Een kritische blik op het verleden

Hoe reageren mensen wanneer ze geconfronteerd worden met films over de Holocaust? In welke mate verhouden ze zich kritisch tot wat ze zien? De Duitse historicus Stefanie Rauch promoveerde in 2014 aan de University of Leicester op een onderzoek naar deze vragen. Momenteel bestudeert ze als postdoc onderzoeker aan het University College London een andere ‘beeldvraag’: hoe medeplichtigen aan de Holocaust zich in videogetuigenissen presenteren.

Sophie van den Bergh sprak met haar over de (veronderstelde) impact van verschillende soorten filmbeelden – speelfilms, docudrama’s en videogetuigenissen.

In The Boy in the Striped Pyjamas (2008), de speelfilm gebaseerd op het gelijknamige boek van John Boyne, verhuist de 9-jarige Bruno met zijn familie naar Polen, waar zijn vader is aangesteld als nazi-commandant. In de buurt van hun huis gaat Bruno op ontdekkingstocht en ontmoet Shmuel, een jongen die zich aan de andere kant van het prikkeldraad bevindt. Bruno weet niet dat de jongen, die steeds een gestreepte ‘pyjama’ draagt, een Joodse gevangene in een concentratiekamp is. Ondanks de afrastering die hen scheidt, ontstaat een hechte vriendschap.

Scène uit de film The Boy in the Striped Pyjamas. Foto: Miramax

The Boy in the Striped Pyjamas wordt door velen als ultieme Holocaustkitsch gezien, een film die enkel inspeelt op emotie en een verkeerd beeld schetst van de historische werkelijkheid. Zo schreef filmcriticus Manohla Dargis in de New York Times dat de film “de Holocaust trivialiseert, bagatelliseert, tot kitsch maakt, commercieel uitbuit en kaapt om een tragedie te vertellen over een nazi-familie”. Dargis’ reactie is tekenend voor de manier waarop sommige critici en onderzoekers naar Holocaustfilms kijken: ze maken zich zorgen dat de (vaak gewelddadige) beelden in deze films kijkers niet alleen maar afschrikken, maar ook juist een bepaalde aantrekkingskracht op hen uitoefenen.

Kijkers zouden bovendien niet kritisch (kunnen) omgaan met de beelden en de melodramatische materie voor waar aannemen. Daarmee zouden deze films de herinnering aan de Holocaust kunnen vervormen of vervlakken. Dit zou zowel opgaan voor docudrama’s – waarin historische gebeurtenissen gedramatiseerd in beeld worden gebracht – als voor speelfilms als The Boy in the Striped Pyjamas.

De onderliggende aanname is steeds dat de manier waarop de Holocaust in speelfilms en docudrama’s voor het voetlicht wordt gebracht wel een sterke impact móet hebben op kijkers. Maar de werkelijke invloed van dergelijke films is eerder nog niet onderzocht. Veel bestaand onderzoek richt zich volgens Stefanie Rauch op tekstanalyse van het werk zelf; tot nu toe is er weinig tot geen aandacht geweest voor de individuele receptie van Holocaustfilms. In haar promotieproject deed Stefanie Rauch daarom empirisch, kwalitatief onderzoek naar kijkersreacties op Holocaustfilms en -docudrama’s.

Geloofwaardigheid

Om publieksreacties op beide genres te onderzoeken ondervroeg Rauch 68 Britse respondenten van uiteenlopende achtergronden, leeftijden en opleidingsniveaus na het kijken naar The Reader of The Boy in the Striped Pyjamas – beiden speelfilms – of naar Defiance, Conspiracy of The Grey Zone – alle drie docudrama’s gebaseerd op een historische gebeurtenis. Ze richtte zich daarbij met name op de vraag in welke mate kijkers kritisch reageerden op wat ze voorgeschoteld kregen. Hoe gingen ze om met waarheidsclaims? Durfden ze wat ze zagen in twijfel te trekken?

Rauch constateerde een opvallend verschil in reactie op de twee soorten films. Hoewel respondenten op alle films emotioneel reageerden, waren de kijkers van docudrama’s veel minder snel geneigd de geloofwaardigheid van de film te bevragen dan mensen die een speelfilm hadden gezien. Hoe werkt dit volgens Rauch?

“Het heeft deels te maken met de zweem van autoriteit die om docudrama’s als Conspiracy hangt en de realistische esthetiek waarvan ze gebruikmaken. De begeleidende claim dat de films gebaseerd zijn op een waargebeurd verhaal draagt bij aan deze ervaring. Kijkers zijn snel een beetje geïntimideerd of onder de indruk van deze verwijzing naar de ‘echtheid’ van het verhaal en durven het gerepresenteerde daardoor minder snel in twijfel te trekken.”

Toch betekent de bewering dat iets is ‘gebaseerd op een waargebeurd verhaal’ niet per se dat een film of docudrama feitelijk geheel juist is. Zo lijkt het in Conspiracy alsof Wilhelm Kritzinger, een van de deelnemers aan de Wannseeconferentie, aanvankelijk tegen de ‘Endlösung’ was, terwijl hier geen historisch bewijs voor bestaat. “Niet alle kijkers hebben evenveel kennis van de historische gebeurtenissen waarop de films gebaseerd zijn – in het geval van Conspiracy is dat de Wannseeconferentie, en bij The Grey Zone een opstand in Auschwitz. Ze zijn daardoor niet in staat om in te schatten in hoeverre een film strookte met de historische werkelijkheid.”

Scène uit de film The Grey Zone. Foto: Bridge Pictures

Collectief kijken

Een andere uitkomst van Rauchs onderzoek: films en documentaires lijken helemaal niet zo’n grote invloed te hebben op de beeldvorming en kennisoverdracht rond de Holocaust als vaak wordt gedacht. Dit komt volgens haar deels door de manier waarop we tegenwoordig films kijken: veelal online en thuis, op een moment dat ons uitkomt.

“Toen Schindler’s List en The Boy in the Striped Pyjamas verschenen waren dat grote collectieve gebeurtenissen: mensen keken de films samen, spraken er met elkaar over thuis en op het werk, er ontstonden discussies in de media. Een dergelijke publieke receptie en beoordeling neemt af nu mensen zelf kiezen wanneer en waar ze een film tot zich nemen. Ik kan me voorstellen dat dit ook invloed heeft op hoe mensen zich verhouden tot deze films en hoeveel ze zich ervan herinneren.”

Toch benadrukt Rauch hoe moeilijk het was om te meten hoeveel historische kennis respondenten precies opdeden door het kijken naar Holocaustfilms. Kijkervaringen worden namelijk ook voor een groot deel bepaald door de opvattingen, ideeën en interesses die mensen hebben, en die ze natuurlijk altijd ‘meenemen’ als ze een film of documentaire bekijken.

Medeplichtigen in beeld

Ook Rauchs huidige onderzoeksproject draait om de vraag hoe mensen door middel van videomateriaal wijs worden uit het verleden. Haar onderzoek is onderdeel van het grootschalige project Compromised Identities? Reflections on Perpetration and Complicity under Nazism van het Research Centre for Collective Violence, Holocaust and Genocide Studies. Rauch raadpleegt videogetuigenissen om te onderzoeken hoe Duitse en Oostenrijkse medeplichtigen van nazimisdaden terugkijken op hun verleden en daden.

Ze richt zich daarbij niet alleen op mensen die expliciet als daders veroordeeld zijn, maar ook op degenen die op uiteenlopende manieren betrokken waren bij uitsluiting, vervolging en moord: van voormalige kampbewakers tot vrouwen die administratief werk verrichtten voor nationaalsocialistische organisaties. “Wat mij interesseert is de vraag hoe mensen omgaan met wat later werd gezien als een verdacht verleden. Hoe behouden mensen het beeld van zichzelf als een goed, integer mens wanneer ze geconfronteerd worden met hun medeplichtigheid, en hoe zetten ze dat neer in hun gefilmde getuigenissen?”

Ook is Rauch benieuwd op welk moment in hun leven mensen gaan terugkijken en over hun medeplichtigheid gaan praten – op welk moment ze het gevoel krijgen dat ze verantwoording moeten afleggen. Ze vond in het beeldmateriaal dat ze onderzocht bijvoorbeeld regelmatig referenties naar de Wehrmachtausstellung.

Deze tentoonstelling over de misdaden van de Duitse krijgsmacht tijdens de Tweede Wereldoorlog, die tussen 1995 en 1999 en tussen 2001 en 2004 te zien was in alle grote Duitse steden, stelde de medeplichtigheid van de Wehrmacht aan de Holocaust aan de kaak. Mensen die hierover lazen of hoorden in de media, werden op die manier weer geconfronteerd met hun beladen verleden.

Een bezoeker kijkt naar de gezichten van Werhmacht-officieren in de Wehrmachtausstellung in Neumünster, 2003. Foto: dpa – Alamy Stock Photo

Van SS’ers tot huisvrouwen

Voor haar getuigenissenonderzoek neemt Rauch niet zelf interviews af: er zijn duizenden uren aan bestaand videomateriaal dat ze kan gebruiken. Een deel daarvan is digitaal toegankelijk, zoals het archief ‘Perpetrators, Collaborators and Witnesses of the Holocaust’ van het United States Holocaust Memorial Museum. Een groot deel is echter nog niet ontsloten of alleen ter plaatse te bekijken.

Samen met de Wiener Library in Londen en het Institut National de l’Audiovisuel in het Franse Bry-sur-Marne zijn Rauch en haar collega’s daarom bezig een nieuw video-archief digitaal te ontsluiten: een collectie van bijna 300 gefilmde interviews met mensen die op verschillende manieren medeplichtig waren aan nazigeweld, voornamelijk Duitsers en Oostenrijkers. De interviews werden alle afgenomen door een documentairefilmer die nog anoniem wil blijven.

Rauch aarzelt om de term ‘daderarchief’ in de mond te nemen. “Er zijn veel manieren om verschillende niveaus van medeplichtigheid te categoriseren. Onder de geïnterviewden zijn voormalige leden van de SS en Waffen-SS en Wehrmachtsoldaten, maar ook huisvrouwen en mensen die werkzaam waren in verschillende industrieën die bijdroegen aan oorlogsvoering.

Niemand van hen is ooit voor de rechter verschenen.” De mate van medeplichtigheid loopt dus erg uiteen. “Sommigen waren getuige van geweld, zoals mishandeling van dwangarbeiders, weer anderen waren verantwoordelijk voor export en import van goederen van en naar bezette gebieden.”

Wat viel Rauch op bij de manier waarop de geïnterviewden hun verhaal deden voor de camera? “Je zou misschien een bepaalde terughoudendheid verwachten, maar velen bleken verrassend open op camera. Ik zag bijvoorbeeld een interview met een verkeersregelaar die werkzaam was tijdens deportaties in Hongarije. Hij vertelde openlijk over het geweld dat hij had gezien en hoe hij zich had gedragen.” Dit betekent overigens niet automatisch dat de geïnterviewden ook ronduit verantwoordelijkheid nemen voor hun daden.

In de getuigenissen die Rauch tot nog toe onderzocht, zag ze de meesten proberen de verantwoordelijkheid af te schuiven en zich te dissociëren van hun medeplichtigheid. “De mensen die wél met kritische blik terugkeken op hun verleden, voelden vaak berouw over kleine dingen die ze wel of niet hadden gedaan: dat ze bijvoorbeeld hun Joodse vrienden niet langer thuis hadden uitgenodigd. Of ze reflecteerden op hoe anders de situatie had kunnen zijn, als ze bijvoorbeeld ouder waren geweest of op een andere plek waren geboren.”

Zorgen

Een belangrijke reden om getuigenissen van overlevenden op te nemen en te behouden is om te voorkomen dat hun stemmen en verhalen verloren gaan. Bij medeplichtigen en daders ligt dit uiteraard anders, en mogelijk gevoeliger. Toch hamert Rauch op het belang van een dergelijke collectie. “Het archief biedt een unieke inkijk in het dagelijks leven ten tijde van nazi-Duitsland en Oostenrijk, die voor wetenschappers in uiteenlopende onderzoeksgebieden nuttig kan zijn. Bovendien roept de collectie grotere vragen op over wat verantwoordelijkheid, medeplichtigheid en rechtvaardigheid betekenen – niet alleen tijdens de oorlog, maar ook generaties later nog.”

Ziet Rauch ook enig gevaar in het beschikbaar stellen van dit soort beelden? “Zorgen omtrent het verzamelen en toegankelijk maken van dit materiaal zijn natuurlijk legitiem. Mijn collega’s en ik zijn ons ervan bewust dat we daders potentieel de kans geven om zich in een te gunstig daglicht te stellen of hun betrokkenheid te ontkennen. We zijn van plan een kleine reizende tentoonstelling te maken voor een breed publiek, waarin we een aantal videogetuigenissen opnemen – mits het ons lukt om het materiaal op een gedegen manier te contextualiseren. We willen zeker niet medeplichtigen het laatste woord geven.”

Over de geïnterviewde

 

Stefanie Rauch

Stefanie Rauch is als postdoc onderzoeker verbonden aan het Research Centre for Collective Violence, Holocaust and Genocide Studies (University College London).


Lees hier meer over het project Compromised Identities? Reflections on Perpetration and Complicity under Nazism van Mary Fulbrook, Stephanie Bird, Stefanie Rauch and Christoph Thonfeld. In 2021 staat de opening van het archief via verschillende partnerinstituties in het Verenigd Koninkrijk gepland.


Foto bovenaan artikel

Scène uit de film Conspiracy. Bron: HBO


Verder lezen

Stefanie Rauch, “Understanding the Holocaust through Film: Audience Reception between Preconceptions and Media Effects”, History & Memory 30:1, 2018, 151-188.

Stefanie Rauch, “‘I Honestly Felt Sick’. Affect and Pain in Viewers’ Responses to Holocaust Films”, in Beyond the Rhetoric of Pain, ed. Berenike Jung en Stella Bruzzi, Londen en New York, Routledge, 2018.

Getuigenis en spraakverwarring

Shoah (1985) is misschien wel de bekendste Holocaustdocumentaire. Voor de film nam regisseur Claude Lanzmann honderden interviews af met Joodse overlevenden, Duitse daders en niet-Joodse Poolse omstanders. De getuigenissen in de 9,5 uur durende documentaire zijn onderwerp geweest van Holocaustonderzoek wereldwijd. Maar een gedegen onderzoek naar de getuigenissen van Poolse omstanders wordt bemoeilijkt door de verschillende Poolse film- en tekstversies die in omloop zijn.

In heel Europa vormt de film Shoah een cruciale bron van herinneringen aan de Holocaust. Zo ook in Polen. De film werd op 30 oktober 1985 voor de eerste keer op de Poolse televisie vertoond, precies zes maanden na de Franse première. De uitzending vond plaats op prime time op het eerste kanaal van de Poolse televisie. Volgens een schatting van het Poolse ‘Radio- en Televisiecomité’ keken meer dan twee keer zo veel kijkers naar de film als naar een doorsnee oorlogsdocumentaire. Inmiddels heeft meer dan de helft van de volwassen Polen de film gezien. Althans: de fors ingekorte en zelfs opnieuw gemonteerde versie die in Polen werd uitgezonden.

Opvallend is dat de meerderheid van de kijkers die de film in oktober 1985 zagen, zo’n 68%, de film negatief beoordeelden, zoals uit polls en kijkersbrieven bleek. Lanzmann weet deze negatieve reacties destijds aan de lastercampagne die vanaf de première in Parijs door de Poolse autoriteiten werd gevoerd. Voorafgaand aan de vertoning van de film was al een verhit debat op gang gekomen in Polen, in reactie op geruchten uit Frankrijk over het ‘anti-Poolse’ karakter van de film. Vervolgens zagen kijkers in Polen dus niet dezelfde versie van de documentaire als de Fransen.

Op verzoek van de Poolse producent Lew Rywin stemde Lanzmann in met een inkorting van de oorspronkelijk meer dan negen uur durende film naar twee uur (wat een verbazingwekkende uitzondering op zijn gebruikelijke aanpak was). Volgens Lanzmann was Rywin vooral geïnteresseerd in ‘Poolse scènes’, hoewel uit het productieregister blijkt dat deze helemaal niet allemaal in de Poolse versie voorkomen. De interviews werden ook drastisch ingekort.

Fragment van een ongebruikte tape. In gesprek met de Poolse spoorman over de treinen naar Treblinka. In de uiteindelijke film zijn maar enkele fragmenten van dit interview gebruikt. Foto: Claude Lanzmann/Youtube

Verrassend genoeg is deze ingekorte versie niet terug te vinden in de Poolse televisiearchieven; alleen het productieregister is overgebleven. Wellicht is dit de reden dat er tot nog toe nauwelijks over geschreven is in de uitgebreide literatuur over de film, noch in Polen, noch in het buitenland. Als gevolg daarvan zijn ook Poolse wetenschappers die zich in de film en de impact ervan verdiepen, genoodzaakt om van de oorspronkelijke (Franse) versie uit te gaan.

Ongehoorde getuigen

Lanzmann was de eerste documentairemaker die het initiatief nam om daders, slachtoffers én omstanders te interviewen voor de camera. Die laatste groep was tot dan toe niet aan het woord gekomen. Shoah kan dus worden gezien als de eerste filmregistratie van Poolse getuigen voor een wereldwijd publiek. Lanzmann zelf merkte de uitzonderlijke waarde van dit materiaal al op:

“Ik was de eerste persoon die terugkeerde naar de plaats delict, naar degenen die nog nooit hadden gesproken, en ik realiseerde me hoe graag zij zich wilden uitspreken. Deze zuiverheid, deze spontaniteit te behouden was van cruciaal belang. Dit Polen was een schat die ik niet mocht verkwisten.”1

In 1997 kwamen ongebruikte tapes met meer dan driehonderdveertig uur aan opnames (aldus een schatting van de regisseur) plus bijbehorende documenten in het Holocaust Memorial Museum in de Verenigde Staten terecht. Sinds 2007 zijn ze geleidelijk online beschikbaar gesteld en kunnen ze bestudeerd worden.

Fragment van een ongebruikte tape. In gesprek met een Poolse boer over de schietplaats bij Treblinka. Foto: Claude Lanzmann / United States Holocaust Memorial Museum

Literatuurwetenschapper Dorota Głowacka was een van degenen die zich in het materiaal verdiepten. Haar bevindingen bevestigen dat het archief talloze fragmenten bevat die “de dynamiek van de Poolse herinnering aan de Holocaust onthullen”.2 Volgens Głowacka is dit van groot belang, omdat nog maar weinig Poolse bronnen en getuigenissen zijn doorgedrongen tot het wereldwijde Holocaustonderzoek—dit ondanks het feit dat onderzoekers zich in de afgelopen decennia veel meer bewust werden van het belang van getuigenissen en het ontwikkelen van onderzoeksmethoden om die zorgvuldig en respectvol te kunnen bestuderen.3

Deze onderzoeksmethoden draaien niet alleen om wat er gezegd wordt, maar ook hoe: onderzoekers bestuderen getuigenissen van overlevenden en kijken daarbij naar articulatie, stemgebruik, gebaren en lichaamstaal, weglatingen, haperingen, herhalingen en vervormingen. Dergelijk onderzoek focuste aanvankelijk vooral op getuigenissen van overlevenden, maar sinds het begin van deze eeuw heeft onderzoek naar omstandergetuigenissen een vlucht genomen

Toch wordt een grondig onderzoek naar de Poolse omstandergetuigenissen in Shoah vooralsnog belemmerd door de verschillende film- en tekstversies die circuleren. Deze verschillende versies komen voort uit het opnameproces van de documentaire zelf, en de vele keren dat de tekst van de Poolse getuigenissen daarna is vertaald.

Lost in translation

Op de set van Shoah was een Poolse tolk aanwezig, die de Poolse getuigenissen ter plekke in het Frans vertaalde en al samenvattend doorgaf aan Lanzmann. Maar de communicatie met de getuigen en de vertaling van de Poolse getuigenissen verliep moeizaam. Lanzmann liet de getuigen die Hebreeuws of Jiddisch spraken in hun eigen tempo praten en in alle rust herinneringen liet ophalen, maar tegenover de Duitsers die hij interviewde was hij agressiever en tegenover de Polen ronduit bruusk.4

Hij negeerde het ritme waarin Poolse omstanders hun herinneringen ophaalden, maakte ironische opmerkingen, onderbrak, drukte door, provoceerde. Hij verhaspelde achternamen en plaatsnamen. Volgens Dorota Głowacka kun je op basis van deze feiten stellen dat de gesprekken die in Shoah plaatsvinden misleidend zijn. “[N]och in de film, noch in het ongebruikte opnamemateriaal komt het tot een dialoog tussen Lanzmann en de Poolse ooggetuigen over de Poolse herinnering aan de Holocaust.”5

Fragment van een ongebruikte tape. In gesprek met de Poolse machinist Jan Piwonski over de treinen naar Sobibor. De vertaler zit links van de geïnterviewde. Foto: Claude Lanzmann / United States Holocaust Memorial Museum

In 1985 publiceerde Lanzmann een boek met transcripten van alle dialogen in Shoah in het Frans. Het boek is in vele talen vertaald en wordt vaak gebruikt als brontekst voor onderzoek naar de getuigenissen in de film. Simone de Beauvoir schreef in de inleiding dat de stemmen van Poolse getuigen “onverschillig en zelfs enigszins sarcastisch” waren. Het door de interviewer opgelegde ethische kader identificeerde zij daarmee ten onrechte als gecreëerd door de geïnterviewden zelf.

In 1993 verscheen de Poolse versie van het boek. Het kwam op een wat omslachtige manier tot stand: vertaler Marek Bieńczyk ontving de Franse vertalingen van Lanzmanns Poolse vertaler Barbara Janicka en vertaalde die weer terug naar het Pools. Door de vele vertalingen en inkortingen lijken Bieńczyks gepubliceerde vertalingen helemaal niet meer op de oorspronkelijke gesproken teksten van de getuigen—ze zijn ingekort en gesimplificeerd, de haperingen en aarzelingen eruit verwijderd.

Daardoor lijken de geïnterviewde Polen mogelijk onverschilliger dan ze destijds waren. Maar omdat dit nu simpelweg onbekend is, is het belangrijk om de beschikbare gegevens zo goed mogelijk te onderzoeken en ons bewust te zijn van de obstakels die de verschillende vertalingen hebben opgeworpen.

Getuigenis in een passend kader

Tot nog toe lijken wetenschappers zich nog niet altijd bewust van deze dubbelzinnigheden. Op 24 augustus 2015, tijdens de conferentie Probing the Limits of Categorization: The Bystander in Holocaust History,6 werd in bioscoop Tuschinski in Amsterdam een ​​gesprek gevoerd onder de noemer ‘Nazi Bystanders as Cultural Icons in Film and Television’. De aandacht ging al snel uit naar Claude Lanzmanns film Shoah. En hoewel de sprekers bijeen waren gekomen om te praten over Duitse ooggetuigen, waren in de geselecteerde scènes die aan het publiek werden vertoond vooral Poolse omstanders te zien.

Tijdens de discussie na de vertoning kwamen de aanwezigen steeds op bepaalde uitspraken uit de fragmenten terug. Geen van de vele onderzoekers in de zaal had daarbij aandacht voor het feit dat de argumenten die hierbij over tafel gingen telkens niet gebaseerd waren op de letterlijke verklaringen van de Poolse boeren, maar op de interpretatie van die verklaringen door vertalers: de Poolse vertaler (Barbara Janicka) die de verklaringen in het Frans had samengevat voor Lanzmann, en de auteur verantwoordelijk voor de Engelse ondertiteling bij deze vertoning.

Fragment van een ongebruikte tape. In gesprek met Czesław Borowy die vlakbij Treblinka woonde. Foto: Claude Lanzmann / United States Holocaust Memorial Museum

Waarom dat een probleem is, valt goed te illustreren aan de hand van de vertaalslag in een van de fragmenten die tijdens de Tuschinski-conferentie werden getoond. Hierin wordt een lange zin, bestaande uit bijna vijftig woorden en vol met ingewikkelde verklaringen van een ooggetuige, door de vertaler met één enkel woord samengevat. Het gesproken Pools van de getuige wordt niet ondertiteld, alleen Janicka’s vertaling:

Claude Lanzmann: Il était aux premières loges pour voir tout-ça là-bas, non?
[ondertiteld: He could watch all this as if from a front row seat, right?]7

Barbara Janicka (vertaler, tegen ooggetuige Czesław Borowy): Pan spojrzy tam… To widział pan wszystko to, co, jak w loży, to, co tam się działo, prawda?
[ondertiteld: Look over there… So you could see all those, like from a front row seat, those things that happened there, right?]8

Czesław Borowy: No naturalnie, że widziałem. Widziałem… Człowiek i podchodził, i bliżej, i z tamtej strony, bo mamy pola, pola i łąki na tamtej stronie torów, więc żeśmy przejeżdżali, i się z pola szło, i na pole, no i śmy wszystko widzieli, no. Jak oni tu…
[niet ondertiteld: Well, I saw it, naturally. I saw… You came, and you came nearer and from the other side, for we have fields, fields and meadows on the other side of the tracks, so we moved across, and you went from the field and into the field, so we saw all this, yes. How they here…]9

Barbara Janicka (vertaalt voor Lanzmann): Naturellement.
[ondertiteld: naturally]

Wat er tijdens dit Tuschinski-debat gebeurde, laat zien dat vaak onopgemerkt blijft hoezeer een vertaling een goed begrip van een getuigenis in de weg kan staan. Bovendien lijkt het Pools hier niet te behoren tot de talen die erkend worden als brontaal voor Holocauststudies, hoogstens na vereenvoudiging en vertaling in de dominante taal (in dit geval Frans en Engels).

Dubbelzinnigheden

Het is belangrijk om te benadrukken dat de getuigenissen die Lanzmann heeft opgenomen dubbelzinnig zijn. Hoewel ze de meningen, emoties en herinneringen van de geïnterviewden weergeven, is de herinnerde informatie vaak foutief of onnauwkeurig. Dit kan komen door haperende geheugens van de getuigen, maar de getuigenissen kunnen net zo goed kwaadsprekerij, leugens of vooroordelen bevatten.

Głowacka noemde dit laatste verschijnsel ook wel ‘negatieve getuigenis’, die “hoewel het een vervormde versie van de geschiedenis biedt, wel de complexe lagen van verbindingen en verwikkelingen in het Poolse geheugen rond de Holocaust onthult.”10 Deze complexe lagen kunnen niet via een samenvatting of vertaling worden bestudeerd. Wat nodig is, is toegang tot dezelfde soort gegevens die gebruikt werden om de getuigenissen van overlevenden te onderzoeken: details van articulatie, gebaren, het gebruik van dubbelzinnigheden en het ritme van stiltes.

Vertaald door Małgorzata Diederen Woźniak.

Over de auteur

 

Roma Sendyka.

Roma Sendyka is professor bij de afdeling Poolse Studies aan de Jagiellonische Universiteit in Krakau. In haar werk komen verschillende onderzoeksvelden samen: literatuur, antropologie en visuele cultuur. Momenteel werkt ze aan een project over ‘non-sites of memory’ in relatie tot genocide in Centraal- en Oost-Europa


Over dit onderzoeksproject

In 2016 begon een groep onderzoekers van het Research Centre for Translation Studies en het Research Center for Memory Cultures aan de Faculteit Poolse Studies van de Jagiellonische Universiteit (Krakau) een experimenteel onderzoeksproject van drie jaar. Ze analyseerden gesproken fragmenten van getuigen uit geselecteerde scènes van Claude Lanzmanns documentaire Shoah.

Ze werden ondersteund door specialisten in vertalingen, memory studies, antropologie, dialectologie, communicatiewetenschappen, digitale geesteswetenschappen, Jiddische cultuur, de geschiedenis van de Holocaust en – niet in de laatste plaats – filmwetenschappers. Deze tekst is een voorpublicatie van een langer ​​artikel over de betekenis en perceptie van de getuigenissen van Poolse getuigen in Shoah, die in 2020 wordt gepubliceerd in PI, een Pools tijdschrift voor vertaalwetenschappen.


Noten

1 Claude Lanzmann, Zając z Patagonii: (pamiętniki), Wołowiec, Wydawnictwo Czarne, 2010.
2 Dorota Głowacka. Współ-pamięć, pamięć „negatywna” i dylematy przekładu w „wycinkach” z Shoah Claude’a Lanzmanna (Teksty Drugie 6, 2016).
3 Shoshana Felman & Dori Laub, Testimony: Crises of Witnessing in Literature, Psychoanalysis, and History (London: Taylor & Francis, 1992).
4 Erin McGlothlin, “Listening to the Perpetrators in Claude Lanzmann’s “Shoah”” (Colloquia Germanica 43: 3, 2010); Francine Kaufmann F. 1993. Interview et interprétation consécutive dans le film Shoah, de Claude Lanzmann, Meta 38: 4, 1993).
5 Głowacka 2016, 305.
6 De conferentie vond plaats op 24-25 september 2015 en werd georganiseerd door het Duitsland Instituut in Amsterdam. Conferentieverslagen werden gepubliceerd in het boek Probing the Limits of Categorization: The Bystander in Holocaust History (Morina, Thijs 2019). Nicole Colin en Wulf Kansteiner leidden het gesprek.
7 “Heeft hij alles vanaf de voorste rij gezien?”
8 “Kijkt u daar … U zag dit alles, als van de voorste rij, daar, wat daar gebeurde, toch?”
9 “Natuurlijk heb ik dat gezien. Ik zag … want zo kwam je daar, en dichterbij, vanaf die kant, want we hebben velden, velden en weiden aan de andere kant van het spoor, dus wij staken hier over, en hier kwam je van het veld, of ging je erheen, en dus zagen we alles. Hoe ze hier …”
10 Głowacka 2016, 301.


Verder lezen 

  • Victoria Barnett, Bystanders: Conscience and Complicity during the Holocaust, Westport, Connecticut: Praeger, 2000.
  • David Cesarani, Paul A. Levine, Bystanders to the Holocaust: A Re-Evaluation, New York: Routledge, 2014.
  • Ido de Haan, “Medeplichtige omstanders?”, WO2 Onderzoek uitgelicht, januari 2019.
  • Erin McGlothlin, “Listening to the Perpetrators in Claude Lanzmann’s “Shoah””, Colloquia Germanica 43: 3, 2010.

Vergangenheitsbewältigung en culturele dekolonisatie

Zoals nazi’s een bepaalde taal gebruikten om Joden te ontmenselijken en Duitse burgers mee te krijgen in het nazistische wereldbeeld – Hitler en Goebbels gebruikten het woord Jood niet zonder daar de kwalificaties listig, verraderlijk of laf aan toe te voegen – zo heeft ook het eeuwenlange kolonialisme zijn sporen in onze taal en cultuur nagelaten. Maar waar de genazificeerde Duitse samenleving na de beëindiging van het Derde Rijk stap voor stap door een proces van Vergangenheitsbewältigung – analyse en verwerking van het verleden – is gegaan, staat de culturele dekolonisatie in postkoloniaal Nederland nog in de kinderschoenen. Groeiend bewustzijn van de culturele erfenis van het kolonialisme leidt geleidelijk tot verandering.

De joodse filoloog Victor Klemperer hield tijdens de twaalf jaar die het Derde Rijk duurde (1933-1945) een dagboek bij. Op basis van zijn dagboeken schreef hij kort na de oorlog zijn boek De taal van het Derde Rijk. Hij betoogde hierin dat de nazi’s in korte tijd een uniek idioom en specifieke zinsstructuur ontwikkelden, die bijdroegen aan de dehumanisering van delen van de bevolking, het genocidale geweld en de dood van de democratie in Duitsland.

Victor Klemperer. Foto: Bundesarchiv, Bild 183-16552-0002 op Wikimedia Commons (CC-BY-SA 3.0)

Voor Klemperer was het vanzelfsprekend om de taal van een tijdperk te zien als de geest van de tijd. In de twaalf jaar dat het Derde Rijk had bestaan had het niet alleen de grootste genocide uit de geschiedenis uitgevoerd en een wereldwijde oorlog gevoerd, maar ook diepe sporen getrokken in wat er restte van de Duitse cultuur. In de taal van het Derde Rijk vinden we volgens Klemperer de essentie van het nazisme. Dat betekent dat het begrijpen en ontleden van die taal in zijn ogen een belangrijke en noodzakelijke stap was op weg naar culturele denazificatie.

Het waren specifieke woorden en zinsstructuren die maakten dat het nazisme door kon dringen tot het “vlees en bloed van het volk”, zo liet Klemperer zien. Dat het nazisme na 1945 misschien verslagen was, nam niet weg dat de taal – en daarmee de essentie van de cultuur – er nog altijd van doordrongen was. Na de militaire nederlaag en de vernietiging van de greep van de nazi’s op de Duitse staat was er dus een cultureel proces nodig om het Duitse volk het nazisme te ontleren, betoogde Klemperer overtuigend in zijn boek.

Kolonialiteit en cultuurkritiek

Het belang dat Klemperer hechtte aan filologie als middel om het nazisme te begrijpen—en de erfenis ervan op een cultureel niveau te bestrijden—lijkt op het belang dat hedendaagse emancipatiebewegingen zijn gaan hechten aan taal. Er is de afgelopen jaren regelmatig aandacht gevraagd voor de erfenissen van het kolonialisme in onze cultuur en taal, van het sinterklaasfeest tot keuzes van vertalers en beschrijvingen van kunstwerken en objecten in musea. Hoogleraar Wayne Modest vatte dit met zijn co-auteurs samen in het boek Words Matter over de koloniale wortels van taalgebruik in musea en de noodzaak dit taalgebruik aan te passen.

De filosofische stroming die het meest stellig de sporen van het koloniale verleden in de huidige samenleving terugziet, is de van oorsprong Zuid-Amerikaanse decolonial school. Deze school ziet kolonialiteit in tal van maatschappelijke structuren terug en pleit voor de ‘dekolonisatie’ van de samenleving. Dekoloniale filosofen betogen steevast dat hedendaagse maatschappelijke en mondiale verhoudingen een uitvloeisel zijn van processen van kolonisatie. De overzeese kolonisatie is volgens deze school slechts één aspect daarvan. In hun ogen wordt de moderne wereld gekenmerkt door een reeks van onteigeningen, toe-eigeningen, uitzettingen en vernietigingen. Zij zien het geloof in de verworvenheden van de moderne tijd als de vergoelijking van racisme, seksisme, uitbuiting en ongelijkheid. Het nazisme en de genocide op de Joden is voor dekoloniale denkers een voortzetting geweest van wat zich in de koloniale wereld al had voltrokken.

Het eerste woord

Het zien van gelijkenissen tussen koloniaal racisme en antisemitisme en tussen koloniaal geweld en aspecten van de Holocaust is niet nieuw. Echter, zoals Tom Menger in dit tijdschrift al betoogde, zijn er goede redenen om te twijfelen aan de continuïteit tussen bijvoorbeeld de genocide op de Herero in Zuidwest-Afrika en de genocide op de Joden in Oost-Europa. De genocide op de Herero moet volgens Menger eerder gezien worden als typisch voor westerse koloniale oorlogsvoering destijds.

Klemperer wijst in zijn boek echter op meer indirecte continuïteiten tussen het geweld en het racisme in de koloniën en het nazisme in Europa. Hij noemt het woord ‘strafexpeditie’ het eerste woord van de taal van het Derde Rijk. Het woord “was de belichaming van wrede arrogantie en minachting voor mensen die enigszins anders waren, het klonk zo koloniaal. Je kon het omsingelde negerdorpje zien”, zo schreef hij. Om de suggestie te wekken dat ze nietsontziend hun tegenstanders zouden uitroeien riepen de nazi’s volgens Klemperer beelden op van koloniale oorlogspraktijken die onder Europese mogendheden gemeengoed waren geworden tijdens het opdelen van Afrika en het ‘pacificeren’ van de Indische Archipel. Hier zien we een duidelijke overeenkomst tussen de redenaties van de dekoloniale denkers en de observatie van Klemperer over het eerste woord in de taal van het Derde Rijk.

Een monument ter nagedachtenis aan de genocide op de Herero, Windhoek, Namibië. Foto: Pemba.mpimaji op Wikimedia Commons (CC BY-SA 4.0)

Zijn de taal van het Derde Rijk en die van de koloniale expansie aan elkaar verwant? Ik ben geen filoloog en een gedegen analyse van het taalgebruik in verschillende delen en periodes van het Nederlandse wereldrijk is voor zover ik weet nog niet gemaakt. Wat wel duidelijk is, is dat in de koloniale context woorden werden gebruikt die uitbuiting, verdrijving en vernietiging rechtvaardigden. In 1777 vaardigde de VOC in de Kaap een wet uit die de kolonisten het recht gaf de San straffeloos te doden. Aan dat besluit ging een proces van ontmenselijking vooraf, inclusief de inburgering van het scheldwoord ‘Hottentot’ voor de San. Datzelfde gebeurde ook elders in het rijk. Zoals de historicus Lodewijk Hulsman liet zien kwam met het verslechteren van de relaties tussen kolonisten en de inheemse bevolking in de Amazone en Guiana de term ‘bokken’ in zwang.1 De verslechterde verstandhouding mondde uit in oorlog en verdrijving.

Zo’n proces van ontmenselijking in woord en daad voltrok zich ook ten aanzien van mensen van Afrikaanse afkomst. Terwijl men eerder nog wel verwees naar specifieke etniciteiten of het meer descriptieve ‘swart’ gebruikte, werden zij in de taal van de slavenhandelaren en slavendrijvers uiteindelijk allemaal gereduceerd tot ‘negers’ en ‘negerinnen’. Het omgekeerde, het bewieroken van de koloniale dadendrang, zit ook diep in de taal verankerd. Termen als ‘blank’, ‘zeeheld’, ‘pacificatie’ of ‘politionele actie’ zijn zo ingeburgerd dat we er zelfs nu, decennia na de ontmanteling van het koloniale rijk, nog moeite mee hebben om de koloniale lading er van te zien. Terwijl er na de Tweede Wereldoorlog een proces van Vergangenheitsbewältigung in Duitsland op gang kwam, begint nu pas een soortgelijk proces voor het koloniale verleden in een stroomversnelling te raken.

Discussie over taal

In Nederland begint men langzaam tot het besef te komen dat het in de huidige wereld nodig is om de koloniale waas van de bril te poetsen. Daarnaast is er de terugkerende vraag hoe een bevolking een eenheid in verscheidenheid kan vormen, zonder nodeloze hiërarchieën van in- en uitsluiting. Dat gaat minder grondig en radicaal dan de dekoloniale activisten en denkers graag zouden zien, maar een echo van hun cultuurkritiek is wel degelijk herkenbaar in het huidige publieke debat. Taalgebruik of cultuuruitingen die raciale categorisering of zelfs hiërarchieën normaliseren worden aan de kaak gesteld, zoals Zwarte Piet in het sinterklaasfeest of het aanduiden van mensen als ‘neger’ vanwege afkomst of fenotypische kenmerken. Ook is de term ‘Hottentot’ inmiddels op zijn retour in Nederlandse musea. De beweging voor dekolonisatie wijst ons erop hoe moeilijk het is om binnen een cultuur zicht te krijgen op erfenissen van uitsluiting en geweld. Culturele interventies kunnen bijdragen aan bewustwording, maar dat blijkt zeker niet vanzelf te gaan.

Tijdens de dekolonisatieoorlog in Indonesië werd ook een felle, politieke strijd in Nederland gevoerd. De Voorlichtingsdienst van Handhaving Rijkseenheid hield bijeenkomsten. Dit was op opening van de wintercampagine 1947 in Den Haag. Op het spandoek staat: Repoeblik Indonesia betekent onvrijheid, chaos en Ellende! Spreken met deze bendes is verraad. Foto: Beeldbank WO2 – NIOD

De dekoloniale cultuurkritiek vindt weerklank in delen van het bedrijfsleven en de overheid, waar men de analyse heeft gemaakt dat een voortzetting van het politieke systeem en de economische dynamiek gebaat is bij een insluiting van meer burgers, van maatschappelijke marges en nog onbekende markten. In het bedrijfsleven is het bewustzijn ontstaan dat de luiken open moeten, dat restanten van koloniale arrogantie niet alleen misplaatst zijn, maar ook internationale samenwerking in de weg staan. In het Rijksmuseum en vele andere musea denkt men na over de manieren waarop de taal van het museum ‘gedekoloniseerd’ kan worden. Bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed loopt een project dat De Collectie Nederland doorlicht op het gebied van sporen van het koloniale en slavernijverleden. In de Amsterdamse gemeenteraad stelde raadslid Sylvana Simons dat haar partij aan de slag zou gaan met het ‘dekoloniseren van de publieke ruimte’. Op universiteiten volgt eenzelfde beweging: ‘diversity officers’ werken hier niet alleen aan diversiteit en inclusiviteit, maar agenderen ook de dekolonisatie van het curriculum.

Dit gaat echter niet vanzelf en de botsingen in het publieke debat zijn vaak stevig. Historici hebben een prominente plaats in het debat over deze kwestie. Ze werpen zich op als het geweten van de samenleving, zowel van het deel dat verandering wenst als van degenen die hechten aan het oudere taalgebruik en het daarbij horende perspectief op het verleden. Iedere poging om dehumaniserend of juist verhullend taalgebruik aan te passen, kan rekenen op kritiek. Een bekend voorbeeld betreft de discussie over het gebruik van de termen ‘slaafgemaakten’ of ’tot slaaf gemaakten’ in plaats van ‘slaven’. De historici Piet Emmer en Henk den Heijer betoogden recent meermaals in landelijke media dat de term ‘slaafgemaakten’ niet zou moeten worden gebruikt omdat deze afkomstig is van activisten. De term zou niet verhelderen maar eerder een impliciete beschuldiging in zich dragen: “ze zijn door Europeanen tot slaaf gemaakt”. Die implicatie zou volgens Emmer en Den Heijer weer afbreuk doen aan de gedeelde Europese en Afrikaanse rol in deze geschiedenis. De keuze voor of tegen een term zou volgens de historici dus gebaseerd moeten zijn op de mogelijke implicaties die het gebruik van de term heeft voor een eventuele schuldvraag. De term zou daarnaast ook leiden tot het onjuiste idee dat mensen niet ook als slaven geboren werden, en dus niet ‘tot slaven’ waren ‘gemaakt’. Die laatste redenering gaat er van uit dat slavernij een natuurlijke staat kan zijn en niet een die door menselijk handelen gevestigd en bevestigd moet worden.

Voorstanders van de aanpassing betogen echter dat de term ‘slaaf’ in het verleden zo vaak is gebruikt dat het zicht op de inhoud van de relatie tussen slaaf en meester is verdwenen. De term doet de status van de mensen die in slavernij werden gehouden als een vanzelfsprekend gegeven voorkomen. ‘Slaaf’ werd in de literatuur over de koloniale geschiedenis gebruikt alsof het om een vaststaande identiteit van de betreffende persoon ging, een natuurlijke staat van zijn. De term, zo stelt men, verhulde daarmee de dwang die nodig was om iemand in slavernij te houden en daarmee het feit dat slavernij te allen tijde een (gewelddadige) relatie was tussen een slavenhouder en een als slaaf gehouden mens. De term ‘slaafgemaakte’ dient dus om een bewustzijn over het actieve proces van onderwerping op te wekken, en dus koloniale verhulling te bestrijden.

De nazi’s wisten grote groepen mensen in haar greep te krijgen. Niet op z’n minst door de redevoeringen van Adolf Hitler. In 1941 sprak hij in het Sportpaleis in Berlin 9.000 cadetten van de officiersopleiding toe. Foto: Beeldbank WO2 – NIOD

Over de auteur

 

Karwan Fatah-Black. Foto: Jussi Puikkonen

Karwan Fatah-Black is docent aan de Universiteit Leiden. Zijn specialisme is vroegmoderne globalisering, kolonialisme en slavernij. In 2018 publiceerde hij het boek Eigendomsstrijd over de geschiedenis van slavernij en emancipatie in Suriname.


Noot

1 Martijn van den Bel, Lodewijk Hulsman, Lodewijk Wagenaar, The Voyages of Adriaan van Berkel to Guiana: Amerindian-Dutch Relationships in 17th-century Guyana (Leiden: Sidestone Press, 2014) 65.

Beladen woorden

Hoe je historische gebeurtenissen verwoordt doet ertoe, want ook woorden kunnen pijn doen en sluimerende vooroordelen reproduceren en aanwakkeren. Dat het belangrijk is om je hier als museum rekenschap van te geven, werd vorig jaar juni uiterst helder verwoord door de diverse auteurs van Words Matter. Deze gezamenlijke publicatie van het Nationaal Museum van Wereldculturen, het Afrika Museum, het Tropenmuseum en het Museum van Volkenkunde heeft de noodzaak van nadenken over terminologie pontificaal op de agenda gezet. In een persoonlijke reflectie gaat de directeur van het Joods Cultureel Kwartier en het Joods Historisch Museum, Emile Schrijver, in op de talige gevoeligheden die in zijn eigen leven en werk de revue passeren.

De cover van Woorden doen ertoe. Foto: Tropenmuseum, Amsterdam; Museum Volkenkunde, Leiden; Afrika Museum, Nijmegen

Joden, joodse mensen, jodenmensen of jodenmannen en -vrouwen? Joods of joods? Het woord ‘jood’ en al zijn varianten staan al decennialang in de belangstelling van taalkundigen, liefhebbers en puristen, en dan heb ik het dus niet alleen over de jaren rond de Tweede Wereldoorlog. Alleen al de ingewikkelde discussie in de jaren zeventig over de betekenis ‘woekeraar’ in de toenmalige editie van Van Dale (destijds breed uitgemeten in de pers; google maar eens op Van Dale in combinatie met de Nederlandse taalkundige Frida Balk-Smit Duyzentkunst), laat zien hoe opgewonden het er op dit terrein aan toe kan gaan.

Een nog langduriger heet hangijzer is de vraag of het woord jood met een hoofdletter geschreven moet worden of met een kleine letter. Die discussie lijkt in de officiële spellingwijzers inmiddels opgelost met een wat laf compromis, namelijk soms wel en soms niet: jood en joods als behorend bij het volk der joden dient met een hoofdletter te worden geschreven, en verband houdend met de joden of de joodse godsdienst met een kleine letter. Wie het verschil weet mag het zeggen.

In joodse kring is inmiddels de gewoonte ontstaan overal een hoofdletter te schrijven. In het Joods Historisch Museum wordt de oude spelling, met een kleine letter, nog gevolgd, simpelweg omdat het woord tienduizenden keren voorkomt in onze systemen en archieven. Ook ik kies er hier voor om jood en joods met een kleine letter te schrijven, waarom weet ik ook niet precies, dat is de waarheid.

Beth Shalom

Uit mijn vrij prille jeugd herinner ik me mijn ongemak met het woord ‘christenman’, toen gebezigd door mijn joodse grootmoeder. Ik vond het een lelijk woord, dat voor mij een andere lading had dan het woord christen. Ik had vooral het gevoel dat er afstand mee gecreëerd werd tot de betrokkene. Pas later hoorde ik voor het eerst het woord ‘jodenman’. Beide woorden voelen voor mij om dezelfde reden ongemakkelijk, maar door de christenman van mijn grootmoeder leerde ik al heel jong dat dat ongemak ook afhankelijk is van de specifieke context waarin je een woord hoort. Mijn oma vond nota bene zelf het woord jodenman weer heel ongemakkelijk, of eigenlijk onacceptabel omdat het een negatieve connotatie zou hebben.

Ik herinner me ook nog levendig een zaal vol hoogbejaarde bewoners van het joodse bejaardencentrum Beth Shalom in Amstelveen, bijeen op 24 mei 2017 voor de presentatie van het boek 80plus Joden. De onlangs overleden onderwijsdeskundige Ido Abram legde daar toen uit waarom hij voor die titel had gekozen. Dit omdat hij veel reacties op die titel had gehad, positieve en negatieve, ook van de mensen uit Beth Shalom die hij voor dit boek had geïnterviewd. Was het nou echt nodig om het woord ‘Joden’ zo prominent op het omslag te zetten?

De cover van 80plus Joden. Foto: Amphora Book

Ik voelde me geraakt door het feit dat hoogbejaarde Nederlandse joden blijkbaar zo’n moeite hadden met het gebruik van het woord en zei daarom, met het eerste exemplaar van het boek in mijn hand: “Het eerste woord in de naam van het Joods Historisch Museum is ‘Joods’ en we heten niet ‘Historisch Museum Van Een Minderheid Die Al Meer Dan 400 jaar In Nederland Woont.” Natuurlijk weet ik ook wel dat de generatie van boven de tachtig die nu in Beth Shalom woont, door de oorlog en door het feit dat ze destijds als jood apart is gezet een heel andere relatie tot het woord jood heeft dan ik, en dat overlevenden van de Holocaust hier niet zo waardevrij over kunnen en willen denken als ik, geboren in 1962. Maar is datzelfde Beth Shalom en zijn diezelfde overlevenden niet ook het beste bewijs voor het feit dat het laten verdwijnen van het Europese jodendom niet is gelukt?

Holocaust of Sjoa?

Soortgelijke talige gevoeligheden spelen in de context van ons Nationaal Holocaust Museum (NHM) natuurlijk ook een grote rol. De eerste discussie was die over de naam van het museum, dat in juni 2015 nog als Nationaal Sjoa Museum was aangekondigd, maar in mei 2016 zijn deuren opende als ‘Nationaal Holocaust Museum, in oprichting’. We hebben destijds alle meningen daarover verzameld en de voor- en nadelen van de twee termen tegen elkaar afgewogen.

‘Holocaust’ heeft een veel grotere bekendheid, ook internationaal, maar is wel een ‘harde’ term met ook nog eens een foute etymologie, omdat het eigenlijk ‘brandoffer’ betekent. ‘Sjoa’ heeft als voordeel dat het een joodse term is, wat goed zou aansluiten bij de identiteit van het museum, maar als nadelen dat hij onbekend is buiten de kring van ingewijden en dat de lastige spelling tot ongemakkelijke associaties kan leiden (ik heb mensen zowel soja als soa horen zeggen). Wij hebben uiteindelijk besloten te kiezen voor de meest bekende term die aansluit bij de praktijk in de meeste andere instellingen (niet alle), in de meeste buitenlanden (niet alle). Ik sta pal voor die keuze, maar word er nog bijna wekelijks door joodse en niet-joodse voor- en tegenstanders op aangesproken.

Poolse vernietigingskampen of kampen in bezet Polen?

In hedendaagse musea spelen er veel meer ingewikkelde thema’s die mede met taal te maken hebben. Thema’s die de actualiteit en de wereldpolitiek raken bijvoorbeeld, zoals de terminologie die wordt gebezigd rond de geschiedenis van de slavernij en de onderdrukking van vrouwen en allerlei minderheidsgroepen. Of denk aan de strijd om publieke aandacht en morele prominentie voor koloniale roofkunst en WO II-gerelateerde roofkunst. Zowel in joodse kring als onder activisten die opkomen voor aandacht voor het koloniale verleden bestaat veel ongemak over het feit dat die twee zaken zo makkelijk met elkaar verbonden worden.

Een ander voorbeeld is hoe Holocaust- en andere oorlogsmusea over de hele wereld enige tijd geleden werden verrast door commentaar vanuit de Poolse nationale overheid op museumteksten waarin verwezen werd naar de concentratie- en vernietigingskampen die waren ingericht op Pools grondgebied. Alle instellingen die dergelijke kampen ‘Pools’ durfden te noemen, en niet ‘kampen die door de nazi’s waren ingericht in bezet Polen’, konden rekenen op een afkeurende brief, zo ook het NHM. Zoals bekend, is zelfs geprobeerd het beschrijven van vernietigingskampen als Poolse kampen wettelijk strafbaar te stellen, maar onder grote internationale politieke druk hebben de Polen die wet sterk afgezwakt.

Roma en Sinti wachten in het vernietigingskamp Bełżec op hun lot. Het kamp Bełżec lag in het door Duitsland bezette Polen. Foto: United States Holocaust Museum

Vanuit historisch oogpunt is het natuurlijk alleen maar toe te juichen om – zoals de Polen voorstelden – zo precies mogelijk om te gaan met de historische feiten. Maar als dat mede gepaard gaat met een strategie om waar dan ook Poolse betrokkenheid bij moord en gruwelijkheden te ontkennen of te verdonkeremanen, bewegen we ons op een hellend vlak. Daartegen is terecht groot bezwaar gemaakt.

Vernietiging of moord?

De eigenlijke moord op de joden is ook zo’n lastig thema om in taal te vangen. Toen ik opgroeide, kreeg ik te horen dat mijn joodse familieleden waren ‘weggehaald’ in de oorlog. Dat was een eufemisme voor ‘vermoord’ dat natuurlijk slechts de eerste fase van hun lot beschrijft. De laatste tijd hoor ik ‘weggehaald’ steeds minder, naar ik aanneem vooral omdat het een term was die gebezigd werd door de generatiegenoten van de slachtoffers.

En die slachtoffers, zijn dat mensen die zijn ‘omgekomen’ in de oorlog? Dat hoor je best nog vaak, al is er vanuit joodse kring terecht veel bezwaar tegen die term. ‘Omkomen’ impliceert een ongeval, of een ‘verterend gebrek’ zoals Van Dale dat noemt. En hoewel veel joden bezweken zijn aan een verterend gebrek aan voedsel, was de reden dat ze in de kampen waren de voorziene moord.

Ja, dat is een expliciete term, moord. Een confronterende ook, maar wel een die duidelijkheid verschaft. En bovendien: adequater dan het woord ‘vernietiging’. Vernietiging verwijst weliswaar ook naar de vernietiging van de joodse cultuur en het joodse leven, maar kan ook ideëel gekleurd zijn door de nazi-ideologie van vernietiging. Moord dus. Door de nazi’s, niet door de Duitsers – weer zo’n valkuil. De meeste nazi’s waren Duitser, maar niet allen, en niet alle Duitsers waren nazi.

Multiperspectiviteit

De essentie van al deze discussies over terminologie, is het besef dat het in een modern historisch museum van groot belang is ruimte te maken voor zogenoemde multiperspectiviteit. Dat is een aan de Angelsaksische wereld ontleend modieus talig gedrocht dat niet alleen verwijst naar de noodzaak om een veelheid aan perspectieven aan bod te laten komen. Het verwijst ook naar het streven om je bewust te zijn van het feit dat taal ideologisch geladen is of kan zijn en ook van invloed is op de ontvanger van je museale boodschap. Daarom spreken wij over de moord op zes miljoen joden en niet over zes miljoen omgekomen joodse mensen.

Maar de waarheid is ook dat zowel onze historische als onze talige inzichten en gevoeligheden en overgevoeligheden veranderen, continu, onder invloed van de actualiteit en de omgeving en onder invloed van ons eigen voortschrijdend inzicht. Daarom is het gerechtvaardigd dat de samenleving musea aanspreekt op hun maatschappelijke en ideële verantwoordelijkheden en dat musea dat serieus nemen.

Het Rijksmuseum en het Nationaal Museum van Wereldculturen nemen daarin terecht het voortouw. Zij mogen ons, net als het publiek dat mag, de maat nemen bij het gebruik van beladen historische termen die de joodse cultuur en geschiedenis betreffen. Zowel in het Nationaal Holocaust Museum als in de andere locaties van het Joods Cultureel Kwartier.

Over de auteur

 

Emile Schrijver. Foto: Monique Kooijmans

Emile Schrijver is algemeen directeur van het Joods Historisch Museum en het Joods Cultureel Kwartier. Daarnaast is hij als bijzonder hoogleraar in de geschiedenis van het joods cultureel erfgoed, in het bijzonder van het joodse boek, verbonden aan de Universiteit van Amsterdam.


Foto bovenaan artikel

Het Nationaal Holocaust Museum, in oprichting i.o. Foto: PersianDutchNetwork op Wikimedia Commons (CC BY-SA 4.0)

Erevelden tonen de prijs van vrijheid

Monumenten op voormalige slagvelden of voor grote legeraanvoerders zijn van alle tijden. Dat geldt niet voor de erevelden die alle gesneuvelde militairen elk een eigen graf geven. Hoe gebruikelijk die ons nu mogen voorkomen: als verschijnsel zijn ze amper een eeuw oud. Natuurlijk waren er wel voorlopers, zoals de begraafplaatsen op slagvelden uit de Amerikaanse burgeroorlog en de namenmonumenten in Europa en Nederlands-Indië waarop de gesneuvelden uit een stad of regio samengebracht werden. Maar de imposante oorlogsbegraafplaatsen met kruizen of graven tot zover het oog reikt, dateren allemaal van na de Eerste Wereldoorlog.

Het was de confrontatie in de Eerste Wereldoorlog tussen legers die niet meer uit vrijwilligers maar uit dienstplichtige burgers bestonden, die dit nieuwe gebruik in gang zette. Het minste dat de overheid kon doen voor hen die het leven lieten, zo besefte men, was ze een persoonlijke rustplaats geven en ze blijvend gedenken. Inmiddels zijn de indrukwekkende erevelden in Noord-Frankrijk en België een beeldbepalend onderdeel van het landschap geworden. Hoewel oorspronkelijk bedoeld voor herdenking en rouwende nabestaanden, zijn ze tegenwoordig vooral reisdoel van een nog altijd groeiende stroom toeristen.

Achter de frontlinie

In Nederland is het verschijnsel ‘oorlogsbegraafplaats’ nog lang geen eeuw oud – Nederland liep immers een wereldoorlog achter. Pas in 1946, na de Tweede Wereldoorlog, werd hier de Oorlogsgravenstichting (OGS) opgericht, met als doel Nederlandse oorlogsbegraafplaatsen in te richten en te onderhouden. De OGS beheert 50.000 graven in Nederland en elders in de wereld, waarbij bijzonder is dat ze naast militairen ook burgers bevatten.

De slachtoffers van de slag om de Grebbeberg werden in 1940 op locatie begraven. Foto: Nationaal Archief/Fotocollectie Anefo op Wikimedia Commons (CC0 1.0)

Op het kleinste ereveld, dat op de Grebbeberg, zijn bijna alle Nederlandse militairen samengebracht die sneuvelden in de meidagen van 1940. De geallieerde militairen die voor onze vrijheid sneuvelden, treft men vooral op Britse, Canadese en Amerikaanse begraafplaatsen; Nederland was gedurende 1944-1945 bijna een jaar lang slagveld. Het Russisch ereveld bij Amersfoort, waar Russische krijgsgevangenen hun laatste rustplaats vonden, herinnert aan het treurige feit dat in de Tweede Wereldoorlog de meeste slachtoffers niet in de frontlinie omkwamen, maar daarachter. Ook het Nationaal Ereveld in Loenen (Gld.) is daar getuige van; het merendeel van de graven betreft burgers, al liggen hier ook de gesneuvelden van recente militaire missies.

25.000 oorlogsgraven op Java

Wat veel mensen niet zullen weten, is dat de meeste Nederlandse oorlogsgraven, 25.000 in totaal, echter niet in Nederland liggen, maar op het Indonesische eiland Java. Daar zijn in de loop van de tijd op zeven erevelden de graven van alle eilanden samengebracht. Zij worden nog ieder jaar door duizenden bezocht – naast veel nabestaanden komen er ook volop andere belangstellenden. Sommige touroperators voorzien een bezoek aan een van de erevelden in hun programma. Terecht, want het zijn oases van rust en herdenking, en veelzeggende monumenten van het Nederlandse verleden in Indonesië.

Wat dat laatste betreft is het bijzonder dat het aantal Indonesische bezoekers, dat altijd laag was, de laatste jaren enorm is gegroeid. Dit komt mede door het feit dat de informatievoorziening in het Bahasa Indonesia, de officiële taal van Indonesië, sterk is verbeterd. Het toont een stijgende belangstelling van Indonesiërs voor de gecompliceerde geschiedenis van de verbondenheid van Nederland met hun land, waarvan de erevelden getuige zijn.

Door elkaar

Typerend voor de erevelden op Java is dat de slachtoffers van de Japanse aanval in 1942 en van de kampen en de onderdrukking daarbuiten, er zij aan zij liggen met de slachtoffers van de Bersiap, de Indonesische vrijheidsstrijd, en de confrontatie rond Nieuw-Guinea. Moslims, hindoes, christenen en joden liggen door elkaar, alleen te onderscheiden naar geloofsafkomst door het onderscheid in soort gedenkstenen. Zo vervullen erevelden hun echte functie, als gedenkplaatsen die ons stil doen staan bij de kosten van gewelddadige conflictbeslechting.

De Duitse begraafplaats in Ysselsteyn. Foto: Steve Severs op Wikimedia Commons (Publiek domein)

Oorlogsbegraafplaatsen zijn meer dan een plek om terug te blikken. Ze herinneren ons boven alles aan de prijs van vrijheid. Erevelden zijn er niet om oude tegenstellingen in ere te houden, maar om het besef te voeden dat voor alle partijen uiteindelijk slechts verdriet, gemis en verlies resten. Dat voelt men ook bij een bezoek aan de grootste oorlogsbegraafplaats in Nederland, de Duitse begraafplaats in Ysselsteyn. Weinigen kennen die, maar er liggen meer dan 31.000 graven; ook van Duitse burgers uit de grensstreek. Herdenken krijgt pas zin als we de herinnering aan het verleden in het heden benutten om aan een gemeenschappelijke leefbare toekomst te bouwen.

Over de auteur

Piet Hein Donner (1948) bekleedde tussen 2002 en 2011 drie ministersposten en was van 2012 tot 2019 vicepresident van de Raad van State. In 2014 werd Donner benoemd tot president van de Oorlogsgravenstichting. Sinds december 2018 is hij minister van Staat.


Foto bovenaan artikel

Piet Hein Donner op het Nederlands ereveld Pandu te Bandung tijdens een inspectiereis in 2019. Foto: Oorlogsgravenstichting

Dark tourism nader verklaard

Wanneer het over oorlogstoerisme gaat, is de term dark tourism nooit ver weg. Maar wat betekent deze term nu eigenlijk? En op wat voor manieren wordt hij toegepast? WO2 Onderzoek uitgelicht vroeg het dé expert op dit terrein in Nederland: Karel Werdler, docent toerisme aan de Hogeschool Inholland in Diemen en daarnaast verbonden aan het Institute of Dark Tourism Research (iDTR) in Lancashire, Engeland. Samen met student Lisanne Antenbrink licht hij het begrip dark tourism toe. “Een complex en tegelijk razend interessant vakgebied.”

Voordat Werdler als docent aan de slag ging, was hij jarenlang werkzaam voor verschillende touroperators, onder meer als reisleider. In die hoedanigheid bezocht hij de meest uiteenlopende plekken op de wereld. Ook plekken die niet op ieders to-do-lijstje voor de vakantie zullen staan: begraafplaatsen, gevangenissen, martelkamers, voormalige kampen, executieplaatsen. “Het waren vaak de reizigers zelf die mij vroegen hen hiernaartoe te brengen”, aldus Werdler. “Zo is mijn interesse voor deze vorm van toerisme ontstaan. Ik heb zelf ooit één keer een bezoek aan Auschwitz gebracht, lang geleden. Ik wil daar nooit meer naartoe. Een verschrikkelijke plek. Maar er zijn dus heel veel mensen die tijdens hun vakantie wel dit soort plekken bezoeken. Ik wil weten wat hen beweegt.”

De aantrekkingskracht van dit soort locaties komt volgens Werdler mede voort uit het feit dat we in een tijd leven waarin we heel ver zijn gevorderd op technologisch gebied, we van alles weten, van alles begrijpen en van alles kunnen aantonen, behalve wat er na de dood is en wat er dan met ons gebeurt. “Het laatste grote mysterie”, noemt hij het. “En ook dat willen we ontrafelen.” De toename van rondleidingen op begraafplaatsen ziet Werdler dan ook als een treffend voorbeeld van hoe we tegenwoordig met de dood omgaan. “We zoeken het steeds meer op.”

Containerbegrip

De term dark tourism werd in 1996 voor het eerst geïntroduceerd, in een wetenschappelijk artikel geschreven door onderzoekers John Lennon en Malcolm Foley. Enkele jaren later verscheen van hun hand het boek Dark Tourism. The Attraction of Death and Disaster.

Omslag van het boek Dark Tourism van John Lennon en Malcolm Foley.

De definitie die Werdler hanteert voor dark tourism is bedacht door Philip Stone, directeur van het iDTR en co-auteur van het boek The Darker Side of Travel: The Theory and Practice of Dark Tourism uit 2009. Werdler: “Dark tourism is het reizen naar locaties die in verband kunnen worden gebracht met de dood, het lijden en het schijnbaar macabere.” Dat hierbij een groot onderling verschil bestaat tussen de diverse locaties is evident. “Er zijn pikzwarte plekken, denk aan de voormalige vernietigingskampen in Oost-Polen of de killing fields in Cambodja. Hier is het verleden nog relatief dichtbij en is de dood, het lijden, alom aanwezig. Maar er zijn natuurlijk ook beduidend lichtere plekken als The Amsterdam Dungeon, waar amusement een grote rol speelt en het vooral om griezelen gaat”, aldus Werdler. “Musea vallen hier tussenin. Afhankelijk van de collectie die ze tonen en de vorm waarin ze dat doen, zijn ze lichter of donkerder te noemen. Het maakt daarnaast een groot verschil of je een museum bezoekt op de historische plek zelf of een museum dat een historisch verhaal vertelt, maar losstaat van de feitelijke plek waar dat verhaal zich heeft afgespeeld. De authentieke plek brengt altijd een extra lading met zich mee.”

Het eerste wat je ziet als je het Genocide Museum in Phnom Penh bezoekt: een galg die het Pol Pot-regime gebruikte om tegenstanders te vermoorden. Foto: Marcin Konsek op Wikimedia Commons (CC BY-SA 4.0)

Ondanks de grote onderlinge verschillen vallen al deze locaties onder het containerbegrip dark tourism, een begrip dat onvermijdelijk associaties oproept met ramptoerisme of verheerlijking van geweld. Niet iedereen is dan ook even gelukkig met deze term. “Ik adviseer mijn studenten om in hun contact met musea en herinneringscentra, bijvoorbeeld in het kader van een onderzoeksopdracht, voorzichtig te zijn met het gebruik van de term dark tourism. Het kan afschrikken en dat begrijp ik best. Het Anne Frank Huis valt onder de definitie van dark tourism, maar zelf zien ze dat absoluut niet zo. Het wordt dan erg moeilijk om ze te overtuigen van je goede bedoelingen. Ik ben daarom nog op zoek naar een passende Nederlandse vertaling.”

Ieper

Een plek waar het toerisme rond een zwarte bladzijde uit de geschiedenis een industrie op zichzelf is geworden, is Ieper en omgeving. Mensen van over de hele wereld bezoeken daar de talloze loopgraven, musea en begraafplaatsen die herinneren aan de Eerste Wereldoorlog. Battlefield tourism wordt het wel genoemd.

Vlakbij Ieper valt een reconstructie van een Duitse loopgraaf te bezoeken. Foto: Sandra Fauconnier op Wikimedia Commons (CC BY 4.0)

Ook de herdenking onder de Menenpoort in Ieper – waar al decennialang iedere avond om klokslag 20.00 uur de Last Post wordt geblazen – trekt vele belangstellenden; merendeels toeristen die, naast het bezoeken van de historische plekken, ook het bijwonen van deze herdenking op hun ‘verlanglijstje’ hebben staan. Is dit ook (een vorm van) dark tourism? “Dat zou je zo kunnen noemen, ja. Een groot deel van de mensen die daar staan, herdenkt inderdaad niet, maar is toeschouwer van de herdenking. Ze willen het een keer meegemaakt hebben. Op basis van de definitie van Philip Stone kun je dat als een uiting van dark tourism beschouwen. Maar voor je zoiets stelt, moet je toch echt eerst de persoonlijke motieven van al die mensen kennen. Waarom staan zij daar? Dat maakt dit vakgebied zowel complex als razend interessant. Er zijn zo veel invalshoeken mogelijk. Waarom wordt iets aangeboden? Voor wie wordt dat gedaan? En wat beweegt iemand om aan een bepaalde activiteit deel te nemen of een bepaalde historische plek te bezoeken?”

Selfies

Die laatste vraag, naar de motivatie van mensen om plekken die in verband staan met de dood te willen zien, vindt Werdler de meest interessante. Ook voor Lisanne Antenbrink, een van Werdlers studenten, was interesse in die motivatievraag het startpunt voor haar afstudeeronderzoek naar bezoekers van herinneringscentra in Nederland en België. “Nadat ik beelden zag van jongeren in Auschwitz die ogenschijnlijk vrolijk selfies stonden te maken in het kamp, raakte ik geïnteresseerd in de motieven van mensen om dergelijke plekken te bezoeken en hoe dat hun gedrag ter plaatse beïnvloedt.” Antenbrink zag grote verschillen in hoe mensen zich tijdens hun bezoeken aan verschillende kampen in Nederland en België gedroegen. Waar het voor ouderen over het algemeen vanzelfsprekend is dat dit zwarte plekken zijn en dat daar een zekere ingetogenheid en stilte bij past, ligt dat voor jonge bezoekers anders. De afstand in tijd heeft invloed op die vanzelfsprekendheid en dat zie je terug in de manier waarop jongeren zich op die plekken gedragen. Werdler: “Dit is een ontwikkeling waar Tweede Wereldoorlog-locaties de komende jaren meer en meer mee te maken gaan krijgen. Hoe verder de oorlog in het verleden ligt, hoe minder zwart deze plekken door het publiek zullen worden ervaren.”

Antenbrink constateerde bij schoolgroepen dat een goede voorbereiding in de klas van grote invloed is op hoe scholieren zich gedragen tijdens een bezoek. “Jongeren die van tevoren actief met het onderwerp bezig waren geweest en wisten wat voor soort plek ze gingen bezoeken, gedroegen zich over het algemeen rustiger en stelden zich geïnteresseerder op dan scholieren met weinig voorkennis en nauwelijks voorbereiding.” Het is dit soort kennis dat musea en herinneringscentra kan helpen in hun omgang met schoolbezoeken of bij het opstellen van gedragsregels. Veel van de studenten die bij Karel Werdler zijn afgestudeerd, komen dan ook terecht in adviserende of publieksgerichte functies bij musea, touroperators of gemeenten.

Griezelgeschiedenissen als vermaak: Jack the Ripper-tours in Londen zijn een groot succes. Foto: Ralf Roletschek op Wikimedia Commons (CC-BY-NC-ND)

Sensatie

Hoewel dark tourism een veelvoorkomend verschijnsel is, ontmoet Werdler maar weinig mensen die er openlijk voor uitkomen een dark tourist te zijn. “In al die jaren dat ik mij met dit onderwerp bezighoud, heb ik slechts twee mensen gesproken die onomwonden toegaven dark tourist te zijn en me vertelden het bezoeken van plekken die in verband staan met de dood oprecht leuk en spannend te vinden. Eén van hen nam deel aan een Jack the Ripper-tour in Londen, ging daarna naar de vernietigingskampen van de Tweede Wereldoorlog om vervolgens via een stop in Rwanda door te reizen naar de killing fields in Cambodja. Toen ik dat hoorde, stond ik wel even verbaasd te kijken.” Voor de meeste mensen gelden echter andere drijfveren. Een algemene interesse in geschiedenis bijvoorbeeld, of een meer gerichte belangstelling voor de Tweede Wereldoorlog. Die laatste interesse kan dan weer toegespitst zijn op wapentuig, veldslagen, de Jodenvervolging, het verzet of andere specifieke thema’s. “Ook hier kun je op basis van de definitie van Stone stellen dat dit allemaal dark tourism betreft”, aldus Werdler. “Maar een battlefield tourist zal zichzelf vaker niet dan wel als dark beschouwen. Het is sterk afhankelijk van de motieven van de bezoeker.”

In 2018 zond Netflix de eerste afleveringen van de nieuwe serie Dark Tourist uit. Foto: Netflix

Op Netflix is sinds 2018 een documentaireserie te zien met de titel Dark Tourist. Hierin bezoekt een journalist “ongelooflijk bizarre, en soms gevaarlijke, toeristische bestemmingen over de hele wereld”, zoals de makers het verwoorden. De serie biedt vooral sensatie en is niet direct interessant voor mensen die naar achterliggende motivaties of verbanden zoeken. Toch ziet Werdler hier een kans. “Het is onvermijdelijk dat mensen sociaal wenselijke antwoorden geven wanneer je ze vraagt naar hun motieven om bijvoorbeeld een voormalig kamp te bezoeken. De populariteit van zo’n Netflix-serie zou ertoe kunnen leiden dat meer mensen openlijk toegeven een fascinatie met de dood te hebben. Wellicht zijn er veel meer dark tourists dan we op dit moment aannemen. Als dat inderdaad het geval is, geeft dat het onderzoek een heel nieuwe dimensie.”

Over de geïnterviewden

Van Karel Werdler verscheen in 2015 het boek Dark tourism, de dood achterna (momenteel niet leverbaar). Na zijn pensionering over twee jaar gaat hij zich meer toeleggen op zijn werkzaamheden voor het iDTR. Ook werkt hij dan verder aan zijn proefschrift over dark tourism. Lisanne Antenbrink studeert onder begeleiding van Karel Werdler in het voorjaar van 2019 af aan de opleiding Tourism Management.


Foto bovenaan artikel

De slogan ‘Fear is a funny thing’ bij de ingang van The Amsterdam Dungeon laat zien: angst kun je op vele manieren beleven. Tobias Niepel op Wikimedia Commons (CC BY 2.0)

In de voetsporen van helden en daders

Al jaren een groot toeristisch succes: de diverse battlefield tours langs belangrijke plekken uit de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog. Steeds vaker proberen organisatoren of gidsen van dergelijke reizen verschillende perspectieven te laten zien en ook het ‘Duitse verhaal’ zichtbaar te maken. Met wisselend succes.

“(…) ik begrijp wel dat de Duitse begraafplaatsen soberder zijn, natuurlijk. Het is de hele andere kant van het verhaal en degenen die ons bevrijd hebben, dat zijn toch wel echt de helden.” (vrouw, 24 jaar, deelneemster battlefield tour)

Dit citaat is een mooie weerspiegeling van een breed gedragen perceptie van het oorlogsverleden. Hierin vervulden de geallieerde troepen een heldenrol in de bevrijding van Europa en verdient het Duitse leger als verslagen dader eigenlijk geen aandacht. Hoe wijdverspreid ook, het is natuurlijk niet de enige manier om met de herinnering aan het oorlogsverleden om te gaan. Er zijn ook andere perspectieven, en een aantal daarvan worden in de oorlogstoerismesector ook expliciet getoond. Een interessante vraag is waarom producenten in deze sector ervoor kiezen ook minder gebruikelijke perspectieven te laten zien?

Invasiestranden-tour

In dit artikel zoom ik in op twee zogenaamde battlefield tours langs de Liberation Route Europe, de herdenkingsroute die voert langs locaties die belangrijk waren in de Tweede Wereldoorlog en de opmars van de geallieerden, en zo mijlpalen in de bevrijding van Europa met elkaar verbindt. In beide reizen staat het concept van de multiperspectiviteit centraal. De eerste tour betreft de reis die de Vrienden van het Airborne Museum van 30 september tot 2 oktober 2016 organiseerden naar het Duitse Hürtgenwald. Deze vereniging biedt haar leden een paar keer per jaar battlefield tours aan die langs de Liberation Route voeren en streeft ernaar om het oorlogserfgoed rondom Market Garden te behouden. De leden hebben meer dan een gemiddelde interesse in de militaire geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog.

Overal langs de Liberation Route Europe vindt de aandachtige reiziger informatie over gebeurtenissen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Foto: Arnhemcity12 (CC BY-SA 4.0)

De andere battlefield tour betreft de Oad-reis ‘Invasiestranden van Normandië, Caen’, die van 15 tot 19 mei 2017 georganiseerd werd in samenwerking met de Stichting Liberation Route Europe (SLRE). Met deze Invasiestranden-tour neemt Oad het mulitperspectieve principe van de SLRE over, maar richt men zich wel op een breed publiek dat voornamelijk geïnteresseerd is in het perspectief van de bevrijders.

Ik nam zelf deel aan beide reizen. Dat deed ik in het kader van mijn promotieonderzoek aan de Erasmus Universiteit over de popularisering van de Tweede Wereldoorlog in Nederland sinds 2000. Voor dit onderzoek is het van belang om zowel het perspectief van de producenten van populaire producten en gidsen van battlefield tours te belichten, als dat van deelnemers. Tijdens de twee reizen heb ik daarom verschillende toeristen en gidsen geïnterviewd.1

Pelgrimages

Maar laten we eerst even teruggaan naar het ontstaan van het oorlogstoerisme. Deze bijzondere vorm van toerisme kreeg vorm na de Eerste Wereldoorlog, toen familieleden en andere belangstellenden massaal de begraafplaatsen in België en Frankrijk gingen bezoeken om de slachtoffers te herdenken. Het gevolg was dat er een infrastructuur van pelgrimages en battlefield tours ontstond. In beide landen werd deze na de Tweede Wereldoorlog voortgezet en verder uitgebreid.

Door de neutraliteit van Nederland in de Eerste Wereldoorlog, ontwikkelde het oorlogstoerisme in ons land zich pas na 1945. In het begin was het vooral gericht op de militaire aspecten van de oorlog, en speelde het zich met name af rondom het Oorlogsmuseum in Overloon. Vervolgens breidde het zich langzaam over geheel Nederland uit en werden ook andere onderwerpen – zoals de Jodenvervolging – belicht. Dit betekende echter niet dat de populariteit van de militaire aspecten van de oorlog onder oorlogstoeristen afnam. Met name in Gelderland, Noord-Brabant en Limburg besteden musea nog steeds veel aandacht aan Operation Market Garden en de bevrijding door de geallieerden. Net als in Normandië worden in deze regio verschillende (commerciële) battlefield tours georganiseerd, waarbij toeristen de oorlogssporen in het landschap kunnen ontdekken.

In 1960 opende Prinses Irene het Oorlogsmuseum Overloon, waar ook een foto van haar grootmoeder te zien was. Foto: Harry Pot / Anefo op Wikimedia Commons (CC0 1.0)

Transnationale aanpak

Inmiddels komt er, bijna 75 jaar na het einde van de oorlog, steeds meer ruimte voor het Duitse perspectief. Niet alleen heeft dit perspectief een plek gekregen in onderzoek en de erfgoedsector en wordt het steeds meer betrokken bij herdenkingen. Ook op transnationaal niveau wordt gereflecteerd op dit aspect van het verleden.

De Stichting Liberation Route Europe, die in 2011 in Nederland is opgericht, is een duidelijke representant van de transnationale en multiperspectivische aanpak. De SLRE probeert op transnationaal niveau een verbinding te maken tussen het historisch onderzoek, de erfgoedsector en het toerisme. Dit doen zij door de route die de geallieerden gevolgd hebben tijdens de bevrijding, zichtbaar te maken voor toeristen in verschillende Europese landen.

Daarnaast beoogt de SLRE het verleden vanuit een multiperspectief te tonen. Dit betekent dat het verleden en heden belicht worden vanuit verschillende historische perspectieven (landen, personen, invalshoeken) en dat bezoekers die perspectieven kunnen herkennen, in context plaatsen en definiëren. Touroperators en gidsen die samenwerken met de SLRE volgen deze lijn. Maar hoe doen ze dit in de praktijk en hoe ervaren deelnemers deze verschillende perspectieven?

Gewone jongens

Tijdens de reis naar het Hürtgenwald draaide het om de slag om dit bos die midden september 1944 begon en op 9 februari 1945 eindigde met een overwinning voor de Amerikanen. Tegenwoordig wordt deze strijd omschreven als een zinloos gevecht om een onbelangrijk stuk bos waarbij de Amerikanen zware verliezen hebben geleden. De gidsen probeerden tijdens de reis zowel het Amerikaanse als het Duitse perspectief te belichten en herdenkingsplekken van beide partijen te bezoeken. Dit laatste werd door een deelnemer op de volgende manier verwoord:

“(…) maar er werd ook wel duidelijk de nuance gelegd dat de Duitsers bijzonder goed georganiseerd waren, ondanks dat ze zwaar onder[be]mand waren en niet echt voorbereid, maar daar bleek weer uit dat ze toch strategisch veel slimmer waren als die domme Amerikanen, dat haalde je er wel uit.” (man, 60 jaar)

Tijdens de slag om het Hürtgenwald namen de Amerikanen een huis in gebruik als commandopost. De soldaten noemden het zwaar beschadigde huis spottend het Hurtgen Hotel. Foto: Wikimedia Commons

Ook tijdens het bezoek aan de Duitse begraafplaatsen in Vossenack en Hürtgen identificeerden de deelnemers zich met de Duitse militairen. Dit was vooral op een persoonlijk emotioneel niveau, omdat het ‘gewone’ jongens waren die moesten vechten.

“Er zaten natuurlijk een aantal grote rotzakken bij, maar gewoon de arme gemiddelde soldaat die ook zwaar de pest er in had dat hij op allerlei verschrikkelijke fronten moest vechten, terwijl hij het liefst in Duitsland bij zijn familie was geweest …. Ik vind het goed dat daar ook aandacht aan besteed wordt.” (man, 69 jaar)

Heldenverhalen

De deelnemers aan de Normandië-reis die ik sprak, hadden een andere mening over de multiperspectieve kijk op de geschiedenis. De Oad-reis stond in het teken van de geallieerde invasie in Normandië – Operation Overlord – die op 6 juni 1944 begon om een doorbraak te forceren in de strijd met het Duitse leger en Europa te bevrijden. Toch maakte de chauffeur/reisleider tijdens de reis ook ruimte voor andere perspectieven door bijvoorbeeld de Duitse begraafplaats te bezoeken. De meeste deelnemers verwachtten echter dat het geallieerde perspectief zou domineren. Zij waren vooral geïnteresseerd in de grote lijnen van geschiedenis en bleken vaak op zoek naar de heldenverhalen die zij kennen uit de films The Longest Day (Darryl F. Zanuck, 1962) en Saving Private Ryan (Steven Spielberg, 1998).

Dit kwam met name tot uitdrukking tijdens het bezoek aan de Amerikaanse begraafplaats bij Colleville-sur-Mer, waar 9.387 Amerikaanse soldaten begraven liggen. De imposante architectuur van de begraafplaats vergrootte het besef bij de deelnemers hoeveel Amerikanen er gesneuveld zijn voor ‘onze’ vrijheid.

In Colleville-sur-Mer kreeg de Amerikaanse begraafplaats een imposante oprijlaan mee. Foto: Dennis Jarvis op Wikimedia Commons (CC BY-SA 2.0)

Ondanks hun duidelijke focus hadden sommige deelnemers wel degelijk oog voor het contrast tussen de Amerikaanse begraafplaats en de Duitse begraafplaats in La Cambe, die later op die dag op het programma stond. Anders dan de Amerikaanse begraafplaats, was de Duitse niet zichtbaar vanaf de weg. Toeristen moeten echt goed zoeken om deze begraafplaats in het landschap te vinden, omdat de ingang heel sober is en niet zo groots als bij de Amerikaanse begraafplaats. Een van de deelnemers zei hierover:

“Ik vond alleen één ding storend: dat het Duits kerkhof niet gezien mocht worden. Waarom? Voor mij mag het net als een ander kerkhof ook duidelijk worden aangegeven, ik wil het zien.” (man, 62 jaar)

Weigering

Deze deelnemer voelde zich dus, net als bij de deelnemers aan de Hürtgenwald-reis het geval was, op een persoonlijke emotionele manier betrokken bij deze herinneringsplaats. Maar er waren ook geïnterviewde deelnemers die weigerden om deze begraafplaats te bezoeken. Zij vonden het niet nodig dat het Duitse perspectief werd getoond tijdens de reis. Dit gevoel kwam vaak voort uit hun specifieke familiegeschiedenis, uit eigen oorlogservaringen of uit het feit dat zij vooral naar Normandië waren gekomen om te zien wat de geallieerden gedaan hadden voor ‘onze’ vrijheid.

“Op de Duitse begraafplaats ben ik niet geweest, daar kan ik niet tegen. Omdat daar dus Duitse soldaten begraven liggen, terwijl er van zoveel mensen van mijn familie ook geen graf of wat dan ook bekend is. Daar begin ik niet aan.” (vrouw, 74 jaar)

De Duitse begraafplaats in La Cambe heeft een veel soberder ingang dan de geallieerde begraafplaatsen in de omgeving. Foto: Chatsam op Wikimedia Commons (CC BY-SA 3.0)

Deze verschillende reacties laten zien dat er grenzen zitten aan multiperspectiviteit. De doelstelling die gidsen op dit terrein hebben, komt niet altijd overeen met de wil van het publiek. Natuurlijk zijn er uitzonderingen, zoals de reactie van de deelnemers aan de reis naar Duitsland toont; zij waren wel ontvankelijk voor het verhaal over het Duitse perspectief op de slag rond het Hürtgenwald. Toch blijkt uit mijn verdere promotieonderzoek dat er 75 jaar na de oorlog tijdens dergelijke reizen of andersoortige evenementen nog steeds volop discussies plaatvinden over de vraag of en hoe het Duitse perspectief een plek moet krijgen. Het Duitse perspectief is in het oorlogstoerisme om die reden ook nog steeds marginaal aanwezig (en eigenlijk alleen interessant voor niet-commerciële stichtingen zoals de Vrienden van het Airborne Museum). De meeste deelnemers zijn op zoek naar de heldenverhalen van de geallieerden en bezoeken slechts terloops de Duitse begraafplaatsen.

Over de auteur

 

Laurie Slegtenhorst. Foto: Roy Borghouts Fotografie

Laurie Slegtenhorst (1987) is als promovenda voor het project ‘War! Popular Culture and European Heritage of Major Armed Conflicts’ verbonden aan de Erasmus School of History, Culture and Communication (EUR).


Noot

1 Tijdens de reis naar het Hürtgenwald heb ik 14 deelnemers en 2 gidsen semigestructureerd
geïnterviewd. In Normandië heb ik 7 reizigers elke dag na de tours geïnterviewd. Daarbij heb ik de chauffeur/reisleider geïnterviewd en op de terugweg 5 individuele bezoekers en 2 vader-zoonkoppels een
keer gesproken over hun ervaringen tijdens de reis.


Verder lezen

  • Pieter de Bruijn, Bridges to the Past. Historical Distance and Multiperspectivity in English and Dutch Heritage Educational Resources (Rotterdam 2014).
  • John Eade en Mario Katić eds., Military Pilgrimage and Battlefield Tourism. Commemorating the Dead (Londen, New York 2018).
  • Maria Grever en Carla van Boxtel, Verlangen naar tastbaar verleden. Erfgoed, onderwijs en historisch besef (Hilversum 2014).
  • Dienke Hondius, Oorlogslessen. Onderwijs over de oorlog sinds 1945 (Amsterdam 2010).
  • Bjorn Wansink, Sanne Akkerman, Itzél Zuiker & Theo Wubbels, ‘Where does Teaching Multiperspectivity in History Education begin and end? An analysis of the uses of temporality’, Theory and Research in Social Education (2018).

Foto bovenaan artikel

In Vossenack, niet ver van het Hürtgenwald, verrees een Duitse erebegraafplaats. Foto: Raimond Spekking op Wikimedia Commons (CC BY-SA 3.0)

‘Daar zijn waar het gebeurd is’

Al jaren bezoeken mensen voormalige concentratiekampen uit de Tweede Wereldoorlog. Hun aantallen lijken jaarlijks te stijgen. Auschwitz-Birkenau beleefde met 2,15 miljoen bezoekers in 2018 een absoluut recordjaar. Wat drijft al deze mensen? Jeroen Nawijn zet het wetenschappelijk onderzoek hiernaar op een rijtje.

Voor alle herinneringscentra die na de Tweede Wereldoorlog zijn ingericht op de locaties van voormalige concentratiekampen, geldt dat ze al lange tijd bijhouden hoeveel bezoekers er jaarlijks komen. Daardoor weten we vrij goed hoe deze specifieke tak van herdenkingstoerisme zich door de decennia heen kwantitatief heeft ontwikkeld. Maar naar de vraag wat mensen motiveert tot een bezoek, hoe ze het ervaren, hoe ze terugkijken op het bezoek en wat hen van het bezoek bijblijft, wordt pas relatief recent wetenschappelijk onderzoek gedaan, sinds 2009.

De beschikbare onderzoeken werden uitgevoerd in meerdere Europese landen en op verschillende locaties, en gebruiken verschillende methoden. Toch leveren ze een verrassend consistent beeld op. Wat leren ze ons zoal?

Toeristen luisteren naar een audiotour terwijl ze  de gaskamer van Auschwitz I binnenwandelen. Foto: L-BBE op Wikimedia Commons (CC BY 3.0)

Motivaties en verwachtingen

Er is relatief veel onderzoek verricht naar motivaties van bezoekers. Dit onderzoek toont allereerst dat de motieven voor het bezoeken van voormalige concentratiekampen sterk lijken op de motieven voor bezoek aan cultureel erfgoed in het algemeen. Educatie – de wil om iets te leren, in dit geval om meer te weten te komen over de Holocaust in het algemeen en het voormalige kamp in het bijzonder – is een van de belangrijkste motieven die mensen noemen. Dat geldt ook voor ‘het zien met eigen ogen’, om je er een voorstelling van te kunnen maken. Mensen met een persoonlijke band met de Holocaust zoeken duidelijk ook een emotionele beleving, bijvoorbeeld vanuit het verlangen om een gevoel van verbinding met een overleden familielid te krijgen of te versterken.

Interessant is dat uit onderzoek blijkt dat deze laatste groep bezoekers voorafgaand aan hun bezoek sterker dan andere bezoekers verwachten dat zij positieve emoties zullen ervaren, zoals trots, liefde, compassie of opwinding. Maar over het algemeen verwachten bezoekers met name walging en verdriet het sterkst te voelen. De verschillende verwachtingen zijn wel enigszins afhankelijk van het perspectief waarin mensen zichzelf denken te plaatsen tijdens een bezoek. Als bezoekers denken dat ze vooral de daders voor ogen zullen krijgen en geconfronteerd zullen worden met het perspectief van de nazi’s, dan verwachten ze overwegend negatieve emoties zoals boosheid, woede of angst te gaan voelen. Als ze denken dat de focus op de slachtoffers ligt, verwachten ze juist meer positieve emoties tijdens het bezoek, zoals bijvoorbeeld compassie, maar ook verdriet.

Beleving

Wat mensen ten tijde van hun bezoek daadwerkelijk ervaren, is ook onderwerp van diverse onderzoeken. Een belangrijk aspect van de bezoekersbeleving blijkt te zijn dat de Holocaust ‘tastbaar’ wordt. Men heeft sterk de ervaring ‘daar te zijn waar het gebeurd is’. Een bezoek aan een voormalig concentratiekamp wordt als heel betekenisvol ervaren. Bezoekers komen tijdens hun bezoek veel te weten over de plek zelf, over de slachtoffers en de daders, over de Tweede Wereldoorlog in het algemeen en over de Holocaust in het bijzonder.

Herinneringscentrum Kamp Westerbork: tussen het herinneringscentrum en het voormalig kampterrein kunnen bezoekers gebruik maken van een pendelbus. Foto: Hanno Lans op Wikimedia Commons (CC BY 4.0)

Door diverse onderzoekers is ook onderzocht welke emoties mensen ondergaan tijdens hun bezoek aan een voormalig concentratiekamp. Als je de uitkomsten vergelijkt met die uit onderzoek naar bezoekersbeleving en ervaren emoties op andere toeristische locaties, wordt een duidelijk verschil zichtbaar. Een bezoek aan een voormalig Lager roept zowel in negatieve als in positieve zin uitgesproken emoties op. Daarmee vergeleken is de emotiebeleving op andere toeristische cultuurbestemmingen meer eenduidig en voelen mensen bijna nooit binnen een kort tijdsbestek zowel positieve als negatieve emoties, wat bij een bezoek aan een voormalig concentratiekamp wel vaak voorkomt.

Verder inzoomend op de negatieve emoties zien we bij ‘gewone’ toeristenbestemmingen dat deze met name veroorzaakt worden door ontevredenheid met de dienstverlening. Bij een bezoek aan een voormalig kamp speelt dergelijke ontevredenheid amper een rol. Negatieve emoties worden daar vooral opgeroepen door de aard van de plek en de verhalen die daarbij horen. Onderzoek onder bezoekers van voormalige concentratiekampen laat zien dat zij niet alleen emoties ervaren die uitgesproken negatief of positief zijn. Ze scoren ook buitengewoon sterk op een emotiecluster dat een mix bevat van positieve en negatieve emoties, namelijk compassie, afgunst, verdriet en ontzag. Dit lijkt duidelijk veroorzaakt te worden door de aard van een voormalig concentratiekamp, waarbij de verhalen van de slachtoffers nadrukkelijk aanwezig zijn.

Reflectie achteraf

Bezoekers kijken doorgaans positief terug op hun bezoek, zo laat het beschikbare onderzoek zien. Niet in de zin dat ze een ‘goede tijd’ hebben gehad, maar in de zin dat ze hun bezoek als zeer waardevol hebben ervaren en als zeer betekenisvol zien. Dit uit zich onder andere in positieve mond-tot-mondreclame. Men is sterk geneigd anderen een bezoek aan te raden en te overtuigen van het belang van een bezoek aan een voormalig concentratiekamp. Ook blijken de gevoelens die tijdens een bezoek worden opgeroepen, bezoekers nog lang bij te blijven. Of de opgedane kennis bijblijft, is niet bekend.

De poort van Auschwitz I is waarschijnlijk een van de meest gefotografeerde objecten in het kamp. Foto: Hanno Lans op Wikimedia Commons (CC BY 4.0)

Het is daarnaast duidelijk dat een bezoek vragen oproept bij bezoekers. Sommigen denken na afloop na over de zin van het leven en krijgen een hernieuwde waardering voor het leven, voor vrijheid en voor kwaliteit van leven.

Ondanks de hoge waardering is het animo tot een herhaalbezoek aan dezelfde herinneringsplek of een ander kamp echter relatief laag. De oorzaak hiervan is niet geheel duidelijk. Wellicht vinden bezoekers het bezoek emotioneel te heftig. Het kan ook simpelweg zo zijn dat ze het nut niet inzien van een tweede bezoek, omdat ze niet verwachten een andere ervaring te hebben of iets anders te leren.

Virtual reality

Samenvattend schetsen de bestaande onderzoeken een behoorlijk duidelijk beeld van de motieven voor het bezoeken van een voormalig concentratiekamp, de ervaringen ter plaatse en de reflectie op het bezoek achteraf. Mensen bezoeken een voormalig concentratiekamp voornamelijk om iets te leren en unieks te beleven. Na afloop kijken ze positief terug op dit bezoek, maar hebben ze geen sterke intentie om terug te gaan. Een belangrijk punt van aandacht voor de toekomst is om na te gaan waarom de intentie tot herhaalbezoek relatief laag is en wat eraan gedaan zou kunnen worden om deze intentie te verhogen. Een geringe herhaalbezoekratio is voor herinneringscentra natuurlijk financieel nadelig – de subsidiekraan wordt immers steeds verder dichtgedraaid – maar is ook vanuit educatief perspectief spijtig. Wisselende tentoonstellingen bieden immers de mogelijkheid om telkens net weer andere verhalen en perspectieven mee te geven.

Waar het gaat om bezoekersbeleving, zien we dat veel herinneringscentra de laatste jaren aan de slag zijn gegaan met het reconstrueren of herplaatsen van objecten, om bezoekers een duidelijker beeld te laten vormen van de situatie in het kamp tijdens de Tweede Wereldoorlog. Er wordt ook volop gewerkt met moderne toepassingen zoals virtual reality en augmented reality.

Staatssecretaris Martin van Rijn (kabinet Rutte II) bekijkt met eigen ogen het virtuele Sobibor in Nationaal Monument Kamp Vught. Foto: Screenshot van de NOS

Soms is het zelfs mogelijk een ander kamp te ‘ervaren’ via een virtual reality-toepassing. Zo was het in 2016 mogelijk om virtueel Sobibor te ‘bezoeken’, terwijl men zich fysiek in Kamp Vught bevond. Hoe zulk soort toepassingen de bezoekersbeleving beïnvloeden is nog niet bekend; daarvoor is specifiek onderzoek vereist.

Naast deze technische aanvullingen wordt op de diverse locaties het bestaande scala aan verhalen uitgebreid, gedocumenteerd en geprofessionaliseerd. Deze innovaties zullen hopelijk de intentie tot herhaalbezoek verhogen en de waardering van het bezoek, die al hoog is, alleen nog maar vergroten. Als deze aanvullingen goed aansluiten bij de motieven tot bezoek, dan kunnen we ook verwachten dat de beoogde kennisoverdracht succes zal hebben.

Over de auteur

 

Jeroen Nawijn

Jeroen Nawijn is senior docent/onderzoeker toerisme aan Breda University of Applied Sciences. Hij heeft ruime ervaring op het gebied van bezoekersonderzoek en panelonderzoek. Zijn expertise betreft thema’s als welbevinden, bezoekervaring, duurzaam toerisme en cultureel erfgoed.


Verder lezen

  • A. Biran, Y. Poria & G. Oren, Sought Experiences at (Dark) Heritage Sites. In: Annals of Tourism Research, 38(3), 2011, p. 820-841.
  • R.K. Isaac & E. Çakmak, Understanding Visitor’s Motivation at Sites of Death and Disaster: The Case of Former Transit Camp Westerbork, the Netherlands. In: Current Issues in Tourism, 17(2), 2014, p. 164-179.
  • R. K Isaac, J. Nawijn, A. van Liempt & K. Gridnevskiy, Understanding Dutch Visitors’ Motivations to Concentration Camp Memorial Sites. In: Current Issues in Tourism, 2017, online ahead of print.
  • C.A. Kidron, Being There Together: Dark Family Tourism and the Emotive Experience of Copresence in the Holocaust. In: Annals of Tourism Research, 41, 2013, p. 175-194.
  •  S. Liyanage, A. Coca-Stefaniak & R. Powell, Dark Destinations – Visitor Reflections from a Holocaust Memorial Site. In: International Journal of Tourism Cities, 1(4), 2015, p. 282-298.
  • J. Nawijn, M. Brüggemann & O. Mitas, The Effect of Sachsenhausen Visitors’ Emotions on Meaning and Word-of-Mouth. In: Tourism Analysis, 22(3), 2017, p. 49-359.
  • J. Nawijn & M.C. Fricke, Visitor Emotions and Behavioral Intentions: The Case of Concentration Camp Memorial Neuengamme. In: International Journal of Tourism Research, 17(3), 2015, p. 221-228.
  • J. Nawijn, R.K. Isaac, K. Gridnevskiy & A. van Liempt, Holocaust Concentration Camp Memorial Sites: An Exploratory Study into Expected Emotional Response. In: Current Issues in Tourism, 21(2), 2018, p. 175-190.
  • J. Nawijn, R.K. Isaac, A. van Liempt & K. Gridnevskiy, Emotion Clusters for Concentration Camp Memorials. In: Annals of Tourism Research, 61, 2016, p. 244-247.
  • T.P. Thurnell-Read, Engaging Auschwitz: An Analysis of Young Travellers’ Experiences of Holocaust Tourism. In: Journal of Tourism Consumption and Practice, 1(1), 2009, p. 26-52.

Foto bovenaan artikel

Toeristen staan in de rij om Auschwitz I binnen te gaan. Adrian Grycuk op Wikimedia Commons (CC BY-SA 3.0 PL)

De Syrische oorlogsgeneratie

Het slaperige Oost-Syrische stadje Deir ez-Zor aan de Eufraat staat eigenlijk nergens bekend om. Grijze betonnen flats leunen tegen elkaar aan, stof en zand zijn alomtegenwoordig, de zon schijnt er genadeloos en de rivier stroomt loom door het centrum. Voor Armeniërs wereldwijd is de stad echter van groot belang: daar werden in 1915 hun voorouders heen gedeporteerd door de toenmalige Turkse overheid, om te sterven in de woestijn. In Deir ez-Zor stond om die reden tot een paar jaar terug het belangrijkste herdenkingsmonument van de Armeense genocide. Dit complex bevatte onder meer een kerk, een museum, een monument, een archief en een sarcofaag met de stoffelijke resten van veel slachtoffers van die genocide. Elk jaar op 24 april, de herdenkingsdag van de genocide, kwamen Armeniërs hier bijeen om de massale vernietiging van hun voorouders te gedenken.

Deir ez-Zor, april 2009: de 94ste herdenking van de Armeense genocide. Foto: Ashnag op flickr.com: CC BY-SA 2.0

Diepe indruk

In juli 2006 klopte ik aan de deur van dit imposante gebouw en herdacht op de binnenplaats in stilte de genocide, samen met de Armeense portier. Zeven jaar later werd Deir ez-Zor veroverd door Islamitische Staat (ISIS), dat een terreurbewind voerde in de stad. Een half jaar voor de honderdste herdenking, op 21 september 2014, omsingelde ISIS het complex en blies het op. De portier werd geëxecuteerd. Een gebeurtenis die mij doordrong van de kwetsbaarheid van het menselijk samenleven en daarom heeft aangezet tot het doen van grondig onderzoek naar de geschiedenis van geweld in Syrië.

Het herdenkingsmonument in Deir ez-Zor na de vernietiging door ISIS in 2014. Foto: Het Syrische leger.

Syrian Oral History Project

De geschiedenis van de Syrische catastrofe moet nog geschreven worden, wat nog zeker decennia gaat duren. Beetje bij beetje komt onderzoek hiernaar op gang. Het NIOD speelt hier een belangrijke rol in met een groot interviewproject, dat in 2017 is gestart en dat in 2018 echt van de grond komt. Voor dit project worden ooggetuigen van de Syrische oorlog, vervolgingen en massamoorden geïnterviewd. Het doel is om beter inzicht te krijgen in buitengewoon complexe processen van massaal geweld. Dergelijk geweld is immers niet alleen iets uit het verleden, maar een van de meest dringende wereldwijde problemen van onze tijd, en verdient daarom blijvende academische aandacht. Het collectieve Syrische geheugen kan niet in nauwe zin worden opgevat als puur Syrische of Midden-Oosterse geschiedenis, maar kan een aantal cruciale kwesties in geweldonderzoek verduidelijken: van plundering tot victimisatie, polarisatie en verzoening, van religiositeit en secularisme, mobilisatie en demobilisatie tot georganiseerde misdaad en mensenhandel.

Overeenkomsten in plaats van verschillen

De Syrische catastrofe treft de hele wereld. In de afgelopen paar jaar zijn ook in Nederland duizenden Syrische vluchtelingen neergestreken, op de vlucht voor een oorlog die het levenslot van elke Syriër onomkeerbaar heeft beïnvloed. Al snel krijgen ze mee dat in politieke discussies en in de populaire beeldvorming allerlei vermeende culturele verschillen tussen henzelf en Nederlanders de ronde doen. Zo zouden Syriërs uit een heel andere cultuur komen en niets begrijpen van de Nederlandse samenleving en van Nederlandse historische ervaringen, in het bijzonder de Tweede Wereldoorlog. Maar wie onbevangen naar de in Nederland aangekomen Syriërs luistert en oog heeft voor de vergelijkbaarheid van levenservaringen, merkt dat ze erg veel gemeen hebben met de Nederlandse oorlogsgeneratie. Tijdens mijn interviews met Syrische vluchtelingen kom ik hiervan vele voorbeelden tegen. In alle verhalen over verzet, honger, angst en bombardementen zijn de gelijkenissen met de Tweede Wereldoorlog alom aanwezig.

Een ‘gewoon’ leven

“Waarom ziet Rotterdam er eigenlijk zo anders uit dan Amsterdam?”, vroeg een vriend uit Aleppo me een tijd terug. Ik wees hem op een Arabischtalige website over het bombardement van 14 mei 1940, waarop hij gevat antwoordde: “Ik ben dus van de ene verwoeste stad naar de andere verhuisd.” Hij was student in Aleppo toen een helikopter in 2014 een vatenbom dropte op het gebouw waar hij leefde. Hij vertelde mij dat hij werd bedolven onder de omvallende muren. Hij overleefde ternauwernood en moest zelf zijn uitpuilende oogbal terug in zijn oogkas drukken. Wat hij nu van het leven in Nederland verwachtte? “Gewoon,” antwoordde hij lankmoedig, “studeren aan de universiteit en wetenschapper worden.”

Over de auteur

 

Uğur Ümit Üngör

Uğur Ümit Üngör doceert geschiedenis aan de Universiteit Utrecht en is onderzoeker aan het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies.


Verder lezen

Garance Le Caisne, Operatie Caesar, Amsterdam: De Bezige Bij, 2016.

Jonathan Littell, Berichten uit Homs, Amsterdam: De Arbeiderspers, 2012.

Yassin al-Haj Saleh, The Impossible Revolution: Making Sense of the Syrian Tragedy, London: Hurst, 2017.

Samar Yazbek, Vrouw onder vuur: ooggetuige van de opstand in Syrië, Amsterdam: Nijgh & van Ditmar, 2013.


Foto bovenaan artikel: Het centrum van Rotterdam nadat alle puin van het bombardement van 14 mei 1940 is weggehaald, U.S. Defense Visual Information Center op Wikimedia Commons.

“Herdenkingen gaan altijd over de toekomst”

In gesprek met Jay Winter


De Eerste Wereldoorlog heeft een groot effect gehad op het verloop van de 20e eeuw en leidde tot een aantal herdenkingstradities die tot op de dag van vandaag voortduren. Dat is wellicht niet zo zichtbaar in Nederland, waar 1914-1918 een blinde vlek in het historisch bewustzijn genoemd kan worden, maar wel in de rest van Europa. Volgens historicus Jay Winter ontsteeg het herdenken van slachtoffers uit de Eerste Wereldoorlog van begin af aan afkomst en nationaliteit, en gaf het zelfs de aanzet tot de Europese gedachte.

Als het gaat om onderzoek naar de Eerste Wereldoorlog en de twintigste-eeuwse herinneringscultuur, kan je niet om het werk van Jay Winter heen. Winter is emeritus professor aan Yale University en schreef tal van boeken over de Eerste Wereldoorlog, de herinnering daaraan en de impact van 1914-1918 op de rest van de twintigste eeuw. Speciaal voor deze editie van WO2 Onderzoek uitgelicht over transnationaal herinneren sprak ik met Jay Winter over de herdenkingstradities van de Eerste en Tweede Wereldoorlog en ontwikkelingen die hem op dit terrein het meest opvallen.

Jay Winter. Foto: Chris van Houts 

Australische soldaten

Bij aanvang van ons gesprek benadrukt Jay Winter allereerst dat de herdenkingen van de Eerste Wereldoorlog al begonnen toen het conflict nog gaande was. De bevolking van de oorlogvoerende landen was zich zozeer bewust van het revolutionaire en vernietigende karakter van het conflict, dat groepen op lokaal niveau het initiatief namen om belangrijke episodes in het conflict te markeren en al tijdens de oorlog zo veel mogelijk overblijfselen verzamelden en bewaarden. Winter noemt deze eerste herinneringsgolf “bijzonder democratisch”, omdat het ging om initiatieven die vanuit burgers zelf voortkwamen.

Ander opvallend aspect: dat de herinnering aan het conflict van 1914-1918 in essentie transnationaal was. Winter: “De Eerste Wereldoorlog was een oorlog van wereldrijken en daarom transnationaal vanaf het begin.” De talloze Eerste Wereldoorlog-monumenten en herdenkingsplaatsen die verspreid zijn over de hele wereld, memoreren soldaten die van over de hele wereld kwamen. Zo vind je bijvoorbeeld in Frankrijk graven van Australische soldaten en zijn ook monumenten en herdenkingsplaatsen opgericht in de steden en dorpen waar deze soldaten vandaan kwamen. Deze materiële uitingen van transnationale herinnering zijn verbonden met hetzelfde verleden en verlies, maar bevinden zich op verschillende continenten.

Australische soldaten oefenen tijdens de Eerste Wereldoorlog het gebruik van gasmaskers. Foto: State Library of Queensland, Australia op Wikimedia Commons

Na het einde van de Eerste Wereldoorlog kwam de verantwoordelijkheid voor het organiseren van de herdenking van deze periode meer bij overheden te liggen, niet in het minst omdat de vele monumenten en begraafplaatsen moesten worden ontworpen, gebouwd en gefinancierd. De verantwoordelijkheid hiervoor lag onder meer bij de Imperial (nu: Commonwealth) War Graves Commission. Deze gaf op een zeer egalitaire manier vorm aan de laatste rustplaatsen van soldaten. De armste soldaten en de rijkste generaals en edellieden werden naast elkaar begraven, onder een zee van witte grafstenen: in de dood waren zij gelijk. Toch is de staat volgens Winter uiteindelijk nooit de dominante speler geworden in de herdenking van de Eerste Wereldoorlog. Nog altijd zijn families en lokale groepen op dit gebied de drijvende kracht.

Een oorlogsbegraafplaats in de Franse gemeente Villers-Bretonneux voor meer dan 700 Australische soldaten die stierven tijdens de Eerste Wereldoorlog. Het beheer van de plek is in handen van de Commonwealth War Graves Commission. Foto: Aspdin op Wikimedia Commons (CC BY-SA 3.0)

Ring of Remembrance

Een recent voorbeeld van een transnationaal Eerste Wereldoorlog-monument is de in 2014 onthulde Ring of Remembrance (Anneau de la Mémoire) in het Noord-Franse Ablain-Saint-Nazaire. Deze gigantische stalen ring ligt horizontaal op het landschap en draagt de namen van ruim een half miljoen slachtoffers uit 1914-1918. De namen die op de panelen van dit monument staan gegraveerd, zijn alfabetisch geordend op achternaam – niet op nationaliteit, religie of rang. Jay Winter noemt dit een “echt Europees”(oftewel: West-Europees) monument, waar het herdenken van de vele slachtoffers uit de Eerste Wereldoorlog afkomst en nationaliteit ontstijgt. Het monument heeft een functie voor de toekomst van Europa, meent Winter, omdat herinneren volgens hem altijd over de toekomst gaat.

“De Ring of Remembrance is de meest uitdrukkelijke transnationale herinneringsvorm die ik ken en het is een groot succes. Want dit monument gaat over Europa. Het gaat niet over Frankrijk, of over België. Het gaat over de toekomst.”

In zowel de herdenking van de Eerste Wereldoorlog als die van de Tweede, spelen namen van individuen een grote rol. Dit is volgens Winter een transnationaal fenomeen. Belangrijke overeenkomst tussen beide oorlogen en de conflicten die daarna volgden, is dat lichamen van slachtoffers door de toegenomen vernietigingskracht van vuurwapens soms compleet verdwenen en geen stoffelijke resten teruggevonden konden worden. “Oorlog veranderde van een vernietigingsmachine in een verdwijningshandeling”, aldus Winter. Dit is volgens hem van fundamentele invloed geweest op de herinneringscultuur rond conflicten en heeft ertoe geleid dat ook heden ten dage tijdens herdenkingen nog altijd veel nadruk wordt gelegd op namen van individuen. In veel gevallen is de naam immers alles wat overblijft. Dit element van de herinnering aan oorlog behandelt Winter uitgebreid in zijn meest recente boek, War Beyond Words.

De Ring of Remembrance in het Noord-Franse Ablain-Saint-Nazaire. Op de 500 vergulde panelen van 3 meter hoog staan de namen van 479.606 militairen uit 40 landen die in de regio stierven. Foto: Wernervc op Wikimedia Commons (CC BY-SA 4.0)

Burgerslachtoffers

De vele overeenkomsten daargelaten, zijn er volgens Winter ook een aantal belangrijke verschillen in de herdenkingstradities die na 1914-1918 en na 1939-1945 ontstonden. Allereerst was het feit dat een meerderheid van de slachtoffers tijdens de Tweede Wereldoorlog bestond uit burgers, bepalend voor de manier waarop het conflict herdacht werd. Na de Tweede Wereldoorlog was er niet alleen een generatie mannen verloren gegaan, maar waren ook hele bevolkingsgroepen weggevaagd. Winter noemt de genocide van de nazi’s op de Joden, de bombardementen op steden en de atoombom op Hiroshima.

De nadruk die wij in Nederland in 2018 leggen op de herdenking van het verzet – 2018 is zelfs het Jaar van Verzet – is ook een uiting van deze herinnering aan civiel leed. Het herdenken van burgerslachtoffers betekent dat in plaats van alleen militairen ook vrouwen, kinderen en ouderen die slachtoffer werden in beeld komen. Dit is een belangrijk verschil met de herdenking van de Eerste Wereldoorlog, die nog steeds sterk militair van karakter is.

Daarnaast heeft het einde van de Tweede Wereldoorlog de basis gelegd voor de wederopbouw van Europa, met als grondslag de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens in 1948. Winter noemt dit begin van ‘Judicial memory’ het fundament van de naoorlogse herinneringscultuur. Na 1945 zijn de grenzen aan nationale soevereiniteit opnieuw gewogen en werd op transnationaal niveau besloten dat geen enkele overheid de rechten van het eigen volk mag schenden zonder daarvoor bestraft te worden. Dat het Internationaal Gerechtshof in Den Haag politiek verantwoordelijken kan berechten als zij mensenrechten overschrijden en tot genocidaal geweld overgaan, ziet Jay Winter als een levend element van de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog. Hoewel er ook na de Eerste Wereldoorlog strafzaken liepen tegen oorlogsmisdadigers, leidden deze volgens Winter nergens toe.

“Judicial memory is een fenomeen van na de Tweede Wereldoorlog. Niets vergelijkbaars gebeurde na de Eerste Wereldoorlog.”

De eerste zitting van het Internationaal Gerechtshof in Den Haag op 18 april 1946. Prinses Juliana en prins Bernhard zijn als eregasten aanwezig. Foto: Peace Palace Library

’Radioactief’ martelaarschap

Een ander opvallend fenomeen dat Winter signaleert, is dat in veel West-Europese landen en ook binnen het Joodse geloof het concept van martelaarschap verdween. Dit was een direct gevolg van de omgang met hetgeen er tijdens de Holocaust gebeurd was. Martelaarschap hield in het Joodse geloof in dat men een keuze kon maken om het eigen leven te offeren om zo de naam van God te eren. Na de verschrikkingen van de genocide door de nazi’s kon dit concept echter niet meer fungeren als zingeving aan het grootschalige verlies, noch in het Joodse geloof, noch in Frankrijk, België en Groot-Brittannië. Het viel immers niet te geloven dat al die mensen en kinderen die vanwege hun geloof, afkomst, of seksuele geaardheid werden vervolgd en vermoord, daarin een keuze hadden.

Natuurlijk zien we, benadrukt Winter, dat martelaarschap in andere delen van de wereld nog wel springlevend is. Het concept is volgens Winter ‘radioactief’ in het Midden-Oosten. Hij meent dat we ISIS of Al Qaida niet kunnen begrijpen zonder het concept van martelaarschap in ogenschouw te nemen. Als je kijkt naar transnationale herinnering aan de conflicten van de 20e eeuw, speelt het wel of niet aanhangen van martelaarschap een grote rol.

“Er bestaat een grote splitsing in de wereld tussen landen die martelaarschap erkennen en martelaarsdagen kennen, zoals Turkije, en landen die dit concept niet erkennen. In heel West-Europa is het concept van martelaarschap verdwenen.”

Historici versus herinnering

Als ik Winter vraag naar de rol van overheden en historici in het publieke veld van herinnering, is hij daar stellig over:

“Alle overheden proberen herdenkingen te vervormen, om op die manier het onbevlekte verhaal van hun kant te presenteren en de heersende machtsposities en -verhoudingen te rechtvaardigen.”

Volgens Winter is het de taak van historici om de herinnering te toetsen aan de gedocumenteerde geschiedenis. Daarnaast dienen historici te erkennen dat herinneringen zo krachtig zijn dat deze het beeld van de geschiedenis kunnen bepalen, ook als het herinnerde niet met documenten kan worden ondersteund. In feite, stelt Winter, is geschiedenis herinnering bezien door de lens van documentatie, en herinnering geschiedenis bezien door de lens van gevoel.

“Op een bepaalde manier is het herinnerde altijd juist, omdat mensen het voelen. Maar waar het om geschiedenis gaat, zijn herinneringen niet altijd correct. Historici zitten dus in de waarheidshandel en moeten het als hun taak zien om herinneringen steeds aan documenten te toetsen, om zo te zien wat gevalideerd kan worden en wat terzijde moet worden geschoven. Historici zijn natuurlijk absoluut niet leidend in de herinneringscultuur rondom de twee wereldoorlogen. Wij zwemmen in een grote stroom die wij niet zelf hebben gecreëerd. Maar het is onze taak om de waarheid te verdedigen.”

De Eerste Wereldoorlog neemt maar een bescheiden plek in de Nederlandse historische cultuur in. Toch is het ook voor Nederlandse historici, zo laat Winter zien, enorm leerzaam om grondig te kijken naar de ontwikkelingen na 1918 en de effecten hiervan op de herinneringscultuur zoals die zich na 1945 heeft ontwikkeld. Dergelijk onderzoek biedt niet alleen nieuwe inzichten in het verleden, maar ook in het heden en wellicht zelfs de toekomst.

 

Over de auteur

 

Lucia Hoenselaars

Lucia Hoenselaars haalde haar master Publieksgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam en deed onderzoek naar de 100-jarige herdenking van de Eerste Wereldoorlog en de Nederlandse historische cultuur. Zij werkte eerder bij het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies en het Nationaal Comité 4 en 5 mei aan verschillende projecten.


Verder lezen

Jay Winter, War Beyond Words (2017)
Jay Winter, Remembering War (2006)
Jay Winter, Sites of Memory, Sites of Mourning (1995)
Ilse Raaijmakers, De Stilte en de Storm (2017)
David Crane, Empires of the Dead (2013)

Verder kijken

Een kort filmpje van de eerste zitting van het Internationaal Gerechtshof in Den Haag op 18 april 1946.

Foto bovenaan artikel: Gewonde Australische soldaten in de Eerste Wereldoorlog. Bron: State Library of Queensland, Australia op Wikimedia Commons.