Vertel me alles

De Nederlands-Iraanse fotografe Negin Zendegani maakte in 2020 voor Museum Arnhem de virtuele expositie ‘Vertel me alles’. Voor dit fotoproject bracht ze vluchtelingen van nu samen met mensen die in de Tweede Wereldoorlog op de vlucht sloegen. Hieronder een greep uit de foto’s.

Abdallah Soufi (links) werd in 1999 geboren in Syrië en vluchtte voor de burgeroorlog aldaar. Fred Mouw (rechts), geboren in 1938 in Arnhem, vluchtte in 1944 vanwege het oorlogsgeweld weg uit die stad en woont nu in Ede.

Pieter de Booys (links, overleden in 2021) kwam in 1928 ter wereld op Sumatra, Indonesië. Later woonde hij in Arnhem, waar hij in de fotowinkel van zijn vader in het centrum werkte. In 1944 vluchtte hij voor Operatie Market Garden. Dahham Salam (rechts) werd in 1993 geboren in het Syrische Damascus. Als klein kind woonde hij in Dier Alzoor en later 19 jaar in Homs. Tegenwoordig woont hij in Wageningen

Links op de foto staat Henny Venhoek (1932-2023). De Arnhemse werd tijdens Operatie Market Garden geëvacueerd. Rechts staat Inas Kanbar (1991). De Syrische verliet haar geboortestad Damascus op de vlucht voor burgeroorlog.

De pop van Henny Venhoek.

Henny Venhoek: “Ik was nog maar een klein meisje, een jaar of vier, vijf, toen ik van mijn tante Jo deze pop kreeg. Eerst lag ze in een wiegje van rotan, maar houtworm heeft het opgegeten. De pop is wel gebleven, tot op de dag van vandaag. Ze is me heel dierbaar, ook al heeft ze geen haar. Mijn moeder heeft nog nieuwe kleren voor haar gemaakt. In de oude waren al snel gaten gevallen, toen de motten waren gekomen. Ik noem haar Joodje, naar de naam van mijn tante. Die naam had ze al vóór, maar ook na de oorlog. Joodje heeft alles overleefd. Mijn achterkleinkind, de vierde generatie, speelt er nu weer mee. Voor mij betekent de pop heel veel. Joodje laat me achterom kijken. Dan zie ik de geborgenheid van thuis, voor de oorlog.”

Het aquarium van Inas Kanbar.

Inas Kanbar: “In ons huis in Damascus hadden we voor de oorlog uitbrak een groot aquarium. Er zwommen vier of vijf vissen in, ze waren heel mooi. Met mijn broertje en zusje kon ik er heel lang naar kijken. Dan was je met je gedachten even in een andere wereld. Toen we voor de oorlog moesten vluchten, konden we niet veel meenemen, en zeker het aquarium niet. We kwamen in Nederland aan en vonden een nieuw huis. Het huis was leeg, het leek wel een leeg aquarium. We hadden tijd nodig om ons aan te passen en ons huis in te richten. We kochten leuke spulletjes, met veel kleuren, zodat het een beetje als ons oude huis in Damascus leek. Vader zei laatst: ‘We moeten ook een aquarium kopen.’ Het staat nu in ons huis. Een beetje kleiner dan het oude, maar wel met dezelfde kleur. Het aquarium is alleen gevuld met water. Binnenkort gaan we vissen kopen, net zulke mooie als toen. Ik hoop dat ze zich ook thuis gaan voelen.”

Over de auteur

Negin Zendegani.

Negin Zendegani is portret- en documentairefotograaf, in Iran geboren, gevestigd in Amsterdam. In haar werk zoekt ze naar de verhalen achter de mensen, vooral rond thema’s als migratie, identiteit en cultuur. Haar fotografie beweegt zich tussen kunst en journalistiek. Daarmee wil ze raken, verbinden en maatschappelijke thema’s zichtbaar maken. Ze werkt zowel in opdracht voor kranten en magazines als aan haar eigen, autonome projecten.


Foto bovenaan artikel

Het aquarium van Inas Kanbar. Fotograaf: Negin Zendegani.

Onzichtbare Congolese oorlogshelden

Congolese koloniale troepen voerden in Ethiopië een cruciale strijd tegen het fascisme. Toch bleven zij net als een aantal Belgo-Congolese verzetshelden lange tijd onzichtbaar in het Belgische herinneringslandschap. Waarom is dat? En wat maakt dat er nu toch langzaam ruimte komt voor hun verhalen? 

Jean Johny Vosté was de enige man van Afrikaanse origine in concentratiekamp Dachau. Op 23 juni 2024 werd hij in zijn thuisstad, Mechelen, geëerd. Hoewel buitenlandse onderzoekers al sinds 2000 van zijn bestaan afwisten, raakte zijn verhaal pas met de publicatie van Wannes Peremans’ Waar is Johny? De zoektocht naar een Congolese Belg in Dachau in 2022 ook bekend bij een breder publiek in België.1

Deze foto is net na de bevrijding van Dachau genomen. Jean Johny Vosté staat in het midden (met de rode sjaal). Bron: United States Holocaust Memorial Museum / Colonel Alexander Zabin.

Ook het verhaal van Augusta Chiwy, een Belgo-Congolese die zich vrijwillig inzette als verpleegster tijdens het Ardennenoffensief in 1944-1945, kende een moeilijke weg van internationaal onderzoek naar een breder Belgisch doelpubliek. Chiwy dook al op in Stephen Ambrose’s Band of Brothers uit 1992 en de gelijknamige televisieserie uit 2001. In juli 2015 won een documentaire met de titel Searching for Augusta een Emmy voor beste geschiedenisdocumentaire.2 In 2017 publiceerde de documentairemaker, Martin King, ook een boek over Augusta.3 Maar pas in 2019 besteedde het 101st Airborne Museum in Bastogne, gewijd aan de laatste poging van nazi’s om de oorlog te keren in de Belgische Ardennen, aandacht aan haar verhaal.

Augusta Chiwy in 1943. Bron: Airborne Museum Sainte Mère Église.

Het is dus een vrij recent verschijnsel dat mensen van Afrikaanse origine die verzetsdaden hebben gepleegd nadrukkelijker aan bod komen in herdenkingen en in tentoonstellingen. Dat geldt ook voor de veldslagen van de Afrikaanse koloniale troepen in Congo, de zogenaamde Force Publique. Die zijn eveneens weinig bekend bij een breed publiek, hoewel Maurice Lovens reeds in 1975 zijn uitgebreide geschiedenis L’effort militaire de guerre du Congo belge (1940-1944) publiceerde.4 En dat terwijl de Abessinische veldtocht en het beleg van Saio in juni 1941, waarbij de Congolese koloniale troepen de overgave van de Italiaanse soldaten afdwongen, een zware nederlaag betekenden voor de fascisten van Benito Mussolini die het onafhankelijke Ethiopië hadden bezet.5

De vraag is waarom Congolese soldaten en verzetshelden zo lang onzichtbaar bleven in de geschiedenisboeken en het Belgisch collectieve geheugen, en waarom er pas sinds kort aandacht is voor de Congolese en niet-witte perspectieven van de Tweede Wereldoorlog.

Een Congolese soldaat, circa 1941/1942.  Bron: Annemarie Schwarzenbach / Swiss National Library (publiek domein).

Racisme en collaboratie-vergoelijking

Racisme is een belangrijk eerste antwoord op die vraag. Het expeditiekorps van de Force Publique, dat in het Midden-Oosten was gestationeerd, mocht niet deelnemen aan de bevrijding van het Europese continent.6 Bovendien werd vanaf de oprichting van de Congo Vrijstaat in 1885 door Koning Leopold II een beleid opgezet om zo veel mogelijk Congolezen buiten België te houden (dat na de overname door de Belgische staat in 1908 voortduurde). In 1900 werd een tweejarig project van de Gentse priester Van Impe, waarbij Congolese schoolkinderen in België les volgden, opgedoekt. Alle leerlingen werden teruggevoerd naar de kolonie.7 Belgo-Congolese verzetslieden waren daarom vaak metissen – kinderen geboren uit relaties tussen Afrikaanse vrouwen en Europese mannen die werkten in een van de Belgische kolonies – die door hun witte vader al dan niet legaal meegenomen waren naar België, of ‘boys’ die in België als huispersoneel werkten voor de familie die ze reeds in de kolonie hadden gediend.8

De Congolese bijdrage is echter ook vergeten omwille van de typisch Belgische herinneringscultuur rond de Tweede Wereldoorlog. Deze werd lange tijd gekenmerkt door een vergoelijkende houding ten aanzien van collaborateurs binnen de Vlaamse Beweging. Tijdens de oorlogsjaren werkten partijen zoals het Vlaams Nationaal Verbond (VNV) van Staf De Clercq massaal samen met de Duitse bezetter. Na de bevrijding werden collaborateurs in eerste instantie berecht en belaagd door de bevolking. Hierbij werden vrouwen mishandeld en werden mensen opgesloten in de kooien van de Antwerpse dierentuin. Maar na deze periode van repressie werd de collaboratie al vrij snel voorgesteld als de keuze van misleidde, goedbedoelende nationalisten die meenden de Vlaamse zaak te dienen zonder daadwerkelijk het fascisme aan te hangen.

In de jaren 60 zou de grootste partij van België, de Christelijke Volkspartij (CVP) – die zelf veel oorlogsburgermeesters in haar rangen had – die houding ook aannemen om in de vijver van het Vlaams-nationalistische ongenoegen te vissen. Tot diep in de jaren 70 was het normaal om te dwepen met collaborateurs zoals August De Wilde. In Franstalig België ontwikkelde zich een herinneringscultuur die vergelijkbaar is met die in Nederland, waarin de nadruk werd gelegd op de verdiensten van het verzet en vaderlandsliefde. De bijdragen van Congolezen passen moeilijk in beide verhalen. Een pro-Belgische houding leek niet goed te passen bij Congolezen die zich in 1960 losrukten van het Belgische moederland, en in de tweestrijd om de herinnering tussen collaborateurs en het verzet was een derde partij lastig in te passen.9

Koningskwestie

Je kunt stellen dat de kluwen van collaboratie en verzet in twee landsdelen lange tijd gewoonweg geen plaats bood om Congolese verzetshelden te eren. Als minderheid werden zij weggedrukt, zeker vanaf het midden van de jaren 70, toen 8 mei wegviel als officiële feestdag en beide wereldoorlogen herdacht moesten gaan worden op Wapenstilstandsdag op 11 november. Deze dag richt de aandacht vooral op de Eerste Wereldoorlog en de modder van Ieper.

Ook de rol van Congo tijdens WO2 zorgde voor stilte. David van Reybrouck stelt in zijn populaire boek Congo, een geschiedenis dat er “numeriek […] beduidend minder effectieve bijdragen” waren van de Congolese Force Publique “dan tijdens de campagnes van de Eerste Wereldoorlog”, waardoor de herinnering in Kinshasa zelf ook aan het opdrogen is.10 De Afrikaanse campagnes spelen echter vooral een kleine rol in de collectieve herinnering omwille van de Koningskwestie.

In mei 1940 ontstond een conflict tussen Leopold III en de regering. De autoritaire vorst wilde zijn ministers niet in ballingschap volgen, capituleerde en onderhandelde zelfs met Hitler in Berchtesgaden. Eind augustus stuurde de koning, via een ambassadeur, de zogenaamde ‘instructies van Bern’, waarin gesteld werd dat Congo na de capitulatie van het moederland niet langer streed aan de zijde van de geallieerden. Gouverneur-generaal Pierre Ryckmans en minister van Koloniën Albert de Vleesschauwer wilden Congo echter gebruiken om de strijd voort te zetten, door de gedwongen arbeidsinspanningen van de koloniale populatie te verhogen en de Force Publique te mobiliseren. Op die manier werd Congo naar het hart van de Koningskwestie gekatapulteerd, een crisis die België op de rand van de burgeroorlog bracht. Een volksraadpleging over de terugkeer van de koning liet zien dat het Vlaamse deel hem terug op de troon wilde en het Waalse deel hem liever kwijt was. Het leidde tot harde protesten en stakingen, die de verdeeldheid tussen de twee taalgroepen versterkten. De herinnering aan de Congolese oorlogsinspanning werd weggedrukt door deze existentiële crisis van het Belgische staatsbestel.11

De Congolese leider Patrice Lumumba in Brussel, januari 1960. Bron: Nationaal Archief / Harry Pot / Fotocollectie Anefo (publiek domein).

Black Lives Matter

Rond 2020 kwam er pas meer aandacht voor de Congolese verzetshelden en soldaten. Drijvende kracht achter deze verandering was een generatie van jonge mensen die weinig voeling hebben met de geschiedenis van het koloniale paternalisme, de Vlaamse collaboratie en de Koningskwestie, alsook een grotere groep van Belgen met Congolese wortels. De Black Lives Matter-protesten in solidariteit met George Floyd die in 2020 plaatsvonden in Brussel vormden de aanleiding voor een reeks initiatieven waarbij België opnieuw naar het koloniale verleden keek en pogingen deed tot herstel.

In juni 2022 werd het stoffelijk overschot van de door België vermoorde Congolese premier Patrice Lumumba teruggegeven. In december 2022 probeerde de Bijzondere Kamercommissie koloniaal verleden lessen te trekken. De commissie, in allerijl opgericht na de Black Lives Matter-protesten, bestond uit historici die de opdracht kregen een stand van zaken op te maken van het bestaande onderzoek naar het koloniale verleden, evenals mogelijke lessen die daaruit kunnen worden getrokken. Excuses voor koloniale misdaden werden echter niet aangeboden.

Cover van Een verzwegen leven. Bron: Uitgeverij Vrijdag.

In het zog van deze initiatieven zagen boeken over Belgo-Congolezen in het verzet het licht en kregen bestaande kleine herdenkingen meer aandacht. In 2022 schreven Eva Kamanda en Kristof Bohez Een verzwegen leven, over verzetshelden François Kamanda en Isidore Bataboudila.12 In datzelfde jaar verscheen het eerdergenoemde boek over Johny Vosté en kreeg Augusta Chiwy media-aandacht. In augustus-september 2024 organiseerde het verzetsmuseum in Anderlecht de tentoonstelling Verzetsstrijders van Congolese afkomst in het Belgisch Verzet 1940-1945. Deze vormde voor Europarlementariër Pierrette Herzberger-Fofana aanleiding om samen met Marie-Colline Leroy, staatssecretaris voor Gendergelijkheid, Gelijke Kansen en Diversiteit, een ceremonie te organiseren waarin deze verzetsstrijders met Afrikaanse wortels voor de eerste keer gehuldigd werden. De staatssecretaris was op 11 november 2023 namens de federale regering ook al aanwezig op een plechtigheid bij het Monument voor de Troepen der Afrikaanse Veldtochten in Schaarbeek. Dit gedenkteken werd in 1970 opgericht door Urfracol, een belangengroep van oud-kolonialen. Door hedendaagse herdenkingen bij dit monument tracht de vereniging voor de Congolese diaspora Bakushinta deze plek, van oudsher gericht op de instandhouding van de koloniale mythe van een broederstrijd tussen kolonisator en gekoloniseerde, om te vormen tot een plek van respect en dekolonisering.13

Poster van de tentoonstelling ‘Verzetsstrijders van Congolese Origine in het Belgisch Verzet 1940-1945’. Bron: Musée de la Résistance de Belgique.

Blinde vlek

Deze kleine initiatieven kregen ook zuurstof door een bredere verschuiving binnen de Belgische samenleving, waarbij steeds meer aandacht komt voor verzetslui. Helden van het Verzet is zo’n initiatief met een uitgesproken politieke insteek, dat 8 mei beschouwt als een overwinning van links op het fascisme en als aanklacht tegen de groeiende verrechtsing van de samenleving. Daarmee onderscheidt het zich van wetenschappelijke instellingen die al jaren onderzoek doen naar het verzet, zoals het CEGESOMA, een studiecentrum over de Tweede Wereldoorlog, en Kazerne Dossin, een gedenkplaats, museum en onderzoekscentrum over Holocaust en mensenrechten. Sinds 2020 zet Helden van het Verzet zich in om de namen van Belgische verzetslieden bekend te maken bij een breder publiek, onder meer via een voorleesmarathon van namen in de week van 8 mei.14

Kortom, steeds meer initiatieven die de herinnering van de wereldoorlogen levendig houden willen Belgo-Congolese verzetshelden en de soldaten van de Force Publique integreren in hun herdenkingen. Paul Panda Farnana, een Congolese landbouwkundige die lid werd van het Congolese vrijwilligerskorps tijdens de Eerste Wereldoorlog, is zelfs opgenomen in de Canon van Vlaanderen.15 Toch is Congo nog geen vanzelfsprekend onderdeel van de Tweede Wereldoorlog. Een grote blinde vlek zijn de arbeiders in Congo die gedwongen werden harder te werken, onder dwang voor lage lonen, om de Belgische oorlogsmachine draaiende te houden. Zij waren held, dader noch slachtoffer van het nazisme, maar slachtoffers van een België dat één verwerpelijk ideologisch systeem, het imperialisme, gebruikte om het fascisme – een ander verwerpelijk ideologisch project – te breken.16 Deze mensen een plaats geven in een herinnering die vandaag nog ad hoc is, zal nog veel reflectie en werk vragen.

Over de auteur

Frank Gerits.

Frank Gerits is universitair docent Internationale Geschiedenis aan de Universiteit Utrecht en Research Fellow bij de International Studies Group aan de University of the Free State in Bloemfontein, Zuid-Afrika. Zijn eerste boek, The Ideological Scramble for Africa: How the Pursuit of Anticolonial Modernity shaped a Postcolonial Order, 1945-1966, verscheen in 2023 bij Cornell University Press. Momenteel werkt hij aan een nieuwe monografie getiteld Climate Change: An International Political History en aan het project ‘Moral Empire: Belgium and the Global South (1830-2022)’, gefinancierd door NWO.


Noten

1 Clarence Lusane, Hitler’s Black Victims: The Historical Experiences of European Blacks, Africans and African Americans During the Nazi Era. Taylor & Francis Group, 2002, p.  205; Wannes Peremans, Waar Is Johny? De Zoektocht Naar Een Congolese Belg in Dachau. Borgerhoff & Lamberigts, 2022.

2 Stephen E. Ambrose, Band Of Brothers. Simon and Schuster, 1992; ‘Review: Searching for Augusta: The Forgotten Angel of Bastogne by Martin King’, 19 december 2018, https://dearauthor.com/book-reviews/review-searching-for-augusta-the-forgotten-angel-of-bastogne-by-martin-king/; ‘Episode Guide: Band of Brothers’, 2001, https://www.imdb.com/title/tt0185906/.

3 Martin King, Searching for Augusta: The Forgotten Angel of Bastogne. Lyons PR, 2017.

4 Maurice Lovens, L’effort Militaire de Guerre Du Congo Belge (1940-1944). Cédaf, 1975.

5 Guy Vanthemsche, Congo: De Impact van de Kolonie Op België. Lannoo, 2007, p. 123. Over de impact van de veldtocht in Abessinië op de structuur van de Force Publique zie: César Desaintghislain, L’impact de La Campagne d’Abyssinie Dans l’histoire de La Force Publique Congolaise (Janvier – Juillet 1941), UCLouvain, 2019.

6 Guy Vantemsche, ‘De Twee Wereldoorlogen: Een Keerpunt in de Geschiedenis van Congo en de Congolezen’. In: Idesbald Goddeeris, Guy Vanthemsche & Amandine Lauro (red.), Koloniaal Congo: Een Geschiedenis in Vragen. Pelckmans Uitgevers, 2020, p. 67.

7 Mathieu Zana Etambala, ‘De Congolese Gemeenschap in België: Een Ongewild ‘neveneffect’ van de Koloniale Overheersing’. In: Idesbald Goddeeris, Guy Vanthemsche & Amandine Lauro (red.), Koloniaal Congo: Een Geschiedenis in Vragen. Pelckmans Uitgevers, 2020, p. 199.

8 Valentine Dewulf & Ornella Rovetta, ‘Fixer des parcours, négocier des décisions: L’enfance métisse au prisme des commissions de tutelle au Congo belge (1890-1960)’. Revue d’histoire contemporaine de l’Afrique nr. 9 (september 2025), p. 31–50, https://doi.org/10.51185/journals/rhca.2025.0903.

9 Denise Schreuder & Koen Aerts, ‘”Dat begrijp je wel als je later groot bent” : een beschouwing over hardnekkige mythes in de Vlaamse erfenis van collaboratie’. IMPACT MAGAZINE  nr. 1 (2025), p. 41–44.

10 David Van Reybrouck, Congo. Een Geschiedenis. De Bezige Bij, 2010, p. 204.

11 Vanthemsche, Congo: De Impact van de Kolonie Op België, p. 121.

12 Eva Kamanda & Kristof Bohez, Een verzwegen leven: Onze Congolese geschiedenis in België. Vrijdag Uitgevers, 2022.

13 ‘Le souvenir des soldats africains, victimes des deux conflits mondiaux, ravivé à Schaerbeek’, 11 november 2024, https://www.rtbf.be/article/le-souvenir-des-soldats-africains-victimes-des-deux-conflits-mondiaux-ravive-a-schaerbeek-11461832. En: ‘Voor het eerst herdenkt federale regering Congelese soldaten op Wapenstilstand’, 10 november 2023, https://www.bruzz.be/samenleving/voor-het-eerst-ooit-herdenkt-federale-regering-congelese-soldaten-op-11-november-2023.

14 ‘Helden van het verzet’, https://heldenvanhetverzet.be/over-ons.

15 De Canon van Vlaanderen in 60 Vensters: De Geschiedenis van Onze Regio in Zestig Vensters, Onafhankelijk Samengesteld Door Experten. Borgerhoff & Lamberigts, 2023.

16 Vantemsche, ‘De Twee Wereldoorlogen: Een Keerpunt in de Geschiedenis van Congo en de Congolezen’, p. 69.


Foto bovenaan artikel

Congolese soldaten, circa 1941/1942.  Bron: Annemarie Schwarzenbach / Swiss National Library (publiek domein).

Oorlog en dekolonisatie op vijf continenten

Jaargang 15, nummer 2, mei 2026

Dat de Tweede Wereldoorlog een mondiale gebeurtenis was is evident. Lang werd de WO2-geschiedenis echter vooral bestudeerd in een nationaal kader. Inmiddels is de aandacht voor meerstemmigheid toegenomen. Wat heeft de groeiende aandacht voor zulke meerstemmige oorlogsgeschiedenissen opgeleverd?

Indrukwekkend zwart

Als het gaat over de verbeelding van hevige oorlogservaringen, is ook het Koreaanse stripverhaal GRASS een niet te missen voorbeeld. Graphic novelist Keum Suk Gendry-Kim geeft hier een stem en een gezicht aan de ervaringen van Koreaanse vrouwen die door de Japanse bezetter tot seksuele slavernij gedwongen werden. Een indrukwekkende leeservaring.

Seksueel geweld als onderdeel van oorlog is van alle tijden. Toch is het een onderbelicht onderwerp. We denken bij oorlog vooral aan gevechten, bombardementen, tanks, vliegtuigen en tegenwoordig drones. Maar hoe vaak word je in het nieuws, de krant of een museum geconfronteerd met seksueel geweld als oorlogsdaad? Niet zo vaak. En als het expliciet voorkomt, zoals in het toneelstuk Gevaarlijke Namen over Srebrenica, valt het meteen mij op.

Het veelvuldige negeren is eigenlijk niet zo gek als je bedenkt hoezeer seksueel geweld wordt omringd met schaamte, walging en ongemak. Vooral voor de getroffenen zelf, maar ook voor de omstanders. Ik begon dan ook met een bezwaard gemoed aan de graphic novel GRASS van Keum Suk Gendry-Kim, over de ervaringen van een Koreaanse vrouw die als jong meisje door de Japanse bezetters tot prostitutie gedwongen werd. Maar wat een indrukwekkend verhaal, zo mooi en zo gruwelijk weergegeven.

Keum Suk Gendry-Kim, 2023. Bron: Ferran Cornellà via Wikimedia Commons; Keum Suk Gendry-Kim, GRASS. Drawn & Quarterly, 2019. 

‘Troostmeisjes’ of Comfort Women zijn Japanse benamingen voor de ongeveer 200.000 vrouwen die tot prostitutie gedwongen werden in de landen die Japan bezette tijdens de jaren dertig en de Tweede Wereldoorlog.1 Deze vrouwen werden aan het werk gezet in bordelen voor Japanse militairen, al bleven de Japanse bezetters steeds volhouden dat de jonge vrouwen vrijwillig deelnamen en muntten ze de omfloerste term Militaire Troostmeisjes (Military Comfort Women, ianfu, 慰安婦).2

Bloedbad 

GRASS is een raamvertelling waarin kunstenaar Gendry-Kim Granny Lee Ok-sun bezoekt en haar verhaal optekent. Granny Lee Ok-sun is een bejaarde dame die in de buurt van de Koreaanse hoofdstad Seoel woont, in een gespecialiseerd huis voor slachtoffers van grootschalig seksueel geweld door de Japanse bezetter. Het verhaal neemt ons mee naar 1934, naar een kustplaats in Zuid-Korea waar Ok-sun leeft in een arm gezin. Ok-sun wil graag – zoals haar grotere broer – naar school. Maar zoals zo vaak is er geen geld en dus moet Ok-sun helpen in de huishouding.  

Ondertussen valt Japan China binnen, en verandert de sfeer in het boek. In een paar bladzijdes tekent Gendry-Kim op zeer indrukwekkende wijze het bloedbad van Nanjing. Daarna keert ze met een zwarte pagina en de opmerking “Dus, jouw moeder heeft je gestraft omdat je een Kaki hebt gegeten” weer terug naar het leven van Ok-sun in extreme armoede. Bij het begin van de Tweede Wereldoorlog, als ze 14 jaar is, wordt Ok-sun met de belofte van een beter leven ter adoptie weggegeven. Helaas blijkt dit alleen maar een voorwendsel. Ze wordt uitgebuit als goedkope arbeidskracht en daarna gaat het van kwaad tot erger. Ze wordt ontvoerd, verkocht aan de Japanse bezetter en na een lange zware tocht in China ’gestationeerd’.

Als je weet dat een boek over seksueel geweld gaat, vrees je het moment dat het echt beschreven wordt. Althans zo werkt het bij mij. In dit geval vreesde ik hoe het geweld in beeld gebracht zou worden. Wat blijkt: indrukwekkend zwart. Gendry-Kim wisselt hierbij tussen verschillende metaforen, zoals donkere bergen, zwarte grimmige schimmen die soldaten moeten voorstellen of de gang van een barak met voor elke deur een paar laarzen.

Keum Suk Gendry-Kim, GRASS © 2018, Keum Suk Gendry-Kim, Drawn & Quarterly.

Veerkracht

Naast het gruwelijke beschrijft Gendry-Kim ook andere dingen, zoals de vriendschap en een prille liefde in het kamp. Dit laat zien dat de auteur geen passieve slachtoffers heeft willen maken van deze jonge vrouwen, maar juist op veerkracht en vindingrijkheid heeft willen focussen. Dat is ook de reden voor haar keuze voor de titel GRASS: “Grass springs up again, though knocked down by the wind, trampled and crushed under foot. Maybe it will brush against your legs and whisper a shy greeting” (p.475).

De volgende hoofdstukken gaan uitgebreid in op de gevolgen voor Ok-sun na de oorlog. We volgen haar leven en dat van andere jonge vrouwen na de capitulatie van Japan. Ze worden overal verstoten, kunnen door verminkingen en soa’s als gevolg van seksueel geweld soms geen kinderen meer krijgen. Uiteindelijk blijft Granny Lee Ok-sun in China en trouwt zij met een verslaafde weduwnaar die zelf kinderen heeft. Niet haar eerste keuze, maar wie wil haar nu nog als vrouw hebben? Hoewel het leven van Ok-sun arm blijft, bouwt zij door haar huwelijk wel een familie op. Toch blijft de oorlog haar achtervolgen. Als zij 55 jaar later weer naar haar broers en zussen in Korea terugkeert, is zij daar niet welkom wegens haar ervaringen in de oorlog.

Haar verdere leven is Ok-sun blijven strijden voor de erkenning van het grootschalige seksuele geweld door de Japanse bezetters. Makkelijk was dat niet. Zo laat Gendry-Kim in het laatste hoofdstuk zien dat de Japanse minister-president Shinzo Abe in 2015 nog een akkoord heeft gesloten met Korea, met als voorwaarde dat het monument van het troostmeisje dat voor de Japanse ambassade in Seoul staat, weggehaald zou worden.

Troostmeisjesmonument in Seoul, 2021. Bron: Hakan Nural via Unsplash

Lentebloesem

GRASS is een kunstwerk in zwart-wit. Gendry-Kim wisselt diverse stijlen af die de sfeer telkens goed weergeven: kinderlijk in de kindertijd, grim bij de Japanse bezetters, en mooi als Granny Lee Ok-sun een foto van zichzelf laat zien als jonge vrouw. Daarnaast zijn er de grote tekeningen. Deze nemen vaak een dubbele pagina in beslag: prachtige lentebloesem, donkere wolken boven berglandschappen, zwaluwen in de bamboe. Het zijn stuk voor stuk prachtige schilderijen. Die maken dit boek over zo’n onderwerp voor mij te behappen. In hoeverre kan je als lezer honderden pagina’s misère aan? Tussen de getekende gruwelijkheden zijn juist deze mooie platen momenten om van te genieten.

En de teksten? Die zijn kort en vooral ondersteunend aan de tekeningen. Gendry-Kim is spaarzaam met haar tekst. Soms wordt er niet gezegd wat niet gezegd kan worden. En dat maakt het nog indrukwekkender. Het laat veel aan de verbeelding over.

Met GRASS is Gendry-Kim er wat mij betreft in geslaagd om de vicieuze cirkel van armoede, (seksueel) geweld en de soms deplorabele situatie van de getroffenen na de oorlog treffend weer te geven. In het nawoord schrijft ze dat ze aanvankelijk vooral de kwetsbaarheid voor armoede wilde laten zien, juist van vrouwen. Maar het uiteindelijke GRASS laat vooral de individuele gevolgen van seksueel geweld zien: gevoelens van schaamte en walging, lichamelijke problemen (waaronder onvruchtbaarheid), maar ook de sociale uitsluiting, zelfs op de lange termijn. Het is van blijvend belang om hier aandacht aan te besteden: seksueel geweld is nog steeds een onderbelicht onderdeel van oorlog en conflict.

Met de publicatie van GRASS en alle prijzen die Gendry-Kim hiervoor gekregen heeft, zet zij de geschiedenis van de ‘troostmeisjes’ weer op de kaart. Zij vraagt hiermee niet alleen aandacht voor Koreaanse vrouwen, maar ook voor alle andere vrouwen die onder de Japanse overheersing in de gedwongen bordelen geleden hebben. De laatste overlevenden zullen hier misschien niet direct iets aan hebben, maar latere generaties kunnen lezen wat hun moeders en oma’s hebben meegemaakt. In een interview met Gendry-Kim kunnen we lezen dat Granny Lee Ok-sun echt blij was toen ze het boek zag: “Op de omslag staat een afbeelding van een jonge vrouw met een vlecht, en ze huilde en zei dat de vlecht eruitziet als hoe haar vader haar haar zou doen.”3

Over de auteur

Annelieke Drogendijk. Foto: Paul Tolenaar

Annelieke Drogendijk is directeur van ARQ Kenniscentrum Oorlog, Vervolging en Geweld, en ARQ International. Ze is expert in de psychosociale gevolgen van traumatische gebeurtenissen, oorlog en rampen. Onder leiding van Annelieke worden het Nederlandse Impact Magazine en het internationale peer-reviewed tijdschrift Intervention gepubliceerd. Verder is ze hoofd van een gespecialiseerd bibliotheek- en online (informatie)centrum.


Noten

1. O. Sinke, ‘“Troostmeisjes WOII: een open zenuw”. Voordracht UNESCO-register Memory of the World leidt tot onenigheid.’ Impact Magazine, 3 (2017), p. 12-15.

2. H.K. Lee, M.L.S. Sørensen & Y. Zhu, ‘The UNESCO Memory of the World Programme and claims for recognition of atrocities: The nominations of Documents of Nanjing Massacre and Voices of the “Comfort Women”.’ Memory Studies, 16, nr. 4 (2023), p. 894-911. https://doi.org/10.1177/17506980221150889.

3. Korean Literature Now. Interview with Keum Suk Gendry-Kim: Imagining the collective memory of history. Geraadpleegd op 6 juni 2024, van https://www.kln.or.kr/frames/interviewsView.do?bbsIdx=165.


Foto bovenaan artikel

Keum Suk Gendry-Kim, GRASS. Drawn & Quarterly, 2019.

Luisteren naar oorlogspropaganda. Radio-opnamen uit de Tweede Wereldoorlog onder de loep

Hoe klinkt oorlog? In deze nieuwe rubriek belichten we steeds een audiobron die iets onthult over de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog. Dit keer aandacht voor de radio: hoe werd dat medium ten tijde van de bezetting ingezet door de verschillende partijen? Naar de institutionele factoren die radiogebruik aanjaagden, is al best veel onderzoek gedaan. Maar wat hoorden Nederlandse luisteraars nou zoal? Het recente onderzoeksproject MediaOorlog licht een tipje van de audiosluier op.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog maakten de strijdende partijen op grote schaal gebruik van radio. Aan dit destijds nieuwe medium werden grote psychologische krachten toegedicht: via de oren zouden de harten van luisteraars kunnen worden bereikt. Bovendien is radio een medium dat grenzen overstijgt en daardoor de mogelijkheid biedt om mensen in andere landen toe te spreken. Zowel de as-mogendheden als de geallieerden bestookten de wereld daarom met een spervuur aan radio-uitzendingen. Ook de ether in bezet Nederland was een belangrijk strijdtoneel: in Hilversum kreeg de genazificeerde Rijksradio Nederlandsche Omroep een monopolie om steun te mobiliseren voor het bezettingsregime en vanuit Londen verzorgde de regering-in-ballingschap een dagelijkse uitzending van Radio Oranje om het verzet te stimuleren.1

Het atrium van Beeld & Geluid. Bron: Daria Scagliola en Stijn Brakkee / Persmap Beeld & Geluid

Spreekstijl

Tijdens het project MediaOorlog, dat is uitgevoerd bij het Nederlands Instituut voor Beeld & Geluid, onderzochten we met een team van historici en computerprogrammeurs de inzet van radio en kranten voor propagandadoeleinden in Nederland tussen 10 mei 1940 en 5 mei 1945.2 Waar de bestaande historiografie vooral aandacht besteedt aan de institutionele factoren, analyseerde ons project de inhoud van mediabronnen. Daarbij konden we onder andere gebruik maken van zo’n 2000 gedigitaliseerde audiofragmenten van radio-uitzendingen die Beeld & Geluid beschikbaar heeft gemaakt via het online platform CLARIAH Media Suite. Vergeleken met het totale aantal uitzenduren, dat vele malen groter was, is dit een kleine selectie. De opnames zijn zeer verschillend van aard en kwaliteit. Een aantal is bijvoorbeeld opgenomen door amateurs, en deze opnames zijn moeilijk te beluisteren vanwege de gebrekkige geluidskwaliteit.

Andere opnames komen uit productiearchieven van radiozenders. Hoewel deze opnames beter van kwaliteit zijn, zijn ze niet representatief te noemen. Opnames maken kostte destijds veel menskracht en geld, en beide waren schaars. Daarom werden vooral bijzondere uitzendingen opgenomen, bijvoorbeeld speeches van hoogwaardigheidsbekleders of programma’s die niet live werden uitgezonden, zoals cabaretshows. Om een accurater idee te krijgen van de algemene radioprogrammering tijdens de Tweede Wereldoorlog moeten historici dan ook gebruik maken van andere (papieren) bronnen. Maar ondanks deze haken en ogen is de bewaard gebleven audio weldegelijk een belangrijke historische bron: die geeft een indruk hoe verschillende actoren radio inzetten om de hearts and minds van de Nederlandse bevolking te winnen. Deze fragmenten stellen historici in staat niet alleen het woordgebruik te onderzoeken, zoals bij papieren bronnen het geval is, maar ook de spreekstijl.

Afbeelding van Max Blokzijl op een poster. Bron: omroepmuseum / Archief Beeld & Geluid, catalogusnummer 80440, fotonummer 65 (CC BY-SA 3.0) 

De sonore stem van Max Blokzijl

Als voorbeeld dienen hier 28 opnames die bewaard zijn gebleven van de nationaal-socialistische propagandist Max Blokzijl. Tussen de zomer van 1941 en de meidagen van 1945 sprak hij twee keer per week het Nederlandse volk toe in de radioprogramma’s Brandende kwesties en Politiek weekpraatje. Blokzijl werd daarmee de meest bekende nazi-propagandist in Nederland en bleef dat ook na de oorlog.

Er zijn twee biografieën over Blokzijl verschenen die, onder meer, ingaan op zijn radioactiviteiten.3 Uit de beschikbare bronnen blijkt dat Blokzijl het Nederlandse volk aan de kant van de door hem bewonderde ‘Nieuwe Orde’ van Hitler probeerde te krijgen met genuanceerde argumenten die inspeelden op de onvrede van veel mensen over het vooroorlogse politieke systeem. Hij presenteerde zijn doorwrochte, onderbouwde betogen op subtiele wijze, en zoals uit de audiobronnen blijkt: in rustig uitgesproken volzinnen en met een sonore stem.

Deze propagandastrategie wordt goed duidelijk in de aflevering van Brandende kwesties van 31 augustus 1942. Blokzijl begint die met een beschrijving van een expositie over de geschiedenis van de NSB, die volgens hem goed laat zien hoe vermolmd de Nederlandse meerpartijendemocratie in de jaren 1930 is: “de hopeloze verdeeldheid die ten koste van onze volksgemeenschap toen hoogtij vierde”. Even verderop in de uitzending richt Blokzijl zich tegen de regering-in-ballingschap in Londen, in zijn ogen ‘deserteurs’ die de oude corrupte politiek verpersoonlijken en die mensen in Nederland proberen ‘op te hitsen’ om de ‘Nieuwe Orde’ te ‘saboteren’. Daarbij verwijst hij zelfs naar zijn directe concurrenten van Radio Oranje, hoewel de bezettingsautoriteiten het verboden om naar die zender te luisteren. Blokzijl zegt echter dat hij zijn luisteraars duidelijk wil maken dat de “propaganda […] via de ethergolven tot het onwaardigste hoort wat in onze nationale geschiedenis ooit ten beste is gegeven”.4

 

Fragment uit de aflevering van Brandende kwesties van 31 augustus 1942, waarin Blokzijl zich richt tegen de regering-in-ballingschap in London. Bron: CLARIAH Media Suite / Archief Beeld & Geluid

Den Haag. Zitting van het Bijzonder Gerechtshof in de balzaal van het paleis aan de Kneuterdijk. Max Blokzijl, hoofd van de afdeling Perswezen van het departement van Volksvoorlichting en Kunsten tijdens de Duitse bezetting staat hier voor zijn rechters, 9 november 1945. Bron: Anefo / Nationaal Archief

Doodstraf

In de meidagen van 1945 werd Blokzijl gearresteerd. Hij maakte deel uit van de eerste groep collaborateurs die werden berecht en geëxecuteerd in maart 1946. Verschillende auteurs hebben zich afgevraagd of de doodstraf wel proportioneel was gezien de aard van Blokzijls radiopropaganda, waarin hij een milde spreekstijl hanteerde. Tijdens het proces gaf de procureur-fiscaal echter aan dat het genuanceerde taalgebruik en de rustige toonzetting de propaganda van Blokzijl juist zo gevaarlijk maakte. “Dit alles kennende sprak hij als Nederlander tot Nederlanders, tastte hij hen aan daar, waar hij wist, dat op dat ogenblik juist hun zwakke punt, hun angst, hun begin van twijfel was en in de vorm, waarvoor hij als Nederlander wist, dat zij ontvankelijk waren.”5 In zijn betoog, waarin hij uitgebreid citeerde uit radio-teksten, benadrukte de procureur-fiscaal dat het niet moeilijk was om bewijs te vinden tegen Blokzijl: “als er iemand is, die in de oorlog zich er in gepraat heeft, dan is hij het wel”.6 Het beluisteren van de radiopraatjes van Blokzijl ondersteunt deze conclusie eens te meer.

Over de auteur

Vincent Kuitenbrouwer

Vincent Kuitenbrouwer is als universitair docent verbonden aan de opleiding Geschiedenis van de Universiteit van Amsterdam. Tussen november 2020 en augustus 2023 coördineerde hij het project MediaOorlog: radio, geschreven pers en propaganda tijdens de Tweede Wereldoorlog in Nederland bij het Nederlands Instituut voor Beeld & Geluid. Het project werd financieel ondersteund door het Mondriaan Fonds vanuit het programma 75 jaar vrijheid.


Noten

1 Voor Radio Oranje zie: Onno Sinke, Verzet vanuit de verte. De behoedzame koers van Radio Oranje. Augustus, 2009. Voor de Nederlandsche Omroep zie: Dick Verkijk, Radio Hilversum 1940-1945. De Arbeiderspers, 1974.

2 Voor de belangrijkste uitkomsten van het project zie: Vincent Kuitenbrouwer en Huub Wijfjes eds., Themanummer ‘Mediaoorlog’, Tijdschrift voor Geschiedenis 135:2/3 (2022). Dit open access themanummer is online beschikbaar via https://www.aup-online.com/content/journals/00407518/135/2/3.

3 René Kok, Max Blokzijl. De stem van het nationaalsocialisme. Sijthoff, 1988; Kees Schaepman, Max Blokzijl. Opkomst en ondergang van een journalist. Walburg Pers, 2020.

4 Geraadpleegd via: ‘Brandende Kwesties – Blokzijl bindt de strijd aan met het verzet vanuit Engeland’, CLARIAH Media Suite https://mediasuite.clariah.nl/tool/resource-viewer?id=2101608040030297931&cid=daan-catalogue-aggr&st=sabotage (30 januari 2024).

5 Het proces Blokzijl. Veen, 1989, p.47.

6 Het proces Blokzijl. Veen, 1989, p.44.


Foto boven aan artikel

L. de Jong, A. den Doolaard en G. Sluizer gezamenlijk in de studio van Radio Oranje te Groot-Brittannië, 1943. Bron: Anefo Londen serie, serie Radio Oranje / Nationaal Archief (publiek domein) 

Duitse en Oostenrijkse Joden als bevrijders bij de Slag om Arnhem

In de expositie Gevlucht om te vechten, tot 25 februari te zien in het Airborne Museum, staat een onverwachte groep militairen centraal: de 21 Duitse en Oostenrijkse Joden die meevochten in de Slag om Arnhem. Stellen zij ons beeld van de bevrijder bij? Rosa de Jong ging naar de expositie en doet verslag.

Het Airborne Museum in Oosterbeek is een bijzonder museum, want in zijn geheel gewijd aan Operatie Market Garden, en dan met name de Slag om Arnhem. De grootste geallieerde luchtlandingsoperatie van de Tweede Wereldoorlog wordt geïntroduceerd met een goed gemaakte film. Deze fungeert als kapstok voor de rest van de expositie, en vormt ook een goede start voor de tijdelijke tentoonstelling Gevlucht om te vechten.

In die tentoonstelling draait het om een bijzondere groep Joodse mannen: gevlucht uit Duitsland of Oostenrijk en aan de kant van de geallieerden meevechtend bij de Slag om Arnhem. Deze groep gaat op twee manieren in tegen het gevestigde beeld van ‘de bevrijder’. Allereerst hebben we het hier over Duitsers en Oostenrijkers, en niet over de archetypische Britse en Amerikaanse soldaten. Daarnaast weerspreken deze mannen met hun actieve handelen, deelnemend aan de strijd, het stereotype beeld van Joden als passieve slachtoffers.

Geallieerde vliegtuigen van Operatie Market Garden boven Bergeijk, september 1944. Bron: Fotocollectie Rijksvoorlichtingsdienst Eigen / Nationaal Archief

Reichspogromnacht

Als bezoeker volg je de mannen vanaf het moment dat zij nog thuis zijn; de expositie begint met uitleg over de situatie voor Joodse Duitsers en Oostenrijkers in de jaren dertig. Het daaropvolgende deel van het verhaal volgt de gebaande paden: de machtsovername van Hitler, het openen van kampen, de Reichspogromnacht. De tentoonstelling komt wat traag op gang, al krijgen we wel meteen persoonlijke ervaringen mee van enkele hoofdfiguren. Ernst Rudolf Philipp bijvoorbeeld werd al vanaf november 1938 geïnterneerd in kamp Dachau. Hij werd waarschijnlijk vrijgelaten omdat hij een visum voor Groot-Brittannië kreeg, waar hij in april 1939 naartoe reisde. Daar ging hij in dienst en sloot hij zich uiteindelijk in februari 1944 aan bij de luchtlandingsstrijdkrachten. De tentoonstelling verweeft persoonlijke verhalen zoals die van Philipp telkens met meer algemene gebeurtenissen. Hoewel dit de geschiedenis verlevendigt, zorgt het soms wel voor een overvloed aan details.

Voor alle 21 mannen die centraal staan in de expositie geldt dat ze in de jaren dertig in Groot-Brittannië aankwamen, waar zij al naar gelang hun leeftijd en financiële positie een opleiding gingen doen of aan het werk gingen. Hun vluchtervaringen verschillen wel sterk van elkaar. Sommigen vluchtten alleen, anderen met familie, weer anderen kwamen mee met het Kindertransport. Een aantal van hen reisden al richting het Verenigd Koninkrijk voor de oorlog uitbrak; anderen wisten maar net op tijd te ontkomen.

Enemy aliens

Een ervaring die hen bond, vond plaats vlak nadat de Britse overheid in september 1939 de oorlog verklaarde aan nazi-Duitsland, na de inval in Polen. Alle Duitse en Oostenrijkse mannen werden in één klap tot enemy alien verklaard, en in juni 1940 geïnterneerd. Dit gebeurde overigens in alle geallieerde gebieden. In mijn onderzoek naar Tweede Wereldoorlog-vluchtelingen in het Caribisch gebied blijkt dat dit daar ook voorkwam, bijvoorbeeld bij Joods-Duitse vluchtelingen in Suriname. Zij werden nadat Nederland betrokken raakte bij de oorlog in dezelfde kampen geïnterneerd als Duitsers die pro-nazi waren. Hun verhaal maakt echter zelden onderdeel uit van tentoonstellingen of publieksboeken.

Terug naar Groot-Brittannië, dat haar enemy aliens na verloop van tijd een uitweg aanbood: ze konden in (gewapende) dienst treden. Een groot deel van hen maakte gebruik van het aanbod. Vaak waren zij gemotiveerd om hun kennis van de lokale omstandigheden in Duitsland en Oostenrijk en hun vaardigheden, zoals het spreken van accentloos Duits, in te zetten tegen nazi-Duitsland. Max Majzels, die eigenlijk te jong was, wilde zelfs zo graag in dienst dat hij zich maar bleef aanmelden, ondanks meerdere afwijzingen.

Deel van tentoonstelling ‘Gevlucht om te Vechten’. Bron: Daan van Oort, Airborne Museum 

De slag om Arnhem

Voor de luchtlandingstroepen – de best getrainde troepen die per zweefvliegtuig of parachute achter de vijandelijke linies werden ingezet – meldden zich in april 1943 maar liefst honderd enemy aliens. Zoals de tentoonstelling laat zien, veranderden sommige van hen hun naam om hun Joodse en Duitse of Oostenrijkse identiteit te verhullen. Zo wordt het document getoond dat de naamswijziging van Harold Schilling naar Harold Bruce bevestigt.

Uiteindelijk maakten 21 Joodse mannen deel uit van de luchtlandingstroepen die bij Operatie Market Garden werden ingezet. Veel van hen raakten gewond. Ook deze ervaringen worden tastbaar gemaakt. We zien bijvoorbeeld een kapot muntstuk dat Harold Schilling in zijn broekzak droeg toen hij werd beschoten; de munt behoedde hem voor een ernstiger verwonding. De jonge Majzels, wiens service dress coat te zien is, raakte ook zwaargewond en werd krijgsgevangen gemaakt. 5 van de 21 mannen overleefden de Slag om Arnhem niet. Van de overige 16 wist het grootste deel te ontkomen, onder meer via de evacuatie over de Rijn. Na de oorlog waren zij, soms tot hun overlijden, betrokken bij de herdenking van Operatie Market Garden.

Certificaat ter naamsverandering. Harold Carl Edwin Schilling werd Harold Carl Edwin Bruce, mei 1943. Bron: Daan van Oort, Airborne Museum; Harold Bruce. Bron: Collectie Airborne Museum; Muntstuk van Harold Bruce. Bron: Daan van Oort, Airborne Museum

Open vragen

Gevlucht om te vechten toont een rijkdom aan bronnen over deze onbekende Joodse militairen, van objecten, correspondentie en foto’s tot aan interviews en dagboeken. Toch blijven er kansen liggen. Want eigenlijk moet de bezoeker zelf bedenken hoe interessant en uitzonderlijk deze groep is en hoe zij ons beeld van ‘de bevrijder’ bijstellen, in plaats van dat de expositie dit expliciet uiteenzet.

Ook blijven er vragen onbeantwoord, bijvoorbeeld hoe uniek deze mannen waren binnen de geallieerde strijdkrachten. Want waren er ook Nederlandse Joden actief bij de luchtlandingsgroepen? Daarnaast had bijvoorbeeld een uitstapje gemaakt kunnen worden naar de vele Joodse Engelandvaarders die meevochten. Sommige vluchtelingen uit mijn eigen onderzoek kwamen via omwegen aan in het Caribisch gebied en verkozen daar vechten in Europa boven veiligheid in de Cariben. Beantwoording van dit soort vragen had de tentoonstelling breder relevant gemaakt.

 

Over de auteur

 

Rosa de Jong

Rosa de Jong promoveert aan de Universiteit van Amsterdam en is gastonderzoeker bij het KITLV en NIOD. Zij doet onderzoek naar vluchtelingen die tijdens de Tweede Wereldoorlog vanuit Nederland en België via verschillende Europese landen naar de Cariben vluchtten.

 

 

 

 

 

 

 


Verder lezen

Naar de gelijknamige tentoonstelling publiceerde curator Jory Brentjens in samenwerking met het Airborne een rijk geïllustreerd boek: Jory Brentjens, Gevlucht om te vechten. De Joodse vluchtelingen van de 1st Airborne Division. Zwolle, Wbooks, 2023.


Foto boven het artikel

Deel van tentoonstelling ‘Gevlucht om te Vechten’. Bron: Daan van Oort, Airborne Museum 

Leven met de schaduw van geweld en oorlog

In november vond in Amsterdam en Den Haag het internationale congres Leven met oorlog plaats, voor professionals van musea en andere instellingen in het herinneringsveld. Onderdeel van het congres was de afsluiting van het Nederlandse themajaar. In lezingen en workshops en aan discussietafels gingen sprekers en deelnemers in op de vraag hoe de Tweede Wereldoorlog relevant kan blijven voor de museale praktijk en hoe musea omgaan met hedendaagse oorlogen, genocides en mensenrechtenschendingen. Hier een impressie van twee interessante congresdagen.

Oorlogsbeelden uit Gaza en uit Oekraïne domineren de laatste tijd het nieuws en zorgen voor veel emoties. De internationale conferentie over de doorwerking van oorlog begin november was daarom nog relevanter dan eerder gedacht. Georganiseerd door de Stichting Musea en Herinneringscentra 1940-1945, het NIOD en het Veldberaad WOII vonden op 2 en 3 november tal van prikkelende lezingen en waardevolle uitwisselingen plaats.

Congres Leven met Oorlog. Bron: Stichting Musea en Herinneringscentra 40-45

Alle sprekers stelden in hun presentaties over de verbeelding van de (doorwerking van) oorlog het belang van het persoonlijke verhaal voorop. Emile Schrijver, onder meer algemeen directeur van het Joods Cultureel Kwartier, onthulde dat in het Nationaal Holocaust Museum binnenkort diverse ‘vergeet-me-niet-installaties’ te vinden zullen zijn. Deze vertellen het hele levensverhaal van mensen, en staan dus niet alleen stil bij de Jodenvervolging. Het is een manier om de getroffenen weer een gezicht te geven en zo de ontmenselijking van de nazi’s ongedaan te maken.

Ook andere sprekers benadrukten het belang om mensen niet alleen als slachtoffer te zien en hen niet te reduceren tot de oorlogen en het geweld dat ze hebben meegemaakt. Nienke Smit, klinisch psycholoog bij ARQ Centrum ‘45, vertelde in haar keynote lezing dat de meeste mensen gelukkig erg veerkrachtig zijn. Rituelen, een sterke onderlinge band met de andere gezinsleden of zingeving met betrekking tot het ondergane leed kunnen bijvoorbeeld bijdragen aan de verwerking van trauma’s.

Joodse musea balanceren volgens Schrijver in dat opzicht op een dun koord. Zij moeten aandacht besteden aan de Holocaust, maar willen in hun tentoonstellingen ook andere periodes in de Joodse geschiedenis behandelen. In het Joods Cultureel Kwartier is dit ‘opgelost’ door vooral in het Nationaal Holocaust Museum en de Hollandsche Schouwburg in te gaan op de Shoah. Hierdoor kan het Joods Museum meer aandacht schenken aan andere episoden en aspecten van het Joodse leven in Nederland.

Mannen van de 7 December Divisie nemen afscheid van hun 500 overleden of gesneuvelde kameraden op het ereveld Menteng Poeloe te Batavia, september 1949. Bron: Fotocollectie Spaarnestad Onderwerpen / Nationaal Archief

Dominante narratieven

Peggy Brandon, curator van het Nationaal Slavernij Museum in oprichting, ging eveneens in op het belang van het vertellen van het hele verhaal. Zij stelde dat er niet alleen oog moet zijn voor de ellende van de slavernij, maar ook voor het doorzettingsvermogen, de kennis, cultuur en vaardigheden van de tot slaaf gemaakten. Afrika en Azië waren tenslotte de bakermat van de beschaving. Met sprekende voorbeelden liet ze tegelijkertijd zien dat de effecten van de slavernij nog steeds merkbaar zijn. Ook vandaag de dag worden een lichte huid en steil haar nog vaak als voordeel gezien in de families van nakomelingen van tot slaaf gemaakten. Dat wil echter niet zeggen dat ze in termen van daders en slachtoffers wil praten, zo gaf Brandon tijdens de groepsdiscussie aan. Zij weigert haar voorouders in de rol van slachtoffers te plaatsen.

Meerdere sprekers lieten zien dat het misschien niet zo zinvol is om te denken in de dichotomie van dader en slachtoffer. Nienke Smit vertelde dat ARQ Centrum ’45 verschillende mensen in behandeling heeft die zowel dader als slachtoffer zijn, zoals kindsoldaten. In de discussie ging het ook nog over een andere manier waarop de daderkwestie een rol speelt in de museumwereld. Wat te doen met het feit dat in het geval van de Holocaust en ten aanzien van het slavernijverleden het materiaal veelal vervaardigd is door daders?

Hoelang bepaalde perspectieven dominant kunnen blijven, liet NIOD-directeur Martijn Eickhoff zien in zijn lezing tijdens het congres. Zijn analyse van de manier waarop verschillende musea in Nederland de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog presenteren, illustreerde dat het perspectief van de Nederlandse veteranen nog steeds de overhand heeft. De jaren ’45-’49 worden gezien als een Nederlandse tragedie. Dit zorgt voor empathie voor de Nederlandse veteranen. Volgens Eickhoff moet echter niet vergeten worden dat het ook een succesvolle Indonesische revolutie was. Zijn conclusie: in de meeste tentoonstellingen is of was geen sprake van werkelijke multiperspectiviteit.

Miniatuurbeeldjes van vluchtelingen, onderdeel van guerrilla streetart project ‘Moving People’ van creatief collectief ‘Power of Art House’. Bron: Amsterdam Museum

Syriërs, Irakezen, Afghanen

De manier waarop musea met recente en huidige oorlogen en schendingen van mensenrechten omgaan, was een van de andere thema’s van de eerste congresdag. Hoogtepunt was de bevlogen, kritische lezing van Alma Mustafić. Zij hield de toehoorders een spiegel voor: als het over de genocide in Srebrenica gaat, staan de Dutchbatveteranen volgens haar vrijwel altijd centraal in het maatschappelijk debat, niet de Bosnische vluchtelingen. Mustafić, wier vader werd vermoord in Srebrenica, poneerde de vraag wanneer je ‘Nederlands’ genoeg bent om je verhaal ertoe te laten doen. Niet alleen de verhalen van de Bosnische vluchtelingen in Nederland, maar ook die van de Syriërs, de Irakezen en de Afghanen in Nederland verdienen het om te worden gehoord, zo maakte zij glashelder.

De eerste dag eindigde met panelgesprekken waarin werd teruggeblikt op de verschillende projecten in het themajaar. Maartje Roelofs, directeur Maatschappelijke Ondersteuning bij het ministerie van VWS, wees in haar afsluitende woorden op de getroffenen van vele oorlogen die in Nederland wonen en vroeg zich nadrukkelijk af of daar niet meer aandacht voor moest komen. Van Tweede Wereldoorlog tot slavernij, en van de oorlog in Syrië tot de genocide in Srebrenica: ‘leven met oorlog’ omvat vele historische en actuele gebeurtenissen wereldwijd en reikt overduidelijk veel verder dan Nederland en de periode ’40-’45.

Prikkelen in de praktijk

De tweede congresdag was een meer praktische dag, bedoeld om ervaringen uit te wisselen en de kennis van de vorige dag toe te passen. De twee keynote lezingen op 3 november gingen dan ook specifiek in op de museale praktijk. Zowel de presentatie van Rob Adams als die van Michael Peter Edson waren erop gericht om te prikkelen en mensen uit hun comfort zone te halen. Edson gebruikte daarvoor zijn kennis van binnenuit – hij werkte onder meer als directeur Web- en nieuwe mediastrategie voor het Smithsonian in Washington. De presentatie van innovatie-expert Adams kwam daarentegen over als een provocatie zonder voldoende kennis van zaken. Adams poneerde dat de WOII-musea in Nederland veel actiever kunnen zijn om relevant te blijven in het heden. Hij gaf echter toe de desbetreffende oorlogsmusea nog niet zelf bezocht te hebben. Ook was zijn vergelijking tussen de Tweede Wereldoorlog en de oorlog in Oekraïne ongenuanceerd en onjuist. Hij kon dan ook rekenen op veel kritiek vanuit de zaal.

Edsons lezing was daarna een verademing. Hij vroeg zich in een grondig betoog af waarom musea zo passief en langzaam zijn als het gaat om grote maatschappelijke vraagstukken als de klimaatcrisis. Volgens Edson onderschatten werknemers van laag tot hoog hoeveel impact ze kunnen hebben. Daar komt bij dat activisme op het werk in het algemeen een ‘besmet’ woord is in zijn ogen. Volgens Edson zijn er echter vele manieren om activistisch te zijn: van petities en lobby’s tot meer ontregelende (‘disruptieve’) tactieken. Edson pleitte ervoor om bij elk project te kijken of het daadwerkelijk impact heeft of slechts een symbolisch gebaar is.

Tentoonstelling ‘Things That Matter’ in het Tropenmuseum. Bron: Tropenmuseum

Co-creatie

De rest van de dag gingen de deelnemers zelf aan de slag met diverse discussietafels en workshops. In de ochtend waren deze opgedeeld in de thema’s ‘interactief museum’ en ‘nieuwe rollen voor musea die werken met oorlog en conflicten’. Het ging hierbij onder meer om het betrekken van jongeren bij musea, en de vraag hoe zij aan het denken worden gezet, bijvoorbeeld over de doorwerking van koloniale erfenissen in collecties en exposities. In de middag gingen meerdere workshops en discussietafels over de vraag in hoeverre en hoe musea zich kunnen uitspreken over heikele, actuele kwesties, hoe je omgaat met polarisatie en hoe je co-creatie kunt bewerkstelligen. 

Terugkijkend maakte de conferentie duidelijk dat het verhaal over de (impact van de) Tweede Wereldoorlog moet worden aangevuld met verhalen over andere oorlogen en conflicten, wil men recht doen aan de diversiteit van de huidige samenleving. Dat geldt dus ook voor de interpretatie van het jaarthema. Het is te hopen dat het volgende jaarthema ook een brede invulling krijgt. Dat er daarbinnen ook aandacht is voor groepen voor wie de bevrijding in 1945 niet het einde van het geweld betekende (waaronder Indische Nederlanders en Molukkers). En voor vrijheid na andere oorlogen dan de Tweede Wereldoorlog. 

 

Over de auteur

 

Onno Sinke

Onno Sinke werkt als senior beleidsonderzoeker/adviseur voor ARQ Kenniscentrum Oorlog, Vervolging en Geweld. Hij promoveerde op een proefschrift over Radio Oranje en publiceerde daarna meerdere boeken over de Tweede Wereldoorlog. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Foto boven het artikel

Emotioneel weerzien van Bosnische vluchtelingen in de Ripperda kazerne, 1993. Bron: R. Pichel, Collectie van Fotopersbureau De Boer te Haarlem / Noord-Hollands Archief

Hoe werkt oorlog door op verschillende generaties?

Oorlogservaringen worden vaak levenslang meegedragen en werken ook weer door op kinderen en kleinkinderen van de eerste generatie oorlogsgetroffenen. Met het ons ontvallen van de mensen die de Tweede Wereldoorlog zelf hebben meegemaakt, verdwijnt de doorwerking van de oorlog dus niet uit onze levens. Hoe de doorwerking van oorlogservaringen van de eerste generatie via de tweede naar de derde generatie er precies uitziet, is regelmatig onderwerp van onderzoek. Ook in Nederland. 

Momenteel worden er in Nederland meerdere onderzoeken gedaan naar oorlog, familieverhalen en intergenerationele overdracht. De Universiteit voor Humanistiek (UvH) houdt zich bezig met intergenerationeel Holocaustonderzoek naar trauma en veerkracht vanuit een existentieel perspectief. ARQ Kenniscentrum Oorlog, Vervolging en Geweld doet onderzoek naar de doorwerking van de Tweede Wereldoorlog binnen drie generaties. En het Nationaal Comité 4 en 5 mei onderzoekt de doorwerking van oorlogsverhalen en – herinneringen binnen families. In alle drie de onderzoeksprojecten is sprake van interviews met drie betrokken generaties. Tijd voor een gezamenlijk interview met de onderzoekers van de hierboven genoemde projecten: Nicole Immler (UvH), Bart Nauta (ARQ) en Matthijs Kuipers (Nationaal Comité 4 en 5 mei). We spraken met ze over de overeenkomsten tussen hun ‘drie generaties’-onderzoeken én over de verschillende accenten die er gelegd worden.

v.l.n.r. Bart Nauta, Nicole Immler en Matthijs Kuipers

Spanning in huis

Het doorgeven van oorlogservaringen is een belangrijk aspect binnen het proces van doorwerking dat in de verschillende onderzoeken onder het vergrootglas ligt. “De eerste generatie heeft de Tweede Wereldoorlog zelf meegemaakt en dus ervaringen opgedaan waarvan we weten dat die bij sommige families een traumatiserende impact hebben gehad”, aldus ARQ-onderzoeker Bart Nauta. Binnen het Drie Generaties-onderzoek van ARQ is met tien families met uiteenlopende oorlogservaringen gesproken, wat heeft geresulteerd in ongeveer 30 uur aan interviews. De nadruk ligt in dit onderzoek met name op de psychologische doorwerking van de oorlog binnen families. “Collega’s van mij bij ARQ Centrum’45, merendeel psychologen en psychiaters, behandelen niet alleen mensen van de eerste generatie voor PTSS-klachten, maar ook mensen uit de tweede generatie. Door de psychische klachten van de eerste generatie was er in sommige families weinig oog voor de behoeften van de kinderen. Er heerste spanning in huis of er was sprake van overbescherming. Die kinderen kunnen daar later in hun eigen leven last van krijgen,” legt Nauta uit, om te benadrukken dat trauma niet alleen de eerste generatie treft. “De vraag die centraal staat in ons onderzoek is: hoe werkt oorlog door op verschillende generaties? En in het bijzonder: welke verhalen worden er verteld en op welke manier gebeurt dat?”

Meaning-making

Dat zijn vragen die ook binnen het intergenerationele Holocaustonderzoek van de UvH aan bod komen, maar dat onderzoek focust expliciet niet op trauma. “Holocaustonderzoek heeft de neiging zich te concentreren op trauma”, zegt hoogleraar Nicole Immler hierover. De verzameling familie-interviews in haar project richt zich juist op ervaringen van veerkracht en een existentieel perspectief. Studenten van de UvH die in opleiding zijn tot geestelijk verzorger of reeds zijn afgestudeerd, deden diepte-interviews met elf joodse families van drie generaties. Ze maakten daarbij gebruik van narratieve methodologie. “De opzet is niet historisch,” licht Immler toe. “De interviews zijn gedaan door geestelijk verzorgers die keken naar meaning-making1, oftewel naar de manier waarop mensen betekenis geven aan levensgebeurtenissen, relaties en het zelf.”  

Immler schat in dat deze existentiële insteek bijdroeg aan de bereidwilligheid van de geïnterviewden om mee te werken aan het onderzoek. “Sommige overlevenden waren er klaar mee om elke keer alleen hun levensverhaal te vertellen. Maar dat heeft ook meteen een ethische vraag naar voren gebracht. Mag je in verhalen van overlevenden ook ambivalentie naar voren halen? Wat bijvoorbeeld vanuit de eerste generatie als kracht kan worden ervaren, kan de tweede generatie als last ervaren. Dus weerbaarheid kan iets tegenstrijdigs hebben.”  

Nauta herkent de verhalen over weerbaarheid en veerkracht ook vanuit het ARQ-onderzoek. “Hoewel we er niet expliciet naar gevraagd hebben, vertelden veel mensen van de eerste generatie graag over hun leven, zowel dat van voor de oorlog als dat van daarna. Ze vertelden dan hoe ze ondanks de gewelddadige ervaringen tijdens de oorlog een gezin gesticht hebben of een carrière opgebouwd. Dat leken sommigen echt te willen benadrukken.”

Dwangarbeiders leggen kabel in Oostende, 1941. Bron: Das Bundesarchiv / Wikimedia Commons (CC-BY-SA 3.0)

Familiedynamiek

In het onderzoek Oorlog en vrijheid in drie generaties van het Nationaal Comité 4 en 5 mei ligt de nadruk dan weer sterk op de interactie tussen familieherinneringen en de maatschappijbrede herinnering aan de Tweede Wereldoorlog. Onderzoeker Matthijs Kuipers: “We willen graag weten hoe de herinneringen van de eerste generatie worden doorgegeven.” Binnen dit onderzoek wordt in zes verschillende deelstudies steeds met vijf families gesproken. Hierbinnen staan, net als in het onderzoek van ARQ, uiteenlopende oorlogservaringen centraal. Zo wordt gesproken met families van Holocaustoverlevenden, maar bijvoorbeeld ook met families met een Arbeitseinsatz-achtergrond. “We willen daarbij graag weten hoe de familiedynamiek beïnvloed wordt door de maatschappelijke omgang met het onderwerp. Daar zitten ook weer verschillen in.”  

Bij de eerste deelstudie naar herinneringen aan en de doorwerking van gedwongen arbeid in nazi-Duitsland speelt bijvoorbeeld dat er maatschappelijk minder over dit onderwerp gesproken werd. Kuipers: “Dat werd door de deelnemers ook zo gevoeld. Er was geen sprake van maatschappelijke erkenning voor het onderwerp. Dat zorgde er ook voor dat er binnen de families minder over gepraat werd, of dat ze het gevoel hadden dat ze niet gehoord werden of nergens met die ervaringen terecht konden.” In de maatschappelijke omgang zijn bepaalde beelden van de oorlog heel dominant, en die beïnvloeden sterk wat er gezegd kan worden, of in welk kader iets geplaatst wordt. “Ook binnen families. Om een voorbeeld uit een andere deelstudie te noemen: als je het hebt over ‘kampen’ in Indonesië, dan roept dat associaties op met de vernietigingskampen in Europa. Dat beïnvloedt weer hoe de derde generatie de verhalen van hun grootouders interpreteert.”

Methodeverschillen

Het uitgangspunt van de drie onderzoeken verschilt op het eerste gezicht niet zo veel. Door de verschillende accenten van de onderzoeken en de verschillende onderzoekstradities en -methodologieën waarbinnen de onderzoekers werken, zijn er in de praktijk echter wel degelijk verschillen. “Wij interviewen de verschillende generaties altijd apart, los van elkaar,” zegt Kuipers bijvoorbeeld over het onderzoek van het Nationaal Comité. “Wat zeggen de jongere generaties als vader of moeder, of opa of oma, niet in huis zijn?” Daar herkent Nauta zich wel in. “Ook ARQ had de wens om de familieleden die we spraken afzonderlijk te interviewen. Maar soms was de opstelling en de wil van de eerste generatie zo dat iedereen in dezelfde kamer zat. Daar konden en wilden we dan niks aan veranderen. Maar we hebben wel nagebeld. Als iemand nog iets extra’s kwijt wilde, dan kon dat tijdens die telefoongesprekken.”  

Ook de Universiteit voor Humanistiek kwam deze uitdaging tegen. Immler: “We hebben ook apart de interviews afgenomen als dat ging. Soms waren het gesprekken met partners die dan wel bij elkaar in de keuken zaten. Maar dit kon ook heel interessant zijn, namelijk om te zien hoe partners elkaar aanvullen en wát zij aanvullen.” In enkele gevallen zocht de UvH nog extra verdieping op door – naast de drie generaties – nog een ander familielid te spreken dat een tegengeluid zou kunnen inbrengen. “We spraken meestal drie tot vijf mensen. We hebben geprobeerd om bij families waar verschillende perspectieven best in spanning met elkaar stonden nog een extra persoon te spreken, bijvoorbeeld een zus of neef.”  

De verschillende insteken van de onderzoeken blijken ook goed uit de manier waarop interviews steeds begonnen werden. De UvH-onderzoekers vroegen bijvoorbeeld niet direct naar oorlogservaringen, maar naar de manier waarop de Holocaust een rol speelde in het leven van de geïnterviewde. Immler: “We keken gewoon wat mensen zelf wilden vertellen. Later vroegen wij dan wat specifieker door, bijvoorbeeld over de nasleep van hun ervaringen, en wat erkenning en herstel voor hen betekent.” ARQ pakte het iets anders aan. “Onze openingsvraag was waarom mensen ervoor gekozen hadden om mee te doen. Mensen gaven vaak aan dat ze het belangrijk vonden het verhaal van de oorlog door te vertellen. Dan kwam vaak het verhaal rond de ervaring vanzelf.” Bij het Nationaal Comité 4 en 5 mei vroeg men wel direct naar oorlogsherinneringen. Kuipers: “Wij beginnen dus wel met wat Nicole ‘het historische’ noemt, met vragen naar ofwel de ervaringen van de eerste generatie, ofwel wat je daarvan hebt meegekregen als jongere generatie. Vanuit die historische context bouwen we dan op naar de complexe dingen zoals doorwerking, stiltes en betekenisgeving. Vinden mensen het bijvoorbeeld belangrijk om bij een herdenking te zijn?” 

Een onverwachte bevinding voor Immler had te maken met de indruk die sommige geïnterviewden op haar maakten. “Ik was best verrast dat sommigen van de tweede generatie zich veel ouder gedroegen dan dat ze daadwerkelijk waren. Deze mensen vertelden over zichzelf als ‘toegetakeld’: fysiek, mentaal en hoe ze in het leven stonden. Je zou bijna kunnen zeggen: een tegenstem tegen het overlevenden-verhaal van hun ouders.” Nauta reageert hier herkennend op. “Bij de ontmoetingen die ik de afgelopen jaren heb gehad met mensen van de tweede generatie, viel mij op hoe zij soms sterk psychisch getroffen zijn door de oorlogservaringen van hun ouders. Dat heeft ook impact op de levens van hun naasten. In ons onderzoek komen we bijvoorbeeld in bepaalde families de doorwerking van angst of woede tegen, wat ook zijn weerslag had op de derde generatie.”

“Red wat nog te redden is.” Vader met kind voorop de fiets en een kinderwagen achter zich aanslepend, is op de vlucht voor de Duitsers, 1940. Bron: Fotocollectie Spaarnestad Onderwerpen, Nederlands Front – Meidagen ’40 / Nationaal Archief

Te simplistisch

Het trekken van overkoepelende conclusies is op dit moment nog best een uitdaging. “Als we al één conclusie kunnen trekken,” zegt Kuipers over het nog lopende onderzoek van het Nationaal Comité, “dan is het dat je aan de manier waarop oorlogsherinneringen voortleven binnen families een hoop kunt aflezen over de maatschappelijke omgang met het onderwerp. Veel nuances in de herinnering van de eerste generatie aan de oorlog verdwijnen bij het doorgeven van die herinneringen aan kinderen en kleinkinderen.” Het resultaat is soms tegenovergesteld: “Soms worden de slechte herinneringen wat weggedrukt, om de jongere generaties als het ware te ontzien. En soms worden juist de negatieve ervaringen uitgelicht, omdat dit belangrijk kan zijn in de zoektocht naar maatschappelijke erkenning.” 
Nauta: “Ik ben voorzichtig om tot overkoepelende conclusies te komen. Niet alleen omdat we nog bezig zijn met de analyse van de onderzoeksdata. Ook omdat er van familie tot familie, en ook binnen families en binnen generaties, zo verschillend met oorlogservaringen wordt omgegaan. Een broer kan de oorlogsgeschiedenis van zijn ouders heel anders ervaren dan zijn zus. Al die individuele ervaringen hebben waarde en mogen er zijn.”  
Ook Immler benadrukt het belang van oog hebben voor diversiteit in perspectieven. “Onze analyse heeft bijvoorbeeld aangetoond dat praten over generaties te simplistisch is. Het identificeren van meervoudige ik-posities van respondenten, van diverse stemmen die mensen in zich hebben en hoe deze zich tot elkaar verhouden, maakt het mogelijk wat afstand te nemen van eenvoudige identiteitsconstructies die gevoed worden door de huidige politiek. De analyse liet ook zien dat we verder moeten kijken dan de tegenstelling tussen trauma en veerkracht, omdat mensen zowel veerkrachtig als kwetsbaar kunnen zijn. Bovendien is veerkracht niet iets wat mensen ‘hebben’, het is een ervaring of een relationeel proces. Dus familie en samenleving hebben hier ook een verantwoordelijkheid in.” 

 

Over de auteur

 

Fabienne van Wijngaarden

Fabienne van Wijngaarden studeert geschiedenis aan de Universiteit Utrecht, is hoofdredacteur van Historisch Tijdschrift Aanzet en is journalist. Ze heeft onder andere voor Kleio en Impact Magazine geschreven.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Noten

1 Zie Michael Ignelzi, ‘Meaning-making in the learning and teaching process.’ New Directions for Teaching and Learning 2000 (82), p. 5-14. 


Verder lezen

Onderzoek Universiteit voor Humanistiek: https://www.uvh.nl/onderzoek/leerstoelgroepen-en-projecten/burgerschap-en-humanisering-van-de-publieke-sector/projecten/inter-generational-holocaust-research-trauma-resilience-from-an-existential-perspective

Onderzoek Nationaal Comité 4 en 5 mei: https://www.4en5mei.nl/onderzoek/oorlog-en-vrijheid-in-drie-generaties

Onderzoek ARQ Kenniscentrum Oorlog, Vervolging en Geweld: https://arq.org/projecten/drie-generaties  


Foto boven het artikel

Presentatie onderzoek ‘Oorlog en vrijheid in drie generaties’ van het Nationaal Comité 4 en 5 mei in Deventer, maart 2023. Bron: Beau Rutten, Nationaal Comité 4 en 5 mei

Het verleden dat niet voorbijgaat

Begin jaren tachtig kon journalist Max van den Berg nauwelijks meer slapen vanwege een terugkerende nachtmerrie. Hij lag in bed en zag boven de rand van de gordijnen het schijnsel van de gedimde lichten van voorbijrijdende auto’s. Zijn huis lag op een hoek, zodat veel auto’s afremden om de hoek om te gaan. Elke keer dat dit gebeurde, vreesde Van den Berg dat de auto zou stoppen voor zijn huis om zijn ondergedoken familie op te komen halen. Zijn Joodse oom, tante en neefje die samen met zijn tweede vader tijdens de Tweede Wereldoorlog waren opgepakt en op 11 juni 1943 in Sobibor waren vermoord.

Oorlog kan een lange schaduw hebben, zoals het voorbeeld van Max van den Berg laat zien. Niet alleen voor de direct betrokkenen, maar ook voor hun nazaten. Deze editie van WO2 Onderzoek uitgelicht staat vanwege het bijna afgelopen themajaar ‘Leven met oorlog’ stil bij de verschillende facetten van die schaduw. Op welke manieren werkt een oorlog door? Wat voor etiket moeten we op die doorwerking plakken? Wat krijgen latere generaties nog mee van het oorlogsleed van hun (groot)ouders? En hoe gaan we als samenleving om met de persoonlijke gevolgen die oorlog heeft?

Trauma en veerkracht

Wie de doorwerking van oorlog wil begrijpen, kan haast niet om het begrip ‘trauma’ heen. Bart Nauta en Arjen van Lil manen in hun bijdrage dat we voorzichtig moeten zijn met het klakkeloze gebruik van dit begrip. Als concept is het gebonden aan een specifieke (culturele) context en tijd. Het kan dan ook niet zomaar worden toegepast in een andere omgeving en periode. Bovendien is het ook belangrijk om aandacht te hebben voor de veerkracht van mensen die schokkende gebeurtenissen hebben meegemaakt. Veruit de meesten van hen krijgen namelijk geen trauma. Dat wij nu overal trauma zien, zegt volgens Nauta en Van Lil iets over onze kijk op de wereld. Lees hier ‘Voorbij de grenzen van trauma’.

Meerdere onderzoeksgroepen zijn bezig met onderzoek naar de doorwerking van oorlogsverhalen en ervaringen over meerdere generaties. De Universiteit voor Humanistiek doet bijvoorbeeld intergenerationeel Holocaustonderzoek naar ervaringen van veerkracht vanuit een existentieel perspectief. Het ARQ Kenniscentrum Oorlog, Vervolging en Geweld kijkt naar de psychologische doorwerking van de Tweede Wereldoorlog over drie generaties. Het Nationaal Comité 4 en 5 mei gaat het specifiek om de interactie tussen de manier waarop de Tweede Wereldoorlog binnen drie generaties van een familie wordt herinnerd en de collectieve herinnering. Fabienne van Wijngaarden hield een interview met drie onderzoekers van deze organisaties. Voor het trekken van conclusies is het nog te vroeg, maar duidelijk is wel dat de oorlog veel impact kan hebben op volgende generaties, met name de tweede generatie. Ook de invloed van de maatschappelijke omgang met een onderwerp op familieherinneringen is duidelijk. Lees hier ‘Hoe werkt oorlog door op verschillende generaties?’.

Dat laat ook het echtpaar Martine Letterie en Rinke Smedinga mooi zien in het interview dat Larissa Pans met hen had. Beide torsen een zwaarbeladen oorlogsgeschiedenis met zich mee. De grootvader van Letterie stierf in kamp Neuengamme. Smedinga’s vader was een overtuigde nazi, bewaker in kamp Westerbork en lid van de Duitse Ordnungspolizei. Hoewel hun familiegeschiedenis dus in zekere zin tegenovergesteld is, bindt de oorlog hen. Zij voelen allebei de behoefte om er iets mee te doen en vertellen hun verhaal op scholen. Letterie schrijft daarnaast jeugdboeken die vaak over de Tweede Wereldoorlog gaan. Ze vindt het belangrijk dat kinderen de geschiedenis kennen en zo de wereld van nu beter gaan begrijpen. Lees hier “De oorlog is een onderwerp dat ons heel erg bindt”.

Voor het zwaar beschadigde hotel De Tafelberg zit de familie Van Maanen en kolonel Warrack, 1945. Filmopnamen voor ‘Theirs is the Glory’ (Slag om Arnhem). Bron: Fotocollectie Anefo / Nationaal Archief

Nieuw perspectief

Rosa de Jong behandelt in haar bijdrage de tentoonstelling Gevlucht om te vechten in het Airborne Museum in Oosterbeek. Hierin staan 21 Joodse vluchtelingen uit Duitsland en Oostenrijk centraal die met de geallieerden meevochten tijdens Operatie Market Garden, aan het einde van de oorlog. Dit biedt een nieuw perspectief, doordat de betreffende Joden voor de verandering niet als slachtoffers neer worden gezet, maar als actoren die handelen. Ook verruimt de tentoonstelling het begrip ‘bevrijders’; dat kan dus ook Duitsers en Oostenrijkers omvatten. Lees hier ‘Duitse en Oostenrijkse Joden als bevrijders bij de Slag om Arnhem’.

In Nederland, maar ook in andere landen, neemt de Tweede Wereldoorlog nog steeds een belangrijke plaats in de maatschappij in. Als het over doorwerking gaat, gaat het dan ook vaak specifiek over de doorwerking van die oorlog. Inmiddels zijn er echter vele oorlogen gevolgd. Tijdens de tweedaagse internationale conferentie Leven met oorlog in Amsterdam en Den Haag stond de vraag centraal hoe musea omgaan met hedendaagse oorlogen, genocides en mensenrechtenschendingen. Een andere vraag was hoe de Tweede Wereldoorlog relevant kan blijven voor de museale praktijk in het heden. Speciaal voor deze editie van WO2 Onderzoek uitgelicht schreef ik een verslag van deze conferentie. Rode lijn in het programma was de nadruk op de veerkracht die de meerderheid van de mensen laat zien, of ze nu de Tweede Wereldoorlog, de Syrische burgeroorlog of slavernij hebben meegemaakt. Een hoopgevende boodschap bij dit zware thema. Lees hier ‘Leven met de schaduw van geweld en oorlog’.

 

Over de auteur

 

Onno Sinke

Onno Sinke werkt als senior beleidsonderzoeker/adviseur voor ARQ Kenniscentrum Oorlog, Vervolging en Geweld. Hij promoveerde op een proefschrift over Radio Oranje en publiceerde daarna meerdere boeken over de Tweede Wereldoorlog.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Foto boven het artikel

Britse paratroepen vullen een C-46 transportvliegtuig om te landen met het First Allied Airborne Army in het door de vijand bezette Nederland, september 1944. Bron: Fotocollectie Spaarnestad Onderwerpen / Nationaal Archief

Leven met oorlog

Jaargang 12, nummer 5, december 2023

Het jaar 2023 stond in het herinneringsveld in het teken van ‘Leven met oorlog’. In deze WO2 Onderzoek uitgelicht blikken we daarom terug. We onderzoeken hoe oorlog doorwerkt in de samenleving, op welke manieren herinneringscentra hiermee omgaan en hoe ervaringen worden doorgegeven van generatie op generatie.