Het ene verlies is niet het andere

In de recente publicatie Verloren kunst verzet kunsthistoricus Louis Zweers zich tegen de onvoorwaardelijke teruggave van objecten en collecties aan voormalige koloniën. Hij breekt een lans voor het ruilen van deze objecten met Nederlandse kunstvoorwerpen die zich nog in Indonesië bevinden. Denk: collecties van (Indische) Nederlanders die in Indonesië verloren raakten door oorlogsgeweld, roof of nalatigheid. Volgens historicus Wiebe Reints creëert Zweers hiermee een schijntegenstelling in het debat over de restitutie van ‘koloniale roofkunst’.

De afgelopen tijd is er veel aandacht voor de teruggave van ‘koloniale roofkunst’. Of beter gezegd: voor de teruggave van objecten die gedurende de koloniale periode onder dwang of zonder toestemming zijn afgenomen van de oorspronkelijke eigenaren en vervolgens in Nederland terecht zijn gekomen. Deze aandacht is met name te danken aan nieuw beleid van de Nederlandse overheid dat in de mogelijkheid tot ‘restitutie’ voorziet. Recent zijn er al verscheidene collecties gerestitueerd aan Indonesië, Sri Lanka, de Verenigde Staten en Nigeria. Hoewel dit nieuwe beleid kan worden gezien als positief uitvloeisel van de veranderende Nederlandse kijk op het koloniale verleden, is het voor oorspronkelijke eigenaren rijkelijk laat dat collecties nu pas teruggaan. Bij verschillende landen stond de restitutie van culturele voorwerpen direct hoog op de agenda nadat ze zich hadden ontdaan van het koloniale juk. Zelfs tijdens het koloniale tijdperk werd er door herkomstgemeenschappen al opgeroepen tot de teruggave van hun cultuurobjecten.

Het is dan ook belangrijk om ons ervan bewust te zijn dat de restitutie van culturele objecten aan landen waar Nederland een koloniaal verleden heeft een kwetsbaar proces is. Een proces waarbij onderliggende machtsstructuren een belangrijke rol spelen en dat zich richt op het ‘herstellen van historisch onrecht’, zoals de kern van het huidige Nederlandse koloniale restitutiebeleid wordt verwoord. Dit is een krachtig doel, maar ook een doel dat moeilijkheden met zich meebrengt.

Verloren kunst. Bron: Walburg Pers. 

Concurreren om erkenning

In de oratie die Susie Protschky kortgeleden uitsprak bij de acceptatie van haar leerstoel Global Political History aan de Vrije Universiteit, refereerde ze aan een Nieuwsuur-interview in augustus 2023 met Peggy Stein. Deze voorvrouw van Indisch Platform 2.0 verklaarde dat ‘alles eerherstel en erkenning verdient’ toen haar werd gevraagd naar een eventuele rehabilitatie van de omstreden KNIL-kapitein Raymond Westerling. Westerling is bekend van de gruwelijkheden die onder zijn toeziend oog plaatsvonden gedurende de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog, maar heeft volgens zijn dochter ook veel mensen gered. Wat je in de uitspraak van Stein terugziet is een drogredenering waarbij verschillende vormen van historisch onrecht aan elkaar gelijkgeschakeld worden: het systematische onrecht en geweld dat plaatsvond gedurende de Tweede Wereldoorlog en de Onafhankelijkheidsoorlog in Indonesië en persoonlijk, individueel ervaren onrecht. Doordat Stein deze verschillende vormen van onrecht op één lijn plaatst, ontstaat de indruk dat ze tegenover elkaar moeten worden afgewogen en met elkaar moeten concurreren om te worden erkend, wat het proces van herstel eerder belemmert dan bevordert. Deze schijntegenstelling doet uiteindelijk aan beide partijen geen recht.

Bij het lezen van de meest recente publicatie van kunsthistoricus Louis Zweers moest ik ook denken aan deze schijntegenstelling. In Verloren kunst zoekt Zweers aansluiting bij de huidige aandacht voor koloniale restitutie en verzet hij zich tegen de onvoorwaardelijke teruggave van objecten en collecties aan voormalige koloniën. Hij probeert daarentegen een lans te breken voor het ruilen van deze objecten met Nederlandse kunstvoorwerpen die zich nog in Indonesië bevinden. De manier waarop Zweers het onrechtmatig achterblijven van verschillende Nederlandse collecties in Indonesië gelijkstelt aan de enorme hoeveelheid objecten die door de Nederlandse koloniale overheersing onvrijwillig van de Indonesische bevolking is afgenomen, ondergraaft echter het doel van de huidige restitutiepraktijk.

Het ‘verdwenen’ Dieng Plateau

Zweers richt zich in zijn publicatie op objecten die in Indonesië verloren zijn geraakt door oorlogsgeweld, roof of nalatigheid, waarbij hij voornamelijk oog heeft voor de collecties van (Indische) Nederlanders die woonachtig waren in de voormalige Nederlandse kolonie. In achttien hoofdstukken gaat de auteur – zij het wat willekeurig – in op verschillende casussen van verloren geraakte kunstwerken en collecties. Zo richt het eerste hoofdstuk zich op een schilderij van de 19e-eeuwse Javaanse schilder Raden Saleh. Zijn Dieng Plateau hing gedurende het koloniale tijdperk samen met andere landschapschilderijen in het gouverneurspaleis in Bogor (het toenmalige Buitenzorg). Zweers beschrijft hoe het overgrote deel van de Nederlands-Indische staatscollectie na de Indonesische onafhankelijkheid naar Nederland werd teruggebracht. Dat gold niet voor het Dieng Plateau, dat verdwenen leek te zijn totdat het eind 20e eeuw opdook bij een veiling van Sotheby’s in Singapore. Het werd toentertijd niet verkocht, maar werd in 2019 bij een veiling van Christie’s in Hong Kong opnieuw te koop aangeboden.

Dit eerste hoofdstuk geeft een goede illustratie van de inhoud van de rest van het boek. Zweers heeft met zijn jarenlange inzet veel interessante informatie weten te achterhalen over de omgang met cultuurgoederen gedurende de Japanse bezetting, de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog en de periode daarna. Het blijft echter de vraag wat de auteur precies beargumenteert met zijn uiteenzetting. Afgaande op de titel van het eerste hoofdstuk, ‘Op zoek naar een verdwenen landschapsschilderij van Raden Saleh’, verwacht de lezer dat Zweers onderzoek heeft verricht naar wat er met het Dieng Plateau is gebeurd nadat Indonesië de onafhankelijkheid uitriep. Al snel blijkt echter dat het schilderij niet als ‘verdwenen’ kan worden beschouwd, aangezien het de afgelopen dertig jaar meerdere malen op een veiling te koop is aangeboden. Ook is het volgens Zweers door de Duitse biograaf van Raden Saleh in 2010 in een Singaporese privéverzameling aangetroffen.1 Op de daadwerkelijke periode dat de verblijfplaats van het schilderij onbekend was, gaat Zweers niet verder in. Pas in de laatste alinea komt naar voren waar het de auteur eigenlijk om te doen lijkt. Zweers schrijft hier: “De Nederlandse staat, de rechtmatige eigenaar van het schilderij van Raden Saleh, heeft tot op heden geen stappen ondernomen om het gestolen kunstwerk […] terug te vorderen.”2

Egbert Willem van Orsoy de Flines. Bron: intisari.grid.id. 

Een gemankeerd betoog

Ook in andere hoofdstukken blijft de reden waarom Zweers dit alles opschrijft vaag. Hoofdstuk 4 beschrijft bijvoorbeeld de collectie van de Nederlandse keramiekverzamelaar Egbert Willem van Orsoy de Flines. In 1932 bracht De Flines zijn collectie onder bij het museum van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen (BGKW, dit museum is na de Indonesische onafhankelijkheid verdergegaan als Museum Nasional Indonesia), waar hij tevens werkzaam was als onbezoldigd conservator.3 De Flines overleefde net als zijn collectie de oorlog en ook na de soevereiniteitsoverdracht van 1949 bleef hij aan als conservator. Zoals bij zoveel verhalen uit de dekolonisatieperiode van Indonesië ontrolde zich een pijnlijke geschiedenis. Uit financiële noodzaak moest De Flines verschillende delen van zijn collectie verkopen en uiteindelijk verliet hij in 1959 gedwongen en gehaast Indonesië. Zijn keramiekcollectie en bijbehorende documentatie bleven achter in Indonesië. Maar wat blijkt: dat is precies zoals De Flines het had bedoeld. In De Flines’ testament stond namelijk, zo beschrijft Zweers zelf in Verloren kunst, dat zijn collectie na zijn overlijden moest worden overgedragen aan het museum van het BGKW. “Kennelijk heeft de verzamelaar geen behoefte gehad om zijn testament alsnog aan te passen, zelfs niet na zijn uitzetting naar Nederland”, schrijft Zweers.4 Wederom rijst hier de vraag wat Zweers wil zeggen met dit hoofdstuk. Is hij het niet eens met de keuze van De Flines? Wil hij slechts het lot van een Nederlandse verzamelaar en zijn collectie beschrijven? Of gaat het hem vooral om zijn zorgen over de Indonesische omgang met de voormalige collectie van De Flines, zoals lijkt uit de paragrafen ‘Geroofde pronkstukken’ en ‘Grote brand in Museum Nasional Jakarta’?

Door deze onduidelijke uitwerking raakt Zweers’ betoog nogal gemankeerd. Het is soms lastig te volgen en vaak niet eenduidig wat de auteur wil bereiken met zijn werk. Het boek eindigt bovendien nogal abrupt na het achttiende hoofdstuk. Op de laatste casus die Zweers behandelt volgt geen slotconclusie, maar slechts een dankwoord. Bovendien is veel van de informatie die Zweers de lezer voorschotelt rechtstreeks afkomstig uit zijn vorige boek of eerdere artikelen. Dat is op zich geen probleem, maar rechtvaardigt wel de vraag wat Zweers ertoe heeft gedreven zijn – hoewel, nogmaals, vaak interessante – informatie wederom voor het voetlicht te willen brengen.

Keramische afdeling van het Museum van het Koninklijk Bataviaasch Genootschap voor Kunsten en Wetenschappen te Batavia. Foto: Leiden University Libraries (Publiek domein).

En-en, niet of-of

Dat brengt ons weer bij het huidige restitutiebeleid van Nederland. Zweers’ vorige boek over dit onderwerp verscheen net nadat het initiële beleidsadvies van de Raad voor Cultuur over de restitutie van koloniale roofkunst was gepresenteerd, zo lezen we in een interview uit 2020 met Zweers in NRC.5 Zeker als we uitgaan van tussenkopjes zoals ‘Wat verzweeg Gonçalves’6 (Lilian Gonçalves-Ho Kang You is de voorzitter van de onafhankelijke commissie die de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap adviseert over de restitutie van ‘koloniale roofkunst’) en verwijzingen naar misplaatste postkoloniale schuldgevoelens7, kunnen we Verloren kunst niet anders beschouwen dan als een reactie op de huidige restitutiepraktijk. Helaas bevat Zweers’ boek voor een daadwerkelijk commentaar daarop te weinig steekhoudende argumenten. Terwijl er genoeg valt aan te merken op de huidige restitutie van museumcollecties afkomstig uit een koloniale context. Zo worden objecten bijvoorbeeld slechts van overheid tot overheid teruggegeven, waardoor oorspronkelijke eigenaren vaak nog altijd geen toegang hebben tot hun verloren erfgoed.

Verloren kunst had beter gefunctioneerd wanneer de auteur dit boek slechts had gebruikt om een verhaal te vertellen over het verlies van cultuurgoederen gedurende de (post)koloniale periode. Dat behoeft, naast de aandacht voor de roof van Indonesische culturele voorwerpen, namelijk óók aandacht. Doordat Zweers dit verlies één op één afzet tegen het huidige restitutiebeleid van Nederland, ontkomt de lezer er niet aan het ene onrecht met het andere te vergelijken. Het idee van Zweers om kunstwerken met Indonesië uit te wisselen ondergraaft zo de kracht van de onvoorwaardelijke teruggave van culturele objecten, die zich richt op het herstellen van historisch onrecht.8

Bovendien, in Indonesië bevinden zich wellicht door Nederlanders gemiste collecties, maar dit kan niet simpelweg worden geëxtrapoleerd naar de vele andere gebieden die hebben geleden onder het Nederlandse koloniale bewind. De Afrikaanse westkust, Sri Lanka, Suriname en de eilanden in het Caribische gebied golden in veel mindere mate als vestigingskoloniën, terwijl Nederlanders ook in deze gebieden omvangrijke collecties bijeenbrachten. Het is al een gotspe om de achttien casussen die Zweers in zijn boek behandelt te vergelijken met de enorme hoeveelheid voorwerpen die onvrijwillig vanuit de Indonesische archipel naar Nederland zijn verscheept, laat staan met die uit de vele andere gebieden waar Nederland zijn koloniale macht uitoefende. Deze landen beschikken namelijk niet eens over Nederlandse collecties die ze tegen hun eigen geroofde erfgoed zouden kunnen ‘ruilen’.


Over de auteur

Wiebe Reints

Wiebe Reints is onderzoeker bij het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies. Daar ontwikkelt hij bij het Expertisecentrum Restitutie een serie digitale zoekhulpen voor koloniaal herkomstonderzoek. Eerder deed hij onderzoek naar de verdwenen rijkssieraden van Luwu en droeg hij bij aan het herkomstonderzoek naar de ondertussen gerestitueerde Dubois-collectie.


Noten

1Louis Zweers, Verloren kunst, Walburg Pers 2024, p. 25

2 Louis Zweers, Verloren kunst, p. 27.

3 Louis Zweers, Verloren kunst, p. 48.

4 Louis Zweers, Verloren kunst, p. 56.

5 Naast het initiële beleidsadvies is er inmiddels ook een beleidsvisie. In juli 2020 verscheen het rapport Koloniale collecties en erkenning van onrecht, een advies over de omgang met koloniale collecties. De Beleidsvisie collecties uit een koloniale context uit januari 2021 bevat een reactie daarop. In juli 2022 informeerde staatssecretaris Uslu de Tweede Kamer over de implementatie hiervan, met de Kamerbrief over implementatie beleidsvisie collecties uit een koloniale context.

6 Louis Zweers, Verloren kunst, p. 11.

7 Louis Zweers, Verloren kunst, p. 9.

8 Louis Zweers, Verloren kunst, p. 147.


Foto bovenaan artikel

Dieng Plateau van Raden Saleh. Bron: Wikimedia Commons (Publiek domein).

Onvoltooid verleden: de worsteling van het Wereldmuseum

Het Wereldmuseum Amsterdam opende dit jaar de tijdelijke tentoonstelling Onvoltooid verleden: Teruggeven, houden, of…?, waarmee het de bezoeker meeneemt in het verhitte vraagstuk over restitutie. Door een kijkje achter de schermen – en in de collecties – te geven, stelt het museum zich ogenschijnlijk kwetsbaar op. Maar door het museum centraal te stellen, wordt ook veel verbloemd.

Het Wereldmuseum Amsterdam is al decennialang zoekende naar een nieuwe rol in een dekoloniserende context. Dat geldt natuurlijk voor veel musea op de wereld, maar met name voor etnografische musea die veelal een directe oorsprong hebben in exploitatieve koloniale handel of expo’s. Deze musea met vergaande koloniale wortels moeten zichzelf geheel opnieuw uitvinden om in de huidige dekoloniale tijd een vernieuwde rol te kunnen spelen.1

Er is bij het Wereldmuseum Amsterdam veel veranderd de afgelopen jaren. De traditionele opstellingen per geografisch gebied, die als diorama’s inzicht moesten geven in (voormalige) koloniën, werden jaren geleden al vervangen. De naamsverandering van het Tropenmuseum en de organisatorische samenwerking van de Nederlandse Wereldmusea was een logisch onderdeel van zijn veranderende rol. De missie van het museum veranderde ook, door te wijzen op gezamenlijke menselijkheid in diversiteit en door nadruk te leggen op de verbindingen tussen het verleden en het heden. Maar zelfs met een nieuwe missie blijft de worsteling bestaan: welke plek geef je het eigen koloniale ‘verleden’ als dat aan alle kanten doorwerkt? En welke veranderingen zijn er dan nodig in de kern van het museum: zijn collectie?

Words Matter

Het Wereldmuseum neemt veelvuldig deel aan (inter)nationale onderzoeksprojecten die deze koloniale facetten bestuderen en proberen aan te pakken. De publicatie van het boek Words Matter (2018), met openhartige voorbeelden van aangepast woordgebruik, maakte merkbaar impact in de museale sector.2 Intern werd dit voortgezet met het bestuderen en herzien van de categorieën en benamingen in het collectieregistratiesysteem. Objecten in de collecties worden onderzocht op hun herkomst en tegelijkertijd worden nieuwe objecten verzameld die expliciet andere verhalen en geschiedenissen behelzen, bijvoorbeeld protestborden van de beweging Kick Out Zwarte Piet.

In vaste en tijdelijke tentoonstellingen krijgen bezoekers toegang tot zulke meerstemmige vertellingen van het verleden. Niet zelden is hierbij ook ruimte voor zelfreflectie vanuit het museum, vaak in combinatie met gevraagde interventies van hedendaagse kunstenaars als kritische blik van buiten.3 Gaandeweg is er ook in de bredere Nederlandse samenleving meer bewustzijn gegroeid voor de slachtoffers van het koloniale ‘verleden’ en de noodzaak om hier ruimte voor te maken binnen musea, erfgoedinstellingen en geschiedenissen.

Deze stapsgewijze verandering tekent zich mooi af in de drie opeenvolgende dekoloniale tentoonstellingen bij het Wereldmuseum Amsterdam.4 Als verkenning presenteerde het museum eerst Heden van het slavernijverleden (2017-2021), een relatief kleine tentoonstelling die haar dekoloniserende doel nog grotendeels beperkte tot het thema slavernij. Bij bezoekers werden expliciet feedback en inzichten opgehaald in een centraal deel van de tentoonstelling. Deze proeftentoonstelling was de voorzet voor de nieuwe vaste tentoonstelling Onze koloniale erfenis. Deze opende in 2022 en reflecteert breder op de huidige doorwerking van verscheidene koloniale erfenissen. Dit jaar volgde Onvoltooid verleden (2025-2027), eveneens op de eerste verdieping, als een soort epiloog die zowel fysiek als narratief logisch aansluit bij Onze koloniale erfenis.

Enkele objecten met hun cataloguskaartjes. Foto: Csilla Ariese, 2025

Binnenstebuiten

Onvoltooid verleden, de tentoonstelling die nu te zien is, poogt bezoekers een kijkje in de keuken te geven en hen te activeren om een mening te vormen in de restitutiekwestie. Wat te doen met museale objecten waarvan teruggave wordt verzocht door staten of gemeenschappen van herkomst? De tentoonstelling begint met een overweldigende blik in de collecties. Tussen twee goed verlichte glazen vitrines door draait een video met korte opnames uit verschillende delen van het museumdepot. Levensgroot sta je, eventjes in de rol van collectiemedewerker, voor de eindeloze rijen speren, tussen stellingen vol meubels en kledingrekken met jassen van dierenvachten. De objecten in deze eerste vitrines dragen nog hun cataloguskaartjes die normaal gesproken uit het zicht in het depot achterblijven. Het ontwerp van de rest van de tentoonstelling versterkt het gevoel dat je je in een depot bevindt, achter de schermen. De objecten staan tentoongesteld op stapels plastic opbergbakken.

De bezoeker moet zich in deze opzet actief mengen in het restitutiedebat. De verschillende thematische delen van de tentoonstelling zijn gebundeld onder prangende vragen (waarop het museum zelf op deze plek weinig antwoorden geeft): “Hoe zijn objecten in de collectie gekomen?”, “Was het toen legaal of geroofd?”, “Is een geschenk gewoon een geschenk?” en “Wie bepaalt de waarde van objecten?”

Een tentoonstellingstekst met vragen. Foto: Csilla Ariese, 2025

Deze issues worden geïllustreerd door enkele van de bijna half miljoen voorwerpen uit de collecties van de Wereldmusea. Met een wat uitgebreidere tekst worden de koloniale herkomstverhalen van deze objecten verteld, waarbij ook kritiek op historische verzamelaars en koloniale machthebbers niet wordt vermeden. Kunstinstallaties en kunstwerken van hedendaagse kunstenaars voegen een nog veel kritischer stem toe aan de tentoonstelling. Zij onderstrepen de historische overtredingen die in het heden worden voortgezet door het letterlijk opsluiten van voorouders in de vorm van hun menselijke resten en hun bezittingen in ontoegankelijke depots. De tentoonstelling toont tenslotte enkele video’s van restitutieprocessen van het Wereldmuseum die zijn afgerond, waarbij voorouders en bezittingen zijn teruggekeerd naar hun oorspronkelijke gemeenschappen. Tot slot vraagt ze de bezoeker: hoe verder?

Herkomstonderzoek

Er blijven ongemakkelijke vragen in de ruimte hangen. Dat heeft onder meer te maken met de sterke focus op herkomstonderzoek in de tentoonstelling. Dat is deels organisatorische logica: de tentoonstelling komt voort uit het vierjarige onderzoeksproject Pressing Matter (2021-2025, gecoördineerd vanuit de Vrije Universiteit Amsterdam) waarbinnen herkomstonderzoek ook al een grote focus had. Met herkomstonderzoek wordt uitgezocht, grotendeels door archiefonderzoek, hoe voorwerpen in musea zijn terechtgekomen: wie heeft het object wanneer verzameld, en hoe is het via erfenissen, veilingen, aankopen, collectieruil en andere processen in de collectie terechtgekomen?

Het Pressing Matter-project is overduidelijk zichtbaar in Onvoltooid verleden, van de oranje accentkleur tot de prominente videoschermen waarop Pressing Matter-onderzoekers levensgroot toelichting geven, en de schermen die je kunt gebruiken om van een aantal objecten het herkomstonderzoek in te zien. Het zwaartepunt van de tentoonstelling blijft daarmee liggen bij herkomstonderzoek, met het museum als vertrekpunt en de herkomstonderzoeker in de hoofdrol.

Kwetsbaarheid met mate

Hoewel het Wereldmuseum zich in Onvoltooid verleden kwetsbaar probeert op te stellen, kunnen er ook een aantal kritische kanttekeningen bij deze tentoonstelling gezet worden. De museale teksten zijn weliswaar kritisch, maar voornamelijk als het gaat om het verleden, als het gaat over wetenschappers en missionarissen die vanuit een koloniaal systeem culturele voorwerpen hebben ‘verzameld’ of ‘gekocht’. Of als wordt benoemd dat musea destijds “wellicht niet altijd op de hoogte [waren] van de manier waarop de voorwerpen waren verworven, maar wel gebruik [maakten] van het koloniale systeem dat deze handel mogelijk maakte”.

Echter, door de kritiek te beperken tot het verleden, maakt de tentoonstelling te weinig ruimte voor hedendaagse kritiek op restitutieprocessen. Die lag weliswaar buiten het doel van het Pressing Matter-project, maar hier had de tentoonstelling wel voor een bredere behandeling mogen gaan. Het feit dat restitutie momenteel geïnitieerd moet worden door gemeenschappen van herkomst is één zo’n potentieel zwaktepunt, onder meer omdat het voor deze gemeenschappen vaak lastig te achterhalen is welke voorwerpen zich waar bevinden. Er zijn voorbeelden geweest van restitutie zonder verzoek uit het herkomstland die als zeer top-down werden ervaren, die deze westerse beleidskeuze deels verklaren. Maar door eigen proactieve restitutieprocessen te beperken, houdt het museum vergaande macht over het behoud van zijn collecties. Gemeenschappen van herkomst zijn ook niet altijd te spreken over de tijd die musea steken in herkomstonderzoek, een noodzakelijk onderdeel van de voorbereiding voor potentiële restitutie. Zij zien dit als een vertragingstactiek.

Onderdeel van de installatie To Make One Particle, Pansee Atta. Foto: Csilla Ariese, 2025

Door in de tentoonstelling alleen enkele succesverhalen van restitutie te tonen, blijft ook het diepe koloniale trauma van roofkunst buiten beeld en ligt zelfgenoegzaamheid op de loer. Want hoe zit het met de gevallen waarbij het restitutieproces omstreden verloopt? Zeker wordt via een imponerende installatie het voorbeeld getoond van een mozaïekschedel uit de collectie van het Wereldmuseum Leiden die in 2024 door de Nederlandse regering werd teruggeven aan de Mexicaanse staat. Hierbij werden inheemse initiatieven genegeerd. De verantwoordelijkheid wordt hier neergelegd bij het door de overheid bestuurde restitutieproces dat alleen restitutie tussen twee staten toestaat. Meer kwetsbaarheid over niet-succesverhalen en eigen tekortkomingen zou eerlijker inzicht geven in het moeizame dekoloniale proces en de lange weg die nog te bewandelen is.

Bovendien wordt door het veelvuldige gebruik van vragen de verantwoordelijkheid om een positie te kiezen in het restitutiedebat bij de bezoeker gelegd. Het museum komt zelf niet openlijk met sterke standpunten of overtuigingen, neemt geen positie in en blijft daardoor vals-neutraal op de achtergrond. En dat terwijl het Wereldmuseum wel degelijk een actor is in het Nederlandse restitutiebeleid en hierop invloed kan uitoefenen. Zo blijft nu voor de bezoeker onzichtbaar of er interne discussies gaande zijn over restitutie en waar dit schuurt met het fundamentele doel waarvoor het museum destijds is opgericht. Een eigen toekomstvisie van het Wereldmuseum rond teruggave of behoud blijft buiten beeld. Inderdaad: hoe verder?

Gekoesterde objecten

Vanuit het raamwerk van een dekoloniale museumpraktijk had het Wereldmuseum Amsterdam nog wel enkele moedige stappen kunnen zetten naar meer kwetsbaarheid, openheid en decentralisatie. Onvoltooid verleden spreekt met een neutraliserende, anonieme museumstem vanuit het perspectief van herkomstonderzoekers en collectiemedewerkers. De meerstemmigheid is beperkt. Hierin legt het museum, evenals bij restitutieprocessen, veel verantwoordelijkheid buiten zichzelf, bij anderen. Het laat de persoonlijke, emotionele taal en diepgaande kritiek over aan externen: kunstenaars. Het meest ingrijpende voorbeeld hiervan is wel het door Manuwi C. Tokai samen met gemeenschappen gemaakte herdenkingsaltaar dat op de begane grond van het museum te vinden is. Het is een plek om te rouwen om alle voorouders die in de depots worden vastgehouden en vraagt aandacht voor de terugkeer van een Surinaams-inheemse baby.5

Herdenkingsaltaar, Manuwi C. Tokai. Foto: Csilla Ariese, 2025

Een concrete mogelijkheid om de narratieven te decentraliseren werd ook over het hoofd gezien. Objectteksten zouden standaard het vertrekpunt kunnen kiezen van de mensen en culturen die de voorwerpen hebben gemaakt, gebruikt, gekoesterd. Uit wiens handen kwamen deze objecten, wat was hun waarde en hun functie, en wat betekende vervolgens het verlies van dit culturele eigendom? In Onvoltooid verleden beginnen veel teksten bij het moment waarin het voorwerp in westerse handen kwam, waarbij de koloniale bezetter, handelaar, missionaris of wetenschapper in de eerste zin alweer de hoofdrol in het verhaal krijgt. Een gemiste kans om een grotere verschuiving in verhalen, macht en actoren te bewerkstelligen.

Onvoltooid proces

De waarde van Onvoltooid verleden ligt daarmee niet in het schuiven met de koloniale machtsverhoudingen, maar in het openbreken van een wetenschappelijk debat voor een breder publiek. Restitutie, repatriëring, rematriëring; het zijn termen waar in academische kringen hevig over gedebatteerd wordt. Binnen de museale sector gaat meer aandacht naar herkomstonderzoek en het ontwikkelen van beleid en richtlijnen voor restitutie. De processen lopen in de praktijk veelal via beleidsstukken en diplomatieke kanalen en zijn vaak nauwelijks zichtbaar voor de samenleving, totdat succesvol afgeronde restitutieverzoeken in de media naar buiten komen.

Onvoltooid verleden brengt de complexiteit van restitutieprocessen onder het oog van de samenleving en trekt het debat breder. De bezoeker ziet in welke contexten voorwerpen in de museale collecties terecht zijn gekomen en welke problematische ethische kwesties er spelen. Geleid door de vragen moet je als bezoeker actief een mening vormen. Wat denk ik, en wat voel ik hierbij? Hoe heeft het koloniale verleden invloed gehad op de herinneringen van verschillende gemeenschappen en op onze collectieve en nationale geschiedenissen? Wat valt er te herdenken, te rouwen, te repareren, en wellicht uiteindelijk, te vieren? Deze tentoonstelling zal je inleiden in het restitutiedebat, maar trekt helaas de problemen niet ver genoeg naar het heden – en blijft daardoor op meerdere punten onvoltooid.

Onvoltooid verleden: Teruggeven, houden, of…? Is tot en met 3 januari 2027 te zien in Wereldmuseum Amsterdam.


Over de auteur

Csilla E. Ariese. Foto: Florian Braakman

Dr. Csilla E. Ariese is museologe en werkt als senior docent aan de Reinwardt Academie, als deel van de daar gevestigde UNESCO Chair on Museum Collections, Repatriation and Interculturality. Ze is co-auteur van het boek Practicing Decoloniality in Museums: A Guide with Global Examples.


Noten

1 Daan van Dartel et al., Tropenmuseum for a Change!: Present between Past and Future : A Symposium Report. KIT publishers, 2009.

2 Wayne Modest et al., Woorden Doen Ertoe: Een Incomplete Gids Voor Woordkeuze Binnen de Culturele Sector. Tropenmuseum / Afrikamuseum / Museum Volkenkunde / Wereldmuseum, 2018.

3 Csilla E. Ariese, ‘Amplifying Voices: Engaging and Disengaging with Colonial Pasts in Amsterdam’. Heritage & Society, 13, nr. 1-2 (2020), p. 117-142, https://doi.org/10.1080/2159032X.2021.1901335.

4 Deze ontwikkeling werd ingezet toen het museum begon te werken aan een opvolger voor de vaste tentoonstelling Oostwaarts! Kunst, Cultuur en Kolonialisme (2001-2021).

5 David van Duuren, Mischa ten Kate & Koninklijk Instituut voor de Tropen, Physical Anthropology Reconsidered: Human Remains at the Tropenmuseum. KIT, 2007.


Foto bovenaan artikel

Onvoltooid verleden. Foto: Csilla Ariese, 2025.

“What is the restitution that you are calling for?”

Restitutie is een sociaal proces op zich, dat bestaande machtsstructuren weerspiegelt en reproduceert. Terwijl het beweert schade te herstellen, kan het net zo goed nieuwe schade aanrichten door stemmen uit te sluiten en te marginaliseren. Tegelijkertijd betekent restitutie een vorm van thuiskomst. Dit wordt goed zichtbaar in de ervaringen van Namibische nazaten met processen van teruggave van rooferfgoed en voorouders door Duitse instituties.

What is it that you are actually calling for,

what is the restitution that you are calling for, you know,

is it the restitution of the physical object,

is it the restitution of the use of that object,

is it the restitution of the intrinsic cultural value that that item had in our societies,

for us as individuals?1

Deze woorden komen van de Nama dichter, schrijver en performer Keith Vries. Hij deelde ze in 2024 in het kader van het project Artistic Research Communal Knowledge: Reconnecting with Returned Cultural Belongings.2 Dit project richtte zich op de artistieke omgang met 23 historisch culturele belongings3 die in 2022 vanuit Duitse museumcollecties aan Namibië werden gerestitueerd, om zo de (im)materiële kennis rond deze teruggekeerde objecten (opnieuw) te activeren.

Ik gebruik de woorden van Vries als inspiratie voor deze korte reflectie op het Duits-Namibische restitutieproces, onder meer gebaseerd op interviews met Nama betrokkenen. In dit artikel blijf ik op overzichtsniveau, maar ik wil benadrukken dat er meerstemmige lagen van herinnering en betekenis verbonden zijn aan deze restituties. Lagen die niet ophouden te bestaan op het moment van teruggave. Daarom richt dit artikel zich ook niet primair op nationale politiek of beleid, maar op de restitutieprocessen zelf en op de ervaringen die mensen daarin doormaken.

Koloniale roof in Duits-Zuidwest-Afrika

Tussen 1884 en 1915 regeerde het Duitse keizerrijk over de vestigingskolonie Duits-Zuidwest-Afrika, het huidige Namibië.4 Verzet tegen de Duitse kolonisatie door verzetsstrijders als Samuel Maharero, Jakob Marengo en Hendrik Witbooi werd bruut neergeslagen en culmineerde in genocide. In de officiële analen heet het dat die plaatsvond tussen 1904 en 1908, maar deze verengde periodisering sluit het genocidale geweld vanaf 1893 en de actieve verzetsgevechten tot 1909 uit. Net als de voortzetting van de genocide die tot op de dag van vandaag wordt gevoeld trouwens. Zoals Hã-eb !Khuxamab het verwoordde: “De genocide gaat door, we voelen het in het trauma, in het verlies van onze taal, onze traditionele kennis, onze voorouders, ons land, onze artefacten.”5

De systematische roof van culturele belongings was een wezenlijk onderdeel van het Duitse kolonialisme en van het imperialistische project in het algemeen. Roof haalt (im)materieel erfgoed uit zijn sociale context en bewerkstelligt de pijnlijke afwezigheid van sociale werelden, culturele praktijken en de kennis die daarmee samenhangt. Vandaag de dag bevinden zich duizenden gebruiksvoorwerpen, rituele objecten, kledingstukken, planten, archiefdocumenten en meer in Duitse collecties, vaak geroofd onder de dekmantel van ’verzamelen’.

Bijzonder pijnlijk is de ontmenselijkende roof van voorouders. Vrouwen werden gedwongen om vlees van botten te scheiden, zodat menselijke schedels naar Duitsland gebracht konden worden. Het catalogiseren van voorouders als onderzoeksobjecten was een wezenlijke schending van sociale identiteit en menselijke waardigheid en werd misbruikt voor racistische ‘wetenschap’ (die in directe lijn staat met de ‘rassenleer’ in de Nürnberger Gesetze van 1935). Voor nazaten is het weten dat hun voorouders zich nog steeds in dozen in musea of archieven bevinden ondragelijk: “Ze moeten worden teruggebracht en niet worden versierd of tentoongesteld in musea, ze moeten worden begraven zodat mensen vrede kunnen vinden..”6

“What is the restitution…”

Nazaten van beroofden hebben voortdurend en herhaaldelijk aangedrongen op de teruggave van voorouders en culturele belongings. Ondanks de vaak terughoudende en zelfs vijandige houding van Duitse instellingen, slaagden Namibische delegaties er in de loop der jaren in om sommige voorouders en belongings uit Duitse museum-, universiteits- en archiefinstellingen terug naar Namibië te krijgen. Dit omvatte de teruggave van voorouderlijke schedels van de Ovaherero en Nama in 2011, 2014 en 2018, (fragmenten van) dagboeken van de Nama verzetsstrijder Hendrik Witbooi in 1996 en 2005, en zijn herderszweep en familiebijbel in 2019. In 2022 volgde de eerdergenoemde restitutie van 23 culturele belongings van verschillende Namibische groepen. In alle gevallen werden de belongings officieel overgedragen aan de Namibische staat, die ze onderbracht bij nationale musea of archiefinstellingen. Hoewel vaak gezien als groot succes, tonen deze gevallen ook de moeilijkheden van restitutie en de lagen van pijn en conflict die in het proces naar voren komen.

Zo werd de restitutie van voorouders in 2011, waarvoor een grote Namibische delegatie van traditionele autoriteiten en regeringsvertegenwoordigers naar Berlijn was gereisd, overschaduwd door het beschamende gedrag van de toenmalige Duitse staatsminister van Buitenlandse Zaken. Zij verliet de ceremonie vroegtijdig nadat aanwezigen om duidelijke excuses voor de genocide hadden gevraagd. Vervolgens waren er bij de restitutie van voorouders in 2014 vooral politieke vertegenwoordigers aanwezig en werd nauwelijks ruimte gegeven aan culturele praktijken.

Katrina Rooi met een foto van een voorouderlijke schedel en van haar vader Christiaan Rooi die onderdeel uitmaakte van de delegatie die in 2011 de schedels terugbracht naar Namibië. Gibeon, oktober 2025. ©Leah Niederhausen

Traditionele Ovaherero en Nama autoriteiten hebben kritiek op deze institutie- en regeringsgestuurde processen. Onder de leus ‘Not about us without us’ bekritiseren zij zowel de Duitse als de Namibische regering omdat zij worden uitgesloten van herstel- en restitutieprocessen. Voor hen gaat herstel niet alleen over belongings of betalingen, maar over het recht op zelfvertegenwoordiging en gelijkwaardige inclusie in herstelprocessen vanaf het begin.

Deze claim werd bijzonder duidelijk tijdens de restitutie van voorouders in 2018 en de teruggave van Hendrik Witboois zweep en familiebijbel vanuit het Linden-Museum Stuttgart in 2019. Beide restituties werden door Duitse regeringsvertegenwoordigers met retorische pathos omgeven: ze spraken over “vergeving”7 en “een belangrijke stap in het proces van verzoening”.8 Maar deze taal van verzoening mist een cruciaal punt, want hoe kan restitutie bijdragen aan verzoening als mensen zich nog überhaupt niet herkend voelen in hun leed? Terwijl de Duitse regering in 2021 excuses aanbood voor de genocide, hebben deze excuses de getroffenen zelf niet bereikt. Wat veel mensen in Namibië mij vertelden is dat bilaterale processen tussen regeringen, in restitutiezaken zowel als in de lopende kwesties rond herstelbetalingen, nooit het doel van ‘vergeving’ of ‘verzoening’ bereiken zolang ze niet de getroffenen zelf centraal zetten en regeringen met mensen verwarren. “Als jij mij pijn doet en dan excuses aanbiedt aan mijn vader, dat doet toch niks voor mij?”, tekende ik onder meer op. Mensen verwachten persoonlijke en publieke excuses direct aan henzelf als getroffenen, niet aan de regering. Pas dan kan verder over verzoening worden gepraat.

De restitutie van Witboois zweep en bijbel wordt door Witboois nazaten en gemeenschap als enorm belangrijk en betekenisvol ervaren. Niet primair omdat het een stap richting verzoening zou zijn, maar omdat de belongings een materiële connectie met en herkenning van hun voorouder Hendrik Witbooi behelzen: “Zij zijn het bewijs dat onze verhalen waar zijn.”9 Dat betekent dus ook dat de dag van teruggave voor velen niet alleen een gelukkige dag was, maar ook een heel verdrietige. De belongings verduidelijken de traumatische geschiedenis die nog steeds een geleefde realiteit is, die zichtbaar wordt in structurele armoede, landloosheid, transgenerationeel trauma en het gevoel nog steeds niet gezien te worden als gelijkwaardig.

Vandaag de dag bevinden de bijbel en de zweep zich in respectievelijk het Namibische Nationaal Museum en het Nationaal Archief. Voor sommigen, inclusief directe familieleden, is dit een goede oplossing omdat de belongings zo goed bewaard worden en voor iedereen toegankelijk zijn. Voor anderen is het ook een pijnlijke beslissing: “Het deed geen recht aan onze emoties omdat het van ons is. In zekere zin was het een show van een uur of twee voor de elite en degenen die erbij waren, maar zelfs nu is het niet bij ons.”10

De auteur tijdens een interview met Talita Franciska |Ui-ǂnuses-Bangarah (links) en Alwine Petersen (rechts), Gibeon, november 2025. ©Nicole Immler

“… you are calling for”

Het herkennen van de lagen van pijn en conflict binnen restitutieprocessen is cruciaal. Ze laten zien dat restitutie verbonden is met ‘the power to decide’11 en dat die macht nog steeds grotendeels bij nationale regeringen en instituties ligt, eerder dan bij sub- of pan-nationale groepen en nazaten. Ze maken duidelijk dat restitutie niet het eindpunt kan zijn van (herkomst)onderzoek of politieke onderhandelingen, maar dat de claim voor rechtvaardigheid en ‘restitutionary work’12 verder reikt dan academische en beleidsmatige domeinen. Restitutie is een sociaal proces op zich, dat bestaande machtsstructuren weerspiegelt en reproduceert, en dat terwijl het beweert schade te herstellen net zo goed nieuwe schade kan aanrichten door stemmen uit te sluiten en te marginaliseren. De vraag is dus niet alleen: van wie zijn belongings? Maar ook: wie bepaalt wat restitutie is vóór wie?

Tegelijkertijd: wanneer conflict het voornaamste of zelfs enige narratief van restitutie wordt, dreigt de belangrijke focus op het intensieve werk van terugeisen, op de belongings zelf en op hun herverbinding met hun sociale en voorouderlijke werelden naar de achtergrond te verdwijnen. De terugkeer van voorouders en culturele belongings van Duitsland naar Namibië is een uitdrukking van politieke spanningsvelden. Maar hun terugkeer is in zekere mate ook een thuiskomst. Het terugeisen van voorouders is een eerste stap om ten minste enkele rouwprocessen en rituelen mogelijk te maken die de overledenen nooit konden ontvangen. Elke terugkeer van een archiefstuk, zoals de dagboeken van Hendrik Witbooi, betekent een bijdrage aan de inheemse en Namibische geschiedenis. Ook draagt het verwelkomen van culturele belongings uit Duitse musea bij aan het (her)contextualiseren, (her)activeren en (her)verbinden van culturele en sociale kennis. Solidariteit tussen betrokkenengroepen binnen restitutieprocessen kan op zichzelf als ‘reparatory’ ervaren worden. Restitutie betekent dus niet primair een overdracht van eigendom, zoals wij dat in ons eurocentrische en kapitalistische begrip van eigenaarschap misschien vaak zien, maar een actief herstelproces van kennis, herinnering en agency. Zoals Hã-eb !Khuxamab zegt: “Restitutie moet herstellen wat kapot is gemaakt. Zolang de pijn aanwezig is, kan restitutie niet worden afgerond.”13

Deze visie op het proces van herstel, en de open vraag wat precies hersteld wordt, waarom en voor wie, vormden het uitgangspunt van de restitutie van de 23 objecten in 2022. De selectie van de objecten was het resultaat van een samenwerking tussen Namibische en Duitse culturele instellingen. In workshops met kunstenaars uit de betrokken gemeenschappen, onderzoekers en oral historians werd besproken welke kennis aan de belongings is gekoppeld, hoe die kennis zich in hun afwezigheid heeft ontwikkeld en hoe deze objecten nieuwe culturele productie kunnen inspireren die toegankelijk is voor een breder publiek. Deze discussies leidden tot de publieke tentoonstelling Artistic Research Communal Knowledge: Reconnecting with Returned Cultural Belongings die werd ingericht rond de teruggekeerde objecten. Centraal stond het bevragen van de belongings en de processen die eerst tot hun roof en nu tot hun restitutie hadden geleid. In de woorden van de Namibische kunstenares Nesindano Namises: “Hebben we de restitutie gekregen waar we naar streefden? Herstellen we werkelijk en brengen we gerechtigheid? En wie draagt daarvoor de verantwoordelijkheid?”14

Artistic Research Communal Knowledge tentoonstelling 2024. ©National Art Gallery of Namibia, Willem Vrey.

Het is duidelijk dat de vraag ‘what is the restitution that you are calling for’ in Namibië op veel andere lagen dan alleen die van de overdracht van eigendom speelt. Het gaat over het herkennen van de pijn van verlies. Dat gebeurt bijvoorbeeld in het collectief Listening at PungWe15, dat geluidsarchieven creëert en hergebruikt om te luisteren naar kennis die onze wereld bepaalt en kennis die is verloren gegaan. Het gaat ook over het bedenken van nieuwe relationele modellen van teruggave, zoals in de ARCK-tentoonstelling. Of zoals in het filmproject Image Restitution16, waarbij in interactieve workshops met Namibische studenten wordt gewerkt met een vergeten Oost-Duitse documentaire met unieke opnamen van de Namibische vrijheidsstrijd in de jaren zeventig. Het gaat om de verbinding met voorouders, zoals in de restituties van voorouderlijke schedels of de zweep en bijbel van Hendrik Witbooi. En altijd weer gaat het om het proces zelf: het proces van het opnieuw opeisen van wat thuis hoort en de vraag door wie dit proces wordt gestuurd voor wie. Glashelder is dat alleen een rechtvaardig proces kan bijdragen aan rechtvaardigheid. En dat een rechtvaardig proces moet beginnen bij de mens die het onrecht is aangedaan. “Ze hebben ons onze waardigheid ontnomen. Dat is wat hersteld moet worden.”17


Over de auteur

Leah Niederhausen

Leah Niederhausen is promovenda aan de Universiteit voor Humanistiek, waar zij onderzoek verricht naar restitutieprocessen van koloniale archieven. Momenteel werkt zij samen met de Hoachanas Community Library & Archives en de Hendrik Witbooi Foundation in Namibië aan een gezamenlijk oral history en archiveringsproject rond Nama geschiedenis, restitutie en reparaties. Ze is voorzitter van de PhD/RMA raad van het Huizinga Instituut en werkte eerder als onderzoeker bij het NIOD.


Noten

1 Vertaling: “Wat is het eigenlijk dat u eist / wat is de restitutie waar u om vraagt / is het de restitutie van het fysieke object, / is het de restitutie van het gebruik van dat object, / is het de restitutie van de intrinsieke culturele waarde die dat object in onze samenlevingen had, / voor ons als individuen?”

2 Museum Association of Namibia, Confronting Colonial Pasts, Envisioning Creative Futures, https://www.museums.com.na/ccp-ecf (2024), laatst bekeken 16-10-2025.

3 De Engelse term ‘belongings’ wordt in plaats van ‘bezittingen’ gebruikt om te verduidelijken dat culturele en voorouderlijke waarde en betekenis groter zijn dan eurocentristische en kapitalistische debatten rond eigenaarschap.

4 Tom Menger, ‘Leidde het Duitse kolonialisme tot de Holocaust? Volkerenmoord in Namibië’. WO2 Onderzoek uitgelicht 7, nr. 6 (2018), https://www.tweedewereldoorlog.nl/onderzoekuitgelicht/omgaan-met-zwarte-bladzijden/leidde-het-duitse-kolonialisme-tot-de-holocaust/.

5 Interview met Hã-eb !Khuxamab, Windhoek, 16-11-2025.

6 Interview met Diedrik Ruben Fredericks en Cornelius Christaan Fredericks, Keetmanshoop, 3-11-2025.

7 Federal Foreign Office, ‘Address by Minister of State Müntefering at the restitution ceremony of human remains to Namibia’. Https://www.auswaertiges-amt.de/en/newsroom/news/muentefering-namibia-2131566 (2018), laatst bekeken 16-10-2025.

8 Baden-Württemberg, ‘Land gibt ‘Witbooi-Bibel‘ und Peitsche an Namibia zurück‘, https://stm.baden-wuerttemberg.de/de/service/presse/pressemitteilung/pid/land-gibt-witbooi-bibel-und-peitsche-an-namibia-zurueck (2019), laatst bekeken 16-10-2025.

9 Interview met Elizabeth Kock en Maria Alcock, Mariental, 12-11-2025.

10 Interview met Katrina Rooi, Gibeon, 1-11-2025.

11 Rebecca L. Burgeois, Kisha Supernant & Neha Gupta, ‘Reconceptualizing Repatriation as the Power to Decide’. Museum Anthropology (2025).

12 Ciraj Rassool & Victorian E. Gibbon, ‘Restitution versus repatriation: Terminology and concepts matter’. American Journals of Biological Anthropology 184, nr. 1 (2024).

13 Interview met Hã-eb !Khuxamab, Windhoek, 16-11-2025.

14 Museum Association of Namibia, Confronting Colonial Pasts, Envisioning Creative Futures, https://www.museums.com.na/ccp-ecf, laatst bekeken 16-10-2025.

15 Door Memory Biwa & Robert Machiri, zie bijv. https://listeningatpungwe.wordpress.com/.

16 Door Laura Horelli, Hildegard Titus & Mwalengwa Hillebrecht, zie bijv. https://www.hausmedienkunst.de/en/events/current/namibia-the-forgotten-colony-image-restitution.

17 Interview met Daniel Goliath, Amper-Bo, 11-11-2025.


Foto bovenaan artikel

‘Restore our people’s dignity’ staat er op het T-shirt van een aanhanger van de Landless Peoples Movement, hier bij een regionaal event in de context van straathernoemingen in Mariental, november 2025. ©Leah Niederhausen

Roof, roofkunst en restitutie

Jaargang 14, nummer 4, december 2025

Van Holocaust-roofkunst tot de restitutie van schedels aan Namibische rechthebbenden: deze editie toont de reikwijdte van roof en restitutie. De bijdragen maken duidelijk dat elke casus eigen pijnpunten en machtsverhoudingen blootlegt, maar dat er ook ruimte kan ontstaan voor heling en reflectie.

Een gedeeld oorlogsverleden verbindt generaties en culturen

Stilstaan bij de Dodenherdenking op 4 mei en het vieren van de Bevrijding op 5 mei heeft niet voor iedereen dezelfde betekenis. Niet alleen is er tussen jong en oud een vanzelfsprekend verschil in draagvlak en beleving. Ook verschillende groepen jongeren in Nederland zitten er anders in. Jongeren met een Nederlandse komaf hechten belang aan het oorlogsverhaal in Europa dat zij leren op school. En jonge Nederlanders met een migratieachtergrond? Die kennen ook altijd een ander oorlogsverhaal.

Deze jongeren zijn nakomelingen van grofweg drie groepen. Allereerst: migranten uit de voormalige koloniën, zoals Nederlands-Indië en Suriname. Ten tweede: oorlogsvluchtelingen, uit Bosnië en Syrië bijvoorbeeld. En tot slot gastarbeiders uit met name Marokko en Turkije. Aandacht voor het oorlogsleed van de ouders of grootouders van deze jongeren ontbreekt vaak in het (geschiedenis)onderwijs. Hoog tijd om dat te veranderen, maar dan wel met nadruk op de verbinding tussen de verschillende oorlogsverhalen. Zo verklein je de kloof tussen generaties en culturen.

Marokkaanse soldaten in Zeeland

Die verbinding start met een grondige kennis van de eigen migratiegeschiedenis en het oorlogsverleden van de eigen (groot)ouders. Belangrijk hierbij is het visualiseren van de ontberingen van de eigen (groot)ouders in combinatie met die van de grootouders van hun Nederlandse leeftijdsgenoten tijdens en na WO2. Dit helpt jongeren – en eigenlijk iedereen – om een breder historisch perspectief te ontwikkelen. Zo’n breed perspectief is nodig om te voorkomen dat huidige generaties een te eenzijdige blik krijgen op de eigen geschiedenis. Een te gekleurde kijk maakt blind en leidt tot mythes of heroïsche verhalen. Cruciaal is dat jongeren hierbij (leren) gebruikmaken van onderzoek op basis van betrouwbare bronnen (inclusief ooggetuigen), wat helpt bij een betere duiding van wereldgebeurtenissen.

Een sprekend voorbeeld is het gegeven dat duizenden Marokkaanse soldaten in Europa hebben meegevochten tegen de nazi’s, onder meer in Zeeland, en dat Marokkaanse soldaten die in Duitse handen vielen als dwangarbeiders werkten aan de Atlantikwall. Zo’n verhaal opent de ogen voor een gedeelde geschiedenis. Belangrijk om te weten is dat dit ‘sterven voor onze vrijheid’ geen vrijwillige keuze was van de Marokkaanse soldaten. Dat zij – gesteund door de Marokkaanse sultan – vochten in dienst van het Franse leger was een gevolg van het feit dat hun geboorteland gekoloniseerd was. Door de Franse annexatiepolitiek werden Marokkaanse boeren beroofd van hun broodwinning, akkers en vee. Dit was een belangrijke reden voor hen om zich aan te sluiten bij het Franse leger: ze namen liever het risico te sneuvelen dan dat hun familie van de honger omkwam. Naast dwang om mee te vechten liepen hun motieven uiteen: van economische noodzaak tot persoonlijke ambities.

Iets soortgelijks gebeurde eerder ook al, bij het uitbreken van de Spaanse burgeroorlog. Een deel van de voorouders van Marokkaanse Nederlanders vocht voor de fascistische generaal Franco. Ook dat was niet hun eigen strijd. Ondanks dat deze recruten door Riffijnen als verraders werden gezien deden sommigen toch mee uit wanhoop en om niet van de honger te sterven. Hun vraag was niet wie goed of fout zat, maar hoe te ontsnappen aan de misère.

Marokkaanse soldaten in Italië, december 1943. Bron: The digital collections of the National WWII Museum

Wiens vrijheid?

Als we ons verder verdiepen in het oorlogsverleden stuiten we op nog een belangrijk verhaal: de dubbele standaarden van westerlingen die destijds het nazisme van Hitler zo fel bestreden. De ‘vrijheid, gelijkheid en broederschap’ die de Franse revolutie eind achttiende eeuw zo kenmerkte, bleek in hun ogen niet voor iedereen bestemd. Want toen de Europeanen in 1945 de bevrijding vierden, eisten de Algerijnen en Indonesiërs hun vrijheid op. Deze opstanden werden echter bloedig neergeslagen door Frankrijk en Nederland. Ziehier slechts twee voorbeelden van Europese wereldmachten die anderen de vrijheid niet gunden die ze zelf net hadden terugveroverd. Vrijheid bleek zo iets dat enkel bestemd was voor West-Europeanen. Het etnocentrisme vierde kortom hoogtij, hoezeer het idee dat het witte ras superieur was ook indruiste tegen de universele mensenrechten die in dezelfde tijd hoog in het vaandel werden gehesen. En ook nu nog zien we dat het ‘zich superieur voelen’ wereldwijd tot uitwassen als racisme, uitbuiting en geweld leidt.

Naast verdieping in de eigen geschiedenis en een gelaagder verhaal over het oorlogsverleden is er nog iets van belang voor jongeren met diverse achtergronden. ‘Verborgen’ oorlogsverhalen, hoe klein ook, kunnen positief bijdragen aan hun vermogen om zich te verplaatsen in andermans perspectieven en aanknopingspunten voor herkenning te vinden. Het vergt moed om buiten de eigen comfortzone te treden en bij herdenkingen oog te hebben voor andermans oorlogsleed. Deze verbinding komt tot stand als we behalve bij de Tweede Wereldoorlog ook stilstaan bij andere oorlogen en genocides die onder Nederlanders met een migratieachtergrond voor diepe littekens hebben gezorgd. Als we alleen ons eigen lijden centraal stellen, is er geen ruimte om ons te verplaatsen in de ander.

Vrijheid, vrede, veiligheid

Ik zie twee manieren om samen te komen tot een helder en verbindend verhaal over het oorlogsverleden. Ten eerste: laten we in samenwerking met WO2-instellingen een gedeeld verleden in kaart brengen, met ruimte voor verschillende perspectieven. Daartoe moet in het onderwijs en in openbare ruimtes zoals musea en bibliotheken een prominentere plek worden ingeruimd voor de geschiedenis van Nederlanders die na de Tweede Wereldoorlog naar Nederland kwamen.

Ten tweede: laten we onderzoeken hoe de betrokkenheid en inclusie onder de nieuwe generaties bij de jaarlijkse tradities van herdenken en vieren van vrijheid bevorderd kan worden. Daarbij zouden de oorlogsverhalen van Nederlanders met uiteenlopende achtergronden het uitgangspunt moeten vormen, waaronder bijvoorbeeld Nederlanders met Molukse, Marokkaanse of Bosnische roots. Het is zaak dat de overheid én het onderwijs de oorlogsverhalen die grote groepen Nederlanders persoonlijk raken structureel inbedden in onderzoek en beleid, en deze vertalen in acties en (onderwijs)programma’s. Dit leidt bij iedereen tot meer kennis, bewustwording en wederzijds begrip. Om deze opdracht te stroomlijnen is regie vanuit een speciaal op te richten taskforce nodig. Daarin zie ik vooral experts, bruggenbouwers en (nakomelingen van) ooggetuigen van oorlogsgeweld. Het benadrukken van een gedeeld oorlogsverleden zorgt ervoor dat we uit dezelfde bron putten en maken oorlogsverhalen inclusiever. Daarnaast verbindt het nazaten van alle mensen die hun leven gaven voor onze universele waarden, zoals vrijheid, vrede en veiligheid.


Over de auteur

Youssef Azghari

Dr. Youssef Azghari is schrijver van In dialoog met mijn zoon. Over 100 jaar migratie en docent Social Work en senior onderzoeker Geweld in Afhankelijkheidsrelaties bij Avans Hogeschool.


Foto bovenaan artikel

Marokkaanse soldaten rusten uit tijdens een oefening en poseren met hun wapens, Marokko 1943. Bron: Life magazine / Wikimedia Commons (publiek domein).

(On)vrijheid na de Tweede Wereldoorlog: de Molukkers in Nederland

Het einde van het koloniale tijdperk in Indonesië betekende voor een grote groep Indonesiërs vrijheid. Maar wat te denken van de geschiedenis van Molukkers binnen dit grotere verhaal? Dit jaar is het 73 jaar geleden dat meer dan 12.500 Molukse mannen, vrouwen en kinderen voet aan wal zetten in Nederland voor wat een tijdelijk verblijf zou zijn. Was dat een vrije keuze? En hoe verhielden zij zich in de jaren die volgden tot het begrip vrijheid?

Molukkers in Nederland: ze vormen een gemeenschap van postkoloniale migranten wier geschiedenis onlosmakelijk verbonden is met het koloniale verleden van Nederland. Hun ervaringen laten zien welke dilemma’s en tegenstrijdigheden zijn verbonden aan het begrip vrijheid – en de verschillende manieren waarop deze kan worden ervaren. Voor veel jongere Molukkers staat vast dat van (keuze)vrijheid voor de generatie die begin 1951 in Nederland arriveerde, niet of nauwelijks sprake was. Belangrijk om te beseffen hierbij is dat de Molukse gemeenschap geen monolithische eenheid is, en dat een dergelijk beeld een belemmerende werking heeft op de vrijheid van Molukkers om hun opvattingen te uiten.

Tussen twee vuren

De historische aanloop naar de komst van de Molukkers naar Nederland in 1951 is complex, maar essentieel om te kunnen begrijpen met welke geestesgesteldheid verschillende Molukkers voor het eerst voet aan Nederlandse wal zetten. Om te beginnen is het van belang te weten dat het christelijke bevolkingsdeel van de Midden-Molukken tijdens de koloniale tijd een bevoorrechte positie innam in vergelijking met hun islamitische buren en andere bevolkingsgroepen in de Indonesische archipel. Als onderwijzers, hulppredikers, lagere ambtenaren en militairen vormden ze voor het Nederlandse bestuur een nuttige en betrouwbaar geachte groep binnen het koloniale apparaat.1

Als Indonesië tijdens de Tweede Wereldoorlog door Japan bezet wordt, zijn bij het verzet tegen de Japanners dan ook regelmatig Molukkers betrokken. En in de jaren daarop, tussen 1945 en 1949, ziet Nederland Molukkers vooral als belangrijke steunpilaren voor zijn beleid dat gericht is op de creatie van een federale staat.2 Die federale structuur zou meer recht doen aan de verscheidenheid aan gemeenschappen in de archipel, maar heeft tegelijkertijd als doel om de Republik Indonesia van Soekarno onderdeel van een federale staat te laten zijn, in plaats van degene die alles bepaalt.

Massale belangstelling op de Esplanade op 2 mei 1950 als (na de proclamatie van de RMS op 24/25 april) voor de eerste maal de RMS-vlag gehesen wordt. Bron: Museum Maluku

Niet zo bekend is de geschiedenis van verzet vanuit de Molukse bevolking tegen het Nederlandse koloniale bewind, zowel voor als na de Tweede Wereldoorlog, en van Molukse steun voor de Indonesisch-nationalistische beweging. Tijdens de onafhankelijkheidsoorlog staan Molukse militairen van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) op verschillende momenten tegenover Molukse strijdgroepen die aan de zijde van de Republik Indonesia vechten.3

Dan vindt op 27 december 1949 de soevereiniteitsoverdracht plaats. De snelle ineenstorting van de door Nederland voorziene federale staat die hierna optreedt, leidt op 25 april 1950 tot de proclamatie van de Republik Maluku Selatan (RMS) op Ambon. Op dat moment zijn er nog ruim 6000 niet-gedemobiliseerde Molukse KNIL-militairen. 1200 van hen, die zich op Ambon bevinden, vormen vervolgens het leger van de RMS. Voor de bijna 5000 anderen die buiten de Molukken in kazernes zitten, is het niet mogelijk om zich bij dit leger aan te sluiten, alhoewel een meerderheid zich solidair verklaart met de RMS en op basis van de bestaande KNIL-regelingen om demobilisatie en transport naar Ambon vraagt. De Indonesische regering vindt dat echter niet acceptabel, omdat Ambon als opstandig gebied wordt gezien. Nederland wil de verhoudingen met Indonesië niet nog meer verslechteren en besluit, nadat een gerechtelijke uitspraak demobilisatie op Indonesisch grondgebied verbiedt, de militairen en hun gezinnen tijdelijk naar Nederland over te brengen. Dit in de hoop en verwachting dat ze na een kort verblijf zullen realiseren dat een onafhankelijke Molukse republiek geen haalbare kaart is en dat terugkeer naar Indonesië onvermijdelijk is.

De eerste Molukkers komen met het schip Kota Intern aan in Nederland. Bron: Joop van Bilsen / Anefo / Nationaal Archief (publiek domein)

Dienstbevel of niet

Een twistpunt tussen de Nederlandse regering en de Molukkers is altijd geweest in hoeverre de overkomst naar Nederland een vrije keuze was, of afgedwongen werd door een dienstbevel. Onderzoek in archieven heeft naar voren gebracht dat er weliswaar geen algemeen dienstbevel te vinden is waarin de militairen werd gesommeerd om naar Nederland te vertrekken, maar dat in sommige plaatsen van vertrek wel degelijk sprake is geweest van een bevel tot inscheping.4 Ook was er een dienstbevel om te kiezen tussen demobilisatie in Indonesië of vrijwillige overkomst naar Nederland. Daarnaast wijzen onderzoekers erop dat het lastig is van een werkelijk vrije keuze te spreken als je in ogenschouw neemt dat Molukse militairen zich als aanhangers van de RMS in Indonesië niet veilig voelden.5

Eenmaal in Nederland aangekomen wachtte de voormalige KNIL-militairen per direct ontslag uit militaire dienst. Dit gebeurde zonder overleg, in reactie op de Indonesische eis dat alleen burgers terug zouden mogen keren naar Indonesië.6 Tegen het ontslag tekenden de militairen in eerste instantie succesvol protest aan bij de rechtbank, maar dat vonnis werd uiteindelijk op technische gronden vernietigd.7 Het ontslag werd binnen Molukse kring als verraad van de regering beschouwd.

Zo werd de verhouding tussen de Molukse gemeenschap en de Nederlandse overheid vanaf het begin gekenmerkt door fundamenteel uiteenlopende opvattingen over het karakter van het verblijf en verschillende toekomstverwachtingen. Voor de Molukkers was Nederland een tussenstation op weg naar een vrije Molukse republiek, en was bij de totstandkoming daarvan ook voor Nederland een rol weggelegd. De RMS was er immers niet gekomen als Indonesië niet eenzijdig een einde had gemaakt aan de federale staat die bij verdrag met Nederland in het leven was geroepen. Deze juridische redenatie – die in Nederland door verschillende juristen werd ondersteund – botste echter met argumenten van politieke en economische aard die vroegen om een werkbare relatie tussen Nederland en Indonesië.

De belangen die speelden aan de kant van de Nederlandse overheid leidden er ook toe dat Molukse leiders zoals ir. J.A. Manusama al vanaf het begin van de jaren vijftig door de Nederlandse inlichtingendienst in de gaten werden gehouden, zoals recent uit de publicatie van dossiers van de Binnenlandse Veiligheidsdienst is gebleken.8 Manusama was te verstaan gegeven zich te onthouden van politieke activiteiten en zijn gangen werden nauwkeurig bijgehouden. Ook ‘gewone’ Molukkers die in de tientallen woonoorden verspreid over het hele land woonden, werden in de gaten gehouden. Dat gebeurde door het Commissariaat voor Ambonezenzorg (CAZ), een speciale organisatie die in het leven was geroepen om het beleid ten aanzien van Molukkers uit te voeren. Lokale overheden hadden niet of nauwelijks bemoeienis met dat beleid. Tekenend is dat de meeste Molukkers pas in 1958 in de bevolkingsadministratie werden ingeschreven.

Ir. Manusama tijdens de conferentie in Capelle aan de IJssel voor het verdrag  tussen Zuid-Molukkers, Oost-Timorezen en Papoeas uit West-Irian in 1981. Bron: Hans van Dijk / Anefo/ Anefo / Nationaal Archief (publiek domein)

Ieder woonoord had een Nederlandse beheerder die tot taak had rust en orde te bewaren en daartoe dossiers bijhield van alle bewoners. Dat maakt het CAZ-archief zowel een rijk als gevoelig archief. Behalve feitelijkheden werden ook geruchten en roddels in de dossiers opgenomen. Alles wat potentieel voor onrust kon zorgen, werd genoteerd. Personen die als ‘onruststokers’ werden bestempeld, werden soms naar andere woonoorden overgebracht, of ze dat nu wilden of niet. Sommige woonoorden, zoals Stuifzand bij Ruinen, werden zo tot verzamelplaats voor ‘lastige’ Molukkers.

Recht op vrijheid

Op afbeeldingen van Molukse demonstraties uit de jaren vijftig staan de woorden ‘recht’ en ‘vrijheid’ vaak in combinatie met elkaar op spandoeken. Ze doen een moreel appel op de Nederlandse overheid en de Nederlandse samenleving, en tonen dat veel Molukkers een gebrek aan vrijheid en rechtvaardigheid ervoeren. Een deel van de Nederlanders toonde in reactie op die demonstraties sympathie voor de Molukkers, al speelden daarbij oude, soms zeer koloniale denkbeelden een rol.9 Tot concrete resultaten leidden die demonstraties echter niet.

In de jaren zestig is een verschuiving merkbaar met het volwassen worden van een tweede generatie Molukkers, wier uitingen aansluiten bij mondiale maatschappelijke veranderingen. Molukse jongeren nemen deel aan de opkomende jeugdcultuur in Nederland, waarbij traditionele verhoudingen en traditioneel gezag worden uitgedaagd. Er komen meer confrontaties. Zo is de komst van de weduwe van de tweede president van de RMS, mr. dr. Chris Soumokil, in 1966 aanleiding tot brandstichting bij de Indonesische ambassade. Op 31 augustus 1970 is het aanstaande bezoek van de Indonesische president Soeharto aanleiding voor de bezetting van de residentie van de Indonesische ambassadeur in Wassenaar. Daarbij komt een politieagent om het leven, maar de 33 bezetters worden in Molukse kring gezien als vrijheidsstrijders die erin zijn geslaagd de wereldpers attent te maken op de zaak van de RMS. Als daaropvolgende gesprekken tussen de Nederlandse regering en Molukse voorlieden over Molukse wensen voor steun en erkenning van de RMS op niets uitlopen, is dat de opmaat tot de kapingen en gijzelingen van 1975, 1977 en 1978.10

De bezetters van de residentie van de Indonesische ambassadeur worden opgepakt. Bron: Joost Evers / Anefo / Nationaal Archief (publiek domein)

Een van de zaken waarover Molukkers zich opwinden is de in hun ogen hypocriete houding van de opeenvolgende Nederlandse regeringen die enerzijds vrijheid zeggen te propageren en soms bevrijdingsbewegingen ondersteunen, maar tegelijkertijd wegkijken bij onvrijheid en mensenrechtenschendingen in het Indonesië van president Soeharto vanwege de grote economische belangen. Als koningin Juliana bij de onafhankelijkheid van Suriname in november 1975 spreekt over het recht van elk volk om in vrijheid te leven, schiet dat bij veel Molukkers in het verkeerde keelgat. Voor hen toont het de dubbelhartigheid van Nederland: wel de mond vol over vrijheid en zelfbeschikking, maar niet als het de winstgevende relaties met Indonesië bedreigt.

Verbindend onbegrip

Na de gewelddadige beëindiging van de treinkaping van 1977 – twee gegijzelden en zes gijzelnemers worden gedood – begint voorzichtig een fase van herbezinning, waarin ook andere vormen van solidariteit en verbondenheid met de Molukken dan alleen de RMS ontstaan en er meer aandacht komt voor sociaal-maatschappelijke problemen waarvoor de gemeenschap zich gesteld ziet.

Het vraagstuk van politieke vrijheid komt echter rond de eeuwwisseling met kracht terug wanneer er in de Molukken in januari 1999 grootschalig geweld uitbreekt, dat deels wordt aangewakkerd door de instabiele situatie in Indonesië na de val van president Soeharto in mei 1998. Bij demonstraties in Nederland wordt door Molukse organisatoren aanvankelijk nadruk gelegd op het vreedzame karakter, in de wetenschap dat het publieke imago van Molukkers als gewelddadig nog steeds dominant is. Als het geweld blijft voortduren en Nederland onverschilligheid wordt verweten, loopt een klein aantal demonstraties toch uit de hand. Voor een nieuwe generatie Molukse jongeren bevestigt het gebrek aan aandacht de gedachte dat er van werkelijke acceptatie als gelijkwaardige burgers van Nederland geen sprake is. Het gebrek aan kennis van de Molukse geschiedenis binnen de Nederlandse samenleving wordt als een bewijs daarvan gezien.11

Molukkers demonstreren in Amsterdam bij het monument op de Dam tegen het geweld op het Indonesische eiland Ambon, 14 augustus 1999. Bron: Cor Mulder / ANP Foto

In de 21e eeuw zijn de hoge gevangenisstraffen die aanhangers van de RMS in de Molukken krijgen voor het vreedzaam tonen van RMS-symbolen een terugkerende aanleiding voor demonstraties en acties. In 2011 weet de RMS-regering in ballingschap via een rechtszaak te bereiken dat de Indonesische president Susilo Bambang Yudhoyono zijn bezoek aan Nederland op het laatste moment afzegt – een succesvolle publicitaire stunt.

Anno 2024 naar de Molukse gemeenschap kijkend is grote diversiteit te zien, ook waar het gaat om de invulling van het begrip vrijheid. Voor een deel van de Molukkers draait het daarbij nog steeds om vrijheid om te mogen kiezen voor een eigen staat. Anderen zien vrijheid vooral in termen van bescherming van gemeenschappen in de Molukken tegen uitbuiting en aantasting van de natuur en de bescherming van mensenrechten. Wat nog steeds een verbindend element is, is het gevoel een geschiedenis te delen die nog niet voldoende bekend is in de bredere Nederlandse samenleving.

Over de auteur

Wim Manuhutu

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wim Manuhutu is historicus en erfgoeddeskundige. Van 1987 tot 2009 maakte hij deel uit van de directie van het Moluks Historisch Museum in Utrecht. Sinds 2019 is hij parttime als docent Geschiedenis verbonden aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Hij doet onderzoek naar de (post)koloniale geschiedenis van Nederland.


Noten

1 Zie voor een kort overzicht van deze geschiedenis W. Manuhutu, ‘Moluks-Nederlandse geschiedenis in een nootmuskaatdop’. In: W. Manuhutu, G. Pattipeilohy & H. Timisela (red.), Toma Terus. 70 jaar Molukkers in Nederland. Zutphen, Walburgpers, 2021, p. 14-21.
2 Dit Nederlandse beleid is uitvoerig door verschillende historici geanalyseerd, zie bijvoorbeeld T. Bouma, Naar een federaal Indonesië. Hilversum, Verloren, 2020.
3 Zie B. van Kaam, Ambon door de Eeuwen (Amsterdam, Arbeiderspers, 1977) en R. Chauvel, Nationalist, soldiers and separatists (Leiden, KITLV Press, 1990).
4 Zie H. Smeets & F. Steijlen, In Nederland gebleven. De geschiedenis van Molukkers, 1851-2006. Amsterdam/Utrecht, Bert Bakker/Moluks Historisch Museum, 2006, p. 64-68.
5 Ibidem.
6 Een uitzondering vormden de circa 100 Molukse mannen die bij de Koninklijke Marine dienden: zij bleven in dienst.
7 Zie voor de rechtszaken rondom het ontslag: M. Belserang & W. Manuhutu, ‘De zoveelste schakel’. In: W. Manuhutu & H. Smeets, Tijdelijk Verblijf. De opvang van Molukkers in Nederland 1951. Amsterdam, De Bataafse Leeuw, 1990, p. 88-100.
8 Zie hiervoor o.m. de uitzending van het onderzoeksprogramma Argos van 16 december 2023: https://www.vpro.nl/argos/speel~PREPR_VPRO_17375943~argos-bvd-dossier-zuid-molukse-president-manusama~.html.
9 Zie hiervoor D. Bosscher & B. Waaldijk, Ambon Eer & Schuld. Politiek en Pressie rondom de Republiek Zuid-Molukken. Weesp, Van Holkema & Warendorp, 1998.
10 Zie voor een overzicht P. Bootsma, De Molukse acties. Treinkapingen en gijzelingen 1970-1978. Amsterdam, Boom, 2016.
11 Smeets & Steijlen, In Nederland gebleven, p. 348-252.


Foto boven aan artikel

Demonstratie met Molukse vlag en spandoek, ca 1955. Bron: Museum Maluku / Geheugen van Nederland

Cincang en dombreng. Resonanties van geweld tijdens de eerste fase van de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd

Hoe klonk het geweld dat in de eerste maanden van de Indonesische strijd voor onafhankelijkheid oplaaide? Strijdkreten, het geluid van geslepen messen, de klank van stokken op blikken: elk vertellen ze een ander verhaal.

Het Indonesisch is een poëtische taal. Er zijn woorden die in vertaling in het Bahasa Indonesia een dichterlijke omschrijving geven van een nuchter woord in het Nederlands. ‘Vulkaan’ is in het Indonesisch bijvoorbeeld gunung api: een berg van vuur. Een vliegtuig is kapal terbang: een vliegend schip. Het mooiste is wat mij betreft het Indonesische woord voor ‘zon’, dat in vertaling mata hari is: het oog van de dag. Als dat niet poëtisch is! Ook houden Indonesiërs van het spelen met taal, wat onder meer zichtbaar is in de voorliefde voor het gebruik van afkortingen. Puskesmas is een afkorting van Pusat Kesehatan Masyarakat: gezondheidscentrum voor de gemeenschap.

Verder kent het Indonesisch vele klanknabootsingen (onomatopeeën), waarin bepaalde kenmerkende geluiden hun plek hebben gevonden in taal.1 Indonesische straatverkopers zijn bijvoorbeeld herkenbaar aan het onderscheidende geluid dat ieder van hen maakt om hun komst aan te kondigen en hun koopwaar aan te prijzen. Zo bleek mevrouw van Roon-Koek, in 1924 in Bandung geboren, zich in een interview in 1999 niet zozeer de namen van straatverkopers te herinneren, maar de geluiden die zij maakten: “Je kon altijd horen wie er op straat was. De Chinees tikte op een bamboehoutje BAMI TOCK TOCK, een heel bepaald getik. BOT-BOTOL: daar is de rommelhandelaar. Al die soorten oproepjes.”2

Straatverkopers op Banda Neira, 2019. Bron: David Stanley via Flickr

Klanknabootsing speelt een grote rol in het benoemen van geluid: de slag op een gong spreekt voor zich. In het Indonesische sréét-srot horen we het slome slenteren op sloffen, teenslippers of sandalen van iemand in een gang of steeg. In tjies (ook de titel van een boek van Tjalie Robinson) horen we het afschieten van een kogel die een 22-kaliber-geweer verlaat, het vuurwapen waarmee jongens in de archipel jaagden.

Bersiap

Sommige klanknabootsingen en geluiden – en hier verlaten we het dichterlijke en dagelijkse domein – verwijzen naar gewelddadigheden die ten tijde van de Indonesische revolutie hebben plaatsgevonden. De strijdkreet bersiap! was in de eerste fase van de Indonesische revolutie, van 17 augustus 1945 tot 31 maart 1946, het signaal voor revolutionaire Indonesische jongeren om de wapens op te nemen teneinde de onafhankelijkheid van de jonge natie te verdedigen tegen iedereen die met het voormalige koloniale bestuur werd geassocieerd. Op vele Indo-Europeanen, Molukkers en Nederlanders heeft de kreet een diepe indruk achtergelaten.

In dit kader komt ook het woord tjintjangen (in het Indonesisch: cincang) op, dat letterlijk verwijst naar ‘in stukken hakken’, en in meer abstracte zin de betekenis heeft van meedogenloos vermoorden. Daarbij kan het specifiek gaan om het martelen, verminken en vermoorden van meer dan een persoon, bijvoorbeeld alle inwoners van een dorp.3 Tjintjangen is een nabootsing van het geluid wanneer de moord plaatsvindt: het doorsnijden van de hals met een mes, zoals bij het slachten van een dier, waardoor het ademhalingssysteem wordt belemmerd en de bloedtoevoer stopt.

Naast tjintjangen is er de onomatopee dombreng. Het beschrijft een ritueel waarmee Indonesische strijders lokale autoriteiten die met het koloniale regime hadden meegewerkt in het openbaar ontmaskerden en vernederden: “Als de persoon werd gevonden, werd hij buiten aan de menigte gepresenteerd, vaak met een ketting van rijst om, begeleid door het ‘breng dong breng’ van stokken die op lege blikken werden geslagen.”4 Dombreng is een samentrekking van twee Javaanse woorden, tong (bong) en breng. De twee klanknabootsingen zijn gecombineerd: “…woorden voor het geluid van slaan op hout of metaal (…). ‘Tong’ verwijst ook naar het geluid van de ketongan, de signaaltrommel waarmee met verschillende ritmes vergaderingen bijeengeroepen worden, de tijd wordt aangegeven of gewaarschuwd wordt voor brand, diefstal en andere noodsituaties.”5 Het in het openbaar vernederen van (vermeende) collaborateurs kwam soms in de plaats van daadwerkelijk fysiek geweld.

Revolutionairen strijden voor onafhankelijkheid op Java, 1946. Bron: Stichting Nationaal Museum van Wereldculturen

Intra-Indonesisch geweld

De kreet bersiap is als enige Indonesische woord in de Nederlandse geschiedschrijving naamgever geworden van de zogenoemde ‘bersiap-periode’, waarmee de periode van de eerste fase van de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd – van augustus 1945 tot en met maart 1946 – wordt aangeduid. Het laat zien dat herinneringen aan deze periode van extreem geweld diep verankerd zijn in de Indische en Molukse gemeenschap in Nederland. Maar om de gebeurtenissen beter te begrijpen, moet dat extreme geweld tegen Indo-Europeanen, Molukkers en Nederlanders in een bredere context worden gezien. Er was namelijk óók sprake van een extreem gewelddadige situatie waarin intra-Indonesisch geweld tegen Indonesische bestuurders en beambten en Indonesisch geweld tegen Chinese, Japanse en Britse burgers en/of gevangengenomen strijders plaatsvond, alsook geweld van Japanse, Britse en Nederlandse kant tegen Indonesische burgers en gevangengenomen strijders. Ook deze gewelddadigheden vonden meestal buiten gevechtsacties om plaats, zonder duidelijk militair doel of militaire noodzaak. 

Spandoeken met aanklachten tegen de Republiek Indonesië. Meegedragen tijdens de protestdemonstratie door Chinezen in Medan, Sumatra, 1947. Bron: Collectie Rups / Nederlands Instituut voor Militaire Historie

In de Nederlandse geschiedschrijving zijn deze Indonesische, Chinese, Japanse en Britse slachtoffers doorgaans minder benoemd. In de dynamiek van herinneringen aan geluiden van geweld resoneert bersiap in een Nederlandse herinneringscultuur die bovendien politiek geladen is, zoals de felle discussies en de rechtszaak over het gebruik van dit woord in de tentoonstelling Revolusi! Indonesië onafhankelijk in het Rijksmuseum in 2022 hebben laten zien. Waar bersiap en tjintjangen als klanken resoneren binnen de Nederlands-Indische herinneringsgemeenschap, doet dombreng dat binnen de Indonesische. De klanknabootsingen van het slaan op blik en metaal corrigeren een al te beperkt Nederlands-Indisch perspectief op de vroegste fase van de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd. Samen met dombreng zorgen deze ‘geluiden van geweld’ ervoor dat de vele slachtoffers aan zowel Nederlandse, Indische als Molukse kant, maar ook Indonesische, Chinese, Japanse en Britse zijde niet gemakkelijk vergeten kunnen worden. 

Over de auteur

Esther Captain. Foto: Suzanne Liem

Dr. Esther Captain is historicus en als senior onderzoeker werkzaam bij het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV) in Leiden. Zij is coauteur van Het geluid van geweld (2022) en co-redacteur van Staat en slavernijHet Nederlandse koloniale slavernijverleden en haar doorwerkingen (2023). Ook is ze lid van de commissie die het onderzoek leidt naar de rol van het Huis OranjeNassau in de koloniale geschiedenis. 


Noten

1 Esther Captain & Onno Sinke, Het geluid van geweld. Bersiap en de dynamiek van geweld tijdens de eerste fase van de Indonesische revolutie, 1945-1946. Amsterdam, Amsterdam University Press, 2022.

2 Sheri Lynn Gibbings & Fridus Steijlen, ‘Colonial Figures: Memories of Street Traders in the Colonial and Early post-Colonial Periods’. Public History Review, vol. 19 (2012), p. 63-85 (69). 

3 Met dank aan Oktoriza Dhia, mail van 15 januari 2021. Ontleend aan: Kamus Besar Bahasa Indonesia (KBBI) (Groot Indonesisch Woordenboek); Dendy Sugono (ed.), Kamus Besar Bahasa Indonesia. Jakarta, Pusat Bahasa, 2008, p. 284; Eko Endarmoko, Thesaurus Bahasa Indonesia, Jakarta, Gramedia Pustaka Utama, 2007, p. 130.

4 Anton Lucas, One soul, one struggle. Region and Revolution in Indonesia. Sydney, Allen & Unwin, 1991, p. 155.

5 Ibidem, p. 104-105.


Foto boven aan artikel

Vrijheidsleuzen op een muur in Indonesië, 1946-1949. Bron: Collectie Rups / Nederlands Instituut voor Militaire Historie

De ontbrekende urnen uit Suriname en Caribisch Nederland

Het tijdelijke monument dat na afloop van de Tweede Wereldoorlog op de Dam geplaatst werd, moest de eenheid van het Koninkrijk der Nederlanden verbeelden. Uit elke Nederlandse provincie en elk overzees gebiedsdeel zou daarom een urn met aarde bijgezet worden. De nissen die bestemd waren voor urnen uit Suriname en uit Caribisch Nederland bleven echter leeg. Waarom eigenlijk?

Eind 1947 verscheen er op de Dam een weinig pretentieus bakstenen muurtje, gemetseld in een halve cirkel. Het gold als tijdelijk Nationaal Monument, tot er iets mooiers en definitievers voor in de plaats zou komen, en was opgericht ter nagedachtenis aan de ‘gevallenen’ in de oorlog. Hierbij dacht men op dat moment aan militairen en mensen uit het verzet – de Holocaust zou pas veel later onderdeel van herdenkingen worden.

Omdat de plannenmakers van de daartoe opgerichte Nationale Monumenten Commissie het Nederlandse volk zagen als “stellig niet monumentaal van aard”, moest het proces van een bescheiden muur naar een nationale plek van herinnering een beetje op weg geholpen worden. Er werden daarom elf urnen geplaatst, één voor elke provincie, met daarin aarde afkomstig van plekken waar Nederlanders gevallen waren in de strijd. “Elf urnen met door bloed gedrenkte grond”, zoals Elsevier’s Weekblad het omschreef.1

Als érgens het koloniale verleden en de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog in Nederland samenkomen, dan is het in deze muur op de Dam. Al snel na de onthulling volgde een maatschappelijke discussie. Waarom geen ‘Indische urn’ vanwege de strijd tegen Japan? Hetzelfde artikel in Elsevier had het over “de vele honderden, die ver van het moederland hun leven verloren” en over “moegestreden vliegers die neerstortten in de rimboe”. Met de term ‘vrede en recht’ werd daarbij bovendien verwezen naar de strijd tegen een onafhankelijk Indonesië die Nederland na 1945 voerde. Het sentiment draaide dus vooral om “Nederlanders die in Indië gestreden en geleden hebben”, tijdens de Japanse bezetting én daarna, en niet om de bevolking in gekoloniseerde gebieden die ook had meegevochten en meegeleden.

Overzeese steun?
Het uitgangspunt van de overheid was echter breder dan dit maatschappelijke sentiment, en leverde een verrassende combinatie op van koloniaal en postkoloniaal denken die paste bij het moment: de bevolking in het gehele Koninkrijk moest herdacht worden (Nederland, ‘de Oost’ en ‘de West’) én zou daar ook zeggenschap over moeten hebben. Er moesten daarom drie overzeese urnen komen, waarvoor “medewerking der inheemse bevolking” noodzakelijk werd geacht, en waarvoor “het initiatief […] uit deze gebiedsdelen zelve [moest] voortkomen”. Dus hoewel de verantwoordelijke minister van mening was dat in Suriname of op Curaçao “van een strijd niet of niet noemenswaard sprake is geweest”, schreef hij de gouverneurs op die plekken wel aan met de vraag of er onder de bevolking steun was voor zo’n urn. En voor Indonesië gold dat de aarde uit heel het land moest komen, waarbij “specifiek Nederlandse aarde”, bijvoorbeeld uit Japanse interneringskampen, niet op de voorgrond mocht treden.

Toen gebeurden er twee merkwaardige dingen. De urn uit Indonesië kwam er tegen alle verwachtingen in wél, en die uit Suriname en de Antillen tegen de verwachtingen in niet. Om uit te zoeken waarom dat zo is, dook ik samen met mede-onderzoeker Matthias Lukkes het archief in.

Haast
De Indonesische urn redde het tegen de stroom uit Den Haag in. Minister-president Drees achtte het gezien de oorlog in Indonesië onmogelijk om daar met steun van de bevolking aarde vandaan te halen, en kwam tot de conclusie dat dat hele onzalige overzeese urnenplan misschien maar beter met rust gelaten moest worden.

Het briefje van Drees in het archief. Bron: Matthijs Kuipers

Dat was buiten de sterke wens van het Nederlandse ambtelijke en militaire apparaat in Indonesië gerekend. Voortvarend werd de urn geprepareerd en werd de gevraagde steun van de bevolking opgehaald – of iets wat daarvoor moest doorgaan. Er werd vooral aangeklopt bij de Nederlandsgezinde deelstaten van de federatie die Nederland in Indonesië probeerde te stichten. Vlak voor de soevereiniteitsoverdracht, eind 1949, werd de urn haastig naar Nederland overgebracht en het daaropvolgende jaar bijgezet in het monument.

Vanuit Suriname en de Antillen reageerden de gouverneurs welwillend op het verzoek uit Nederland, waar in Den Haag ook niet de bezwaren bij bestonden die er rond Indonesië wel waren. Er was wel degelijk geleden en gevochten, zo schreef de gouverneur van Suriname, waarbij hij wees op de Surinaamse bijdragen aan de oorlog. Niet alleen hadden er veel Surinamers dienstgedaan als kanonnier op koopvaardijschepen, ook waren er ongeveer 400 man naar Australië gezonden om deel te nemen aan de strijd tegen Japan en later aan de strijd die Nederland voerde in de onafhankelijkheidsoorlog.2

Dichtgemetselde nissen
Maar waar in Indonesië een zeer snelle weg bewandeld werd – waarschijnlijk vanuit het besef dat er gezien de oorlogssituatie al snel helemaal geen sprake meer kon zijn van Nederlanders die over Indonesische aarde beschikten – volgden de bestuursapparaten in Suriname en de Antillen een wat rustiger tempo. Terwijl de Indische urn al bijna af was, informeerde het gouvernement in Suriname nog eens naar de juiste afmetingen die de urn moest krijgen en of het misschien mogelijk was aarde te verkrijgen van Indonesische plekken waar Surinamers hadden gevochten. Dat tempo was te langzaam voor Nederland, waar de regering behalve aan het principe van steun van de bevolking ook vasthield aan het idee dat één extra ceremonie om urnen bij te zetten wel genoeg was, met of zonder Surinaamse en Antilliaanse urnen. Zo gebeurde het dat er op 29 april 1950 met groot ceremonieel vertoon maar één urn werd bijgezet: die uit Indonesië. In die urn zat bovendien de eerder niet wenselijk geachte ‘specifiek Nederlandse aarde’, afkomstig van erevelden in Indonesië.

Het tijdelijke monument op de Dam in Amsterdam. De urn met aarde van de erevelden in Indonesië wordt door koningin Juliana en prins Bernhard bijgezet. Bron: ANP / Stadsarchief Gemeente Amsterdam

De betekenis die besloten ligt in het Nationaal Monument werd hier ingrijpend door veranderd. In plaats van een koloniale Rijkseenheid met drie urnen werd nu met één urn vooral de Nederlandse strijd in Indonesië herdacht. De ontbrekende urnen uit Suriname en de Antillen raakten in de vergetelheid, maar de geschiedenis liet haar fysieke sporen na. In het definitieve Nationaal Monument op de Dam, dat in 1956 werd opgericht, kregen de urnen uit het tijdelijke monument een bescheiden plek aan de achterkant, vooral omdat men het een onkies idee vond om de ‘gewijde aarde’ weg te doen. En omdat het monument al een tijd in ontwerp was zaten daar nog alle veertien nissen in. Het resultaat is dat er tot op de dag van vandaag twee lege, dichtgemetselde nissen voor Suriname en Caribisch Nederland zijn, als stille getuigen van een koloniaal verleden.

Over de auteur

 

Matthijs Kuipers

Matthijs Kuipers is historicus en werkt als onderzoeker en beleidsadviseur bij het Nationaal Comité 4 en 5 mei. Hij zit in de redactie van WO2 Onderzoek uitgelicht.


Noten

1. Het plan voor urnen met ‘gewijde aarde’ was overigens een afschaling van het oorspronkelijke plan. Dat voorzag nog in een echt ‘graf van de onbekende soldaat’ zoals we dat uit andere landen kennen. Hier zouden dat zelfs drie onbekende soldaten of strijders hebben moeten zijn: één uit Nederland, één uit Indonesië en één uit wat toen West-Indië genoemd werd. “Het graf zal het symbool zijn voor allen,” schreven de plannenmakers, “het symbool van de gehele strijd en van alle offers.” Daar rekenden ze dus ook de overzeese gebiedsdelen van Nederland onder, al waren die toch ook weer niet zodanig één met Nederland dat met één onbekende soldaat kon worden volstaan. Het plan voor een daadwerkelijk graf voor drie onbekende strijders verdween al gauw naar de achtergrond ten faveure van het plan voor elf urnen met ‘gewijde aarde’, dus zonder stoffelijk overschot en zonder overzees Nederland.

2. Nadat Japan had gecapituleerd en de strijd veranderde in een onafhankelijkheidsoorlog voor Indonesië, weigerden veel Surinaamse militairen verder te vechten, zich maar al te goed bewust van de koloniale dimensie van de strijd.


Foto boven aan pagina

Het ontwerp van de Rotterdamse architect J.J.P. Oud en de Amsterdamse beeldhouwer J. Rädecker voor het Nationaal Monument op de Dam. Bron: Fotocollectie Elsevier / Nationaal Archief

Duwen tegen het dominante narratief: dekolonisatievitrine in het Tropenmuseum

Onlangs opende het Tropenmuseum een nieuwe expositie over kolonialisme. Iris van Huis schreef eerder voor de bundel Dissonant Heritages and Memories in Contemporary Europe een artikel over dit museum. Voor WO2 Onderzoek uitgelicht laat zij haar licht schijnen op een vitrine over de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd. Wordt hier een nieuw narratief verteld, dat breekt met een bestaand beeld van het verleden?

Nu te zien in het Tropenmuseum: de expositie Onze koloniale erfenis. In een vitrine over de onafhankelijkheidsstrijd in Indonesië hangen drie wayangpop-versies: van Sukarno, Hatta en Sjahrir. Sukarno riep op 17 augustus 1945 de onafhankelijkheid uit en werd de eerste president van Indonesië. Hatta stond aan zijn zijde, zowel bij de proclamatie, in de rol van vicepremier als hier als wayangpop. De onafhankelijkheidsverklaring die zij samen presenteerden is ook onderdeel van de vitrine, althans een afbeelding van het met pen geschreven stuk papier. Het origineel ligt uiteraard niet in een oud-koloniaal museum van de voormalige kolonisator.

De handgeschreven Proklamasi. Bron: Nationaal Archief Indonesië

De onafhankelijkheidsverklaring kwam niet uit het niets, zo laat de expositie waar de vitrine deel van uitmaakt zien. Er ging een periode aan vooraf waarin Indonesiërs met een onafhankelijkheidsstreven zich organiseerden. Sjahrir had daar een belangrijke rol in en staat hier nu als wayangpop symbool voor. Maar hij werd uiteindelijk in Indonesië in mindere mate een nationale held dan de andere twee, en staat misschien daarom meer naar onder geplaatst en minder uitgelicht dan politici Sukarno en Hatta.

Dwangarbeiders

Inmiddels is in Nederland wel doorgedrongen dat de onafhankelijkheidsdag voor Indonesiërs op 17 augustus 1945 valt en niet op het moment van soevereiniteitsoverdracht door Nederland op 27 december 1949. De inzichten reiken zelfs steeds een stukje verder. In de begeleidende tekst bij de vitrine staat bijvoorbeeld vermeld dat de strijd om nationale onafhankelijkheid begon aan het begin van de twintigste eeuw. Ook is lokaal verzet tijdens de hele koloniale periode een belangrijk thema in de bredere expositie. Dit kan worden gezien als een welkome breuk met een dominant vertoog waarin het leek alsof verzet uit het niets kwam en was aangewakkerd door de Japanse bezetting, terwijl het in werkelijkheid al langer bestond en dieper was geworteld.

Onderaan de vitrine zijn foto’s afgebeeld, waarvan één uit 1946, van Nederlandse mariniers naast brandende huizen. De tekst ernaast vermeldt dat er eerder discussie was of het hier ging om structureel geweld of incidenten. Met een verwijzing naar het recent gepubliceerde onderzoek over de onafhankelijkheidsoorlog, Onafhankelijkheid, dekolonisatie, geweld en oorlog in Indonesië 1945-1950, staat er ook te lezen dat nu is aangetoond dat het structureel geweld betrof. Een foto van een uitgemergelde romusha, een Indonesische dwangarbeider die werd bevrijd door de geallieerden, laat het lot zien van een van de tien miljoen Indonesiërs die gedwongen arbeid moesten verrichten voor het Japanse leger. Ook dit is een commentaar op het Nederlandse narratief waarin Nederlands slachtofferschap tijdens de Japanse bezetting benadrukt wordt zonder het slachtofferschap van Indonesiërs te benoemen.

Fragment uit zaal Schatten van overzee te zien in de tentoonstelling Onze koloniale erfenis in het Tropenmuseum Amsterdam. Bron: Rick Mandoeng

Kleindochter van Hatta

Langzaam is er in Nederland aandacht voor meer perspectieven op de gebeurtenissen in Indonesië, en dat wordt niet alleen zichtbaar in onderzoek, rapporten en boeken zoals Revolusi van David Van Reybrouck. Ook nationale herdenkingen met aandacht voor Indonesische slachtoffers en met Indonesische vertegenwoordiging, bijvoorbeeld bij de kranslegging door de Indonesische ambassadeur op 15 augustus 2022, zijn er een voorbeeld van, net als exposities waarvoor musea met Indonesiërs samenwerken. De veranderingen in musea worden gedragen door een brede jonge sociale beweging van mensen met een familieverleden dat door slachtofferschap van kolonialisme is getekend, in combinatie met nieuwe inzichten van curatoren. Er blijft daarbij aandacht voor Nederlands en Indisch lijden. In de vitrinetekst wordt het geweld tegen (Indische) Nederlanders, Chinezen, Molukkers en Indonesiërs loyaal aan Nederland in de periode na 17 augustus 1945 expliciet benoemd. De vitrine bevat bovendien een foto van een Japans kamp met Europese burgers, dat na de Japanse capitulatie in stand bleef om Europese burgers te beschermen tegen mogelijke aanvallen van Indonesiërs.

Opvallend is verder dat in de expositie niet alleen tegen het Nederlandse dominante narratief geduwd lijkt te worden, maar ook tegen het Indonesische. Een installatie van analoge megafoons toont afbeeldingen van vrijheidsstrijders, aangebracht in de rondingen van de megafoons. Op een bijbehorend geluidsfragment vertelt de kleindochter van Hatta, feministisch activiste Gustika Jusuf-Hatta, dat belangrijke personen uit het verleden dikwijls inhoudsloos als helden worden verbeeld. Haar grootvader is voor haar echter meer dan een held of symbool, en vooral een humanistisch denker over sociale rechtvaardigheid. Ook de aandacht voor Sjahrir in deze expositie – zijn boek Onze strijd ligt onder de wayangpop – is een voorbeeld van het meer centraal stellen van het gedachtegoed over een rechtvaardige samenleving in plaats van nationalistisch heldendom.

Soetan Sjahrir. Bron: Leiden University Libraries Digital Collections

Meerstemmigheid

De expositie laat zien hoe musea een rol kunnen spelen in het breken met dominante vertogen die in het verleden zijn gevormd door een beperkt aantal perspectieven. In 2019 reflecteerde ik in een artikel op de toename van de meerstemmigheid in het Tropenmuseum en in het bredere museumlandschap. De vraag blijft in hoeverre veranderingen vanuit dit soort plekken doordringen naar scholen en geschiedenisboeken, en of en hoe het Nederlandse herinneringslandschap daarmee verandert. Tegenbewegingen, bijvoorbeeld van rechts-populistische aard, moeten bij die vraag in ogenschouw worden genomen. Maar deze expositie biedt in elk geval tegelijkertijd een reflectie van en een duw in de richting van meerstemmigheid, waardoor blinde vlekken worden opgevuld. Daardoor komen we bij het verderaf staan van het verleden er wellicht soms wat dichterbij.

Over de auteur

 

Iris van Huis

Iris van Huis is zelfstandig sociaalwetenschappelijk onderzoeker. Op dit moment doet ze voor het Nationaal Comité 4 en 5 mei onderzoek naar drie generaties herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog, met name rond dwangarbeid en de ‘lange Tweede Wereldoorlog’ in Indonesië. Eerder schreef ze het artikel ‘Contesting cultural heritage: Decolonizing the Tropenmuseum as an intervention in the Dutch/European memory complex’, dat werd gepubliceerd in Dissonant Heritages and Memories in Contemporary Europe (Springer, 2019, p. 215-248).


Foto boven aan pagina

De drie wayangpoppen uit de tentoonstelling Onze koloniale erfenis. Vlnr: Soekarno, Sjahrir en Hatta. Bron: Collectie Tropenmuseum

 

Oma

Als we bij mijn oma op bezoek waren, was er eten in overvloed. Indische maaltijden met de familie, een hapje voor tussendoor of koekjes uit de trommel die openstond op de salontafel. Er was zoveel dat het niet opraakte, zodat ze altijd nóg wat kon aanbieden: “Toe, neem nog wat. Eet nog een hapje.” Eten herinnerde aan vroeger, eten was de band die we nog konden hebben met het land waar ze vandaan kwam. Eten stond centraal in de gastvrijheid waarmee zij was opgegroeid en waarmee ze ook in Nederland familie en vrienden onthaalde. Als het eten op was, dan was er te weinig.

Dat er restjes overbleven, sprak vanzelf. Die restjes weigerde ze weg te gooien, in welke staat ze ook waren. Ik hoor het haar nog zeggen: “Ik eet álles. Ik gooi níets weg.” Dus terwijl er altijd eten moest overblijven om aan te kunnen bieden, moest het ook tot de laatste kruimel worden opgegeten. In die tegenstelling was het kamp altijd aanwezig.

Ze zat in een kamp waar maar weinig mensen in Nederland van wisten. De oorlog met Japan was voorbij, en toch was dat het moment dat mijn oma en haar familie een kamp in moesten. Ter bescherming, ging het verhaal, want het was buiten het kamp gevaarlijk voor mensen zoals zij – mensen van Europees-Aziatische afkomst die voorheen vooral hun Europese kant benadrukten. Die kant gaf hun privileges in het racistische koloniale systeem. Na de onafhankelijkheidsverklaring werden ze daarom doelwit van Indonesiërs die hun onafhankelijkheid wilden verdedigen. Zij richtten zich tegen mensen zoals mijn oma, die het Nederlandse bewind voorheen hadden ondersteund en zich hiermee identificeerden.

Het kamp Soemobito. Bron: Verzetsmusem Amsterdam

‘Toch een heel fijn kamp’

Het interneringskamp dat mijn oma moest beschermen, voelde niet bepaald veilig. Meer dan acht maanden verbleef ze in kamp Soemobito, in de buurt van Surabaya waar ze was geboren en opgegroeid. Meer dan acht maanden op twee kopjes rijst en wat tahu per dag, terwijl de Japanse bezetting al een zware tijd was geweest. Toen op een bepaald moment eindelijk pakketten voedsel werden uitgedeeld die waren ingevlogen, werd er gewaarschuwd dat mensen niet meteen al het voedsel moesten opeten. Velen werden ziek omdat ze zich niet konden inhouden. “Alles bij elkaar hebben we daar toch een heel fijn kamp gehad”, wist oma ons opgewekt te verzekeren tussen de verhalen over honger, overvolle wc’s, gescheiden families en dreiging van de kampbewaking door.

Bij onze familie heeft deze tijd er zwaar ingehakt. Door wat ze meemaakten, door wat ze er later over vertelden, door al die dingen die ze niet konden vertellen omdat het te veel pijn deed. Toen ik opgroeide hoorde ik over het koloniale verleden vanuit mijn oma’s perspectief, want op school leerde ik er nauwelijks over. Ik wist weinig over de omstandigheden van de Indonesische bevolking tijdens de onafhankelijkheidsoorlog, nauwelijks wat over de koloniale bezetting en de honger die zo veel mensen hebben geleden door rampzalig, uitbuitend koloniaal beleid. Ik groeide op met het idee dat het normaal was om Indonesische bedienden te hebben, en met het gevoel dat de onafhankelijkheid een verlies betekende. Pas later leerde ik de familieverhalen over vroeger in een groter geheel te zien.

De voormoeders. Bron: Ambo|Anthos uitgevers

Voorbij de pijn van je eigen familie

De verhalen van mijn oma waren voor mij het beginpunt van een zoektocht naar de geschiedenis van de vrouwen in mijn familie. Familiegeschiedenis biedt een ingang naar het verleden. Het brengt door persoonlijke verhalen dichterbij wat onbekend voelt. Maar het kan ook beperken, als je niet voorbij de honger en de pijn van je eigen familie kan kijken. Juist daarom is grootschalig onderzoek waarin veel verhalen en perspectieven worden verzameld zo belangrijk. Iedereen is opgegroeid met bepaalde vertellingen van de geschiedenis. De manier waarop je opgroeit heeft weer invloed op de vragen die je stelt en de wijze waarop je naar het verleden kijkt. Juist daarom is het essentieel dat geschiedenis wordt geschreven door mensen die vanuit verschillende achtergronden naar het verleden kijken. Het grote onderzoeksproject naar de dekolonisatieoorlog in Indonesië dat recent is afgerond is daar zeker een stap in. Het is prachtig dat de boeken die hieruit voortkwamen gratis online, en ook in het Engels of Indonesisch, beschikbaar zijn. Maar het stopt natuurlijk niet met het publiceren van dit onderzoek. Ik ben benieuwd naar de nieuwe onderzoeksvragen die het oproept en de manier waarop historici en anderen hiermee omgaan. In Nederland, maar zeker ook in Indonesië.

Dat mijn eigen stukje geschiedenis beperkt is, betekent overigens niet dat er aan te ontkomen valt. Nog steeds voel ik me als er bezoek is dat komt eten benauwd worden als het erop lijkt dat de pan wordt leeggeschept. Ik wil mensen kunnen ontvangen zoals het hoort: “Neem nog wat. Er is meer dan genoeg.” In de keukenla ligt voor als het bezoek is vertrokken een eindeloze voorraad bakjes op me te wachten. Want de restjes, die gooi je natuurlijk niet weg.

Over de auteur

 

Suze Zijlstra. Foto: Ruud Pos

Suze Zijlstra is historicus en gespecialiseerd in koloniale en maritieme geschiedenis. Haar boek De voormoeders. Een verborgen Nederlands-Indische familiegeschiedenis verscheen in 2021 bij uitgeverij Ambo|Anthos.


Foto boven aan pagina

Het kamp Soemobito. Bron: Verzetsmusem Amsterdam