maly Trostenets is te vinden in het Museum voor de Grote Patriottische Oorlog in Minsk. Het museum, dat in 2014 heropend werd in een nieuw gebouw en met een nieuwe tentoonstelling, wijdt een volledige ruimte aan Maly Trostenets.

De zaal in het Museum voor de Grote Patriottische Oorlog over Maly Trostenets. Foto: Anne-Lise Bobeldijk, september 2017

Op een bordje valt te lezen wat er gebeurd is: “In drie jaar tijd werden hier meer dan 200.000 burgers uit de Sovjet-Unie en bezette West-Europese landen vermoord.1 Qua het aantal doden komt het kamp op de vierde plaats na Auschwitz, Majdanek en Treblinka.” Ook hier worden de slachtoffers alleen burgers genoemd, terwijl er tegelijk een verbinding met de Holocaust wordt gelegd door te verwijzen naar kampen die doorgaans direct geassocieerd worden met de Holocaust.

De Europese herinnering aan Maly Trostenets staat momenteel nog in de kinderschoenen. Doordat deze nog jong is, is ze ook behoorlijk aan verandering onderhevig. In de afgelopen vijf jaar zijn er veel spelers bijgekomen die graag een aandeel hebben in de herinnering en hoe deze wordt vormgegeven. In de catalogus van de reizende tentoonstelling over Maly Trostenets spreekt de Duitse ambassadeur in Minsk over de verantwoordelijkheid om gezamenlijk te herdenken.

De Oostenrijkse ambassadeur in Minsk geeft in het boek Das Massiv der Namen toe dat een van de pijlers van de bilaterale verhoudingen tussen Wit-Rusland en Oostenrijk de gezamenlijke herinnering aan Maly Trostenets is. Ondanks de mogelijke achterliggende agenda’s om deze plek te omarmen en samen met de Wit-Russen te herdenken, heeft de aandacht ook invloed op het discours in Wit-Rusland. Het tweede deel van het Trostenets Memorial Park werd in 2018 geopend in het bos van Blagovshina.

Het monument somt op wie er vermoord zijn in het bos: “leden van de antifascistische ondergrondse strijd en de partizanenbeweging, de krijgsgevangenen van het Rode Leger, de gevangenen van het getto van Minsk en de Joodse bevolking gedeporteerd uit Oostenrijk, Duitsland, Tsjechië, Polen en andere Europese landen”. Hoewel de Wit-Russische Joden – hier op omslachtige en dubbelzinnige wijze beschreven als de “gevangenen van het getto van Minsk” – nog niet openlijk erkend en benoemd worden, verschuift de retoriek stukje bij beetje naar een openlijke erkenning van alle Joodse slachtoffers in Maly Trostenets.

Dit artikel bouwt voort op A.C. Bobeldijk, ‘Holocaust symbolism in Belarusian Memory of Maly Trostenets’, ACCESSING CAMPSCAPES no. 4 (2019) 36-45.

Over de auteur

 

Anne-Lise Bobeldijk

Anne-Lise Bobeldijk is promovendus aan het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust en Genocide Studies en de Universiteit van Amsterdam, waar ze de geschiedenis en de internationale herdenkingscultuur van Maly Trostenets onderzoekt.


Noot

1. Direct na de bevrijding van Minsk werd er onderzoek gedaan bij Maly Trostenets door de Buitengewone Staatscommissie voor het vaststellen en onderzoeken van misdaden gepleegd door de Duits-fascistische indringers en hun medeplichtigen. Zij stelden vast dat er 206.500 mensen vermoord werden bij Maly Trostenets. Historici hebben dit later bijgesteld en momenteel wordt er vanuit gegaan dat er 60.000 tot 90.000 mensen zijn vermoord. Van de West-Europese Joden valt er vrijwel exact vast te stellen wie er vermoord zijn omdat de deportatielijsten nog bestaan. Wit-Russische Joden, Sovjet krijgsgevangenen en andere lokale slachtoffers stierven anoniemer omdat hiervan geen lijsten werden gemaakt. In Wit-Rusland wordt nog altijd uitgegaan van de Sovjet-aantallen.


Verder lezen

James E. Young, The texture of memory : Holocaust memorials and meaning (New Have: Yale University Press, 1993).

Oren Baruch Stier, Holocaust icons: Symbolizing the Shoah in history and memory (New Brunswick: Rutgers University Press, 2015).


Foto bovenaan artikel

Wegwijzer bij het herinneringscomplex Maly Trostenets. Foto: Anne-Lise Bobeldijk, september 2017

Een eigen werkelijkheid

In de WO2-zoekmachine Oorlogsbronnen.nl komen miljoenen bronnen uit honderden verschillende erfgoedcollecties samen. Iedere bron kent een eigen verhaal en achter elk verhaal schuilen verschillende bronnen. Dit keer in ‘Oorlogsbron uitgelicht’: de rol van films in collectieve herinnering. Op Oorlogsbronnen.nl vind je ruim 1.300 video’s uit en over de Tweede Wereldoorlog. Je verder verdiepen in dit onderwerp? Zoek dan naar meer krantenartikelen, foto’s, archieven, objecten et cetera via Oorlogsbronnen.nl.

Het beeld van belangrijke gebeurtenissen en historische personen uit de Tweede Wereldoorlog wordt in grote mate bepaald door films. Speelfilms tonen daarbij een eigen interpretatie van de werkelijkheid en spelen in op emoties van kijkers. Dit geldt in het bijzonder voor De Overval en Een brug te ver.

In 1962 verschijnt een van de meest succesvolle Nederlandse films van die tijd: De Overval trekt bijna 1,5 miljoen bezoekers; zo’n een op de tien Nederlanders ziet de film. Het scenario werd geschreven door de bekende historicus Loe de Jong. De film vertelt het verhaal van de overval op het Huis van Bewaring in Leeuwarden. Op 8 december bevrijdden vijfentwintg verzetsmensen zonder het gebruik van geweld tijdens deze overval vijftig gevangenen en een bewaker die meewerkte aan de voorbereidingen van de overval.

Vermomming

De daadwerkelijke verzetsactie begint wanneer twee politieagenten met drie gearresteerde zwarthandelaren via de poort de gevangenis binnenkomen. De politieagenten waren in werkelijkheid verzetsmensen in gestolen politieuniform, en ook de arrestanten waren verklede leden van het verzet.

Scène uit de film De Overval, waarin de overvallers wachten in de struiken. Bron: Collectie Fries Verzetsmuseum, S. Andringa

Scène uit de film De Overval. De overvallers staan voor de deur van het Huis van Bewaring. Bron: Collectie Fries Verzetsmuseum, S. Andringa

Scène uit de film De Overval, waarin de overvallers de bewakers overmeesteren. Bron: Collectie Fries Verzetsmuseum, Leeuwarder Courant

Opnames van de film De Overval. Bron: Collectie Fries Verzetsmuseum, S. Andringa

De Nederlandse bewakers worden overmeesterd. Een aantal vooraf geselecteerde gevangenen wordt uit hun cel bevrijd en naar onderduikadressen gebracht. Allen overleefden de oorlog. Alleen Johannes Kolff, een van de overvallers, overleed op 29 januari 1945 tijdens een arrestatiepoging van de SD op zijn onderduikadres.

De afvoerploeg, die de bevrijde gevangenen naar hun onderduikplek bracht, bij elkaar na de bevrijding. Bron: Collectie Fries Verzetsmuseum, maker onbekend

Groepsfoto van de deelnemers aan de overval, gemaakt na de bevrijding. Bron: Collectie Fries Verzetsmuseum, maker onbekend

Wisselend succes

De succesvolle overval op het Huis van Bewaring in Leeuwarden was een uitzondering in de geschiedenis van verzet. Het was namelijk uitzonderlijk dat het lukte om zonder gebruik van geweld een groot aantal gevangenen te bevrijden. Meestal liep dat anders. Zo mislukten in mei en juli 1944 twee overvallen op het Amsterdamse Huis van Bewaring, waarna het grootste deel van de overvallers werd opgepakt en geëxecuteerd. Tijdens de succesvolle overval op de Koepelgevangenis in Arnhem werden in mei 1944 slechts twee verzetsmensen bevrijd.

Een deel van de overvallers onder leiding van Gerrit Jan Niesing in de kleding die ze droegen tijdens de overval. De foto is gemaakt na de bevrijding. Bron: Collectie Fries Verzetsmuseum, maker onbekend

Wilhelmus

Het is natuurlijk geen toeval dat de overval in Leeuwarden in de jaren zestig werd uitgekozen als onderwerp voor een speelfilm. De bevrijdingsactie, een van de meest spectaculaire acties uit de geschiedenis van het verzet in Nederland, paste goed in de herinneringscultuur van die tijd, waarbij heldenmoed en nationale wederopstanding overheersten. Het was niet per se Loe de Jongs doel om de historische werkelijkheid te tonen “in haar onduidelijke en verwarde gecompliceerdheid”.1 De Overval moest vooral artistiek verantwoord zijn en emoties oproepen. Deze aanpak sloeg aan bij het grote publiek. Tijdens de première werd na afloop van de filmvertoning zelfs spontaan het Wilhelmus gezongen.

Vanaf de jaren zeventig verbreedde het blikveld en kwamen ook gebeurtenissen met internationale impact meer in de belangstelling te staan. De interesse voor de grote geallieerde Operatie Market Garden komt voort uit dit internationale perspectief. Kenmerkend hiervoor is de Hollywoodproductie Een brug te ver (A Bridge too Far, gebaseerd op het gelijknamige boek van Cornelius Ryan). Deze film was in 1977 de duurste film ooit gemaakt. Met een budget van 25 miljoen dollar leverde Een brug te ver 50 miljoen dollar op. De film werd in het Engels, Duits en Nederlands uitgebracht. Een internationaal succes dus.

Geallieerd perspectief

Operatie Market Garden was een van de grootste geallieerde operaties in West-Europa. Tijdens deze operatie moesten met behulp van geallieerde luchtlandingstroepen een aantal cruciale bruggen veroverd worden. Zo kon de weg vrijgemaakt worden voor de bevrijding van Nederland en een directe aanval op het Ruhrgebied, het industriële hart van nazi- Duitsland. De operatie was een mislukking voor de geallieerden. Waar meestal de overwinnaars de grootste aandacht krijgen, herinneren we ons – ook nu nog – vooral de geallieerde soldaten. Een sleutelrol wordt ingenomen door John Frost, de Britse officier die de Arnhemse Rijnbrug probeerde te veroveren.

Hoewel deze slag slechts een klein onderdeel van Operatie Market Garden vormde, is Arnhem – mede door de film – een erg grote rol gaan spelen in het verhaal over Operatie Market Garden. In de collectieve herinnering was Operatie Market Garden een brug te ver voor de geallieerden en niet een succesvolle verdediging door het Duitse leger dat zich nog lang niet gewonnen gaf. In 2019 was het 75 jaar geleden dat Operatie Market Garden plaatsvond, waarbij werd stilgestaan met een groot aantal herdenkingen en vieringen. De operatie speelt daarmee ook nu nog een grote rol in de collectieve herinnering.

Kritiek

Ondanks de goede ontvangst van de film klonk er ook kritiek: de film zou niet waarheidsgetrouw genoeg zijn en gaf een onjuist beeld van de werkelijkheid. Zo vonden de opnames grotendeels plaats in Deventer. Deze stad moest doorgaan voor Arnhem. De omgeving rondom de huidige John Frostbrug in Arnhem was namelijk zo veranderd dat de situatie zoals tijdens Market Garden onmogelijk nagebootst kon worden. Arnhem was ontzettend gemoderniseerd en deels herbouwd, terwijl de stad Deventer meer vervallen was. Bij de brug in Deventer werden de Arnhemse villa’s nagebouwd.

Een Duitse tank wordt opgeblazen tijdens de opnames van Een brug te ver in 1976. Bron: Collectie Fries Verzetsmuseum, ANP

Acteurs in geallieerde en Duitse uniformen eten tijdens de opnames van Een brug te ver in 1976. Bron: Collectie Fries Verzetsmuseum, maker onbekend

Ieder op hun eigen manier laten De Overval en Een brug te ver zien dat speelfilms een eigen versie van de werkelijkheid creëren. Dit is nodig om een film aantrekkelijk te maken voor het grote publiek. De onderwerpen van De Overval en Een brug te ver zijn niet toevallig gekozen, ze passen perfect in de tijdgeest van toen.

Het oproepen van emotie in film blijft populair, soms ten koste van de strikte historische werkelijkheid. In de film Bankier van het Verzet (2018) staat de verzetsheld Walraven van Hall in het stralende middelpunt. Dit doet denken aan het idee van heldenmoed en nationale wederopstanding, kenmerkend voor de jaren zestig. Toch is er in bijvoorbeeld Zwartboek (2006) wel ruimte voor een meer gevarieerd beeld. Ook in Als twee druppels water (1963), de speelfilm naar de roman De donkere kamer van Damokles (1958), is er ruimte voor het schemergebied tussen verzet en collaboratie.

Zwaartepunten en accenten verschuiven door de tijd en keren ook vaak weer terug. We kunnen dus rustig stellen dat ook speelfilms laten zien hoezeer collectieve herinneringen aan de oorlog onderhevig zijn aan golfbewegingen.

Over Netwerk Oorlogsbronnen

Het Netwerk Oorlogsbronnen wordt gefaciliteerd door het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies en gefinancierd door het ministerie van VWS en het vfonds.


Noot

1 Loe de Jong, De Overval (Amsterdam 1962).


Foto bovenaan artikel

Foto gemaakt tijdens de opnames van Een brug te ver in 1976. Bron: Collectie Fries Verzetsmuseum, maker onbekend