Teruggegeven of weggegeven?

Kandinsky vertrekt uit het Stedelijk’, kopte NRC daags nadat de gemeente Amsterdam afstand deed van het schilderij Bild mit Häusern. De Restitutiecommissie had geoordeeld dat het werk mocht blijven, maar het museum gaf het alsnog weg aan de claimanten. De podcastserie Hier hing een schilderij dook in de zaak en de vragen die deze oproept.

Het besluit van het Stedelijk Museum Amsterdam om afstand te doen van Kandinsky’s Bild mit Häusern werd in februari 2022 bekendgemaakt op een persconferentie. Voor journalist Pieter van Os was het bericht reden voor een diepgravend onderzoek. Samen met podcastmaker Emmie Kollau startte hij met het maken van de podcastreeks Hier hing een schilderij. Hierin staat één casus symbool voor de complexe wereld van naziroofkunst en restitutie in Nederland. De podcastserie combineert journalistiek speurwerk met persoonlijke reflecties en maakt zo een vaak juridisch en specialistisch ingestoken thema toegankelijk.

Roofkunst uit de Tweede Wereldoorlog is onmiskenbaar maatschappelijk relevant. Het raakt niet alleen aan kwesties van eigendom en recht, maar ook aan herinneringscultuur en trauma. Podcasts spelen op dit gebied een groeiende rol: zij maken het verleden hoorbaar en tastbaar voor een breed publiek, en leggen verbanden tussen historische feiten en hedendaagse ethiek. Maar wat gebeurt er wanneer morele ernst en mediavorm elkaar raken? Juist in dat spanningsveld begeeft Hier hing een schilderij zich. De serie is even zorgvuldig als meeslepend, maar roept ook vragen op over de balans tussen waarheidsvinding en vertelplezier. Niet iedereen was daarvan gecharmeerd. Cabaretier Micha Wertheim bijvoorbeeld vond de podcast te lichtvoetig en te weinig moreel uitgesproken. In mijn ogen maakt die spanning tussen toegankelijkheid en diepgang en tussen popularisering en ethische verantwoordelijkheid deze podcast juist interessant.

Het dossier-Kandinsky

Wassily Kandinsky schilderde Bild mit Häusern in 1909. Het doek markeert volgens kunsthistorici de overgang van figuratieve naar abstracte kunst. Ruim een eeuw later claimden twee partijen dit werk: de erfgenamen van Irma Klein en de kinderen van Robert Lewenstein. Die dubbele aanspraak wordt begrijpelijk als je weet hoe het schilderij van eigenaar wisselde.

Emanuel Lewenstein, Roberts vader, kocht het werk rond 1923 voor circa 500 gulden.1 Na zijn overlijden erfden Robert en zijn zus Wilhelmine het werk. In 1933 trouwde Robert met Irma Klein in gemeenschap van goederen. Zo werd Klein mede-eigenaar. Een moeizame scheiding (die pas in 1944 officieel werd uitgesproken) noopte Klein het werk in oktober 1940 – samen met enkele andere doeken – naar de veiling te brengen. Althans, dat is een van de aannames. Er zijn geen documenten die duidelijk maken waarom Klein de schilderijen verkocht, laat staan of dat motief een gevolg was van de Duitse bezetting. Het Stedelijk Museum kocht de Kandinsky vervolgens op de veiling voor circa 160 gulden, een bedrag dat volgens de podcast niet hoog maar ook niet extreem laag was voor die tijd.2

De verkoopgeschiedenis zoals hier geschetst leidde tot de twee groepen claimanten. Enerzijds de nazaten van Irma Klein, die na de oorlog haar pleegzoon tot haar erfgenaam had benoemd. Die pleegzoon was in 1983 gestorven, maar diens echtgenote Elsa Guidotti leefde nog wel. Zij was officieel Kleins erfgenaam, maar eentje die dus geen bloedband met ‘tante Irma’ had. Anderzijds waren daar de twee kinderen van Robert Lewenstein, geboren uit een later huwelijk met de vrouw voor wie hij Irma verliet.

Robert Lewenstein Foto: privé archief

Oorlogsdruk of niet?

Aanvankelijk waren beide families zich nauwelijks bewust van hun mogelijke rechten, totdat de Canadese bemiddelaar James Palmer hen in 2013 “als Sneeuwwitjes wakker kuste”, zoals Pieter van Os het snedig verwoordt.3 Palmer benaderde hen namens zijn bedrijf Mondex, gespecialiseerd in de restitutie van roofkunst. Het vraagstuk dat aan de basis lag van de claims die zij uiteindelijk indienden (en van de uiteindelijke juridische en morele discussie of restitutie geboden was) draaide in de kern hierom: was de verkoop in 1940 een vrije transactie, of vond die plaats onder directe of indirecte oorlogsdruk en persoonlijke omstandigheden die de geldigheid van de verkoop betwistbaar maken?

De claim werd door de betrokken partijen – de claimanten en de gemeente Amsterdam als formeel eigenaar van de collectie van het Stedelijk Museum – voorgelegd aan de Restitutiecommissie. Dit is de onafhankelijke adviescommissie van de Nederlandse overheid die verzoeken beoordeelt tot teruggave van cultuurgoederen die tijdens de Tweede Wereldoorlog geroofd of onvrijwillig verkocht zijn. Deze commissie concludeerde in 2018, na vijf jaar onderzoek, dat restitutie niet nodig was. Er was onvoldoende bewijs dat Klein het schilderij door directe nazidreiging had geveild, Klein had na de oorlog nooit aanspraak gemaakt op het schilderij, de erfgenamen hadden geen emotionele band met het werk en het Stedelijk Museum had te goeder trouw gekocht.4 De commissie had zich bij haar oordeel gebaseerd op de regel dat bij twijfel het belang van de erfgenamen én het belang van een werk voor een openbare kunstcollectie tegen elkaar kunnen worden afgewogen. Een daaropvolgende rechtszaak, aangespannen door Palmer, bevestigde dit oordeel in het nadeel van de claimanten.5

Irma Klein. Foto: collectie CBG

Het rapport-Kohnstamm

Toch keerde de zaak, na een evaluatie van het restitutiebeleid door de Commissie-Kohnstamm. Deze evaluatie had op zich niets te maken met de casus-Kandinsky, maar vloeide voort uit eerder gemaakte Kamerafspraken. Wel was het inmiddels zo dat de Restitutiecommissie veel kritiek te verduren kreeg sinds de uitspraak dat de Kandinsky in het Stedelijk mocht blijven. Het rapport van de Commissie-Kohnstamm verscheen in december 2020, kort voor de uitspraak van de rechter in de zaak die Palmer na afwijzing van de claim had aangespannen. Het rapport pleitte voor een ruimhartiger benadering. Het pleitte bovendien voor het afschaffen van de regel die het mogelijk maakt het belang van een werk voor de openbare kunstcollectie mee te wegen. Het evaluatierapport was voor Alfred Hammerstein, voorzitter van de Restitutiecommissie, aanleiding om op te stappen.

In maart 2021 maakte minister van Cultuur Ingrid van Engelshoven bekend dat de overheid de aanbevelingen van de Commissie-Kohnstamm zou overnemen en voortaan ruimhartiger zou restitueren. Erfgenaam Elsa Guidotti maakte deze beleidswijziging niet meer mee; zij overleed een maand eerder. Haar drie kinderen werden de nieuwe erfgenamen. Mogelijk speelde dit mee in het besluit van de gemeente Amsterdam om een herbeoordeling door de commissie ‘nieuwe stijl’ niet af te wachten. Zo’n traject kon immers opnieuw jaren duren, en dat vond wethouder Touria Meliani onverteerbaar: “Het is de afgelopen jaren te weinig over de slachtoffers gegaan en te veel over het systeem waarin teruggave van roofkunst is geregeld. Ik heb daar een ongemakkelijk gevoel van.” De gemeente besloot daarom op 27 februari 2022, zonder dat daar een nieuwe uitspraak van de Restitutiecommissie aan voorafging, het schilderij op eigen initiatief te restitueren.

Nog geen jaar later werd Bild mit Häusern geveild bij een veilingshuis, waar het voor zestig miljoen van eigenaar wisselde. De opbrengsten kwamen ten goede aan drie partijen: de erven Klein, de twee kinderen van Lewenstein en een flink bedrag ging naar Mondex, het bedrijf van James Palmer, als vergoeding voor hun bemiddeling in deze zaak. Daarmee kreeg de zaak een ironische wending: wat bedoeld was als een moreel herstelgebaar, eindigde in een commerciële transactie. Voor velen, onder wie Pieter van Os, bevestigde dit het ongemak rond de beslissing van de gemeente. De term weggegeven, die hij tegenover teruggegeven plaatst, krijgt in dit licht extra betekenis. Het lijkt er door de gang van zaken –  het snelle verhandelen van dit stuk verleden – op alsof de familie waarnaar het schilderij terugkeerde er niet zo’n directe of hechte band mee had. Natuurlijk betekent  het feit dat de erfgenamen het werk verkochten an sich niet dat het hun emotioneel niets zei. Het suggereert wel dat economische of praktische overwegingen zwaarder wogen dan het bewaren ervan. In de keuze die zij hiermee maakten schuilt natuurlijk iets wezenlijks van restitutie: het recht om zélf te beslissen over teruggegeven erfgoed. Tegelijkertijd doet dit alles het morele perspectief verschuiven van herstel van onrecht naar de bredere vraag wat rechtvaardigheid eigenlijk inhoudt.

Nuances

Wat de podcast over deze zaak de moeite waard maakt, is dat hij een juridische en politieke speurtocht verbindt met persoonlijke reflecties van de makers. Van Os’ behoefte aan een zorgvuldige weging door de vernieuwde restitutiecommissie biedt de luisteraar een menselijke ingang tot deze complexe casus, net als de manier waarop de andere maker, Emmie Kollau, haar kijk op recht, eigendom en morele verantwoordelijkheid gaandeweg bijstelt en verantwoordt. Zo vertellen beiden dat ze aanvankelijk moeite hadden met het idee dat de erfgenamen nauwelijks familiebanden hadden met de oorspronkelijke eigenaar, maar dat ze gaandeweg zijn gaan inzien hoe beperkt die gedachte is wanneer generaties zijn weggevaagd en familiebanden juist door vervolging zijn verbroken. Restitutie is volgens Kollau dan ook niet slechts een juridische kwestie, maar een proces van bewustwording, empathie, zorgvuldigheid en ethische keuzes. En van tijdgeest, zo stelt ze, omdat niet meer louter juridisch naar slachtoffers en compensatie wordt gekeken, maar ook naar machtsverhoudingen en de vraag wie over deze zaken mag beslissen.6

De podcast kreeg veel lof, maar er kwam ook openlijke kritiek. In een bespreking op NPO Radio 1 plaatste cabaretier en columnist Micha Wertheim kanttekeningen bij Hier hing een schilderij. Zijn voornaamste punt was dat de serie te oppervlakkig bleef in de behandeling van de morele vragen rond roofkunst en restitutie. Volgens Wertheim durfden de makers geen duidelijke positie in te nemen: zij presenteerden de gebeurtenissen vooral als een spannend verhaal en vermeden het expliciet formuleren van een ethisch oordeel. De toon was te veel gericht op luisterplezier. Door de zoektocht naar het schilderij te framen als een soort true crime-verhaal, zou de podcast volgens hem eerder mikken op vermaak dan op scherpe analyse. Dat levert wel een meeslepend luisterproduct op, maar doet volgens Wertheim afbreuk aan de zwaarte van de thematiek. De oorlog en de roof van Joodse kunst zijn, zo stelde hij, geen decor voor verhalend amusement. Tot slot ergerde hij zich aan de opmerking van Van Os in aflevering 1 die zich hardop afvraagt waarom er bij de claimanten na de restitutie geen feeststemming heerste. Wertheim merkte op dat als er wél feest gevierd was, dat waarschijnlijk óók verkeerd uitgelegd zou zijn.7  Alsof vreugde zich überhaupt zou verdragen met het verlies en onrecht dat aan de basis van deze hele kwestie ligt. Een gevoel van overwinning past nu eenmaal slecht bij het leed en de leegte die de Holocaust heeft nagelaten en dat besef hangt als een grauwe sluier boven iedere vorm van restitutie.

Wat volgde was een kleine polemiek waarbij de makers ingingen op de kritiek van Wertheim, die weer leidde tot een milde rectificatie van Wertheim op diens website, maar waarbij hij vasthield aan zijn voornaamste kritiek: vooringenomenheid van de makers en te weinig tegengeluid van voorstanders van restitutie. Zijn kritiek raakt aan een bredere discussie over de popularisering van geschiedschrijving. Waar wetenschappers en critici vaak de nadruk leggen op nuance, context en analytische diepgang, kiezen makers van publieksmedia veelal voor toegankelijkheid, spanning en emotionele betrokkenheid. Wertheims opmerkingen passen in dat debat: wanneer wordt geschiedenis ‘populair’ op een manier die onrecht doet aan haar complexiteit, en wanneer is popularisering juist een legitieme en noodzakelijke stap om een breed publiek te bereiken?

Bild mit Häusern. Foto: Stedelijk Museum Amsterdam

Tussen procedure en moreel besef

Dat de restitutie van Bild mit Häusern een complexe zaak is, zowel in juridische zin als in ethisch-maatschappelijke zin, wordt de luisteraar echt wel duidelijk. Het medium podcast biedt ruimte om in maar liefst acht afleveringen van elk 40 à 45 minuten alle paadjes af te lopen die met de zaak te maken hebben. En laten we eerlijk zijn: de populariteit van het medium en het true crime-karakter van het verhaal dragen er zeker aan bij dat een krant als NRC het ook de moeite waard vindt om die acht afleveringen te financieren. Maar na al die details, omwentelingen en zijpaadjes pellen de makers in de laatste aflevering hun onderzoek af tot de kern: de Nederlandse overheid heeft in 2001 een instituut in het leven geroepen dat het mandaat heeft om over restitutiezaken te oordelen. Dit instituut is geëvalueerd en het beleid is daarna bijgesteld en vooral empathischer geworden. Deze wijziging speelde tijdens de zaak met de gemeente Amsterdam over de Kandinsky. De gemeente had de zaak daarom, volgens Van Os, moeten laten beoordelen door de restitutiecommissie ‘nieuwe stijl’. Maar besloot dat niet te doen. Juist dáár ligt volgens hem het principiële probleem: niet zozeer dat de gemeente een ruimhartig gebaar maakte, maar dat zij daarbij een onafhankelijke instantie passeerde. In zijn ogen raakt dat aan iets groters: het gemak waarmee instituties worden omzeild zodra hun oordeel niet uitkomt.

De podcast Hier hing een schilderij laat zien hoe één kunstwerk symbool kan staan voor de spanningen tussen recht en rechtvaardigheid, tussen procedure en moreel besef. Door historisch onderzoek te combineren met persoonlijke stemmen en reflectie maakt de serie invoelbaar hoe ingewikkeld het is om in het heden recht te doen aan het verleden. Of het schilderij uiteindelijk is teruggegeven of weggegeven blijft onderwerp van debat. Maar juist dat open einde onderstreept de waarde van de podcast: hij confronteert de luisteraar met de vraag wat rechtvaardigheid betekent wanneer het verleden geen sluitende antwoorden biedt.


Over de auteur

Monique Brinks

Monique Brinks (1973) is historica en is bij WO2Net verantwoordelijk voor Publieksbereik en Innovatie. Daarvoor was zij onder meer projectmanager Tentoonstellingen bij het Nationaal Militair Museum (2018-2024). Voor het Herinneringscentrum Kamp Westerbork was ze projectleider van het museum in Potocari, waar de genocide in Srebrenica vanuit meerdere perspectieven wordt getoond (2014-2028). Ook schreef ze een vierdelig standaardwerk over het Scholtenhuis, de Groningse zetel van de Sicherheitsdienst (2008-2015) inclusief een virtuele reconstructie van het Scholtenhuis (2009).


Noten

1 Bindend advies inzake het geschil over de teruggave van het schilderij ‘Bild mit Häusern’, door Wassily Kandinsky, thans in het bezit van de gemeente Amsterdam, Restitutiecommissie (Amsterdam 22 oktober 2018) 5.

2 Het Parool stelde echter dat de waarde in 1940 tussen de 2000 en 3000 gulden lag. ‘Gemeente: Stedelijk Museum moet schilderij Kandinsky teruggeven aan erfgenamen’, Het Parool, 26 augustus 2021.

3 Hier hing een schilderij, aflevering 1.

4 Dit terwijl Klein na de oorlog nog wel andere kunstwerken als bruikleen aan het Stedelijk heeft gegeven en er dus over haar kunst in het algemeen nog wel contact was. Bindend advies, Restitutiecommissie, 7.

5 Afd. Privaatrecht, 16-12-2020, ECLI: NL: RBAMS: 2020: 6277.

6 Hier hing een schilderij, aflevering 8.

7 Ibidem.


Afbeelding bovenaan artikel

Cover van de podcast Hier hing een schilderij. Bron: NRC.

De Holocaust in hashtags

Sociale-mediaplatforms als Instagram en TikTok hebben zich in de afgelopen vijf jaar tot nieuwe spelers in het onderwijsveld ontwikkeld. Korte uitlegvideo’s weten duizenden en soms miljoenen gebruikers te boeien. Hoe kunnen WO2-erfgoedinstellingen sociale media gebruiken voor Holocausteducatie, zonder de complexiteit en gelaagdheid van het onderwerp te verliezen? Tessa Bouwman onderzoekt deze vraag aan de hand van twee internationale onderzoeksrapporten uit 2023 en 2024.

In 2023 verscheen Recommendations for using social media for Holocaust education and memory, een onderzoek onder professionals in de WO2-erfgoedsector uitgevoerd door de Universiteit van Sussex. De publicatie legt de vinger op de zere plek: er is een spanningsveld tussen de frivole en snelle aard van sociale media en de complexiteit van de Holocaust. Toch bestaat er inmiddels ook consensus over het belang van een actieve aanwezigheid in de onlinewereld. Dat is een interessante ontwikkeling ten opzichte van 2014. Toen publiceerde de International Holocaust Research Infrastructure (IHRA) nog richtlijnen voor het gebruik van sociale media die vooral gebaseerd waren op angst voor controleverlies. Natuurlijk is die kritische blik belangrijk, maar deze kan ook beperken en nieuwe vormen van kennisoverdracht en dialoog in de weg staan.

Want kansen zijn er genoeg. Zo is digitale inhoud ook toegankelijk voor bezoekers die niet naar een fysieke locatie kunnen komen, bieden sociale media de mogelijkheid om snel verbindingen te leggen met inhoud van andere organisaties en nodigen digitale platformen uit tot participatie en co-creatie. Ook kunnen gebruikers via sociale media op een relatief makkelijke en laagdrempelige manier het gesprek met erfgoedinstellingen opzoeken en inhoudelijke of praktische vragen stellen. Tijdens de lockdowns in de covid-pandemie waren er bijvoorbeeld verschillende Duitse herinneringscentra die live-rondleidingen via Instagram of YouTube aanboden, om de historische plekken voor bezoekers toegankelijk te houden. Daarnaast begonnen vanaf 2021 steeds meer musea en andere erfgoedinstellingen actief videocontent voor Instagram en TikTok te produceren.

Recommendations for using social media for Holocaust memory and education. Bron: The Digital Holocaust Memory Project.

Gelaagde aanpak

In het sociale-medialandschap zijn de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust alomtegenwoordig, net als andere complexe historische en politieke thema’s. Voor gebruikers zijn deze net zo goed onderdeel van hun ervaring in de digitale ruimte als lichtere kost. Voor het in 2024 verschenen Social Media Concept – Virtualisation and Multimodal Exploration of Heritage on Nazi Persecution van het Europese samenwerkingsproject MEMORISE werd onderzoek gedaan naar verschillende vormen van videocontent. Zowel studenten als scholieren werden hier actief bij betrokken. Het rapport maakt duidelijk dat de manier waarop de inhoud het beste kan worden gepresenteerd, verschilt per platform. In het rapport wordt onder meer ingegaan op TikTok, dat zich vooral leent voor korte, snelle video’s. Gebruikmakend van fenomenen uit andere niches, zoals BookTok (een zeer actieve community die boekentips en andere zaken rondom boeken deelt), kunnen op TikTok gericht kleine porties informatie worden gepresenteerd. Ook uitlegvideo’s, waarin complexe onderwerpen worden ontleed en uitgelegd, zijn populair op zowel Instagram als TikTok.

Daarnaast kan het zinvol zijn om na te denken over formats waarin activiteit op sociale media wordt gecombineerd met verdiepende informatie op andere kanalen, of waarin inhoud op sociale media als verrijking van een fysiek bezoek aan een museum of historische plek fungeert. Door deze meer gelaagde aanpak te hanteren, kunnen verschillende doelgroepen met uiteenlopende informatiebehoeften worden bediend, maar wordt toch zo min mogelijk afbreuk gedaan aan de historische complexiteit.

Betrouwbaar en drempelverlagend

Wanneer je als erfgoedinstelling actief wordt op platformen als Instagram en TikTok, is het zaak vooraf doelstellingen te formuleren, zo laten de twee onderzoeken zien. Gaat het vooral om zichtbaarheid en het aantrekken van bezoekers? Ligt de focus op het verdiepen van de bezoekerservaring door het aanbieden van extra informatie over collectieobjecten, tentoonstellingen of andere elementen die zich op de historische plek bevinden? Gaat het om een actief geluid tegen Holocaustontkenning, antisemitische inhoud of andere zaken? Het MEMORISE-onderzoek benadrukt daarnaast het belang van het vinden van de juiste toon: niet belerend en bestraffend, maar benaderbaar en betrouwbaar.

Naast het bepalen van de doelstellingen, is het nadenken over interactie essentieel. Als de wens bestaat om door aanwezigheid op sociale media een dialoog met doelgroepen te starten, moet er ruimte en tijd gemaakt worden voor het beantwoorden van vragen, het monitoren van reacties en het inventariseren van wensen en behoeften. De bevraagde professionals geven aan dat er binnen hun organisaties vaak nog onvoldoende kennis is over digitale ontwikkelingen, de specifieke regels en logica van sociale media en bijvoorbeeld het functioneren van algoritmes. In beide onderzoeken wordt beschreven hoe het verzamelen van best practices en nauwe samenwerking met collega’s in het werkveld voor meer zekerheid kunnen zorgen. Workshops waarin gezamenlijk aan inhoud wordt gewerkt en waar dilemma’s en uitdagingen kunnen worden besproken, zijn hierbij een mogelijke werkvorm.

Natuurlijk is ook het creëren van passende inhoud van belang. Voor musea en erfgoedinstellingen die sociale media willen gebruiken voor educatieve doeleinden, bieden beide onderzoeken een aantal ideeën voor mogelijke inhoud. Zo zou het goed werken om bekende personen als Anne Frank als ‘ingang’ te gebruiken om gebruikers kennis te laten maken met nieuwe, verrassende informatie. De scholieren die werden bevraagd in het MEMORISE-onderzoek benadrukken de kracht van persoonlijke verhalen. De inhoud moet bezoekers op hun emotie aanspreken, maar wel historisch accuraat zijn. Dit werkt het beste met de inzet van persoonlijke getuigenissen en het kiezen van thematiek die aansluit op de leefwereld van jonge doelgroepen. Deze aanpak lijkt niet veel te verschillen van educatieve doelstellingen op de historische plekken zelf. Ook hier worden jongeren vaak met verhalen van leeftijdsgenoten in contact gebracht, om zo makkelijker een verbinding met de complexe geschiedenis te kunnen maken.

#IchBinSophieScholl. Bron: SWR

Tussen feit en fictie

Om te laten zien dat het bewaren van de balans tussen authentieke persoonlijke verbinding en betrouwbare historische context uitdagend kan zijn, worden in de onderzoeken enkele voorbeelden van sociale-mediaprojecten genoemd. In het Instagramproject Eva.Stories1 konden gebruikers kennismaken met de 13-jarige Hongaars-Joodse Eva Heyman. Zij hield tijdens de invasie van Hongarije door Duitsland een dagboek bij, dat inzicht geeft in de impact van oorlog op een tiener. Door het beantwoorden van vragen en het reageren op inhoud, zouden jonge gebruikers een emotionele verbinding opbouwen met Eva, waardoor ze de historische informatie met hun eigen leefwereld kunnen verbinden. Eenzelfde soort insteek werd gekozen door de makers van #IchBinSophieScholl2, een Duitse mediaproductie waarin het verhaal van de Duitse verzetsgroep Die Weiße Rose en de studente Sophie Scholl centraal stond.

Hoewel beide projecten miljoenen volgers wisten te bereiken, was er veel kritiek op de geveinsde authenticiteit en de onduidelijkheid over de grenzen tussen feit en fictie. Zo bleek de redactie van het Sophie Scholl-project het soms niet zo nauw te hebben genomen met de waarheid en werden slechts sporadisch en pas na opmerkingen van kritische gebruikers bronvermeldingen toegevoegd.3

Door de bevraagden in het MEMORISE-onderzoek wordt daarnaast benadrukt dat het professionele en filmische karakter van Eva.Stories en #IchBinSophieScholl juist tot minder verbinding en interesse leidt. Audiovisuele inhoud waarin een betrouwbare verteller (zoals een medewerker van een museum, een journalist of een historicus) een specifiek onderwerp, een biografie of een object uitlicht, heeft meer impact. Een voorbeeld hiervan is het account Keine.Erinnerungskultur.4 Onder die naam deelt de Duitse journalist Susanne Siegert sinds 2020 uitlegvideo’s op Instagram en TikTok. De bevraagden waarderen de verbinding van historische thema’s aan actuele maatschappelijke debatten en de manier waarop de verteller gebruikers direct aanspreekt en meeneemt in haar verhaal.

Keine.Erinnerungskultur. Bron: Susanne Siegert

Miljoenen views

De genoemde onderzoeken richten zich veelal op de Duitse, Britse en Amerikaanse context en zijn inmiddels al wat verouderd, waardoor Nederlandse voorbeelden ontbreken. Inmiddels zijn er in het Nederlandse WO2-erfgoedveld ook voorbeelden van educatie op TikTok. Zo plaatst het Oorlogsmuseum Overloon5 regelmatig video’s waarin naast militair-historische inhoud ook aan de Holocaust gerelateerde thema’s worden behandeld. Een video over de anti-Joodse maatregelen, geplaatst in oktober 2024, werd ruim 35.000 keer bekeken. Een blik in de reacties op de video’s laat zien dat het museum het contact met kijkers opzoekt en vragen beantwoordt.

Ook het Anne Frank Huis is actief op het platform en plaatst Engelstalige video’s die zich richten zich op een internationaal publiek. Ze worden in sommige gevallen meer dan een miljoen keer bekeken. De eerdergenoemde bekendheid van Anne Frank lijkt hier een factor voor het goede bereik. Sinds april 2025 is de Anne Frank Stichting ook actief met Nederlandstalige inhoud, waarin duidelijk een jongere doelgroep wordt aangesproken. Enkele video’s zijn door tienduizenden gebruikers bekeken. Interactie lijkt op dit account nog niet structureel plaats te vinden.

Experimenteren met oog voor ethische grenzen

Omdat de ontwikkelingen in de digitale wereld razendsnel gaan, is een zekere vorm van flexibiliteit, creativiteit en durf onmisbaar. Om de gewenste doelgroepen te bereiken kan het helpen om actuele trends wat betreft het gebruik van achtergrondmuziek, beeldtaal of hashtags te volgen. Erfgoedinstellingen zullen daarbij meer dan eens worden geconfronteerd met morele dilemma’s wat betreft de bruikbaarheid van vertelvormen die op sociale media gebruikelijk zijn, zoals memes en challenges.6 Hierbij helpt het om een open gesprek te voeren met gebruikers, bijvoorbeeld rondom het gebruik van humor en populaire cultuur in combinatie met de Holocaust. Ga de dialoog aan en benader je gebruikers als gelijkwaardige gesprekspartner.

Daarnaast kunnen erfgoedprofessionals de handen ineenslaan en samenwerking opzoeken met meer gevestigde influencers en educatieve platforms. Gezamenlijke campagnes zorgen voor meer zichtbaarheid en geloofwaardigheid en dragen bij aan een breder maatschappelijk draagvlak.7 Het succes hangt daarbij zeker niet alleen af van kwantiteit, maar vooral van de kwaliteit van de interactie en het vertrouwen dat wordt opgebouwd bij gebruikers en volgers. In het MEMORISE-onderzoek wordt in die context het belang van consistente en herkenbare communicatie genoemd. Zo kan er bijvoorbeeld een stijlgids worden gemaakt, waarin afspraken over taalgebruik en de correcte verwijzing naar bronnen worden opgenomen.

Natuurlijk zullen er telkens nieuwe vragen naar boven komen. Want hoe verhouden we ons tot mediagiganten en hun algoritmen? Hoe geloofwaardig zijn we als museum of erfgoedinstelling als we aanwezig zijn op platformen die gemarginaliseerde stemmen en bepaalde thema’s actief in de schaduw proberen te plaatsen? Hoe gaan we om met het almaar groeiende gebruik van AI en de impact die dit heeft op authenticiteit en storytelling? Om deze en eerder opgeworpen vragen het hoofd te kunnen bieden, zo benadrukken de onderzoeksrapporten, moeten musea en erfgoedinstellingen continu blijven reflecteren op hun benadering van sociale media en andere digitale ontwikkelingen. Door regelmatig te evalueren wat wel en niet werkt, kunnen zij inspelen op veranderende behoeften en verwachtingen. Het experimenteren met nieuwe formats, het samenwerken met collega’s in de WO2-erfgoedsector én de bereidheid om risico te nemen dragen bij aan een dynamische, maar verantwoordelijke online aanwezigheid.


Over de auteur

Tessa Bouwman

Tessa Bouwman (1993) is historicus en digitaal strateeg. Ze werkte van 2016 tot 2022 in het herinneringscentrum Bergen-Belsen in Duitsland, waar ze zelf actief bijdroeg aan Holocausteducatie op sociale media. Sinds 2023 werkt ze als digitaal conservator bij het Herinneringscentrum Kamp Westerbork.


Noten

1 Instagramaccount van het project Eva.Stories: https://www.instagram.com/eva.stories/?hl=en.

2 Instagramaccount van het project #IchBinSophieScholl: https://www.instagram.com/ichbinsophiescholl/.

3 Nora Hespers, Sophie Scholl als Insta-Freundin: das heikle Spiel mit einer historischen Figur, Uebermedien (2021).

4 TikTok-account van Keine.Erinnerungskultur, https://www.tiktok.com/@keine.erinnerungskultur.

5 TikTok-account van het Oorlogsmuseum Overloon, https://www.tiktok.com/@oorlogsmuseum_overloon.

6 Een meme is een vorm van internethumor, waarbij een foto of video wordt bewerkt die via het internet van persoon naar persoon wordt gestuurd. Een challenge is een specifieke opdracht (bijvoorbeeld in de vorm van een dansje of een specifieke manier van filmen) die door verschillende gebruikers wordt uitgevoerd. In 2020 zorgde de zogenaamde #HolocaustChallenge op TikTok nog voor ophef in het erfgoedveld.

7 Voorbeelden van dergelijke campagnes zijn #WeRemember (geïnitieerd door World Jewish Congress rondom 27 januari, Holocaust Memorial Day) en #GeradeJetzt (samenwerking van vooral Duitse herinneringscentra in het voorjaar van 2025, rondom 80 jaar bevrijding).


Foto bovenaan artikel

Het Instagram-kanaal van de United States Holocaust Memorial Museum. Bron: United States Holocaust Memorial Museum.

Het over(heids)gewicht van de nationale herinnering

“Auschwitz is dood”, schreef David Wertheim onlangs. Hij doelde op het afnemende vermogen van de herinneringscultuur om onze samenleving als gedeeld moreel ijkpunt te verbinden.1

Terwijl Wilders’ hoofdlijnenakkoord nog eens aanzet om Holocausteducatie bij de inburgering te bevorderen, zinkt velen de moed in de schoenen: “We moeten constateren dat extra aandacht voor de Holocaust niet meer werkt, en zelfs een onderdeel van het probleem wordt gevonden”, schrijft Wertheim. Volgens hem ligt dit aan de politisering van het herdenken: “De pijnlijke waarheid is dat met een offensief voor meer kennis over de Holocaust geen einde zal komen aan deze politisering.”

Daar is weinig tegenin te brengen. Maar het lijkt me naïef om te denken dat deze herinneringscultuur niet altijd politiek is geweest. We zien dit nu alleen veel beter door de confrontatie met andere politieke frames, zoals die van de pro-Palestijnse demonstranten en van rechtspopulisten.

De toegangspoort van Auschwitz Birkenau. Bron: Bookofblue op Wikimedia Commons (CC BY-SA 3.0)

Auschwitz als tegenverhaal

Ons Holocaustgecentreerde herinneringslandschap is de uitkomst van een lang en transnationaal proces, waarbij wat ooit begon als tegenverhaal van onderop is aangekomen in het centrum – en nu zelf als hegemoniale macht wordt uitgedaagd. Ook de begintijden van het Auschwitz-discours waren doorspekt van politieke idealen en ambities, zoals valt na te lezen bij Frank van Vree. De groeiende aandacht voor de Jodenvervolging moest zich vanaf de jaren vijftig “onder de oppervlakte” ontwikkelen tegenover de toen “dominante publieke herinneringscultuur”, waarin nog het beeld van gezamenlijk lijden en verzet van de ongedeelde Nederlandse natie centraal stond.2 ‘Auschwitz’ begon zelf als een van de “alternatieve of zelfs ondermijnende opvattingen” en bracht uiteindelijk allerlei verschuivingen teweeg: zelfkritische blikken op de eigen cultuur en samenleving, vaak links en moreel geformuleerd onbehagen over nationale gehoorzaamheid of heroïek.

Is het tegenwoordig niet net zo, namelijk dat er ‘vanonder de oppervlakte’ tegenverhalen opkomen? En wat betekent dat? Sinds Holocaust memory in musea, rituelen en gedenkdagen is geïnstitutionaliseerd, zijn er tegengeluiden hoorbaar. Zo werd het ‘Nooit meer’ als moreel kompas en ook als solidariteit met Israël rond de eeuwwisseling krachtig uitgedaagd door het narratief van een ‘grijs verleden’.3 Uit heel andere hoek zijn daar sindsdien antikoloniale stemmen bij gekomen, die al ver voor de Gaza-oorlog meerstemmigheid in de Nederlandse herinneringscultuur hebben bepleit.4

Sinds ‘Gaza’ zijn deze tegenstellingen onhoudbaar geworden, en dat komt, zoals Arnon Grunberg raak formuleert, vooral vanwege de “verwarring over de vraag waar de Holocaust ophoudt en Israël begint”.5 Velen moesten hun positie opnieuw bepalen, soms publiekelijk: “Ik ben opgegroeid met het idee dat Israël toch allereerst het perspectief van de slachtoffers belichaamt,” bekende Paul Scheffer. “Het kost telkens moeite om de andere kant van het verhaal te zien, ook na vele bezoeken en gesprekken in de afgelopen veertig jaar. Toch is er geen ontkomen aan: de woede van vooral jongere generaties over de oorlog in Gaza is niet alleen begrijpelijk, maar ook terecht.”6 Scheffer vraagt naar de toekomst van Europa als herinneringsgemeenschap.

Politie en demonstranten bij de opening van het Nationaal Holocaustmuseum in Amsterdam. Bron: ANP / Hollandse Hoogte / MMP Albert Nieboer

Zerotolerancebeleid

Nergens is deze verwarring zo goed zichtbaar als in Duitsland, waar de Holocaustherinneringscultuur in beton is gegoten en de basis vormt van de politieke orde überhaupt. Dat staat onder druk, niet alleen door Israëls onverdedigbare geweld in Gaza, maar ook door de rechtspopulisten en hun hekel aan de Schuldkultur waarmee ze weliswaar deels verontwaardiging oogsten, maar ook verkiezingen winnen. Duitsland zit hierin klem, wat vooralsnog resulteert in een angstvallig zerotolerancebeleid tegenover antisemitisme, waarmee elk debat gedempt wordt. Het ontbreekt niet aan commentatoren die hier de draak mee steken.7 Maar ik denk dat we onszelf voor de gek houden wanneer we licht meesmuilend op deze Duitse ‘hysterie’ neerkijken. Uiteindelijk spelen in Nederland precies dezelfde uitdagingen, want ook hier heeft de overheid zich sterk met Holocaustnarratieven ingelaten, inclusief de bijbehorende lessen voor de samenleving.

Maar welke zijn dat nu en gelden ze nog? Zijn ze voor (politieke) discussie vatbaar? “De oude herinneringspolitiek wordt vertegenwoordigd door de Duitse filosoof Jürgen Habermas (94),” schrijft Grunberg, “voor wie het verleden onveranderd noopt tot solidariteit met Israël. Habermas is een serieus te nemen filosoof, maar de lessen die hij uit het verleden trekt zijn voor andere generaties, en zeker andere generaties buiten Duitsland, onbegrijpelijk geworden. Waaruit mag blijken dat lessen uit het verleden zelden eenduidig zijn.”8

Inderdaad, de ooit zo schijnbaar consensuele woorden ‘Nooit meer’ geven tegenwoordig geen richting meer. “Betekent ‘nooit meer Auschwitz’ ‘stop in Gaza’ of ‘stop Hamas’?”, vraagt Wertheim treffend. Je kunt beide lessen goed beredeneren en de geschiedenis zelf helpt je nauwelijks verder. Dit is geen resultaat van plotselinge politisering, maar van het sleets worden van het oude politieke verhaal.

Gevel van het Nationaal Holocaustmuseum. Bron: Office Winhov / Stefan Müller

Staatsrepresentatie

Wel wordt iets anders duidelijk, hier net zo goed als in Duitsland: het huwelijk tussen staatsrepresentatie en Holocaustherdenken – een Nationaal Museum en een Nationaal Monument, ook de Nationale Herdenking met staatshoofd – heeft een prijs. Namelijk: de prijs van starheid en over(heids)gewicht. Mensen die de inrichting van onze maatschappij of specifiek regeringsbeleid willen aanvechten (bijvoorbeeld de Haagse steun aan Israël), schieten hun pijlen af op onderliggende Holocaustverhalen. Omdat dit narratief het fundament is geworden, moet het de klappen van bredere (politieke) onvrede opvangen. Critici maken er een persiflage van, en dat is niet zo moeilijk: het lijkt een cultus, met heilige teksten en hogepriesters, pelgrimages en spreekverboden – ongeloofwaardig dus.9

Voor de geschiedenis zelf belooft deze strijd weinig goeds – noch voor het herdenken van de slachtoffers, noch voor de dynamiek van de herinnering. Ik zou het verhaal over de Jodenvervolging nieuw leven gunnen door bevrijding van behoudzuchtig staatsgewicht. Dat zou ruimte kunnen geven voor nieuwsgierige opening voor huidige van-onderop-verhalen in onze samenleving, ook wanneer die op gespannen voet staan met de tot dusver geldende lessen uit ons verleden.

Over de auteur

Krijn Thijs. Bron: Kim Krijnen

 

 

 

 

 

 

Krijn Thijs (1976) is historicus en wetenschappelijk medewerker van het Duitsland Instituut Amsterdam. Hij publiceert over de Duitse Zeitgeschichte, herinneringsculturen in vergelijkend perspectief en de geschiedenis van de geschiedschrijving.


Noten

1 David Wertheim, ‘Auschwitz is dood’, De Groene Amsterdammer, 15 mei 2024.
2 Frank van Vree, Nederland en de herinnering aan de Jodenvervolging. Amsterdam, 2024, p. 65.
3 Chris van der Heijden, Grijs Verleden. Nederland en de Tweede Wereldoorlog. Kampen, 2001. Zie ook: Krijn Thijs, ‘Schwarz, Weiß, Grau – Zeithistorische Debatten in den Niederlanden seit 2000‘.  Docupedia Zeitgeschichte, 3.6.2011 (https://docupedia.de/zg/Niederlande_-_Schwarz_Weiss_Grau).
4 Sinan Çankaya, Tegen heldere verhalen. Over het belang van meerstemmigheid. Amsterdam, Nationaal Comité 4 en 5 mei, 2022 (https://www.4en5mei.nl/app/uploads/2022/04/Tegen-heldere-verhalen.pdf).
5 Arnon Grunberg, ‘Verwar de Nederlandse identiteitscrisis niet met zorgen om antisemitisme’. NRC, 13 mei 2024.
6 Paul Scheffer, ‘Het “Nooit meer” wil een gebed zonder einde zijn: Europa na Gaza’. NRC, 8 juni 2024.
7 Masha Gessen, ‘In the shadow of the Holocaust’ (The New Yorker 9-12-2023); Contanze Letsch, ‘Radicaal in het reine’ (Groene Amsterdammer, 17 april 2024); Pankai Mishra, ‘The Shoa after Gaza’ (London Review of Books, 21-3-2024  – korte versie vertaald in de Groene van 3 april 2024).
8 Arnon Grunberg, ‘Nooit meer zal altijd een symbolische slogan blijven’. NRC, 8 maart 2024.
9 Het meest bekend werd deze persiflage door A. Dirk Moses: https://geschichtedergegenwart.ch/der-katechismus-der-deutschen/.


Foto boven aan artikel

De koning en koningin leggen een krans bij het Nationaal Monument op de Dam, 4 mei 2024. Bron: Ben Houdijk

Waarom Sobibor zo lang in de vergetelheid bleef

Tijdens de opening van het Nationaal Holocaustmuseum afgelopen maart sloeg koning Willem-Alexander de spijker op zijn kop toen hij zei: “Sobibor begon in het Vondelpark, met een bordje ‘Voor Joden verboden’.”1 Desondanks is interesse voor de geschiedenis van de massamoord in Sobibor en andere vernietigingskampen lang onder de radar gebleven – zowel binnen de wetenschap als bij het grotere publiek. Waarom heeft dit zo lang geduurd? Martijn Lak las vier recente publicaties die zich buigen over deze vraag.

Auschwitz-Birkenau staat symbool voor de systematische moord op bijna zes miljoen Joden tijdens de Tweede Wereldoorlog. De poort met de cynische tekst ‘Arbeit macht frei’ en de nog beruchtere hellepoort die toegang geeft tot Birkenau: het zijn wereldwijd bekende overblijfselen van de Holocaust als grootste misdaad uit de menselijke geschiedenis. Toch hebben we het hier over een (gedeeltelijke) vertekening van de historische werkelijkheid. Ongeveer de helft van de vermoorde Europese Joden werd niet gedood in een van de vernietigingskampen, maar in wat bekend is komen te staan als de ‘Holocaust by bullets’. Miljoenen Joodse mannen, vrouwen en kinderen werden door moordcommando’s doodgeschoten in grote, vaak door henzelf gegraven kuilen in Oost-Europa en de Sovjet-Unie. Babi Yar is er wellicht het schrikwekkendste voorbeeld van.

Een andere kanttekening bij de centraliteit van Auschwitz binnen de Holocaust wordt geplaatst door het bestaan van drie andere grote vernietigingskampen: Treblinka, Belzec en Sobibor. Minder dan 150 mensen overleefden deze kampen, en er werden binnen een tijdsbestek van ongeveer twee jaar tussen de anderhalf en twee miljoen mensen vermoord. Door een nationale lens bekeken zijn de getallen verhoudingsgewijs vergelijkbaar: van de meer dan 100.000 vermoorde Nederlandse Joden stierven er 34.295 in Sobibor (van de 34.313 die naar dit kamp gedeporteerd werden; slechts achttien overlevers dus). Anders dan Auschwitz hadden deze kampen maar één doel, namelijk het vermoorden van Joden. Hiermee vormen ze in een aantal opzichten de eigenlijke kern van de Holocaust.

Des te vreemder is het dat er over Belzec, Sobibor en Treblinka zowel in Nederland als in Polen, waar de kampen zich bevonden, veel minder bekend is dan over Auschwitz. Waarom duurde het zo lang voordat er in wetenschappelijke kringen en bij het grotere publiek interesse voor ontstond? Hoe verklaren de hier besproken boeken, die zich allemaal (deels) richten op Sobibor, deze omissie? Ze benaderen die vraag en de geschiedenis van Sobibor elk op een andere wijze: van een focus op recent archeologisch onderzoek ter plaatse tot een brede analyse van de omgang met de herinnering aan het kamp in het verleden en nu.

De besproken boeken in dit artikel. Bron: Nieuw Amsterdam, Uitgeverij Verbum, W Books

Rode Leger

In De kern van de Holocaust stelt de Duitse historicus Stephan Lehnstaedt dat de vernietigingskampen Treblinka, Belzec en Sobibor het eigenlijke hart van de Holocaust belichamen. “De vrijwel volledige vernietiging van de Poolse Joden, de moord op bijna 2 miljoen mensen, nagenoeg zonder zichtbare sporen achter te laten. Een monsterlijke daad, die niet zoals in Auschwitz tot op de dag van vandaag zichtbaar is gebleven […] maar zich juist manifesteert in de afwezigheid van zichtbare overblijfselen.”2 Sterker nog, zo stelt hij: “De Poolse staat had vooral oog voor Auschwitz als herinnering aan de Holocaust, waar veel meer overlevenden waren geweest dan in de drie kampen van Aktion Reinhardt tezamen. Bovendien was Auschwitz ook een plek van Pools martelaarschap, dat zo op één lijn kon worden gesteld met het Joodse leed.”3

De poort van vernietigingskamp Sobibor, 1942/43. Bron: Wikimedia Commons (publiek domein)

Lehnstaedt gaat op de waarom-vraag rond de vergetelheid het minst uitgebreid in, al is zijn antwoord getuige bovenstaand citaat glashelder. Hij biedt vooral een overzichtswerk, waarin hij beknopt uiteenzet hoe Belzec, Sobibor en Treblinka functioneerden, wat de rol was van de Duitsers en van lokale collaboratie en welke rol deze ‘schuldige plekken’ speelden in de Holocaust, om Armando te parafraseren. De weinige bij de moorden aanwezige Duitsers konden terugvallen op voormalige krijgsgevangenen van het Rode Leger, al maakt Lehnstaedt onvoldoende duidelijk dat zij weinig keus hadden. In zijn woorden: “Deze arbeidsdeling met de onderdrukte Europese volken bij de moord op de Joden vormt een wezenlijk aspect van de Holocaust. Het kon allemaal gebeuren omdat uiteindelijk niemand zijn stem verhief.”4 Op de inmiddels omvangrijke historiografie over de vraag of omstanders (‘bystanders’ in het Engels) ook daders zijn, gaat Lehnstaedt helaas niet uitgebreid in.

Zand door een zeef

In het beklemmende Het donkerste donker duikt Rosanne Kropman dieper in de vraag waarom er over Sobibor zo weinig bekend is. Ook zij maakt gewag van de cynische efficiëntie van de Holocaust en die van Sobibor: “18 maanden, grofweg 10.000 doden per maand, in een gebouw van 16 bij 22 meter, vergelijkbaar met de afmetingen van een kleedkamercomplex van een gemiddelde sportclub […] De nazi’s hebben in Sobibor een bizarre efficiëntie aan de dag gelegd in het ombrengen van mensen…”5 Een verklaring die Kropman geeft voor de lange vergetelheid rond Sobibor is de combinatie van het feit dat de kampen door de nazi’s vernietigd zijn en het minieme aantal overlevers. De mondelinge overlevering is anders dan bij Auschwitz “nooit doorgedrongen tot in de haarvaten van Europa. Zelfs Nederlanders kennen het vaak niet, terwijl het na Auschwitz het grootste Nederlandse massagraf is.”6

Het donkerste donker is, ondanks het gruwelijke onderwerp, uitstekend – en bijna spannend – geschreven. Het kruipt nog meer onder je huid dan De kern van de Holocaust, al is het maar omdat Kropman al schrijvend daadwerkelijk op de plek aanwezig is, bij opgravingen in het kamp. Je bent er als het ware bij als Kropman het zand door haar zeef laat gaan en plots een oorbel aantreft. Dat emotioneert, maar het boek biedt ook voldoende feitelijke distantie. Naast het schokkende sadisme en cynisme van de Holocaust beschrijft Kropman het antisemitisme bij veel Polen, zeker ook nog in de naoorlogse jaren. Zo plunderde de lokale bevolking na 1945 de plekken waar Treblinka, Belzec en Sobibor lagen, op zoek naar kostbaarheden.

Archeologen gaan pas in 2007 aan het werk op het terrein van het voormalige vernietigingskamp Sobibor, dat dan “vooral een desolate en vergeten open plek in de Oost-Poolse bossen op de grens met Belarus en Oekraïne” is.7 Pas met de plannen voor een nieuw herinneringscentrum en monument komt er ruimte voor archeologisch onderzoek. Keerpunt is de vondst in 2012 van een naamplaatje dat kan worden gekoppeld aan een Nederlands meisje dat in Sobibor in de gaskamer is vermoord – Judith Lea de la Penha. Daarna groeit de belangstelling. Met de vondst van een fotoboek van Sobibors plaatsvervangend commandant komt Sobibor letterlijk in beeld, “precies op het scharnierpunt dat de laatste overlevenden overlijden en het verhaal van Sobibor niet langer kunnen navertellen”.8 Het verhaal over de opstand van 14 oktober 1943 bijvoorbeeld, toen ongeveer 600 gevangenen een aantal bewakers vermoordden en poogden te ontsnappen. Uiteindelijk overleefden 47 van hen de oorlog. Onder hen was een van de leiders van de opstand, Alexander Pechersky. Die van de Sovjetautoriteiten na de oorlog trouwens niet mocht getuigen over de misdaden in Sobibor in Neurenberg en bij het proces tegen Adolf Eichmann in Jeruzalem. Net als Polen benadrukte de Sovjet-Unie liever het eigen slachtofferschap en heldendom dan wat hun Joodse burgers is overkomen in de vernietigingskampen.

Alexander Pechersky in 1944/45. Bron: Alexander Pechersky Foundation

Himmelfahrtstrasse

Hoe in Polen politieke belangen de ontsluiting van de geschiedenis van Sobibor tegenhielden, komt uitgebreid aan bod in de wetenschappelijke bundel Excavating Sobibor. Anne-Lise Bobeldijk schrijft hierin dat de “ontwikkeling van de herdenking van het kamp” weliswaar snel na de oorlog begon, maar dat dit bepaald geen rechte lijn was. In de jaren zestig besloot de Poolse regering tot het bouwen van een monument, om zo “zijn inzet voor het herdenken van de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog” te tonen. Maar het monument zélf bleek nog geen aanzet tot enige vorm van herinneringscultuur waarbij Sobibor een plaats kreeg in het nationale verleden. Sobibor hield zijn perifere positie, zowel in zijn fysieke locatie vlak tegen de Pools-Oekraïense grens aan, als wat betreft zijn plaats in de Poolse geschiedschrijving. Sobibor paste niet goed in het Poolse narratief van slachtofferschap, waarin feitelijk geen plaats was (en is) voor Pools daderschap. Dit wordt nogmaals onderstreept in de bijdrage van Zuzanna Dziuban, die toont hoe er vanuit de Poolse autoriteiten pas plotselinge interesse komt voor Sobibor wanneer vermoed wordt dat er Poolse verzetsstrijders zijn omgekomen.

Excavating Sobibor geeft een fascinerende inkijk in de ontwikkeling van het archeologisch onderzoek in Sobibor, en hoe dit het kamp een plaats gaf in de herinneringscultuur. Zo werd de ‘Himmelfahrtstrasse’ – ook wel ‘Schlauch’ genoemd – blootgelegd, en de plek van de gaskamers.

Veel indruk maken ook de duizenden persoonlijke bezittingen die op het terrein bij de opgravingen zijn en worden aangetroffen. Die bezittingen staan samen met begeleidende, ontroerende verhalen centraal in Erik Schumachers Sporen van Sobibor. Dit boek grijpt je als lezer geregeld bij de keel. Bij Schumachers beschrijving van de vondst van een pop hou je het niet droog. Speelgoed wordt bij de opgravingen zelden gevonden, al werden er in de Holocaust naar schatting anderhalf miljoen kinderen vermoord. “Het zal kort na de aankomst zijn gebeurd, in de barak waar de pas gearriveerden hun spullen moesten inleveren. Het kind heeft de pop trouw tegen zich aangeklemd gehouden, wie weet hoe lang al. De pop ruikt naar de trein, naar het getto of het concentratiekamp, maar ver weg ook naar een warm bed, thuis, naar veiligheid. Nu moet het kind de pop loslaten.”9 Schumacher schrijft met veel oog voor detail. Hij laat bijvoorbeeld zien dat er in Sobibor 402 Noord-Afrikaanse Joden zijn vermoord. Het laat maar weer eens zien hoe ver de nazi’s gingen in het volbrengen van de Endlösung.

Wat doe je met het soort verschrikkelijke plekken als Sobibor? De herinnering levend houden, natuurlijk, en daarbij hebben de vele vondsten sinds 2000 een essentiële rol gespeeld, alsmede het nieuwe herdenkingscentrum in Sobibor. Wat te denken van de Polen die nog steeds in de buurt van de plek of zelfs erop leven? Het huis van de commandant staat er nog, zo laat onder anderen Kropman zien. Het wordt nu bewoond door Jerzy Zielinski, die er in 1988 zijn intrek nam. Op de plek van zijn voortuin lag het perron. Maar, zo stelt Zielinksi: “Wat maakt het uit? De commandant woonde hier alleen maar, net als dat ik hier nu woon.” Tja.

De commandantswoning (groene woning links) in Sobibor. Bron: Dr. med. Detlef Bihn op Wikimedia Commons (CC BY-SA 4.0)

Verdraaiingen door de PiS-regering

Alle vier de publicaties laten er geen twijfel over bestaan dat vooral politieke belangen maakten dat Sobibor lang in de vergetelheid raakte. Samen schetsen ze overtuigend hoe de Aktion Reinhard-kampen niet pasten in het nationale narratief van Polen, dat het land vooral neerzet als slachtoffer van de nazi’s. Hoewel deels begrijpelijk – Polen had vele miljoenen slachtoffers te betreuren – werd daarmee de eigen rol in de Holocaust naar de achtergrond gedrongen. Voor het leed van de Joodse bevolking – waaraan vele Polen actief bijdroegen door Joden te verraden, uit te buiten en te vermoorden – is in het nationale narratief geen oog.

Kropman beschrijft hoe achtereenvolgende Poolse regeringen de geschiedenis bewust verdraaiden; zeker de PiS-regering, aan de macht tussen november 2015 en december 2023. Ja, er zijn Polen geweest die alles gedaan hebben om de Joden te helpen, maar dat was – zo hebben Poolse historici aangetoond, en het is ze bepaald niet in dank afgenomen – de uitzondering. Kropman signaleert hoe de Poolse overheid ook de focus vanuit het buitenland op de Holocaust probeert te verleggen. “Sobibor wordt bijvoorbeeld veelvuldig bezocht door Israëlische schoolklassen. Deze kinderen reizen door Polen onder politiebegeleiding, uit vrees voor antisemitisch geweld. De Poolse regering was bereid om de reizen te faciliteren en te beveiligen, onder één voorwaarde: dat de Poolse en de Pools-Joodse geschiedenis van vóór 1939 ook onderdeel van het curriculum zouden zijn.”10

Schumacher memoreert hoe de conservatieve PiS-regering een omstreden wet invoerde die het strafbaar stelde om Polen te beschuldigen van medeplichtigheid aan de Holocaust. Het leidde tot grote internationale ophef, en PiS trok de wet deels terug. “Maar de boodschap was duidelijk. Het vergt voor Poolse onderzoekers en docenten grote moed om de Poolse rol in de moord op de Joden te onderzoeken en bespreekbaar te maken.”11 De strijd rond het nieuwe museum in Sobibor is wat dat betreft tekenend. Schumacher dist deze smakelijk op, en brengt de ruzies tussen de verschillende groepen indringend in beeld. Bijvoorbeeld over wie met de eer van bepaalde vondsten – de vondst van de gaskamers bijvoorbeeld – mocht gaan strijken. Hij maakt de dilemma’s daarbij prachtig duidelijk: moet je zo’n plek bijvoorbeeld überhaupt wel overhoop willen halen?

Het herinneringscentrum in Sobibor. Bron: Museum and Memorial in Sobibór

De vier hier besproken boeken geven samen een overtuigend antwoord op de vraag waarom de Operatie Reinhard-kampen zo lang in de vergetelheid zijn geraakt. Mooi is dat, zoals Schumacher laat zien, het beeld inmiddels wel meer gelaagd is. “Meer Polen zien Auschwitz tegenwoordig in de eerste plaats als plek van de Holocaust, terwijl er ook een groep is gegroeid die Auschwitz primair als plek van niet-Joods Pools leed beschouwt.”12 Sobibor en het met zo veel moeilijkheden en onenigheid geopende nieuwe museum zetten ons er in elk geval toe aan te beseffen waartoe mensen in staat zijn: moord op industriële schaal. Kropman: “Daarom moeten wij ons juist Sobibor expliciet blijven herinneren, hoe moeilijk ook, omdat het de waarschuwing is voor het donkerste donker in onszelf. Voor nu, over honderd jaar, over vijfhonderd jaar.”13

Over de auteur

 

Martijn Lak

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Martijn Lak promoveerde in 2011 op Nederlands-Duitse politieke en economische betrekkingen tussen 1945-1957. Momenteel doceert hij aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en werkt hij als postdoc aan de Universiteit van Amsterdam, waar hij zich bezighoudt met het lot van Joodse weeskinderen na 1945. Lak publiceert geregeld in nationale en internationale tijdschriften, en is hoofdredacteur van The Journal of Slavic Military Studies.


Literatuur

  • Stephan Lehnstaedt, De kern van de Holocaust. Belzec, Sobibor, Treblinka en Aktion Reinhardt. Uitgeverij Verbum, 2021. 208 p. ISBN: 9789493028364.
  • Rosanne Kropman, Het donkerste donker. Een geschiedenis van Sobibor. Nieuw Amsterdam, 2023. 204 p. ISBN: 9789046826881.
  • Martijn Eickhoff, Erik Somers & Jelke Take (red.), Excavating Sobibor. Holocaust Archaeology between Heritage, History and Memory. WBooks, 2024. 237 p. ISBN: 9789462586185.
  • Erik Schumacher, Sporen van Sobibor. Archeologie van een vernietigingskamp. WBooks, 2024. 160 p. ISBN: 9789462586147.

Noten

1 De koning sprak deze woorden eerder tijdens zijn toespraak op de Dam op 4 mei 2020: https://4en5meiamsterdam.nl/sobibor-begon-in-het-vondelpark/.
2 Lehnstaedt, p. 9.
3 Lehnstaedt, p. 168.
4 Lehnstaedt, p. 10.
5 Kropman, p. 14-15.
6 Kropman, p. 17.
7 Kropman, p. 18.
8 Kropman, p. 19.
9 Schumacher, p. 47.
10 Kropman, p. 192.
11 Schumacher, p. 136.
12 Schumacher, p. 136.
13 Kropman, p. 194.


Foto boven aan artikel

Archeologische opgravingen in Sobibor. Bron: Martijn Eickhoff

De ongemakkelijkheden van herdenken

Een focus op individuele slachtofferverhalen in plaats van op de grote complexere narratieven. En een onbedoelde ‘hiërarchie van vergetelheid’. Zie hier twee van de ongemakkelijkheden rond de Holocaust-herdenking die Frank van Vree in zijn nieuwe belangrijke publicatie over de herinnering aan de Jodenvervolging op tafel legt. Anne-Lise Bobeldijk, die zelf onderzoek deed naar het ‘vergeten’ kamp Maly Trostenets, analyseert de risico’s die ontstaan waar de strijd tegen vergetelheid belangrijker wordt dan feitenonderzoek.

Afgelopen maart was er een enorme hoeveelheid aandacht voor de geschiedenis van de Holocaust. In één week tijd werd het Nationaal Holocaust Museum geopend, een internationaal archeologisch project over het kamp Sobibor afgesloten in Amsterdam en de EO-serie De Joodse Raad gelanceerd. Hoewel de Holocaust inmiddels meer dan 75 jaar geleden plaatsvond, blijft de aandacht voor deze geschiedenis en de slachtoffers ervan behoorlijk levend. De Holocaust is verre van vergeten.

De dynamiek rond vergetelheid is, net als in dit nummer van WO2 Onderzoek uitgelicht, een rode draad in het nieuwe boek van Frank van Vree. Met zijn publicatie Nederland en de herinnering aan de Jodenvervolging, 1945-2024 wil Van Vree het vaak gemaakte punt weerleggen dat Joodse slachtoffers in de eerste jaren of zelfs decennia na de oorlog vergeten of verzwegen werden. “In tegenstelling tot dikwijls geventileerde opvattingen kreeg de Jodenvervolging in Nederland [betrekkelijk vroeg] een belangrijke plaats in de herinneringscultuur”, schrijft hij.1 Stap voor stap loopt Van Vree de Nederlandse naoorlogse geschiedenis van het herdenken van de Jodenvervolging in Nederland langs. Hij plaatst deze geschiedenis in een internationale context om aan te tonen dat Nederland behoorlijk vroeg was met het specifiek herdenken van de Holocaust, al was dat in de eerste decennia veelal impliciet.

Omslag Frank van Vree, Nederland en de herinnering aan de Jodenvervolging, 1945-2024. Hilversum, Uitgeverij Verbum, 2024.

Door Van Vrees boek loopt echter nog een tweede rode draad, namelijk die van de ongemakkelijkheid van het herdenken en de ongemakkelijkheid van de geschiedenis van het herdenken. Kopjes in het boek zoals ‘een problematisch genre’ of ‘ongemakkelijke monumenten’ laten een vijftal ongemakkelijkheden zien, die eigenlijk gedurende alle periodes die Van Vree beschrijft aanwezig waren. Allereerst de ongemakkelijkheid rond het wel of niet noemen van slachtoffers als groep. Ten tweede het ongemak met het wel of niet bestempelen van bepaalde slachtoffers als ‘vergeten’. Ten derde: ongemak rond het wel of niet noemen van specifieke individuele namen van slachtoffers. Een vierde ongemakkelijkheid speelt rond het politiek inzetten van de herinnering aan de Holocaust. En tenslotte: de ongemakkelijkheid van de verhouding tussen geschiedschrijving en de praktijk van het herinneren of herdenken. Een vijftal vormen van ongemakkelijkheid die integraal met elkaar samenhangen en die misschien ook wel inherent zijn aan het herdenken van zo’n gevoelige geschiedenis.

Democratisering van het verleden

De ongemakkelijkheid rondom het herdenken lijkt voor een groot deel voort te komen uit een tendens die Van Vree beschrijft als de ‘democratisering van het verleden’. Hij doelt hiermee op het wegvallen van zogenaamde grand narratives – door van Vree omschreven als “de grote onderliggende ideologische, nationale en religieuze verhalen” – waardoor er ruimte ontstond “voor stemmen en thema’s die tot dan toe vrijwel hadden ontbroken in het beeld van de geschiedenis – en dus ook het lot van individuele burgers”.2 Er kwam met andere woorden ruimte voor individuele verhalen van overlevenden van de Holocaust. Deze verhalen zijn cruciaal gebleken voor het schrijven van grote delen van de geschiedenis van de Holocaust. Zonder ooggetuigen zouden kampen als Sobibor, Maly Trostenets of Chelmno nooit tot in bepaalde details beschreven zijn, en zonder ooggetuigen zouden we niets weten van specifieke aspecten van de onderduik, dwangarbeid of deportaties.

Overlevende van vernietigingskamp Sobibor Jules Schelvis in Dresden, 2006. Bron: Jens Herrmann via Wikimedia Commons

Deze getuigenissen worden echter inmiddels ook veelvuldig gebruikt in de publieke domeinen van onderwijs, media en cultuur. Van Vree beschrijft hoe identificatie met slachtoffers hier wordt ingezet om ervoor te zorgen dat men “niet blijft steken in abstracties”, of voor “het opwekken van emoties om te engageren of informatie over te dragen”.3 Er is volgens Van Vree wel een risico verbonden aan deze tendens. Als een bredere historische context ontbreekt, dan dreigt de complexe geschiedenis van de Holocaust en de Tweede Wereldoorlog teruggebracht te worden tot “verhalen van slachtoffers, weliswaar beladen met zware morele noties”. Volgens Van Vree zijn individuele verhalen van slachtoffers dan ontoereikend “om dat verleden in al zijn complexiteit beter te begrijpen”.4 Het risico dat deze geschiedenis gereduceerd wordt tot enkel verhalen van personen is des te groter omdat de categorie ‘slachtoffer’ volgens Van Vree “eindeloos rekbaar is gebleken”.5

Groter narratief 

Dit is precies waar ‘geschiedschrijving’ en ‘herdenking’ schuren en waar de ongemakkelijkheid van herdenken weer om de hoek komt kijken. Als individuele slachtofferverhalen worden ingezet om te engageren of emotie op te wekken, ontstaat het gevaar dat de complexiteit van de geschiedenis van de Holocaust naar de achtergrond verdwijnt én dat deze simplificering van geschiedenis politiek wordt ingezet. Voor dit fenomeen waarschuwen ook Eveline Buchheim en Ralf Futselaar in hun nieuwe boek Uit zorg verdreven – Het Nederlandse Krankzinnigenwezen tijdens de Tweede Wereldoorlog, waarin zij de behandeling van psychiatrisch patiënten tijdens de Tweede Wereldoorlog onderzoeken. “[D]e focus op politiek bruikbare geschiedenis benadrukt die verhalen en gebeurtenissen die te koppelen zijn aan een dramatisch, persoonlijk verhaal”, schrijven ze.6 Hun conclusie is dat de hang naar identificatie met slachtoffers en de nadruk op de meest dramatische of misschien sensationele geschiedenis ervoor zorgt dat bepaalde andere verhalen juist niet verteld worden.7

Daarnaast zorgt de hang naar individuele verhalen als middel om het verleden te begrijpen mogelijk ook voor het onbegrip waarmee we veelal naar de herdenkingen in het verleden kijken. Het grotere narratief waaronder in de eerste jaren na de oorlog velen geëerd werden als held in plaats van herdacht als slachtoffer, zorgde misschien juist wel voor meer mogelijkheden om mensen te herdenken dan nu wordt aangenomen. Veel groepen mensen, waaronder ook Joden, werden in deze jaren weliswaar niet expliciet als slachtoffer erkend, maar werden volgens Van Vree niet “verzwegen of vergeten”. “[Z]e werden, net als […] andere categorieën slachtoffers, ingeweven in de nationale geschiedenis, als illustratie van de Duitse perversiteit en als exemplificatie van wat de Nederlandse volksgemeenschap als geheel was aangedaan.”8 Het inweven van verschillende categorieën slachtoffers in een groter verhaal – hoe onsympathiek wellicht ook – biedt dus ergens ook mogelijkheden om juist veel verschillende mensen te herdenken. Want andersom geldt ook: hoe specifieker en explicieter je benoemt, hoe groter de mogelijkheid dat je tegelijkertijd daardoor ook iemand vergeet.

Holocaust-ontkenners 

Dat brengt ons terug bij het thema van dit nummer: vergeten slachtoffers. Want ook in de categorie ‘vergeten slachtoffer’ zit een bepaalde ongemakkelijkheid en een risico op politisering, ondanks het feit dat het benoemen van een groep als vergeten, genegeerd of verdrongen een emancipatoire functie heeft voor die specifieke groep. Wederom is het de kruising van perceptie of beeldvorming en geschiedschrijving die dit vergeten slachtofferschap ongemakkelijk maakt. Buchheim en Futselaar beschrijven in hun studie hoe voorafgaand aan hun onderzoek de geschiedenis van de psychiatrie in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog al als vergeten bestempeld werd. Ook circuleerden er al grootse aannames over hoe het precies zat met de psychiatrie in oorlogstijd, terwijl het onderzoek nog uitgevoerd moest worden.9 Het onderzoek van Buchheim en Futselaar laat zien dat in Nederland, anders dan bijvoorbeeld in Duitsland, psychiatrische patiënten niet als zodanig door de Duitsers ‘getarget’ werden – hoe kwetsbaar hun positie ook was. Zij werden feitelijk niet veel anders behandeld dan andere Nederlandse burgers. De herinnering liep hier dus op de geschiedschrijving vooruit.

Door het bestempelen van een geschiedenis als ‘vergeten’ verandert deze direct in herinnering. Het kleurt namelijk de verwachtingen van deze geschiedenis. In mijn eigen onderzoek naar het zogenaamde ‘vergeten’ kamp Maly Trostenets, nabij Minsk, is de nadrukkelijke vergetelheid ook dat wat het politiek maakt. De vergetelheid als noemer biedt de mogelijkheid om een geschiedenis, zonder per se kennis te nemen van accurate historische feiten, naar eigen inzicht te interpreteren. In het geval van Maly Trostenets is dit bijvoorbeeld het gebruiken van historisch niet correcte en sterk gesimplificeerde symboliek in monumenten, simpelweg om deze geschiedenis en daarmee Wit-Rusland onderdeel te laten worden van een groot Europees Holocaust-narratief. Hoewel het geheel terecht is dat deze geschiedenis onderdeel wordt van een groter narratief, zit er een groot gevaar in de manier waarop. Als dergelijke complexe geschiedenissen onderworpen worden aan een vrije interpretatie en simplificatie ten behoeve van het herdenken van vergeten slachtoffers, wordt er ook ruimte geboden aan anderen met aanzienlijk minder goede bedoelingen – zoals Holocaust-ontkenners – om deze helemaal weg te interpreteren of af te doen als ‘bedacht’.10 Ongemakkelijkheid dekt dan de lading niet meer.

Begraafplaats A in het bos naast het voormalige vernietigingskamp Sobibor, 2018. Bron: Anton-Kurt via Wikimedia Commons

Hiërarchie van vergetelheid 

Waar voor geschiedschrijving het concept ‘vergeten’ de historicus dus niet verder helpt, zit er in het herdenken van ‘vergeten slachtoffersook een praktische ongemakkelijkheid. Als enerzijds de geschiedenis meer individualiseert en meer focust op de verhalen van individuele slachtoffers zoals Van Vree beschrijft, en anderzijds groepen slachtoffers als vergeten worden gezien, maakt dat de groep met individuen die vergeten slachtoffers zijn automatisch groter. Ook zorgt de ene persoon wel en de andere niet herdenken ervoor dat er een bepaalde hiërarchie lijkt te ontstaan: wie zijn of haar naam terugkrijgt wordt namelijk indirect belangrijker dan de andere slachtoffers wiens namen wellicht niet achterhaald kunnen worden.

Van Vree ziet een tendens in heel Europa waarbij het noemen van namen een belangrijk onderdeel is geworden van de herinneringscultuur. De vraag is echter of de ‘wereldwijde herinneringscultuur’ waarover hij spreekt – waarbij de Holocaust een samenbindende factor tussen landen en een gezamenlijk baken voor democratie en mensenrechten is – wel daadwerkelijk zo globaal is, en of hierbij de nadruk niet net te veel op West-Europa ligt. Want hoe je het ook wendt of keert: veel van de slachtoffers van de Holocaust zullen hun naam nooit ‘terugkrijgen’. In grote delen van Oost-Europa werden Joden anoniem vermoord, simpelweg omdat ze niet gedeporteerd werden en hun naam daarmee niet werd vastgelegd op lijsten die onbedoeld de oorlog overleefden. Het uit de vergetelheid halen van namen brengt dus weer nieuwe vergeten slachtoffers met zich mee. In zekere zin ontstaat hierdoor naast een al bestaande hiërarchie van slachtofferschap een parallelle hiërarchie van vergetelheid.

Hongaarse begraafplaats in Oekraïne, Vinnytsja, 1942. Bron: Wikimedia Commons

Omarming van het niet-weten

Een laatste ongemakkelijkheid van herdenken is de ongemakkelijkheid van het niet-weten en het vergeten. Misschien is het deze vorm van ongemak wel die we het meest moeten omarmen. Dit is waar de herinneringscultuur kan leren van de geschiedschrijving: dat het belangrijk is om te benoemen dat we niet alles weten. Om Simon(e) van Saarloos aan te halen: “Misschien is het herdenken van vergetelheid belangrijker dan het boven water halen van verzwegen geschiedenissen, omdat je met het toevoegen van verhalen nog altijd een poging doet tot volledigheid, terwijl een besef van eeuwige onvolledigheid, misschien wel eerlijker, accurater is.”11 Van Vree is het mogelijk, net als ik, niet eens met het niet willen onderzoeken van ‘verzwegen geschiedenissen’. Maar hij waarschuwt dat het herdenken van dit soort geschiedenissen zonder je erin te verdiepen ertoe kan leiden dat het niet meer wordt dan een “verwijzing naar een ultieme misdaad die buiten de geschiedenis staat. Dan is het een kleine stap om de herinnering naar je hand te zetten, te exploiteren dan wel te ontkennen.”12 Mogelijk is de beste oplossing hiervoor volledig open kaart te spelen en ook de vergetelheid te herdenken, of deze geschiedenissen te herdenken op een manier waarbij alle complexiteit ervan volledig omarmd wordt.

Over de auteur

Anne-Lise Bobeldijk

Dr. Anne-Lise Bobeldijk doet als postdoctoraal onderzoeker aan de Universiteit van Wageningen onderzoek naar de politieke inzet van geschiedenissen van honger in de SovjetUnie, Oekraïne en Rusland. In 2023 promoveerde ze aan de Universiteit van Amsterdam en het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies op de geschiedenis en herinneringscultuur van het kamp Maly Trostenets.


Noten

1 Frank van Vree, Nederland en de herinnering aan de Jodenvervolging, 1945-2024. Verbum, 2024, p. 11. 

2 Idem, p. 229. 

3 Idem, p. 247-248. 

4 Idem, p. 249-250. 

5 Idem, p. 250. 

6 Eveline Buchheim & Ralf Futselaar, Uit zorg verdreven: Het Nederlandse krankzinnigenwezen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Amsterdam, Boom, 2023, p. 254. 

7 Idem. 

8 Van Vree 2024, p. 48. 

9 Buchheim & Futselaar 2023, p. 250-251. 

10 Zie Anne-Lise Bobeldijk, ‘Forgetting History; the Memory of Maly Trostenets in Perspective of Its History’. S.I.M.O.N. Shoah: Intervention. Methods. Documentation 7, nr. 1 (2020) en Anne-Lise Bobeldijk, Entangled Narratives of Terror: Maly Trostenets and Blagovshchina Forest in History and Memory, 1937-2022 (University of Amsterdam, unpublished PhD dissertation, 2023). 

11 Simon(e) van Saarloos, Herdenken herdacht: een essay om te vergeten. Prometheus, 2019, p. 65. 

12 Van Vree, Nederland en de herinnering aan de Jodenvervolging, p. 361.


Foto boven aan artikel

Monument voor Maly Trostenets in Minsk, 2018. Bron: Aschroet via Wikimedia Commons

De Holocaust als onvoltooide geschiedenis

Hoogleraar Dan Stone bepleit in een recent boek een kritische blik op de manier waarop de Holocaust wordt herdacht en geduid – door hedendaagse machthebbers, maar ook door onderzoekers en herinneringscentra. Christel Tijenk van Herinneringscentrum Kamp Westerbork verdiepte zich in Stones werk, en schetst wat je als herinneringscentrum kan met de inzichten die Stone voor het voetlicht brengt.

“In heel Europa heeft de collaboratie van continentale omvang (…) nieuwe vragen opgeroepen. De Holocaust was niet slechts een Duitse aangelegenheid – ook al ontstond hij in Duitsland en nam Duitsland het voortouw – en het is geen toeval dat de terugkeer van radicaal-rechts plaatsvindt in een tijd waarin deze onthullingen over pan-Europese medeplichtigheid aan het licht zijn gekomen. Plichtmatige herdenkingen met staatshoofden, de getuigenissen van een handjevol slachtoffers en gedichten van kinderen zijn niet genoeg om iets te veranderen aan de manier waarop fascisme verweven is met het langetermijngeheugen van de Westerse cultuur. De uitdaging blijft: zal de Holocaust goed begrepen worden?” 

Ziehier een citaat uit het boek De Holocaust – Een onvoltooide geschiedenis van Dan Stone. Herdenkingsbijeenkomsten als betekenisloze rituelen, die niet ingaan op de realiteit van de geschiedenis en waarin belangrijke onderdelen van dit verleden genegeerd worden… Met dat beeld eindigt Dan Stone zijn betoog, aan de vooravond van grootschalige vieringen van 80 jaar bevrijding.  

Stone is hoogleraar moderne geschiedenis en directeur van het Holocaust Research Institute aan de Universiteit van Londen. In zijn boek stelt hij dat de ware dimensie van de Holocaust in onze huidige herdenkingscultuur onbedoeld terzijde wordt geschoven. Deels door de focus op de industriële vernietiging in kampen als Auschwitz, en deels door het negeren van de collaboratie van staten en personen die geen deel uitmaakten van het naziregime. Gestructureerd rond vier thema’s – trauma, collaboratie, genocidale fantasie en naoorlogse gevolgen – betoogt Stone dat we, willen we de Holocaust kunnen duiden, voor de oorzaken ver vóór 1933 en wat betreft de gevolgen ver ná 1945 moeten kijken. 

Dan Stone, De Holocaust Een onvoltooide geschiedenis 

Kunstmatige orde

Wat betekent dit voor het werk op een voormalige vervolgingsplek als Kamp Westerbork, waaraan ik als hoofd van het Kenniscentrum verbonden ben? Herinneringscentrum Kamp Westerbork is een plek die van grote betekenis is voor nabestaanden van de slachtoffers. Voor sommigen is het een ‘heilige plaats’, voor anderen een ontmoetingsplek tussen verleden en heden. Daarnaast is het voor tienduizenden scholieren die jaarlijks naar het museum komen een locatie om te leren over de Holocaust. Voor veel reguliere bezoekers tot slot is er de behoefte aan ‘beleving’ en het willen staan ‘op de plek waar het allemaal gebeurd is’.

Kunnen Stones inzichten behulpzaam zijn in de dagelijkse praktijk van ons museum? Schuiven wij inderdaad de ware dimensie van de Holocaust onbedoeld terzijde om deze verschillende bezoekersgroepen te bereiken, en herdenken we plichtmatig?

Opening van Herinneringscentrum Kamp Westerbork door koningin Beatrix, 12 april 1983. Bron: Rob Bogaerts, Anefo / Nationaal Archief

Het Herinneringscentrum werd geopend in 1983, met een tentoonstelling die een kopie was van die in het Nederlandse paviljoen in het museum in Auschwitz. Twaalf jaar na de sloop van de laatste barakken van Kamp Westerbork werd zo dicht bij de historische plek verhaald over de Jodenvervolging in Nederland en de lessen die toekomstige generaties hieruit konden trekken. Daarmee maakte het nieuwe centrum deel uit van een herinneringscultuur die gericht was op het leren van lessen uit het verleden, wat gepaard ging met een vereenvoudiging van de geschiedenis. Bij de verschillende museale herinrichtingen daarna werd steeds meer gefocust op ‘het’ verhaal van kamp Westerbork. Een kunstmatige orde aanbrengen in de buitengewoon ingewikkelde werkelijkheid van kamp Westerbork was daarbij onvermijdelijk.  

Zoals Stone in zijn boek aangeeft neigt geschiedschrijving altijd naar orde, “naar het opleggen van regelmaat op gebeurtenissen die in wezen – zelfs in georganiseerde vorm – chaotisch waren, en met name voor de slachtoffers”. Maar, stelt Stone, “in het geval van de Holocaust is het misschien juist passend dat het verhaal nog niet ten einde is, een onvoltooide geschiedenis. Het idee van vervolgvragen en ontvankelijkheid voor nieuwe inzichten vormt een logisch tegenwicht voor het verlangen naar een definitieve oplossing, het laatste woord en afsluiting.” 

Als Herinneringscentrum Kamp Westerbork bevinden we ons aan de vooravond van een grote herinrichting van het terrein en herziening van het museum. Wat zijn de vernieuwende inzichten van Stone die kunnen worden meegenomen in dit traject?

Opening van het Herinneringscentrum Kamp Westerbork, 22 maart 1983. Bron: Rob Bogaerts, Anefo / Nationaal Archief 

Oude wensdromen

Een belangrijk inzicht dat ik als eerste wil noemen betreft het bewustzijn en de kennis dat de Holocaust niet enkel een Duits ‘project’ was, maar een breed gedragen en uitgerold Europees project met wereldwijde consequenties. Dat collaboratie vanuit verschillende motieven op nationaal, regionaal en lokaal niveau bijdroeg aan de enorme omvang van de moord en de verschrikkelijke ervaringen van de slachtoffers. En dat de manier waarop huidige machthebbers met deze geschiedenis omgaan – en die ontkennen of omvormen voor eigen gebruik – van grote invloed is in de huidige Europese samenleving.   

Daarnaast benadrukt Stone dat in onderzoek naar het nationaalsocialisme en de Holocaust het belang van de ideologie benadrukt moet worden. De fantasieën en wensdromen van een Jodenvrij Europa circuleerden al lang voor de eerste stappen van de Holocaust werden gezet. Het waren die wensdromen die uiteindelijk uitmondden in massamoord en genocide gebaseerd op rassenideologie en antisemitisme.   

Het derde aspect dat volgens Stone niet is doorgedrongen in het ‘Holocaustbewustzijn’, is het feit dat er geen sprake was van een industrieel vernietigingsproces. De focus op het moordproces in Auschwitz zorgt ervoor dat cruciale kennis het publiek niet bereikt: kennis over de beestachtige manier waarop een groot deel van de Joden slachtoffer werd van ontberingen in de getto’s en tijdelijke ‘kampen’, van executies en van Dodenmarsen.

Tot slot geeft Stone aan dat de Holocaust een onvoltooide geschiedenis blijft, omdat die niet eindigde in 1945. Ze werkte op persoonlijk niveau nog generaties door. Daarnaast is de Holocaust tot op de dag van vandaag alomtegenwoordig in internationale verhoudingen en het academisch debat, onder meer in de discussies rondom de verbinding met slavernij en kolonialisme, en recent rondom de gebeurtenissen in het Midden-Oosten sinds 7 oktober. 

Nieuw zijn deze verschillende inzichten elk voor zich binnen het internationaal Holocaustonderzoek niet. De kracht van Stones boek ligt in het samenbrengen van deze onderzoekslijnen in een toegankelijk boek, dat ook nog eens op een heldere manier de verbinding legt met het heden.

Jasenovac Memorial in Kroatië. Opgericht ter herdenking van concentratiekamp Jasenovac. Bron: Duniasoarmara, Wikimedia Commons 

Weerwoord

De eerste en laatste vraag van vrijwel alle bezoekers van het Herinneringscentrum Kamp Westerbork luidt: ‘Waarom is dit gebeurd?’ Om hierop een antwoord te kunnen geven, is het noodzakelijk de ideologische achtergrond van de Holocaust te benoemen: de genocide op Joden kwam voort uit vol overtuiging (uit)gedragen rassenwaan en antisemitisme. De voorbeelden van ondersteuning of zelfstandige uitvoering van deze massale vernietiging door niet-Duitse daders komen in Stones boek met name uit Oost-Europa en Frankrijk. Maar ook de geschiedenis van Westerbork kan niet verteld worden zonder aandacht voor collaboratie, al dan niet vanuit ideologische motieven. Het uitgebreidere historisch onderzoek dat door de opening van de CABR-archieven mogelijk zal zijn, kan hier meer licht op werpen. 

Dat de moord op de Europese Joden grotendeels buiten de vernietigingskampen plaatsvond en dat de moordmachinerie binnen de kampen sterk afweek van ons beeld van een ‘geïndustrialiseerd proces’, zal zeker een plaats krijgen binnen het Herinneringscentrum. De Holocaust was onvoorstelbaar gruwelijk en mensonterend. Het verhaal van kamp Westerbork eindigt niet bij de vertrekkende trein en ook dit aspect móet verteld worden. In de toespraak die overlevende Max van Trommel hield op de 4 mei-herdenking in Westerbork in 2023 beschreef hij het einde van zijn grootouders in de gaskamer van Sobibor tot in detail. Omdat het voor hem de kern was van zijn aanwezigheid die dag: vertellen wat er daadwerkelijk gebeurd is. 

Terugkomend op het openingscitaat: ik geloof niet dat een bezoek aan voormalige vervolgingsplekken of het bijwonen van een herdenking ervoor kunnen zorgen dat mensen geen vooroordelen en angst voor ‘de ander’ meer voelen. Maar leren over de Holocaust betekent wel dat we de kwetsbaarheid van het moderne Europa en haar natiestaten signaleren. Dat we het gegeven erkennen dat er een diepe fascinatie blijft bestaan voor fascisme en uitroeiingsfantasieën, en dat mensen zich in moeilijke tijden hiertoe blijven wenden. En dat we zien waartoe angst, ideologie en haat uiteindelijk kunnen leiden, zeker met ondersteuning vanuit een overheid.  

Het weerwoord daartegen bestaat inderdaad niet uit zielloze herdenkingen. Met behulp van fictie, getuigenissen, theater, poëzie, kunst, filosofie, sociologie en muziek kunnen we het onvoorstelbare dichterbij brengen. Hiervoor vinden we in ‘Westerbork’ steeds nieuwe vormen.
Daarnaast, stelt Stone, is ook de analytische aanpak van historici en musea nodig. Zij laten ons nadenken over de vraag of we wel genoeg hebben gedaan om te voorkomen dat apocalyptische visies en bewegingen ontstaan, aangezien dat al eerder is gebeurd en zal blijven gebeuren in een wereld geteisterd door klimaatverandering, vluchtelingenstromen, pandemieën en xenofobie, een wereld die steeds vaker gevormd wordt door een pervers verlangen naar een onvermijdelijke apocalyps”. Dat is de uitdaging waarvoor we de komende jaren gesteld staan.  

Over de auteur

Christel Tijenk

Christel Tijenk is hoofd van het Kenniscentrum van Herinneringscentrum Kamp Westerbork. In het Kenniscentrum zijn de inhoudelijke afdelingen van het Herinneringscentrum samengebracht: educatie, onderzoek, collectie en het Landelijk Steunpunt Gastsprekers. Als hoofd Kenniscentrum is Tijenk betrokken bij de ontwikkeling van het nieuwe museum en de herinrichting van het terrein van Kamp Westerbork. 

 

 


Foto boven aan artikel

Herinneringscentrum Kamp Westerbork heropend. Bron: Sake Elzinga / Herinneringscentrum Kamp Westerbork

Hoe werkt oorlog door op verschillende generaties?

Oorlogservaringen worden vaak levenslang meegedragen en werken ook weer door op kinderen en kleinkinderen van de eerste generatie oorlogsgetroffenen. Met het ons ontvallen van de mensen die de Tweede Wereldoorlog zelf hebben meegemaakt, verdwijnt de doorwerking van de oorlog dus niet uit onze levens. Hoe de doorwerking van oorlogservaringen van de eerste generatie via de tweede naar de derde generatie er precies uitziet, is regelmatig onderwerp van onderzoek. Ook in Nederland. 

Momenteel worden er in Nederland meerdere onderzoeken gedaan naar oorlog, familieverhalen en intergenerationele overdracht. De Universiteit voor Humanistiek (UvH) houdt zich bezig met intergenerationeel Holocaustonderzoek naar trauma en veerkracht vanuit een existentieel perspectief. ARQ Kenniscentrum Oorlog, Vervolging en Geweld doet onderzoek naar de doorwerking van de Tweede Wereldoorlog binnen drie generaties. En het Nationaal Comité 4 en 5 mei onderzoekt de doorwerking van oorlogsverhalen en – herinneringen binnen families. In alle drie de onderzoeksprojecten is sprake van interviews met drie betrokken generaties. Tijd voor een gezamenlijk interview met de onderzoekers van de hierboven genoemde projecten: Nicole Immler (UvH), Bart Nauta (ARQ) en Matthijs Kuipers (Nationaal Comité 4 en 5 mei). We spraken met ze over de overeenkomsten tussen hun ‘drie generaties’-onderzoeken én over de verschillende accenten die er gelegd worden.

v.l.n.r. Bart Nauta, Nicole Immler en Matthijs Kuipers

Spanning in huis

Het doorgeven van oorlogservaringen is een belangrijk aspect binnen het proces van doorwerking dat in de verschillende onderzoeken onder het vergrootglas ligt. “De eerste generatie heeft de Tweede Wereldoorlog zelf meegemaakt en dus ervaringen opgedaan waarvan we weten dat die bij sommige families een traumatiserende impact hebben gehad”, aldus ARQ-onderzoeker Bart Nauta. Binnen het Drie Generaties-onderzoek van ARQ is met tien families met uiteenlopende oorlogservaringen gesproken, wat heeft geresulteerd in ongeveer 30 uur aan interviews. De nadruk ligt in dit onderzoek met name op de psychologische doorwerking van de oorlog binnen families. “Collega’s van mij bij ARQ Centrum’45, merendeel psychologen en psychiaters, behandelen niet alleen mensen van de eerste generatie voor PTSS-klachten, maar ook mensen uit de tweede generatie. Door de psychische klachten van de eerste generatie was er in sommige families weinig oog voor de behoeften van de kinderen. Er heerste spanning in huis of er was sprake van overbescherming. Die kinderen kunnen daar later in hun eigen leven last van krijgen,” legt Nauta uit, om te benadrukken dat trauma niet alleen de eerste generatie treft. “De vraag die centraal staat in ons onderzoek is: hoe werkt oorlog door op verschillende generaties? En in het bijzonder: welke verhalen worden er verteld en op welke manier gebeurt dat?”

Meaning-making

Dat zijn vragen die ook binnen het intergenerationele Holocaustonderzoek van de UvH aan bod komen, maar dat onderzoek focust expliciet niet op trauma. “Holocaustonderzoek heeft de neiging zich te concentreren op trauma”, zegt hoogleraar Nicole Immler hierover. De verzameling familie-interviews in haar project richt zich juist op ervaringen van veerkracht en een existentieel perspectief. Studenten van de UvH die in opleiding zijn tot geestelijk verzorger of reeds zijn afgestudeerd, deden diepte-interviews met elf joodse families van drie generaties. Ze maakten daarbij gebruik van narratieve methodologie. “De opzet is niet historisch,” licht Immler toe. “De interviews zijn gedaan door geestelijk verzorgers die keken naar meaning-making1, oftewel naar de manier waarop mensen betekenis geven aan levensgebeurtenissen, relaties en het zelf.”  

Immler schat in dat deze existentiële insteek bijdroeg aan de bereidwilligheid van de geïnterviewden om mee te werken aan het onderzoek. “Sommige overlevenden waren er klaar mee om elke keer alleen hun levensverhaal te vertellen. Maar dat heeft ook meteen een ethische vraag naar voren gebracht. Mag je in verhalen van overlevenden ook ambivalentie naar voren halen? Wat bijvoorbeeld vanuit de eerste generatie als kracht kan worden ervaren, kan de tweede generatie als last ervaren. Dus weerbaarheid kan iets tegenstrijdigs hebben.”  

Nauta herkent de verhalen over weerbaarheid en veerkracht ook vanuit het ARQ-onderzoek. “Hoewel we er niet expliciet naar gevraagd hebben, vertelden veel mensen van de eerste generatie graag over hun leven, zowel dat van voor de oorlog als dat van daarna. Ze vertelden dan hoe ze ondanks de gewelddadige ervaringen tijdens de oorlog een gezin gesticht hebben of een carrière opgebouwd. Dat leken sommigen echt te willen benadrukken.”

Dwangarbeiders leggen kabel in Oostende, 1941. Bron: Das Bundesarchiv / Wikimedia Commons (CC-BY-SA 3.0)

Familiedynamiek

In het onderzoek Oorlog en vrijheid in drie generaties van het Nationaal Comité 4 en 5 mei ligt de nadruk dan weer sterk op de interactie tussen familieherinneringen en de maatschappijbrede herinnering aan de Tweede Wereldoorlog. Onderzoeker Matthijs Kuipers: “We willen graag weten hoe de herinneringen van de eerste generatie worden doorgegeven.” Binnen dit onderzoek wordt in zes verschillende deelstudies steeds met vijf families gesproken. Hierbinnen staan, net als in het onderzoek van ARQ, uiteenlopende oorlogservaringen centraal. Zo wordt gesproken met families van Holocaustoverlevenden, maar bijvoorbeeld ook met families met een Arbeitseinsatz-achtergrond. “We willen daarbij graag weten hoe de familiedynamiek beïnvloed wordt door de maatschappelijke omgang met het onderwerp. Daar zitten ook weer verschillen in.”  

Bij de eerste deelstudie naar herinneringen aan en de doorwerking van gedwongen arbeid in nazi-Duitsland speelt bijvoorbeeld dat er maatschappelijk minder over dit onderwerp gesproken werd. Kuipers: “Dat werd door de deelnemers ook zo gevoeld. Er was geen sprake van maatschappelijke erkenning voor het onderwerp. Dat zorgde er ook voor dat er binnen de families minder over gepraat werd, of dat ze het gevoel hadden dat ze niet gehoord werden of nergens met die ervaringen terecht konden.” In de maatschappelijke omgang zijn bepaalde beelden van de oorlog heel dominant, en die beïnvloeden sterk wat er gezegd kan worden, of in welk kader iets geplaatst wordt. “Ook binnen families. Om een voorbeeld uit een andere deelstudie te noemen: als je het hebt over ‘kampen’ in Indonesië, dan roept dat associaties op met de vernietigingskampen in Europa. Dat beïnvloedt weer hoe de derde generatie de verhalen van hun grootouders interpreteert.”

Methodeverschillen

Het uitgangspunt van de drie onderzoeken verschilt op het eerste gezicht niet zo veel. Door de verschillende accenten van de onderzoeken en de verschillende onderzoekstradities en -methodologieën waarbinnen de onderzoekers werken, zijn er in de praktijk echter wel degelijk verschillen. “Wij interviewen de verschillende generaties altijd apart, los van elkaar,” zegt Kuipers bijvoorbeeld over het onderzoek van het Nationaal Comité. “Wat zeggen de jongere generaties als vader of moeder, of opa of oma, niet in huis zijn?” Daar herkent Nauta zich wel in. “Ook ARQ had de wens om de familieleden die we spraken afzonderlijk te interviewen. Maar soms was de opstelling en de wil van de eerste generatie zo dat iedereen in dezelfde kamer zat. Daar konden en wilden we dan niks aan veranderen. Maar we hebben wel nagebeld. Als iemand nog iets extra’s kwijt wilde, dan kon dat tijdens die telefoongesprekken.”  

Ook de Universiteit voor Humanistiek kwam deze uitdaging tegen. Immler: “We hebben ook apart de interviews afgenomen als dat ging. Soms waren het gesprekken met partners die dan wel bij elkaar in de keuken zaten. Maar dit kon ook heel interessant zijn, namelijk om te zien hoe partners elkaar aanvullen en wát zij aanvullen.” In enkele gevallen zocht de UvH nog extra verdieping op door – naast de drie generaties – nog een ander familielid te spreken dat een tegengeluid zou kunnen inbrengen. “We spraken meestal drie tot vijf mensen. We hebben geprobeerd om bij families waar verschillende perspectieven best in spanning met elkaar stonden nog een extra persoon te spreken, bijvoorbeeld een zus of neef.”  

De verschillende insteken van de onderzoeken blijken ook goed uit de manier waarop interviews steeds begonnen werden. De UvH-onderzoekers vroegen bijvoorbeeld niet direct naar oorlogservaringen, maar naar de manier waarop de Holocaust een rol speelde in het leven van de geïnterviewde. Immler: “We keken gewoon wat mensen zelf wilden vertellen. Later vroegen wij dan wat specifieker door, bijvoorbeeld over de nasleep van hun ervaringen, en wat erkenning en herstel voor hen betekent.” ARQ pakte het iets anders aan. “Onze openingsvraag was waarom mensen ervoor gekozen hadden om mee te doen. Mensen gaven vaak aan dat ze het belangrijk vonden het verhaal van de oorlog door te vertellen. Dan kwam vaak het verhaal rond de ervaring vanzelf.” Bij het Nationaal Comité 4 en 5 mei vroeg men wel direct naar oorlogsherinneringen. Kuipers: “Wij beginnen dus wel met wat Nicole ‘het historische’ noemt, met vragen naar ofwel de ervaringen van de eerste generatie, ofwel wat je daarvan hebt meegekregen als jongere generatie. Vanuit die historische context bouwen we dan op naar de complexe dingen zoals doorwerking, stiltes en betekenisgeving. Vinden mensen het bijvoorbeeld belangrijk om bij een herdenking te zijn?” 

Een onverwachte bevinding voor Immler had te maken met de indruk die sommige geïnterviewden op haar maakten. “Ik was best verrast dat sommigen van de tweede generatie zich veel ouder gedroegen dan dat ze daadwerkelijk waren. Deze mensen vertelden over zichzelf als ‘toegetakeld’: fysiek, mentaal en hoe ze in het leven stonden. Je zou bijna kunnen zeggen: een tegenstem tegen het overlevenden-verhaal van hun ouders.” Nauta reageert hier herkennend op. “Bij de ontmoetingen die ik de afgelopen jaren heb gehad met mensen van de tweede generatie, viel mij op hoe zij soms sterk psychisch getroffen zijn door de oorlogservaringen van hun ouders. Dat heeft ook impact op de levens van hun naasten. In ons onderzoek komen we bijvoorbeeld in bepaalde families de doorwerking van angst of woede tegen, wat ook zijn weerslag had op de derde generatie.”

“Red wat nog te redden is.” Vader met kind voorop de fiets en een kinderwagen achter zich aanslepend, is op de vlucht voor de Duitsers, 1940. Bron: Fotocollectie Spaarnestad Onderwerpen, Nederlands Front – Meidagen ’40 / Nationaal Archief

Te simplistisch

Het trekken van overkoepelende conclusies is op dit moment nog best een uitdaging. “Als we al één conclusie kunnen trekken,” zegt Kuipers over het nog lopende onderzoek van het Nationaal Comité, “dan is het dat je aan de manier waarop oorlogsherinneringen voortleven binnen families een hoop kunt aflezen over de maatschappelijke omgang met het onderwerp. Veel nuances in de herinnering van de eerste generatie aan de oorlog verdwijnen bij het doorgeven van die herinneringen aan kinderen en kleinkinderen.” Het resultaat is soms tegenovergesteld: “Soms worden de slechte herinneringen wat weggedrukt, om de jongere generaties als het ware te ontzien. En soms worden juist de negatieve ervaringen uitgelicht, omdat dit belangrijk kan zijn in de zoektocht naar maatschappelijke erkenning.” 
Nauta: “Ik ben voorzichtig om tot overkoepelende conclusies te komen. Niet alleen omdat we nog bezig zijn met de analyse van de onderzoeksdata. Ook omdat er van familie tot familie, en ook binnen families en binnen generaties, zo verschillend met oorlogservaringen wordt omgegaan. Een broer kan de oorlogsgeschiedenis van zijn ouders heel anders ervaren dan zijn zus. Al die individuele ervaringen hebben waarde en mogen er zijn.”  
Ook Immler benadrukt het belang van oog hebben voor diversiteit in perspectieven. “Onze analyse heeft bijvoorbeeld aangetoond dat praten over generaties te simplistisch is. Het identificeren van meervoudige ik-posities van respondenten, van diverse stemmen die mensen in zich hebben en hoe deze zich tot elkaar verhouden, maakt het mogelijk wat afstand te nemen van eenvoudige identiteitsconstructies die gevoed worden door de huidige politiek. De analyse liet ook zien dat we verder moeten kijken dan de tegenstelling tussen trauma en veerkracht, omdat mensen zowel veerkrachtig als kwetsbaar kunnen zijn. Bovendien is veerkracht niet iets wat mensen ‘hebben’, het is een ervaring of een relationeel proces. Dus familie en samenleving hebben hier ook een verantwoordelijkheid in.” 

 

Over de auteur

 

Fabienne van Wijngaarden

Fabienne van Wijngaarden studeert geschiedenis aan de Universiteit Utrecht, is hoofdredacteur van Historisch Tijdschrift Aanzet en is journalist. Ze heeft onder andere voor Kleio en Impact Magazine geschreven.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Noten

1 Zie Michael Ignelzi, ‘Meaning-making in the learning and teaching process.’ New Directions for Teaching and Learning 2000 (82), p. 5-14. 


Verder lezen

Onderzoek Universiteit voor Humanistiek: https://www.uvh.nl/onderzoek/leerstoelgroepen-en-projecten/burgerschap-en-humanisering-van-de-publieke-sector/projecten/inter-generational-holocaust-research-trauma-resilience-from-an-existential-perspective

Onderzoek Nationaal Comité 4 en 5 mei: https://www.4en5mei.nl/onderzoek/oorlog-en-vrijheid-in-drie-generaties

Onderzoek ARQ Kenniscentrum Oorlog, Vervolging en Geweld: https://arq.org/projecten/drie-generaties  


Foto boven het artikel

Presentatie onderzoek ‘Oorlog en vrijheid in drie generaties’ van het Nationaal Comité 4 en 5 mei in Deventer, maart 2023. Bron: Beau Rutten, Nationaal Comité 4 en 5 mei

De oorlog tegen onze collectieve herinnering & de herinneringspolitiek van de Tweede Wereldoorlog

De huidige oorlog in Oekraïne roept op verschillende manieren vergelijkingen op met de Tweede Wereldoorlog. Niet alleen worden er parallellen getrokken tussen gebeurtenissen toen en gebeurtenissen nu, ook zorgt de huidige oorlog ervoor dat de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog in Oekraïne geactualiseerd wordt en daarmee transformeert. Igor Shchupak, directeur van het Instituut voor Holocauststudies in Oekraïne, beschrijft een aantal van die parallellen en analyseert de manier waarop de herinneringscultuur in Oekraïne recentelijk getransformeerd is.

Mijn ouders en andere oudere familieleden spraken in verhalen over hun leven of over ons land altijd over “vóór”, “tijdens” of “na de oorlog”. Geen ziel vroeg zich dan af om welk conflict het ging. Het ging natuurlijk over de Tweede Wereldoorlog – of, in Sovjet-terminologie, de Grote Vaderlandse Oorlog.

Vandaag de dag kent Oekraïne een nieuwe scheidslijn tussen ‘vóór’ en ‘na’: de 24e februari 2022. Het breekpunt tussen totale catastrofe en een relatief vredig bestaan voor de meeste Oekraïners. Dat geldt natuurlijk niet voor alle Oekraïense burgers; denk aan de eerdere annexatie van de Krim en delen van de oblasten Loehansk en Donetsk door Russische troepen en hun proxies in 2014. Toch markeerde deze grootschalige inval een omslag. Het veranderde onze houding tegenover Rusland, een staat die nu door een absolute meerderheid van de Oekraïners wordt gezien als een belichaming van het kwaad, vergelijkbaar met nazi-Duitsland. Het deed bij die meerderheid ook een dieper besef indalen van het belang van het recht van Oekraïne en zijn burgers om te kiezen voor een Europese, democratische toekomst. Het verscherpte de nadruk op politieke en persoonlijke vrijheid in het land.

In een kort artikel zoals dit is het moeilijk zo niet onmogelijk om recht te doen aan alle fundamentele tegenstrijdigheden en multipolariteiten van respectievelijk het Oekraïense en het Russische perspectief op de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog. Daarom zal ik hier vooral ingaan op de manier waarop de oorlog die nu woedt in verband wordt gebracht met de Tweede Wereldoorlog zoals die in het Oekraïense geheugen staat.

“Eén Sovjetvolk”

Het “Oekraïense perspectief” op de Tweede Wereldoorlog zoals dat is beschreven door de geleerden van het land, lijkt in veel op dat van hun Europese en Noord-Amerikaanse vakgenoten en is radicaal anders dan dat van neo-Sovjet historici en andere historici uit de Russische Federatie. Dat was al zo voordat er sprake was van oorlog in de 21e eeuw.

De meeste Oekraïners zijn het erover eens dat de voortdurende agressie van Russische zijde deel uitmaakt van een poging om een autoritair neo-Sovjet regime te bestendigen in hun land en om Ruslands identiteit als Rijk te behouden. Een Rijk dat zich geen bestaan kan voorstellen zonder Oekraïne als wezenlijk onderdeel. De ideologische grondslag van het Russisch militair expansionisme werd uiteraard al gelegd vóór de Russische Revolutie aan het begin van de 20e eeuw. De leer heeft tijdens de Sovjettijd en de vorming van de Russische Federatie van vandaag de dag enkel een paar aanpassingen ondergaan. De mythe van de Tweede Wereldoorlog als ‘Grote Vaderlandse Oorlog’ is daar nog altijd springlevend en heeft haast religieuze proporties aangenomen.

In januari 2022 waren er nog duidelijke verschillen in de kijk op de geschiedenis en stemming tussen de inwoners van het zuiden en oosten van Oekraïne aan de ene kant, en het midden en westen aan de andere kant. De aanvang van de huidige Russisch-Oekraïense oorlog heeft die verschillen sterk verminderd. Eén ding is zeker: het al geringe aantal Oekraïense burgers dat nog altijd trouw zwoer aan het propagandistische idee van “één Sovjetvolk” is tot nul gereduceerd. Poetins ideologie is ‘Rashisme’1 gaan heten, een term voor gedachtegoed dat wordt gekenmerkt door onder meer Russisch-orthodox messianisme, Russisch imperialisme en totalitarisme volgens Sovjetmodel.2

Een mozaïek in de Russische Basiliek voor de Strijdkrachten, waarin Russisch-orthodoxe symboliek wordt gecombineerd met militaire Sovjetthematiek. De basiliek is in 2020 geopend. Bron: Natalia Senatoriva op Wikimedia Commons (CC BY-SA 4.0)

De misdaden van het Poetin-regime en de Strijdkrachten van de Russische Federatie3 tegen Oekraïne en zijn bevolking hebben de Oekraïense saamhorigheid versterkt en tegelijk het collectief geheugen wat betreft de Oekraïense geschiedenis hernieuwde relevantie gegeven. Dat geheugen ligt met name verankerd in gebeurtenissen die behoren tot de grootste verschrikkingen van de 20e eeuw: de Holodomor van 1932-1933 (de georkestreerde hongersnood veroorzaakt door het Stalin-regime), de Holocaust en de massadeportatie van Krim-Tataren en andere etnische groepen van de Krim onder leiding van Stalin in 1944.

Nazisme?

In de escalatie van het conflict tussen Rusland en Oekraïne tot een grootschalige invasie na 24 februari 2022, was Oekraïne tot op het bot geschokt. Toen Russische troepen bommen en raketten afvuurden op gewone burgers, toen ze ongewapende inwoners martelden in de bezette gebieden en toen ze legio andere internationale wetten en regels uit het oorlogsrecht overtraden. Dit tastte zelfs de blik op het verleden aan van Oekraïners die Rusland voorheen nog niet zagen als existentiële bedreiging voor Oekraïne.

De daden van het Russische regime zijn inmiddels door de Oekraïense autoriteiten officieel aangemerkt als genocide. Op 14 april 2022 heeft het parlement van Oekraïne een resolutie aangenomen waarin staat dat “de daden van de Strijdkrachten van de Russische Federatie, en haar politiek en militair leiderschap, gedurende de meest recente fase van de invasie van Oekraïne, die begon op 24 februari 2022, kunnen worden gekenmerkt als genocide tegen het Oekraïense volk”.4

De haat van Poetins regime jegens alles wat Oekraïens is, heeft geleid tot harde repressie van iedereen die zich uitspreekt of anderszins in verzet komt tegen de Russische inval. Marteling en moord worden daarbij niet geschuwd. Dergelijke gruweldaden hebben plaatsgevonden rond de Oekraïense hoofdstad, in Boetsja en Irpin, maar ook in andere door Rashistische troepen bezette gebieden. Misdaden die in direct verband worden gezien met oorlogsmisdaden als het Bloedbad van Koriukivka5 en andere massa-executies in Oekraïense steden, dorpen en gehuchten tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Zo worden historische parallellen getrokken tussen de huidige Russisch-Oekraïense oorlog en de Tweede Wereldoorlog, tussen het beleid van het Russische regime nu en het antisemitische beleid van de nazi’s toen. Uiteraard kunnen dergelijke vergelijkingen niet op wetenschappelijke wijze worden onderbouwd, noch zijn de genocidale daden van Rusland van hetzelfde kaliber. Desondanks worden ze gemaakt.

De ontkenning van het bestaansrecht van het Joodse volk door de nazi’s en de pogingen van het regime om hen te vernietigen, worden aangehaald wanneer het gaat over Poetin en de herhaalde beweringen van zijn regime dat Oekraïne en het Oekraïense volk niet bestaan. Op 9 mei 2022 kwam in het anti-Kremlin-programma Solovinyj Pomjot (‘De onzin van Solovjov’6) bijvoorbeeld een fragment langs waarin Oleg Matveychev, een afgevaardigde van de Russische Staatsdoema en lid van de regerende Jedyna Rossija (Eén Rusland) Partij, de basis van Poetins beleid als volgt uitlegde: “denazificatie… is een gelaagd proces… Ik ben ervan overtuigd dat het idee van een ‘Oekraïne’ in de toekomst niet meer hoort te bestaan, noch het idee van ‘een Oekraïner’.” De video ging viral in Oekraïne.

Na de cynische beschuldigingen van ‘nazisme’ door Poetins propagandamachine aan het adres van de Oekraïense overheid, leeft bij de absolute meerderheid van de Oekraïense bevolking geen enkele twijfel over het Russische regime.  Ze hebben geconcludeerd dat het autoritaire bewind en de misdaden onder de Russische president zélf getuigen van neonazisme.

Koriukivka, 1943. Bron: Euromaiden Press

Taal en identiteit

De parallellen die worden gelegd met de wreedheden van de nazi’s tegen burgers en specifieker hun poging tot het uitmoorden van het Joodse volk, zijn enigszins te begrijpen in de context van de misdaden van de Russische Federatie tegen de Oekraïense bevolking hoewel men zich er terdege van bewust is dat de Rashisten Oekraïners doden ongeacht hun etniciteit, terwijl de Endlösung van de nazi’s specifiek voor Joden bedoeld was. De huidige bezetter richt zijn kogels op iédereen die de Oekraïense identiteit heeft, Oekraïens spreekt of zich inspant om monumenten voor de Oekraïense geschiedenis en cultuur te behouden.

Zoals de nazi’s de Joodse gemeenschap enig recht op een eigen cultuur ontzegden, zo verspreiden ook Russische ideologen en ‘culturele activisten’ hun ‘reflecties’ wat betreft Oekraïners. Neem bijvoorbeeld de filmregisseur Nikita Michalkov, hoofd van de Russische Filmmakersbond en in de laatste jaren een prominent Poetin-sympathisant, die uiteenzette hoe “schadelijk” de Oekraïense taal is:

“De Oekraïense taal is het toonbeeld geworden van Russofobie, dat wil zeggen: de Oekraïense schrijfwijze en de uitspraak zijn voor ons [Russen], en feitelijk voor de rest van de wereld en ook voor henzelf [Oekraïners], een uiting van haat jegens Rusland… Als schoolvakken [in de Donbas-regio] zouden worden gegeven in de Oekraïense taal… Dat zou een ramp zijn! Dat is absoluut een mijn die je legt in de hele geschiedenis.”7

De Oekraïense taal wordt dus gekarakteriseerd als “ontaard en incorrect”. Met die overtuiging zijn verschillende Russische (overheids)instituten ‘correcte’ taalboekjes voor het Oekraïens gaan uitgeven, die worden gepresenteerd als alternatief voor de lesboeken van de onderwijsinstituten van Oekraïne.

Lesboeken gepubliceerd in Rusland, gevonden in een school in de stad Charkiv nadat de bezettende troepen waren verdreven. De vinder was een officier van het Oekraïense leger; historicus Yaroslav Yaroshenko. Bron: foto aangeleverd door de auteur

Ondanks het feit dat er individuen van Oekraïense komaf zijn die het hebben geschopt tot de hogere echelons van de Russische Federatie, is er door het Russisch apparaat duidelijk een poging in gang gezet om alles uit te roeien dat ‘Oekraïens van geest’ is, en om iedereen die een vrij Oekraïens bewustzijn heeft met de grond gelijk te maken in het streven naar Poetins nietsontziende droom van ‘één volk’.

Verenigde Oekraïners

Het Project Exodus (dat wordt gesteund door het in Canada gevestigde Ukrainian Jewish Encounter) verzamelt getuigenissen van Oekraïense Joden die slachtoffer zijn geworden van de huidige oorlog. Bij het verzamelde beeldmateriaal zit ook een interview met Jevhen Chepurnjak, die vertelt over de evacuatie van de stad Dnipro. Hij vertelt dat zijn ouders hebben moeten vluchten voor de nazi-opmars in 1941 en nu weer, voor de agressie van Poetin in 2022.8

Er is nog meer zichtbaar bewijs dat de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog zich herhalen. In 2022 sloeg een Russische raket in op de gedenkplaats voor de slachtoffers van het Bloedbad van Babi Yar in Kyiv. Een spervuur van artillerie bracht ernstige schade toe aan de grote Menora in de Drobystky Yar in Charkiv, nog een plek waar de nazi’s massa-executies hebben uitgevoerd.

De Menora in het monumentencomplex Drobytsky Yar in Charkiv, beschadigd door Russisch artillerievuur op 26 maart 2022. Bron: foto aangeleverd door de auteur

Onder de dragers van recente oorlogstrauma’s zijn ook de kinderen van Oekraïne, die hebben geleden zoals geen enkel kind zou moeten lijden. Dat leed heeft bijgedragen aan de steeds langer wordende lijst van martelaren in dit voortslepende conflict. Hartverscheurende verhalen over hun oorlogservaringen werden tentoongesteld als onderdeel van het Pools-Oekraïense project ‘Mom, I don’t want war!’. Tekeningen uit 1946 van jonge Poolse overlevenden van de Tweede Wereldoorlog en de wrede Duitse bezetting van 1939-1945 zijn uit Poolse archieven opgedoken en vervolgens zij aan zij geëxposeerd met de creaties van Oekraïense kinderen in de huidige oorlog (die eerder waren gebundeld in een digitaal archief getiteld ‘Mom, I See War’).

De agressie van het Russische regime tegen Oekraïne en de Oekraïners heeft alle kenmerken van een oorlog tegen onze collectieve herinnering. De Russische mythe van de ‘Grote Vaderlandse Oorlog’ is haast een religie geworden, die de geschiedenis vervalst in de geest van het imperialisme. Een religie die is gebaseerd op dogma’s als het idee van de ‘eenheid van het Sovjetvolk’. Deze Russische weergave van de geschiedenis doet de ware kennis van het verleden teniet. Onderwijl heeft deze mythe zich ontwikkeld tot een kernonderdeel van het Rashisme en de wens om het Oekraïense collectieve geheugen uit te wissen, samen met zijn dragers – de burgers van Oekraïne.

Het Russisch-Oekraïense conflict heeft ook een herijking en transformatie teweeggebracht in de herinnering van veel Oekraïners aan de Tweede Wereldoorlog. De echo van die verschrikkingen heeft hen samengebracht in het doorleefde besef van het onmenselijke van totalitaire regimes, zowel die uit het verleden als het huidige Rashisme, een ideologie en praktijk gebaseerd op ontheiliging, oorlog en grensoverschrijdend geweld.

Over de auteur

 

Igor Shchupak. Bron: Jewish Memory and Holocaust in Ukraine

Igor Shchupak is directeur van het “Tkuma” (Hebreeuws: herleving) Instituut voor Holocauststudies in Oekraïne. Daarnaast is hij actief in het bestuur van de Ukrainian Jewish Encounter (Canada) en lid van het Internationaal Auschwitz Comité (Polen).


Noten

1. Officieel: Вооружённые силы Российской Федерации / Vooruzhjonnyje Sily Rossijskoj Federatsii, ofwel VSRF.
2. Voetnoot van de vertaler: ‘Rashisme’ (Engels: ‘Rashism’) is een portmanteau die sinds halverwege de jaren negentig wordt gebruikt in diverse landen en regio’s in Oost-Europa en Centraal Azië om het Russisch fascisme aan te duiden. Het is een samenvoeging van de Russische uitspraak van “Россия”(Rusland) en de tweede lettergreep uit het woord ‘fascisme’.
3. Meerdere Oekraïense historici, onder wie Sergiy Gromenko, Yaroslav Hrytsak, Vladyslav Hrynevrych, Larysa Yakubova, hebben het ‘Rashisme’ al eerder uitgebreid beschreven.
4. Resolutie nr. 7276, ‘Over de genocide door de Russische Federatie in Oekraïne’.
5. In Koriukivka in de Oekraïense oblast Tsjernihiv werden in de eerste week van maart 1943 ongeveer 6700 mensen vermoord door troepen van de Duitse SS en het Koninklijk Hongaars Leger. Als represaille voor een partizanenopstand onder leiding van Oleksiy Fedorov brandden nazi-soldaten een groot deel van het dorp plat (vaak terwijl bewoners nog binnen waren) en doodden circa 6700 ouderen, vrouwen en kinderen met (machine)geweren, pistolen en knuppels. Hoewel deze massa-executie minder bekend is dan, bijvoorbeeld, de vergelding voor de moord op Reinhard Heydrich in Lidice, wordt geschat dat het Bloedbad van Koriukivka (qua burgerdodenaantal) de meest gruwelijke nazi-vergeldingsactie is geweest uit de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog.
6. Een fragment van een video getiteld ‘Over nazisme in Oekraïne, gepubliceerd in juni 2022 en uitgezonden door de Russische tv-zender 360.
7. Exodus-2022: Getuigenissen van Joodse vluchtelingen van de Russisch-Oekraïense Oorlog. Dit is een opname van een livestream op 26 februari 2023. De verhalen zijn verzameld door Mychailo Gold (uit Oekraïne), professor Joodse Studies Anna Shternshis (uit Canada, geboren in Moskou), activisten van de Joodse Confederatie van Oekraïne gecoördineerd door Alina Teplitska, en anderen.
8. Voetnoot van de vertaler: Vladimir Solovjov is op het moment van schrijven een van Ruslands grootste propagandisten. Oekraïense comedians noemden hun geëngageerde programma daarom ‘Solovinyj Pomjot’, letterlijk vertaald ‘de vogelpoep van Solovjov’. De naam ‘Соловьёв’ (Solovjov) betekent ‘nachtegaal’.


Foto boven aan artikel

Een demonstrant tegen het Ruscism (Rashism). Bron: Alisdare Hickson op Wikimedia Commons (CC BY-SA 2.0)

“Het Indische zwijgen waarover je vaak hoort, gold voor mijn grootouders niet”

Het herdenkingsjaar 2023 is uitgeroepen tot themajaar ‘Leven met oorlog’. Het jaar staat in het teken van de impact van oorlog op mensen, families en de samenleving. In elke editie van WO2 Onderzoek uitgelicht stellen we dit jaar het verhaal centraal van iemand die werkzaam is in een oorlogsmuseum, herinneringscentrum of andere organisatie die gelieerd is aan oorlog. We laten hen aan het woord over de vraag welke rol hun eigen achtergrond speelt in hun werk. Chrissy Flohr, programmamanager bij Museum Sophiahof, bijt de spits af in deze nieuwe interviewserie.

Hoe bent u in uw huidige baan terechtgekomen?

“Eigenlijk kom ik uit een heel andere hoek, want ik werkte lang in het bedrijfsleven. Toen ik de overstap maakte naar de culturele sector, naar erfgoedmanifestatie Dag van het Kasteel, ontdekte ik mijn passie voor geschiedenis. Ik werkte bijvoorbeeld mee aan een programma over het koloniale verleden van kastelen en buitenplaatsen, en vond het erg leuk om dat nog relatief onbekende perspectief uit te diepen. Ik ben toen in deeltijd militaire geschiedenis gaan studeren en kon daarna aan de slag als assistent bij het onderzoeksprogramma Onafhankelijkheid, dekolonisatie, geweld en oorlog in Indonesië, 1945-1950. Ik werkte aan het inventariseren van slachtoffers en daders van de Bersiap voor de publicatie Het geluid van geweld.

Nu ontwikkel ik de programmering voor Museum Sophiahof, dat een pleisterplaats wil zijn voor iedereen die zich verbonden voelt met voormalig Nederlands-Indië. Mijn achtergrond in militaire geschiedenis komt ook in dit werk van pas, omdat je het verhaal van Nederlands-Indië en Indonesië niet kunt vertellen zonder het over de vele gewapende conflicten te hebben. Alleen al het feit dat ik hier ben geboren bijvoorbeeld, komt doordat Nederland het gebied ooit met geweld heeft gekoloniseerd.”

Chrissy Flohr

Speelt uw eigen achtergrond een grote rol in uw werk?

“Ik hou vooral van geschiedenis omdat ik een breed geïnteresseerd persoon ben, maar mijn Indische, Molukse en Indonesische roots zullen ook hebben meegespeeld. Mijn opa had veel hoge officieren van onder andere het KNIL in de familie, misschien werkt dat wel door in mijn belangstelling voor de krijgsmacht. En het onderzoek naar de Bersiap trok me ook omdat ik weet dat familieleden die periode hebben meegemaakt. Toch moet je als onderzoeker vooral afstand bewaren en sloot ik me tijdens het werk af van die banden. Je komt gruwelijke dingen tegen, en als je die steeds koppelt aan je eigen familie wordt het erg moeilijk.

Het Indische zwijgen waarover je vaak hoort, gold voor mijn grootouders niet. Mijn Indische en Molukse opa praatte veel over zijn oorlogservaringen en heeft zijn memoires ook opgeschreven. Nadat hij tijdens de Japanse inval was opgeroepen voor dienstplicht, is hij door de Japanners krijgsgevangen genomen en tewerkgesteld in een mijn. Hij kon er prachtig over vertellen, net als mijn oma, die Indonesische was. Terwijl mijn opa altijd voor de Nederlandse zijde heeft gekozen, is mijn oma voordat ze hem kende nog lid geweest van een verzetsgroep.

Voor mij geven mijn grootouders mooi weer hoe complex zo’n koloniale samenleving is, al helemaal als iedereen in een oorlogssituatie tegenover elkaar komt te staan. Dit verhaal kan niet op een simpele manier worden verteld, omdat er geen zwart-wit is. Alles is zo grijs als wat, en alles behoeft context.”

Die context geeft u nu in de programma’s van Sophiahof. Wat is daarbij uw belangrijkste drijfveer?

“Ik vind het mooi dat verschillende gemeenschappen samenkomen in Museum Sophiahof, waar we nu bijvoorbeeld de geschiedenis en huidige situatie van West-Papoea behandelen. Maar ik wil niet alleen mensen uit die gemeenschappen aanspreken; onze programma’s moeten voor iedereen relevant zijn. Het verhaal van voormalig Nederlands-Indië gaat ons allemaal aan en verdient daarom een breed publiek. Ik zou er graag aan bijdragen dat niemand er meer omheen kan, en dat het een vaste plek krijgt in ons nationaal bewustzijn.”

Semi-permanente tentoonstelling ONS LAND. Dekolonisatie, generaties, verhalen van het Indisch Herinneringscentrum en het Moluks Historisch Museum. Fotograaf: Sarah Dona Manev

Semi-permanente tentoonstelling ONS LAND. Dekolonisatie, generaties, verhalen van het Indisch Herinneringscentrum en het Moluks Historisch Museum. Fotograaf: Sarah Dona Manev

Het thema van dit nummer van WO2 Onderzoek uitgelicht is de economie van de Holocaust. Heeft u weleens een oorlogssouvenir gekocht?

“Nee, en in de Indische context ken ik ook geen museum dat zoiets verkoopt. In mijn eigen familie zijn er nauwelijks betekenisvolle spullen bewaard gebleven. Dat geldt voor veel Indische families neem ik aan, omdat je als je naar Nederland kwam alleen kon meenemen wat er in je hutkoffer paste. Soms ben ik weleens jaloers op mensen die allerlei mooie aandenkens hebben omdat hun familie hier al eeuwen woont.”

Wat roept het thema ‘Leven met oorlog’ bij u persoonlijk op?

“Ik denk aan mensen die letterlijk leven met oorlog omdat ze in oorlogsgebied verblijven, maar ook aan hen die nog steeds leven met een oorlog die lang geleden beëindigd is. Als museum komen wij vaak in contact met mensen voor wie dat geldt. Onze expositie Ons land bijvoorbeeld maakt soms veel emoties los bij bezoekers. Uit de verhalen die ze dan delen, blijkt hoe een oorlog nog generaties lang kan doorwerken.”

Zou u zelf zeggen dat u leeft met oorlog?

“Nee, dat voelt niet kloppend om over mezelf te zeggen, al is het thema ‘oorlog’ in mijn werk absoluut een dagelijkse realiteit. Ik ontmoet veel mensen die wél nog steeds leven met oorlog.”

Over de auteur

 

Djuna Kramer

Djuna Kramer is cultuurjournalist en schrijft voor o.a. de Volkskrant, Het Parool, AD en Theaterkrant. Ook maakt ze audioproducties, zoals de podcast Nu het nog kan voor Vrij Nederland, waarin kleinkinderen hun grootouders interviewen over de Tweede Wereldoorlog, en de documentaire De laatste woorden van Anton Mussert voor Docs (NTR/VPRO).


Foto boven aan pagina

Semi-permanente tentoonstelling ONS LAND. Dekolonisatie, generaties, verhalen van het Indisch Herinneringscentrum en het Moluks Historisch Museum. Fotograaf: Sarah Dona Manev

‘Dark souvenirs’. Oorlogsinstellingen over hun museumshopkeuzes

In veel oorlogsmusea en herinneringscentra worden souvenirs verkocht. Deze souvenirs kunnen worden gezien als een middel om de herinnering aan de oorlog levend te houden, maar ook als een trivialisering van diezelfde herinnering. Commercie op het terrein van de Tweede Wereldoorlog ligt daarom gevoelig. Journalist Nienke van Leverink vroeg medewerkers van het Nationaal Monument Oranjehotel, Oorlogsmuseum Overloon en Nationaal Monument Kamp Amersfoort naar de samenstelling van hun museumwinkelcollectie. Welke souvenirs verkopen ze? Hoe fungeren die objecten in onze herinneringscultuur? En wat zijn hun gedachten over een commerciële omgang met het verleden?

Mark de Witt, Nationaal Monument Oranjehotel: “Op het moment dat bezoekers iets meenemen, is het makkelijker het verhaal verder te vertellen”

Nationaal Monument Oranjehotel is een herinneringscentrum en museum in de voormalige Scheveningse gevangenis, waar tijdens de Tweede Wereldoorlog verzetsmensen als Erik Hazelhoff Roelfzema, Corrie ten Boom, Anton de Kom en Titus Brandsma gevangen zaten. In de museumwinkel worden veel boeken verkocht, maar ook voorwerpen die je in meer musea ziet, zoals ansichtkaarten, boekenleggers en pennen. Een opvallend souvenir is een brillendoekje van € 3,95 met de afbeelding van een borduurwerk van Elisabeth (‘Bep’) Boon-Mees (1888-1977). Zij vervaardigde het origineel tijdens haar gevangenschap in het Oranjehotel.

Brillendoekje met afbeelding van borduurwerk van Elisabeth Boon-Mees. Bron: Nationaal Monument Oranjehotel

“We proberen dingen te verkopen die een haakje hebben met het Oranjehotel”, aldus operationeel manager Mark de Witt. “Publiek dat een souvenir koopt vond het een indrukwekkend bezoek en wil daarom een herinnering meenemen. De boeken, waaronder veel biografieën, zijn interessant om meer over het onderwerp te lezen. Verder doen de koelkastmagneten en het brillendoekje, beide met de afbeelding van het borduurwerk van Bep Boon-Mees, het goed. We zien ook dat souvenirs worden gekocht door grootouders om aan hun kleinkinderen te geven en over de oorlog te vertellen.”

De Witt vertelt dat het Oranjehotel de souvenirs ziet als een afronding van het bezoek. “Iets wat eraan bijdraagt dat mensen over de oorlog praten. Commercieel gezien is de verkoop van souvenirs promotie, omdat we hopen dat mensen het museum blijven bezoeken, maar we verkopen deze voorwerpen ook om het verhaal levend te houden. De rechtsstaat, leven in vrijheid, leven in tijden van oorlog: op het moment dat bezoekers iets meenemen, is het makkelijker dat verhaal verder te vertellen.”

Het assortiment is nog in ontwikkeling. “We zijn in september 2019 opengegaan. Door de COVID-pandemie was 2022 het eerste jaar dat we, op januari na, het hele jaar open zijn geweest. In de winkel moeten we nog kijken wat wel en niet loopt, hoe je een winkel aantrekkelijk maakt. Op dit moment verkopen we veel kaarten van bloemetjes en vogels. Dat kan iets te lieflijk worden en daar willen we voor waken. We hebben nog geen strikte richtlijnen met betrekking tot de souvenirs, maar het moet inhoudelijk zijn en het verband met het Oranjehotel moet aanwezig zijn. Het militaristische en nationalistische kan schuren, in die hoek wil je ook niet zitten. Wij hebben niet de behoefte om de grens op te zoeken of om groot geld met de winkel te verdienen. De museumwinkel is het eerste en het laatste wat de bezoekers zien. Het is mooi als ze iets passends meenemen, dat een aanleiding kan zijn om het nog eens over het Oranjehotel te hebben.”

Janneke Kennis, Oorlogsmuseum Overloon: “Een tank of veldfles kan een eerste stap zijn voor re-enactment om de herinnering levend te houden”

Oorlogsmuseum Overloon is het grootste oorlogsmuseum van Nederland, met speciale aandacht voor de Slag bij Overloon uit 1944. Het museum bezit een grote collectie voertuigen en wapens, met meer dan 150 voer-, vaar- en vliegtuigen en kanonnen. De winkel omvat boeken (waaronder veel militaire geschiedenis), T-shirts met afbeeldingen van tanks en militaire parafernalia als kompassen en veldflessen.

“Onze souvenircollectie gaat van algemeen naar verdiepend”, zegt pr-manager Janneke Kennis. “We kiezen ook zeker voor souvenirs die aansluiten bij de Slag bij Overloon. Onze directeur Erik van Dungen heeft een boek over deze ‘vergeten slag’ geschreven, De Slag bij Overloon en de bevrijding van Venray, waarmee we wat meer context bieden. We hebben een nieuw paviljoen waarop een Avro Lancaster (vliegtuig) in meer dan 2.400 grotere en kleinere wrakstukken ligt tentoongesteld, daar laten we dan weer een T-shirt van maken. En we verkopen een hoodie met een van onze iconische tanks, een Sherman-tank met scheve koepel.”

De museumshop bedient diverse doelgroepen. “Gezinnen met kinderen, waarvan de jongetjes vaak een magneet met een tank erop uitkiezen als souvenir, en de meisjes een tasje of boek. Ook zijn er de bezoekers met een interesse voor militaire geschiedenis, echt een nichepubliek dat geïnteresseerd is in het tactische element van de oorlog. Zij kopen verdiepende boeken, die het grootste deel van de bestellingen in onze webshop uitmaken. En aan de andere kant heb je evenementenbezoekers, dat is weer heel wat anders. Als we evenementen organiseren zoals Militracks, over Duitse WO2-voertuigen, of de re-enactmentbijeenkomst Eyewitness, worden de bijbehorende souvenirs als petjes en T-shirts al snel collector’s items.”

Een tas die te koop is in het Oorlogsmuseum Overloon. Bron: Oorlogsmuseum Overloon

“Als museum ben je altijd bezig met de vraag hoe je de boodschap verspreidt”, aldus Kennis. “Dat kan worden versterkt door souvenirs. ‘Oorlog hoort in een museum’ is onze slogan. Een souvenir kan dan een herinnering zijn aan een indrukwekkend dagje uit. We kijken altijd goed naar de prijs-kwaliteitverhouding. Dure boeken zijn voor echte connaisseurs. Grote vraag is er naar magneetjes, vingerhoedjes en kaarten. We verkopen bewust geen materialen met hakenkruizen, je wilt dat zaken niet schuren. Maar je probeert ook te laten zien dat de Tweede Wereldoorlog verder gaat dan alleen de geallieerde kant. Zoals de Duitse kant, de Holocaust, dwangarbeid, de Hongerwinter.”

Museum Overloon verkoopt ook speelgoedtanks. Hoe verhoudt dat zich tot de slogan ‘Oorlog hoort in een museum’? Kennis: “Je ziet het bij Lego ook: kastelen, ridders en prinsessen hebben net zo goed met oorlog te maken. De speelgoedtanks die wij verkopen hebben ook een relatie tot de slag die hier in 1944 plaatsvond. Daarbij waren veel tanks betrokken en er zijn er ook een aantal achtergebleven na de slag. Deze vormen nu ook een deel van onze collectie. Jongetjes spelen nu eenmaal met auto’s, maar gaan na een bezoek aan ons museum ook wel anders kijken. Het is tweeledig: je wilt iets kunnen verdienen aan zo’n shop, maar dat moet altijd ten dienste staan van het museum en de boodschap die je uitdraagt. Je hebt bijvoorbeeld ook mensen die aan re-enactment doen en zo de geschiedenis levend houden. Misschien is zo’n tank of veldfles voor kinderen een eerste stap. Wij zetten ook regelmatig re-enacters in, bijvoorbeeld om het verhaal van een tankbemanning te laten zien. Dan krijg je jongens van 15 of 16 jaar die zich aansluiten. Niet om soldaatje te spelen, maar om de geschiedenis levend te houden en de gevallenen te eren. Ik denk dat je daarin een balans moet zoeken.”

Floris van Dijk, Nationaal Monument Kamp Amersfoort: “Dit is een authentieke plek van collectief leed, dat moet ook blijken uit het aanbod in je winkel”

Nationaal Monument Kamp Amersfoort is een monument en museum dat de herinnering in stand houdt aan Kamp Amersfoort. In dit concentratiekamp werden tijdens de Tweede Wereldoorlog 47.000 mensen vastgezet, van wie naar schatting driekwart is doorgevoerd naar andere kampen. In de museumwinkel is de band met kunstenaar Armando, die in de omgeving opgroeide en wiens werk sterk werd beïnvloed door de oorlog, ook zichtbaar. Zo zijn bronzen boombladeren à € 250 te koop, die hij speciaal voor het museum ontwierp en met de hand beschilderde, en T-shirts met een afdruk van Armando’s kortste gedicht: ‘Zwart zwart’.

Armando schildert de bronzen bladeren voor het Nationaal Monument Kamp Amersfoort. Bron: Nationaal Monument Kamp Amersfoort

“Die bladeren van brons behoren wel echt tot de buitencategorie”, vertelt Floris van Dijk, hoofd Onderzoek en collectie van Nationaal Monument Kamp Amersfoort. “We hebben net nog een grote partij aan een Duits museum verkocht. Voor de gemiddelde bezoeker zijn ze uiteraard best duur. Ons publiek bestaat, buiten schoolgroepen, uit mensen met een enorme historische interesse en mensen die een band met deze plek hebben. We hebben een redelijk uitgebreide, vrij interessante boekenvoorraad, die een goedlopend onderdeel is van onze winkel. Zoals in eigen beheer uitgegeven egodocumenten, die alleen hier te vinden zijn. Mensen gaan met stapels van wel zes boeken de deur uit. Ook met jeugdboeken, die ouders aan hun kinderen geven. Daarnaast wordt ons miniatuurtje van De stenen man, een beeldhouwwerk van Frits Sieger op de schietbaan van Kamp Amersfoort, gezien als een waardevol object voor mensen die iets betekenisvols zoeken. Laatst waren hier drie dochters op leeftijd wier vader hier gevangen had gezeten, wat nog steeds een enorme invloed op het gezin had. Ze kochten alle drie zo’n miniatuurtje, als doorvertaling van het leed in dat gezin.”

Het woord ‘betekenisvol’ is voor Nationaal Monument Kamp Amersfoort het belangrijkst bij het aanbod van souvenirs. “Wij vertellen een beladen verhaal, en we hopen dat een boek of pen of wat dan ook die herinnering in stand houdt. Wij verkopen absoluut geen Disney-achtige dingen en geen militaire parafernalia, bouwpakketten of speelgoedtanks. Met zulke voorwerpen, vaak voor kinderen, houd je geen herinnering aan de plek in stand. Dit is een authentieke plek van collectief leed, en dat moet ook blijken uit het aanbod in je winkel. Enig respect en afstand van popularisering is daarbij gepast.”

Uitgeschreven richtlijnen voor de souvenirs zijn er niet. “Maar we hebben wel onderling de afspraak: het moet een verband hebben met deze plek. Wij vertellen niet het verhaal van de Slag om Arnhem, of van Anne Frank. Zelfs in het boekenaanbod moet het verband met Kamp Amersfoort aantoonbaar zijn. Het gaat niet om de opbrengst, we willen dat het betekenisvol is. Ik denk dat de beoordeling hiervan per instelling kan verschillen. Anne Frank is zo’n internationaal icoon, een beker met haar afbeelding erop kan voor toeristen uit een land waar de Holocaust niet heeft plaatsgevonden ook betekenisvol zijn, maar voor ons in Europa, waar we wat strenger in de leer zijn, minder. Daar hebben we recent nog een discussie over gezien. (De serviescollectie ‘Hollands Glorie’ van Blond Amsterdam met de afbeelding van een glimlachende Anne Frank, NvL) Het Joods Cultureel Kwartier is ook interessant, die verkopen bijvoorbeeld voorwerpen met een religieus getinte symboliek. Dat snap ik ook wel. Wij hebben echt een ander verhaal: dit is een voormalig concentratiekamp waar 47.000 mensen hebben geleden onder een structureel systeem van honger, dwangarbeid en mishandeling. Wij moeten in onze keuze een beetje streng zijn.”

Nationaal Monument Oranjehotel, Oorlogsmuseum Overloon en Nationaal Monument Kamp Amersfoort hebben elk een verschillende kijk op het verhaal van de Tweede Wereldoorlog dat in hun museum wordt verteld. Hetzelfde geldt voor hun winkel. Hoewel alle drie de instellingen benadrukken dat de souvenirs de boodschap van de betreffende plek moeten uitdragen, maken ze voor hun museumwinkels behoorlijk uiteenlopende keuzes. Dat werpt weer nieuwe vragen op. Bijvoorbeeld of museumwinkels noodzakelijk zijn voor de culturele herinnering. En hoe de bezoekers zelf denken over de aanschaf van een ‘dark souvenir’.

Over de auteur

 

Nienke van Leverink. Foto: Bart Jansen

Nienke van Leverink is buitenpromovendus moderne Nederlandse letterkunde aan de Universiteit Leiden, waar ze onderzoek doet naar de representatie van trauma in het oeuvre van Marcel Möring.


Foto boven aan pagina

Oorlogsmuseum Overloon heeft ook een webwinkel waarin onder andere deze box voor kinderen gekocht kan worden. De inhoud van de box bestaat uit een speelgoedtank, een tas en toegangsbewijs voor 1 volwassene en 1 kind. Bron: Oorlogsmuseum Overloon