‘Zonder pandemie geen protest’. De rol van corona in de opstand in Wit-Rusland

De vele coronamaatregelen in Nederland leveren onmiskenbaar een beperking van onze dagelijkse vrijheid op. Tijdens demonstraties en in boze berichten op social media is het woord ‘dictatuur’ daarom niet van de lucht. Hoe kijken mensen in Wit-Rusland (Belarus1) naar zulke uitspraken? Dat land is daadwerkelijk een dictatuur, er zijn vrijwel geen coronamaatregelen én burgers vragen sinds de vervalste verkiezingen van augustus 2020 massaal om meer vrijheid. Franka Hummels sprak met verschillende deskundigen.

“Zonder de uitbraak van de pandemie was het protest nooit zo groot geworden.” Die uitspraak deed Svetlana Tichanovskaja in november 2020, toen ik haar interviewde tijdens haar bezoek aan Nederland. Tijdens de Wit-Russische presidentsverkiezingen in augustus nam ze het als oppositiekandidaat op tegen de zittende dictator Alexandr Loekasjenka2 en volgens alle onafhankelijke onderzoeken won ze die strijd glansrijk.

Loekasjenka riep zichzelf desondanks tot winnaar uit, en Tichanovskaja moest voor haar veiligheid naar Litouwen uitwijken, van waaruit ze inmiddels de rol van Wit-Russische oppositieleider vervult.

Tichanovskaja had vóór 2020 geen ambitie om president te worden. Ze kandideerde zich alleen omdat haar man, de vlogger Sergej Tichanovsky, in de gevangenis zit en geen toegang kreeg tot het stembiljet. Reden om in zijn plaats een plek op het biljet op te eisen. In de aanloop naar de verkiezingen vormde ze een team met respectievelijk de echtgenote en de campagnemanager van twee andere oppositiekandidaten die zich niet verkiesbaar konden stellen. Al in de campagnetijd trokken de bijeenkomsten van deze drie vrouwen duizenden bezoekers – voor Wit-Rusland ongekend.

Svetlana Tichanovskaja. Foto: Bundesministerium für europäische und internationale Angelegenheiten (CC BY 2.0)

Na de verkiezingen gingen de Wit-Russen voor het eerst tijdens het 26-jarige regime van Loekasjenka massaal de straat op. Ze eisten de vrijlating van politieke gevangenen, en dat hun stemmen eerlijk geteld zouden worden. Toen daarop met bruut politiegeweld werd gereageerd en er zelfs op grote schaal willekeurige voorbijgangers in busjes werden gesmeten en naar overvolle gevangenissen werden gebracht waar wordt gemarteld, nam het aantal demonstranten toe. Het stoppen van geweld werd een aanvullende eis. Inmiddels zijn deze protesten niet meer zo massaal, maar ze houden tot de dag van vandaag aan. Het politiegeweld is onverminderd.

Gebrek aan bescherming

In de ogen van Tichanovskaja werd de bodem voor die massale demonstraties in de zomer al in het voorjaar van 2020 gelegd. In die periode waren er in heel Europa lockdowns, maar hadden in Wit-Rusland zelfs de voetbalcompetitie en de grote militaire 1 mei-parade nog doorgang. Tichanovskaja legt uit dat mensen zich toen door de regering in de steek gelaten voelden, omdat die hen niet beschermde tegen het virus dat hen bedreigde.

Daarom gingen mensen toen zelf maar aan de slag. Ze zetten online inzamelingsacties op poten om te zorgen dat artsen voldoende hulpmiddelen hadden en doneerden zelf geld aan getroffen families die door ziekte tijdelijk zonder inkomen zaten. Ze zagen, kortom, dat de overheid niet voor hen zorgde én dat ze dat zelf wel konden doen, zegt de oppositieleider.

Maar hoe breng je goed in kaart wat mensen denken? “Grootschalig opinieonderzoek in Wit-Rusland is eigenlijk niet mogelijk”, zegt Ales Herasimenka, onderzoeker Politieke communicatie aan het Oxford Internet Institute. Hij deed in het verleden onderzoek naar de manier waarop Wit-Russen over thema’s als vrijheid denken.

“Mensen zijn niet vrij om te antwoorden, en zelfs als ze dat wel zijn, zijn ze nog steeds gewend om antwoorden te geven die van hen verwacht worden. Daarom hebben we zelfs geen goede cijfers over de hoeveelheid coronagevallen; ook artsen kunnen niet zomaar eerlijke cijfers verstrekken. Commerciële onderzoeksbureaus hebben ook last van deze vertekening en kunnen bovendien niet zomaar alles vragen.”

Herasimenka doet daarom vooral kwalitatief onderzoek. “Ik spreek met mensen die graag gehoord willen worden. Ik investeer in hun vertrouwen, soms jarenlang.” Ook kijkt hij naar online opinies. “Zo kun je nagaan wanneer een bepaald gedachtenpatroon voor het eerst opduikt. Maar daarbij heb je altijd de beperking dat aanhangers van het regime zich niet in online discussies mengen.”

Soldaten houden in Minsk achter prikkeldraad de protesten in de gaten, 30 augustus 2020. Foto: Homoatrox op Wikimedia Commons (CC BY-SA 3.0)

Vadertje Staat

Philipp Bikanau is projectmanager bij de Wit-Russische vestiging van een groot internationaal onderzoeksbureau, en werkt dus bij zo’n commerciële organisatie waar Herasimenka aan refereert. Hij geeft inderdaad aan dat hij niet vrij is om alles te vragen wat hij wil. “We zijn onafhankelijk, maar op alles wat we doen, kunnen repercussies volgen.”

Hij onderschrijft de theorie van Tichanovskaja over de voedingsbodem van de protesten, en volgens hem wordt deze theorie ook breed gedragen binnen de onafhankelijke analytische gemeenschap in Minsk. “Het is niet zo dat corona mensen voor het eerst bewust maakte van de bedenkelijke staat van onze democratie,” zegt hij.

“Maar het veronachtzamen van de bevolking werd zo wel heel zichtbaar. Voorheen maakte Loekasjenka vooral de mensen die zich tegen hem verzetten belachelijk. Nu deed hij dat ook met COVID-19-patiënten. Hij had de ziekte zelf, maar bleef ontkennen dat het echt gevaarlijk was. Je moest maar gewoon wodka drinken en tractor rijden zei hij. Over iemand die eraan gestorven was zei hij meesmuilend: ‘Wat wil je ook, hij was dik.’ Daarover dachten veel mensen: Hee, dat was geen oppositielid. Dat was iemand zoals ik.”

“De staat heeft zich lang als een soort vader opgesteld, als een organisatie die weliswaar geen vrijheid bood, maar wel veiligheid en gezondheid. Maar door de slechte economie was de regering niet in staat snel te handelen toen de pandemie ons land trof. Dus werd voor de oude Sovjet-methode van de ontkenning gekozen. Ondertussen ontstond wat we nu ‘nieuwe horizontale solidariteit’ noemen. Vervolgens stonden nieuwe leiders op die daarbij aansloten, en zich kandideerden voor het presidentschap. Op die manier was corona de druppel die de emmer deed overlopen.”

Cijfers om te wantrouwen

In een dictatuur moet altijd met het grootst mogelijke wantrouwen naar cijfers worden gekeken. Laten we een eenvoudige vraag als voorbeeld nemen: hoeveel mensen tijdens de pandemie extra hun handen wassen.

Daarover heeft het sociologisch instituut van de Wit-Russische Nationale Academie voor Wetenschappen cijfers gepubliceerd – in dezelfde onderzoekspublicatie waarin het instituut meldt dat in december 2020 51,7 procent van de Wit-Russen dacht dat de gezondheidszorg opgewassen was tegen de problemen die de pandemie met zich meebrengt en dat maar liefst 91 procent tevreden is met de zorg die ziekenhuizen en apotheken leveren. Volgens het overheidsinstituut zijn deze uitkomsten gebaseerd op een steekproef onder 601 mensen, met een foutmarge van 4 procent. Volgens dit onderzoek zou 95% van de mensen extra hygiënische maatregelen nemen.

Stel daar Narodny Opros tegenover, een oppositionele vrijwilligersorganisatie die opinies van Wit-Russen peilt en een vergelijkbare vraag voorlegde. Op basis van ruim 26.000 antwoorden concluderen deze onderzoekers dat de handen maar op 48 procent van de werkplekken vaker werden gewassen. Narodny Opros brengt deze en andere uitkomsten wel met aardig wat slagen om de arm. Zo hebben de deelnemers zich allemaal zelf voor dit onderzoek aangemeld en wordt de mening van mensen zonder toegang tot internet uiteraard niet meegeteld.

Wat weten we nu over het handen wassen in Wit-Rusland? Dat we het niet weten. Hetzelfde geldt voor andere zaken. Er valt niets zinnigs te zeggen over het aantal coronabesmettingen of de staat van de pandemie in Wit-Rusland.

Avondklok

Bikanau denkt dat het draagvlak voor coronamaatregelen in Wit-Rusland zeker in het begin van de pandemie best groot was. In het voorjaar van 2020 werd van overheidswege helemaal niets opgelegd. “Toch zie je bijvoorbeeld als je naar data van telefoonproviders kijkt dat er in die periode veel minder verplaatsingen waren dan normaal. Mensen gingen dus zélf in quarantaine.”

Tegelijkertijd gelooft hij niet dat er in Wit-Rusland steun zou zijn voor verplichte maatregelen zoals de Nederlandse avondklok. “Mensen zouden nooit geloven dat die maatregelen voor hun gezondheid genomen werden. Ze zouden het zien als een verdere autoritaire beperking van hun vrijheid. Het regime heeft bijvoorbeeld corona als argument gebruikt om waarnemers in de stembureaus te weren. Een avondklok zou dus niet gauw geaccepteerd worden.”

Bikanau: “Je ziet dat het de overheid nu al niet lukt om mensen binnen te houden. Ondanks buitensporig politiegeweld blijven mensen demonstreren. Dat soort dwingende maatregelen kunnen alleen maar werken in een land waar een basisniveau aan overheidsvertrouwen bestaat. Het was het disrespect dat uit de ontkenning van corona sprak dat mensen woest maakte. Niet hun behoefte aan concrete opgelegde maatregelen.”

“Echte aversie tegen vrijheidsbeperkende coronamaatregelen hebben Wit-Russen niet,” denkt Herasimenka op zijn beurt. “Kijk alleen al naar alle Wit-Russen die het land om politieke redenen hebben moeten verlaten de afgelopen maanden. De meesten van hen gingen niet naar Rusland, waar nu ook alles open is, maar naar Litouwen, waar strikte regels gelden en je niet tussen verschillende provincies mag reizen, of naar Polen, waar sinds kort ook een avondklok van kracht is.”

Een groot protest op 16 augustus 2020 in Minsk. Foto: Максим Шикунец op Wikimedia Commons (CC BY-SA 4.0)

Tsjernobyl

Over Nederlanders die zeggen dat ze in een dictatuur leven, zegt Herasimenka dat ze onvoldoende weten wat dictatuur is. “Het gaat in Nederland om fysieke vrijheidsbeperking. Dat is vrijheidsbeperking, zeker, maar in Wit-Rusland gaat het ook om andere soorten vrijheid, zoals de vrijheid van gedachten. Die worden structureel beïnvloed en soms ook bestraft. Je moet altijd beseffen dat er verschillende vrijheidsconcepten zijn.”

Ook Marina Grisko kijkt op verschillende niveaus naar de waarden die mensen delen. Zij groeide op in Wit-Rusland en is nu masterstudent Europese cultuur en internationale betrekkingen aan de Universiteit Groningen. Grisko ziet grote paralellen tussen de Tsjernobylramp in 1986 waarbij de overheid ook nauwelijks in actie kwam – met grote gezondheidsgevolgen van dien – en de coronacrisis.

“Ik zag een artikel op de populaire nieuwssite Tut.by over de Tsjernobylramp, die toen herdacht werd. In het artikel werd corona niet genoemd, maar de reacties gingen daar wel over. Dat vind ik interessant. Bij Tsjernobyl is er naast de officiële, door de overheid aangedragen versie van de geschiedenis ook een alternatieve collectieve herinnering ontstaan. Ik onderzoek hoe beide herinneringsstructuren van invloed zijn op de vorming van de Wit-Russische staat en identiteit. Ik denk dat heel veel van wat dit onderzoek blootlegt ook van toepassing kan zijn op deze pandemie.”

Grisko denkt dat de perceptie van vrijheid in Wit-Rusland niet fundamenteel verschilt met die in Nederland. Daarbij grijpt ze terug op de ‘capability approach’ van Amartya Sen, de Indiase econoom die een Nobelprijs kreeg voor zijn onderzoek naar de oorzaken van armoede. Hij stelt dat de focus vaak ligt op de middelen die mensen tot hun beschikking hebben, maar bepleit die focus te verleggen en in plaats daarvan te kijken naar wat mensen daadwerkelijk met die middelen kunnen doen.

“In Wit-Rusland hebben we voorzieningen. We hebben scholen, universiteiten, culturele instellingen, ziekenhuizen. Maar die opereren allemaal binnen een bepaald kader. De academische vrijheid is beperkt, mensen in de culturele sector moeten altijd rekening houden met censuur en in het ziekenhuis is politieke loyaliteit belangrijker dan je professionele kwaliteiten. Burgers hebben de mogelijkheid om zich te informeren over coronamaatregelen in andere landen en ook artsen kunnen informatie krijgen van collega’s over de hele wereld. Maar wat ze níet kunnen doen is die kennis ook meteen in hun werk toepassen. Want ze ontberen de vrijheid om de opgedane informatie met anderen te delen.”

Er zijn artsen die dat wel proberen, benadrukt Grisko. “Daarom horen we ook steeds vaker over processen tegen artsen en worden er regelmatig artsen ontslagen.”

Naar de geest van Amartya Sen: zelfs als je in je hoofd vrij bent, heb je in Wit-Rusland niet de gelegenheid dat in handelen om te zetten.

 

Na afloop van ons gesprek vraagt Bikanau me zijn werkgever niet te noemen. “Ik wil niet het risico lopen dat mijn collega’s hierdoor in de problemen raken.”

 

Over de auteur

 

Franka Hummels. Foto: Jelmer de Haas

Franka Hummels is historica, freelance journalist en Wit-Rusland-expert. Ze komt al meer dan twintig jaar regelmatig in het land en heeft er ook gewoond. In 2011 verscheen haar boek De Generatorgeneratie – Leven na Tsjernobyl, over de generatie die kind was toen deze kernramp plaatsvond (waarvan de meeste nucleaire neerslag in Wit-Rusland viel).


Noten

1. In dit artikel wordt de naam van Aleksandr Loekasjenka vanuit de Wit-Russische taal getranscribeerd, niet vanuit de Russische.

2. Sommige media kiezen voor Belarus als benaming. Lees meer over die overwegingen in bijvoorbeeld dit artikel in het Parool en op de website van de VRT.


Foto boven aan artikel

Cadetten in historische (Tweede Wereldoorlog-) uniformen tijdens de militaire parade op 1 mei 2020. Bron: Screenshot van Информационное агентство БелТА op YouTube.com

 

 

 

Gebruik en misbruik van de geschiedenis door radicaal-rechts in Duitsland

Net als in Nederland viel in Duitsland het afgelopen jaar regelmatig de term ‘coronadictatuur’ en waren er vergelijkingen met de Tweede Wereldoorlog te beluisteren. Maar ook de geschiedenis van de DDR werd er door critici van de overheidsaanpak vaak bijgehaald. Hanco Jürgens ontleedt hoe radicaal-rechts in Duitsland het verleden instrumentaliseert.

In Duitsland worden de debatten over het coronabeleid op het scherpst van de snede gevoerd. Minister-presidenten van deelstaten vallen over elkaar heen in discussies over de handhaving van het beleid. De Bondsregering in Berlijn probeert de ruziënde deelstaten zo veel mogelijk op één lijn te houden. Hierdoor is bij sommigen het gevoel ontstaan dat ‘Berlijn’ maatregelen dicteert en zelfs dat er een ‘coronadictatuur’ is ontstaan. Het idee van een coronadictatuur is hierbij in Duitsland in toenemende mate gekaapt door rechts-radicale groeperingen die met veel stemverheffing de toon zetten tijdens de demonstraties tegen het Duitse coronabeleid.

Dieptepunt was wel de bestorming van de trappen van de Rijksdag – het centrum van de Duitse democratie – door rechts-radicale Reichsbürger met vlaggen van het Duitse keizerrijk. Zij konden nog net worden tegengehouden door een paar agenten bovenaan de trappen en de toegesnelde ME. Deze Reichsbürger ontkennen het bestaan van de Bondsrepubliek omdat zij vinden dat er na de Tweede Wereldoorlog geen vredesverdrag is gesloten tussen gelijkwaardige partijen. Voor hen is Duitsland nog steeds een bezet land.

Rechts-radicale Reichsbürger met vlaggen van het Duitse keizerrijk bestormen de trappen van de Bundestag op 29 augustus 2020. Foto: Christian Mang / Reuters

In dit artikel stel ik de vraag welke rol de Duitse geschiedenis speelt tijdens de demonstraties tegen het coronabeleid. Regelmatig wordt de ‘coronadictatuur’ vergeleken met de onderdrukking tijdens de Tweede Wereldoorlog of de DDR. Sommige demonstranten stellen de democratisch aangenomen Infektionsschutsgesetz uit 2001 gelijk aan de Ermächtigungsgesetz uit 1933, die Adolf Hitler ongelimiteerde volmachten verschafte. Anderen noemen hun situatie DDR 2.0. Hoe moeten we dit soort historische vergelijkingen van critici van het coronabeleid inschatten? En in hoeverre kun je bij al die vergelijkingen spreken van een typisch Duits fenomeen?

Verzetsstrijd

In Duitsland is de angst voor catastrofes mogelijk net iets groter dan in veel andere landen. Lang heerste er de angst dat de democratie niet sterk genoeg zou zijn, dat er in de toekomst opnieuw een catastrofe zou kunnen plaatsvinden, vergelijkbaar met die in de jaren ’33-‘45. Zoals Frank Biess schrijft in zijn Republik der Angst staan angsten in Duitsland in relatie tot een zich steeds veranderende herinneringscultuur.

De angst dat de samenleving ontwricht zou worden door de COVID-19-pandemie leidde tot stevige maatregelen. Bij de demonstraties tegen dit stevige COVID-19-beleid viel op hoe het verleden als een grabbelton werd gebruikt om de eigen standpunten kracht bij te zetten. Veel media-aandacht trok bijvoorbeeld ‘Jana’ uit Kassel die zichzelf op luchtige toon vergeleek met Sophie Scholl, een van Duitslands beroemdste verzetsstrijders, die tijdens de Tweede Wereldoorlog in München pamfletten verspreidde op de universiteit en dat met haar leven moest bekopen. Ook Jana was, zo deelde ze haar publiek mee, in verzet door demonstraties van ‘Querdenker’ te bezoeken, door redes te houden en pamfletten te verspreiden.

Opmerkelijk was ook de vereenzelviging van demonstranten met joodse slachtoffers, zoals Anne Frank. Een elfjarig meisje las een tekst voor waarin ze haar situatie vergeleek met die van Anne. Maar de ergste vorm van wat in het Engels holocaust distortion heet, zijn demonstranten die een gele davidster dragen met daarop de tekst ‘ungeimpft’ (ongevaccineerd). Slachtoffers van de grootste genocide ooit gepleegd worden zo op één lijn gesteld met de ‘slachtoffers’ van het coronabeleid. Politici reageren terecht bezorgd op deze ontwikkeling.

Het gaat weliswaar om een kleine minderheid, maar hun toon is steeds feller geworden. En de uitingen worden gedaan in een maatschappelijke context waarin racisme en vreemdelingenhaat helaas niet meer weg te denken zijn.

Querdenken in Ulm, 2020. Foto: Wald-Burger8 op Wikimedia Commons (CC BY-SA 4.0)

Rechts-radicale parolen

Om te begrijpen hoe radicaal-rechts in Duitsland het verleden instrumentaliseert tijdens de coronacrisis, is het van belang om de veranderingen binnen dit rechts-radicale discours nader onder de loep te nemen. Onder invloed van de Franse Nouvelle Droite heeft radicaal-rechts immers rond 2000 afstand genomen van expliciete neonazi-parolen.

In plaats daarvan wordt steeds meer gebruik gemaakt van tactieken die ook extreemlinks hanteert: het ontregelen van ‘de elite’ door tegenspraak, door algemeen aanvaarde waarheden te ontkrachten en door ‘eigen waarheden’ ertegenover te plaatsen. Het internet is daarvoor het perfecte medium.

Opmerkelijk is dat nieuwrechts zich laat inspireren door theorieën van de Italiaanse communist Antonio Gramsci, die vond dat de culturele hegemonie van de elite moest worden doorbroken en de maatschappelijke consensus ter discussie moest worden gesteld. Aanhangers van radicaal-rechts stellen zich daarom ook het liefst op als buitenstaanders die rammelen aan de poorten van de macht. Vergelijkingen met andere tijden worden dan gemakkelijk gemaakt, zonder ook maar enige reflectie op de vraag of die tijden daadwerkelijk vergelijkbaar zijn. Zowel de DDR als de Tweede Wereldoorlog dienen daarbij als spiegel van de huidige politieke cultuur.

Alternative für Deutschland

Wie goed kijkt, ziet dat zich sinds de eerste Pegida-demonstraties in Dresden, in oktober 2014, verschillende vormen van instrumentalisering van de geschiedenis aandienden. Tijdens deze demonstraties tegen de ‘islamisering van het avondland’ werd op diverse manieren gebruik gemaakt van succesvolle leuzen uit 1989, die tot dan toe vooral geassocieerd werden met de val van de Muur.

Naar voorbeeld van de succesvolle maandagdemonstraties in Leipzig, voorafgaand aan de val van de Muur, werden ook de Pegida-demonstraties op maandagavond gehouden. De leuze ‘Wir sind das Volk’, voor het eerst gebruikt tijdens dezelfde maandagdemonstraties in Leipzig, werden nu door aanhangers van Pegida ingezet in de strijd tegen ‘Berlijn’. De positieve connotaties die veel progressieve Duitsers hebben bij deze leuze werden nu opeens ingekleurd door radicaal-rechts.

Een andere strategie die vanaf 2017 nadrukkelijk werd ingezet door de Alternative für Deutschland (AfD) bestond uit het relativeren van het belang van de nazimisdaden en het plaatsen van kritische kanttekeningen bij de huidige ‘Schuldkult’. Nazimisdaden worden niet ontkend, maar wel wordt het belang ervan voor het huidige Duitsland en voor de Duitse geschiedenis als geheel gerelativeerd. Met zorgvuldig uitgekiende uitspraken weten kopstukken van de AfD veel media-aandacht te genereren, in de hoop de maatschappelijke consensus te doorbreken.

Het meest bekende voorbeeld hiervan waren de uitspraken van Björn Höcke, voorman van AfD-Thüringen en spreekbuis van de inmiddels opgeheven rechtervleugel van de partij, Der Flügel. Bij een rede voor de jongerenafdeling van de partij in Dresden, in januari 2017, riep hij op tot een draai van 180 graden in de Duitse herinneringscultuur. Volgens hem was er geen land ter wereld dat zo pal in het centrum van de hoofdstad een ‘monument van schande’ had gebouwd, waarmee hij doelde op het Holocaust Mahnmal in Berlijn. Zelfs binnen de eigen partij lag dit gevoelig. Höcke moest zich verantwoorden voor een uitsluitingscommissie, die uiteindelijk besloot hem niet te royeren.

De partij schuift de laatste jaren steeds verder op naar rechts. AfD-partijchef Alexander Gauland bevestigde in 2018 de lijn-Höcke door te zeggen dat Hitler en de nazi’s slechts een vogelpoepje zijn in de meer dan 1000 jaren succesvolle Duitse geschiedenis. Dit zijn oude rechts-conservatieve uitspraken die na 1945 vaker werden gehoord. Ze passen bij het idee dat er nu eindelijk eens een Schlussstrich onder deze geschiedenis getrokken zou moeten worden om Duitsland te bevrijden van een onnodig zware last. Streep eronder! Einde discussie.

QAnon

Vanuit dit klimaat is het niet verwonderlijk dat tijdens de coronacrisis ook andere strategieën in beeld kwamen waarbij de geschiedenis misbruikt werd. Het gaat daarbij vaak om reeds bestaande manieren van spreken in een nieuw jasje. Zo voert het idee van Duitsers als slachtoffers al terug tot de jaren vijftig, toen veel conservatieve Duitsers zichzelf zagen als slachtoffers van Hitler en zijn ‘Helfer’ die met hun kleine kliek de Duitse bevolking in vervoering hadden gebracht.

In lijn hiermee dient de identificatie met Sophie Scholl of Anne Frank als voorbeeld om te tonen hoe individuen slachtoffer zijn geworden van een onderdrukkend systeem. Het geeft overigens aan dat ook rechts-radicalen meegegaan zijn in het veranderende herinneringsdiscours waarin Anne Frank en Sophie Scholl een prominente plaats hebben.

Een andere kwalijke vorm van misbruik van de geschiedenis vindt zijn oorsprong in oude antisemitische samenzweringstheorieën, die vooral tijdens de coronacrisis opnieuw opgang doen. Het ‘Chinese virus’ zou zo door Joden zijn misbruikt om hun macht te vergroten ten koste van de Duitse economie, die ten onder dreigt te gaan. Vaak wordt daarbij ook verwezen naar ‘het netwerk van George Soros’, een beeld dat onder meer door de Hongaarse premier Viktor Orbán naar voren is gebracht.

Het zijn theorieën die door een hele kleine minderheid worden aangehangen. Maar ze zijn wel heel gevaarlijk, omdat ze invloed hebben op een nog kleinere groep mensen die bereid is tot het plegen van geweld. De mislukte aanslag op de synagoge in Halle in oktober 2019 heeft diepe sporen nagelaten. De 68 aanwezigen zijn gered door een hardhouten deur.

Kogelgaten in de deur van de synagoge in Halle. Foto: Reise Reise op Wikimedia Commons (CC BY-SA 4.0)

De vraag hoe Duits de hier beschreven fenomenen zijn, wordt verschillend beantwoord. Sommige historici trekken lange lijnen in de geschiedenis van het Duitse rechts-extremisme, van de negentiende eeuw tot nu. Zij beschrijven radicaal-rechts vooral als een Duits fenomeen. Andere historici plaatsen het fenomeen meer in een transnationale context, maar beklemtonen daarbij wel hoezeer de Duitse herinneringscultuur van invloed is op Duitse debatten, die, als er ook maar een beetje verwezen kan worden naar het verleden, al snel een extra emotionele lading hebben.

De rechts-radicale bewegingen reageren op die herinneringscultuur en maken er – juist als kritische buitenstaanders – zelf ook deel van uit. De demonstraties van ‘Querdenker’ tijdens de COVID-19-crisis hebben echter vooral laten zien hoe transnationaal de QAnon-beweging is en hoe gemakkelijk samenzweringstheorieën hun weg vinden via het internet. Radicaal-rechts is ook in Duitsland uitermate goed verknoopt met bewegingen in andere Europese landen en niet te vergeten de VS.

De Duitse Verfassungsschutz, de binnenlandse veiligheidsdienst, volgt deze bewegingen en hun vertakkingen nauwgezet. Terecht waarschuwt de dienst voor een steeds bredere aanhang van antidemocratische ideeën in een verder heel democratische Bondsrepubliek. Historici, museummedewerkers en docenten rest de taak om op basis van argumenten een helder beeld van de geschiedenis over te brengen, waarin oppervlakkige historische vergelijkingen die leiden tot ongefundeerde samenzweringstheorieën worden weerlegd.

Over de auteur

 

Hanco Jürgens

Hanco Jürgens is wetenschappelijk medewerker van het Duitsland Instituut Amsterdam en docent bij de opleiding geschiedenis van de UvA. Hij is gespecialiseerd in moderne Europese geschiedenis. Momenteel richt hij zich vooral op de recente geschiedenis van Duitsland sinds de val van de Muur.


Beeld boven aan artikel

Een Pegida-demonstratie in Dresden, januari 2015. Foto: Kalispera Dell op Wikimedia Commons (CC BY 3.0)

Beelden van onvrijheid

Al jaren heb ik de gewoonte om ’s avonds een wandeling te maken – een moment om mijn gedachten te ordenen. Een aantal maanden geleden moest ik me plotseling haasten: voor 21.00 uur moest ik binnen zijn. Waar ik eerdere maatregelen zonder morren respecteerde, had ik hier veel meer moeite mee: wat kon er nu eigenlijk gebeuren? Kon ik echt mensen besmetten, buiten op straat in een toch al doodstille stad?

De avondklok werd in Nederland in januari van dit jaar ingevoerd. Anders dan in buurland België en andere landen om ons heen stuitte de maatregel in ons land op hevig protest. Een onrustige periode met zogenaamde ‘coronarellen’ volgde. Als verklaring werd vaak aangevoerd dat de avondklok in Nederland als ultiem symbool van onvrijheid fungeerde – het deed te veel denken aan de tijd van de Duitse bezetting. Dit lijkt welhaast een vanzelfsprekend referentiekader, maar is dat wel zo? Welke beelden van onvrijheid riepen de coronamaatregelen in andere (Europese) landen eigenlijk op?

Dat is de vraag die aan de basis ligt van de huidige editie van WO2 Onderzoek uitgelicht. Welke historische parallellen worden elders getrokken en om welke redenen worden die ingezet? En in hoeverre speelt de Tweede Wereldoorlog daarin een rol?

De Koninklijke Marechaussee werd tijdens de avondklokrellen ingezet om de orde te handhaven, Rotterdam, 26 januari 2021. Foto: Mediacentrum Defensie op Wikimedia Commons

Noodwetten

Iwona Guść beschrijft in haar bijdrage hoe ook in Polen een maatregel als de avondklok omstreden is, maar om geheel andere redenen dan in Nederland. Zij laat zien hoe de herinnering aan de noodtoestand die het communistische regime uitriep in de jaren tachtig nog altijd doorwerkt in de huidige vrijheidsbeleving van Poolse burgers. Want zal de zittende macht de noodwetten niet opnieuw voor verkeerde politieke doeleinden gebruiken?

In zijn artikel over Duitsland schrijft Hanco Jürgens dat het verleden in dat land als “grabbelton” wordt gebruikt, waarin niet alleen herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog maar ook aan de DDR voorbijkomen. Hij laat zien hoe radicaal-rechtse bewegingen de geschiedenis gebruiken om hun eigen standpunten kracht bij te zetten en de ‘coronadictatuur’ te bekritiseren.

In Italië wordt er niet alleen geappelleerd aan de geschiedenis bij het rechtvaardigen dan wel bekritiseren van coronabeleid, maar ook aan de toekomst. Marc van Oostendorp laat in zijn column zien hoe in Italiaanse kranten wordt gewaarschuwd voor een “Derde Wereldoorlog”, die China zou veroorzaken door het virus te laten rondgaan.

Een comic uit COVID ChroniclesBron: Maya Sobchuk / Graphic Mundi

COVID Chronicles

Ook interessant is de vraag hoe corona wordt beleefd in een land waarin vrijheid sowieso niet vanzelfsprekend is. Journalist Franka Hummels sprak verschillende deskundigen in Wit-Rusland, waar opvallend genoeg vrijwel geen coronamaatregelen zijn. Hoe hangt dit gebrek aan maatregelen samen met de onvrijheid in deze dictatuur? En is het überhaupt mogelijk om daar onderzoek naar te doen in een land dat zo op slot zit?

Roel Daenen tot slot schrijft in de rubriek ‘Oorlog verbeeld’ over COVID Chronicles, een bloemlezing in stripvorm waarbij de beleving van verschillende stripmakers van het afgelopen jaar centraal staat. In een tijd waarin veel vormen van kunstbeoefening onmogelijk waren, boden de kaders van de strip een vorm van therapie, of misschien zelfs van vrijheid.

Inmiddels wandel ik weer elke avond, nu zonder haast. Stil is het niet meer: ik loop langs terrassen en groepjes mensen in het gras, ontwijk hardlopers en honden. Het is weer bijna hoe het was.

Over de auteur

 

Sophie van den Bergh

Sophie van den Bergh is hoofdredacteur van WO2 Onderzoek uitgelicht en werkt op de afdeling Onderzoek en educatie van het Nationaal Comité 4 en 5 mei. Aan de Universiteit Gent werkt ze aan een proefschrift over herdenkingstheater.


Beeld boven aan artikel

Protesten op 14 augustus 2020 in Minsk. Bron: Melirius op Wikimedia Commons (CC BY-SA 4.0)

 

Vrijheid is fietsen in de regen

Naar aanleiding van het 75-jarig bestaan van de Verenigde Naties maakte journalist Maarten Dallinga de podcastserie Vrijheid Volgens, waarvoor hij zes Nederlanders met een vluchtachtergrond interviewde over hun beleving van vrijheid. De VN heeft in de Millenniumverklaring vrijheid immers benoemd tot een van de zes essentiële basisbeginselen voor internationale samenwerking. De podcast leverde indringende gesprekken op over vrijheid en onvrijheid. “Vrijheid blijft alleen bestaan als we ons blijven herinneren dat het kwetsbaar is.”

Terwijl ik tijdens een sportieve rit door de ferme tegenwind met moeite 20 kilometer per uur fiets, sta ik in gedachten even stil. Ik kijk omlaag en zie dat er glanzende regendruppeltjes in mijn armharen zijn blijven hangen. Het waait zo hard dat ik niets hoor dan de wind. Ik ruik het natte asfalt en voel mijn doorweekte schoenen. Het maakt niet uit. Mijn vriendin en ik beuken en beuken en lachen naar elkaar. We voelen het allebei: dit is vrijheid.

Misschien is het de eenvoud. Waar we gewoonlijk zo veel van anderen en onszelf moeten, hoeven we nu alleen maar te trappen. Er kan eigenlijk niets fout gaan, alles is goed. En misschien is het ook de ruwe confrontatie met de elementen. We bouwen muren en daken om wind en regen buiten te houden en kruipen hele dagen achter een computerscherm. Soms vergeet ik daardoor dat we onderdeel zijn van een groter geheel, voel ik mij wat verloren. Maar nu voel ik mij door de elementen omarmd en kom ik gevoelsmatig weer een beetje thuis. Alsof ik door de wind op mijn plek word gezet.

Door mijn werk in de afgelopen jaren voor het Nationaal Comité 4 en 5 mei, was ik al vrij bewust bezig met het thema vrijheid. Maar door de indringende gesprekken die ik voerde voor de podcastserie Vrijheid Volgens, is mijn denken erover nog verder versterkt. In opdracht van het comité interviewde ik zes mensen die ooit voor onvrijheid op de vlucht sloegen en in Nederland een nieuw bestaan opbouwden.

Jeneverglaasje

Wat ik aan hun verhalen zo krachtig vind, is dat ze de luisteraar een spiegel voorhouden. Een spiegel die scherp laat zien dat de vrijheid kwetsbaar is. Neem de anekdote waarmee Tanja Bubic haar verhaal begint. Zij werd in vrijheid geboren in voormalig Joegoslavië, maar toen kwam de Bosnische burgeroorlog en vluchtte zij op haar elfde naar Nederland.

Tijdens mijn bezoek aan haar pakt ze uit haar keukenkastje een klein jeneverglaasje. Het was van haar grootouders geweest en het laatst overgebleven exemplaar, vertelt Tanja. De andere glaasjes waren allemaal al stukgegooid bij bruiloften, geboortes en andere bijzondere gebeurtenissen; een Joegoslavische traditie. Ook bij Tanja’s eigen geboorte gooide haar opa een glaasje stuk – scherven brengen geluk.

Tanja Bubic. Foto: Privéarchief

“Het was een teken van het begin van mijn leven, maar tegelijkertijd ook een herinnering aan de kwetsbaarheid ervan”, zegt Tanja. Moeiteloos maakt ze vervolgens de stap naar vrijheid: net als zo’n glaasje, kan de vrijheid heel makkelijk stukgaan. “Vrijheid blijft alleen bestaan als we ons blijven herinneren dat het kwetsbaar is en het heel makkelijk anders kan lopen.”

Die waarschuwing klinkt ook door in het in april verschenen onderzoek Vrijheid is een groot begrip. In opdracht van het Nationaal Comité 4 en 5 mei analyseerde stichting Bevordering Maatschappelijke Participatie (BMP) interviews met veertig Bosniërs en Irakezen in Nederland. Zij delen in de gesprekken hun beleving van vrijheid, onvrijheid en herdenken. Een aantal van hen interviewde ik ook voor mijn podcastserie.

Cover ‘Vrijheid is een groot begrip’

Veel geïnterviewden zetten zich in voor de maatschappij, lees ik in het onderzoek: “Ze doen vrijwilligerswerk, dragen bij aan de verbinding tussen bevolkingsgroepen en komen in het geweer als de rechten van mensen onder druk komen te staan. De motivatie hiervoor is meer dan alleen dankbaarheid, het gaat ook om het besef dat een samenleving kwetsbaar is en dat sociale binding een belangrijk tegenwicht kan vormen tegen polarisatie en het buitensluiten van bepaalde groepen.”

Bosnische Nederlanders denken daarbij aan de vrijheid die ze in Bosnië verloren, Irakese Nederlanders aan de vrijheid die ze in hun herkomstland nooit hebben gekend. Want dat is een belangrijk verschil tussen beide groepen, concludeert het BMP-onderzoek: “Alle geïnterviewde Bosniërs hebben de periode in Joegoslavië, voordat begin jaren negentig de oorlogen uitbraken, ervaren als een tijd van grote vrijheid. (…) In Irak daarentegen was nauwelijks sprake van vrijheid.”

Vrijheid is een beleving

Door de verhalen in het onderzoeksrapport en de gesprekken die ik voerde voor de podcastserie, ben ik nog sterker dan voorheen van mening dat Nederlanders vrijheid te veel als een gegeven zien. Dat vrijheid voor de meeste mensen een vanzelfsprekendheid is, bewijst op zich dat de vrijheid sterk is. Maar hoe sterker de vrijheid, hoe kwetsbaarder die misschien wel wordt. Dat is de paradox. Vergeten we wat we hebben, dan vergeten we ook wat we kunnen verliezen.

De verhalen van de geïnterviewden stemmen dan ook tot nadenken. Zo zeer, dat ik twijfelde of ik dit essay wel met dat fietsverhaal moest beginnen. Is het niet een wat aanstellerige beschrijving van mijn gevoel bij vrijheid? Zíj́ hebben oorlog of ernstige onderdrukking meegemaakt; kom ik aan met een verhaaltje over regen en wind. Is dat wel respectvol tegenover mijn geïnterviewden? Maak ik vrijheid als fenomeen niet veel te futiel? Ik denk bijvoorbeeld aan Faris Alwasity, die in Irak bijna tien jaar oorlog meemaakte. “Het mooiste gedeelte van mijn leven, tussen mijn twintigste en dertigste, ben ik gewoon kwijt.”

Faris Alwasity. Foto: Maarten Dallinga

Zie ik niet een veel grotere waarde van vrijheid over het hoofd? Wel, voor mij is vrijheid onlosmakelijk verbonden met vrede en veiligheid. Het zijn voorwaarden voor een onbezorgde fietstocht en dus moeten we vrede en veiligheid koesteren. Maar met alleen dat ís er nog geen vrijheid, denk ik. Vrijheid is geen passieve toestand, maar een beleving; een ongrijpbaar, kwetsbaar gevoel.

Voor mij zit het in aanraking, in beweging, een respectvolle discussie, een melodie, in poëzie. Als ik het zou moeten samenvatten, zit vrijheid voor mij in kleine maar grootse zintuiglijke ervaringen. Voor mij is vrijheid dat ik mij verbonden voel met mijzelf, anderen en de wereld.

Die benadering vind ik trouwens ook terug bij mensen die voor het BMP-onderzoek werden geïnterviewd, al kan ik mij indenken dat bijvoorbeeld een stukje fietsen voor hen nog veel meer betekenis heeft. Zo zegt een Bosnische Nederlander: “Op microniveau is vrijheid dat ik vanochtend een uurtje heb mogen fietsen en dat ik me geen zorgen maakte of er ergens een granaat zou vallen.” En een Irakese Nederlander: “Moet je je voorstellen, dat je sterk bent, het is mooi weer, maar je kan (door oorlog, red.) niet naar buiten gaan. Dat is heel erg.”

Dat vrijheid een fietstochtje is, zal sommigen misschien wat te spiritueel of misschien zelfs pathetisch in de oren klinken, maar dat is dan maar zo. Ik kom daarmee op een wat mij betreft derde belangrijke voorwaarde voor vrijheid: dat we de ander de ruimte geven om vrijheid op zijn of haar eigen manier te beleven.

Dat maakt dat niemand het begrip vrijheid kan claimen. Hierin ligt besloten dat we op samenlevingsniveau de afspraak maken dat individuele vrijheidsbeleving niet kan bestaan zonder rekening te houden met de ander.

Ook daarover doen de mensen uit de podcast Vrijheid Volgens betekenisvolle uitspraken. Zoals Ammar Kassoumeh, die in 2014 voor de oorlog in Syrië naar Nederland vluchtte. Voor hem is vrijheid dat je “alles mag doen en zeggen met respect voor elkaar, zonder anderen te beledigen.” Saron Tesfahuney, die in 2012 vluchtte voor het onderdrukkende Eritrees regime, zegt: “Bij het recht van vrijheid van meningsuiting hoort de plicht om na te denken over wat je gaat zeggen.”

Saron Tesfahuney. Foto: Privéarchief

Negatieve vrijheid

Toch is die figuurlijke verbinding niet altijd mogelijk. Soms is er een goede reden om de vrijheid van de een boven die van de ander te stellen. Maar daarbij hoort ratio – een feitelijke afweging – de boventoon te voeren, met ruimte voor emotie. Niet emotie zonder ratio. Vrijheid definieer en maak je samen in een dynamisch proces, waarin voorop moet staan dat je met elkaar in gesprek blijft.

Ik droom stiekem van een wereld waarin we de Grondwet, de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en andere VN-verdragen helemaal niet meer nodig hebben, omdat we er samen wel uitkomen. Tot die tijd hebben we gelukkig democratisch opgestelde spelregels en onafhankelijke scheidsrechters.

Dat die af en toe nodig zijn, bewijst ook de omgang met de coronacrisis, bijvoorbeeld op het Drielandenpunt, waar het in horeca op het Belgische grondgebied verplicht is een mondkapje te dragen – het staat op levensgrote borden. “Toch proberen Nederlanders voortdurend zonder mondkapje naar binnen te lopen”, zegt een serveerster begin augustus in NRC. “Als je hen daarop wijst, roepen ze vaak ‘O, niet bij me’ en lopen toch naar binnen. Ongelooflijk.” Zoals schrijver Ilja Leonard Pfeijffer zei in tv-programma Zomergasten: “Vrijheid is geen vrijheid als die gebaseerd is op egoïsme.”

Soms heeft de hang naar negatieve vrijheid – de vrijheid om te doen wat je wilt en met rust te worden gelaten door de overheid (een begrip van de Britse filosoof Isaiah Berlin) – misschien te veel de overhand in de westerse wereld. Zo betoogt ook historicus Annelien de Dijn, auteur van het onlangs verschenen boek Freedom: An Unruly History.

In een interview met NRC noemt ze de situatie dat coronamaatregelen ter bevordering van de volksgezondheid als een vorm van tirannie worden gezien, “het compleet rigide doortrekken van het principe van de negatieve vrijheid. (…) Het is noodzakelijk dat een staat democratische wetten maakt die ervoor zorgen dat zoveel mogelijk mensen van zoveel mogelijk vrijheden kunnen genieten.”

Denk ook aan het afstraffen van discriminatie. In het onderzoek Vrijheid is een groot begrip vertellen Irakese Nederlanders dat zij zich door discriminatie soms onvrij voelen: “Nederlanders discrimineren, zeker in de dorpen waar sommigen woonden voordat ze naar de stad verhuisden. Maar ook binnen de eigen gemeenschap krijg je soms te maken met afwijzing, als je bijvoorbeeld besluit om geen hoofddoek meer te dragen. En dan zijn er Turkse kinderen die glashard tegen jouw kinderen zeggen dat Koerden niet bestaan.”

In juni kwam Noa ter wereld, het eerste zoontje van Saron Tesfahuney. Wat het voor haar betekent dat Noa is geboren in Nederland en niet in Eritrea? “Hij mag zijn wie hij wil zijn”, zegt Saron. “Hij moet zich aan de regels houden, maar dat hij in zijn leven geen vijanden heeft, vind ik de grootste blessing. Het grootste cadeau dat ik hem kan geven is zijn vrijheid.”

En toch, Saron vertelde ook dit: dat zij bij sollicitaties soms wordt afgewezen om haar achternaam. En dat haar bij een instelling voor volwassenenonderwijs werd afgeraden om in één jaar het vmbo te voltooien. Je kunt ook snel gaan werken, zei de medewerker, in een supermarkt of de schoonmaak. Voel jij net als ik plaatsvervangende schaamte?

Laten we er met z’n allen voor zorgen dat Sarons zoon Noa niet alleen nu, maar zijn hele leven in vrijheid kan leven. Liefde is een werkwoord, luidt het cliché. Vrijheid is dat evengoed.

Over de auteur

 

Maarten Dallinga. Foto: Tim Witte

Maarten Dallinga (1987) is freelance journalist en socioloog. Hij schrijft voor NRC en maakt verhalende podcastseries. Maarten is coauteur van Het vrijheidsboek (2015), een uitgave van het Nationaal Comité 4 en 5 mei.


Luister

De zes afleveringen van Vrijheid Volgens zijn te vinden op deze website en in je favoriete podcast-app (onder meer Apple Podcasts, Spotify en Stitcher). Reageren kan via info@4en5mei.nl.


Lees

Het onderzoeksrapport Vrijheid is een groot begrip. Onderzoek naar de beleving van vrijheid, onvrijheid en herdenken door Bosniërs en Irakezen in Nederland, onder redactie van Saskia Moerbeek en Frank von Meijenfeldt, is te lezen op de website van het Nationaal Comité.

 

Een naoorlogse achtbaan

Hoe vertel je het verhaal van een geschiedenis met een oneindig aantal lagen, en hoe verbind je het verleden daarbij ook aan het heden? Met zijn boek Een naoorlogse achtbaan biedt Ian Kershaw een inspirerende aanpak.

Leren over of leren van de Tweede Wereldoorlog? De talloze (educatieve) projecten die in het kader van 75 jaar vrijheid in Nederland zijn en worden ontwikkeld, richten zich in meerderheid op ‘leren van’. En uit een recent onderzoek onder docenten geschiedenis en burgerschap in het voortgezet onderwijs blijkt dat ook de overgrote meerderheid van de leraren hun leerlingen wil laten leren van de periode 1939-1945 en haar nasleep.

Maar kunnen we überhaupt leren van de Tweede Wereldoorlog en zo ja, wat zijn die hedendaagse lessen dan? Bij het formuleren van een antwoord op deze vragen kunnen de publicaties van historicus Ian Kershaw steun bieden aan de docent, onderzoeker en educatief medewerker.

Na Kershaws veelgeroemde publicaties over Adolf Hitler en nazi-Duitsland verscheen in 2015 van zijn hand de studie Afdaling in de hel, waarin hij de ontwikkeling van Europa tussen 1914 en 1949 beschreef. Voor WO2 Onderzoek uitgelicht schreef ik in 2017 een recensie over dit boek. Kershaw liet ons aan het eind van dat boek achter in een verwoest Europa, dat voorzichtig opkrabbelde tussen de machtsblokken die de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie na de oorlog optrokken.

Volgens Kershaw werd de eerste helft van de 20e eeuw in Europa gekenmerkt door het tomeloze geweld dat woedde op het continent. Geweld tussen natiestaten én geweld tegen de eigen bevolking, uiteindelijk zelfs uitmondend in een politiek systeem waarin behoren tot het ‘verkeerde’ ras, de ‘foute’ religie of de ‘onjuiste’ politieke overtuiging vervolging en moord betekende. Aan het einde van het conflict had een complete verandering in het Europese landschap plaatsgevonden, zowel letterlijk als in geopolitieke zin.

Cover Een naoorlogse achtbaan – Ian Kershaw. Foto: Spectrum

Dreiging van een kernoorlog

In hoeverre heeft Europa ‘geleerd’ van de verschrikkingen van de Eerste en Tweede Wereldoorlog? Welke lessen uit het verleden hebben vorm gegeven aan het Europa van het tweede deel van de 20e eeuw? In het vervolg op Afdaling in de hel, in 2018 verschenen onder de titel Een naoorlogse achtbaan: Europa 1950-2017, benadrukt Kershaw het belang van het bouwen aan een politieke en economische eenheid gebaseerd op de liberale democratie. Maar hoe moeizaam dit ging, blijkt al uit de titel van zijn boek.

Vormde geweld de rode draad van Afdaling in de hel, in Een naoorlogse achtbaan is die rol weggelegd voor de “kronkelige, oneffen weg van de ene naar de andere periode van onveiligheid”.

Het beeld dat de periode 1950-2017 bij Kershaw oproept is dat van een continent dat onder de voortdurende dreiging van een kernoorlog een variëteit aan crises overleeft: de gewapende onderdrukking van haar satellietstaten in Oost-Europa door de Sovjet-Unie; het decennialange bestaan van dictatoriale regimes in Portugal en Spanje; het einde van het koloniale tijdperk en de imperiale rijken van Groot-Brittannië en Frankrijk; het terrorisme van de jaren zeventig, de recessies van de jaren tachtig en 2008; het uiteindelijke instorten van de regimes in het Oostblok en het moeizame proces van de toetreding van landen uit Midden-Europa tot de Europese Gemeenschap.

De Praagse lente, één van de weinige keren dat de bevolking in grote opstand kwam tegen de Sovjet-Unie. Foto: Central Intelligence Agency op Wikimedia Commons

In de rol van Duitsland na 1945 ziet Kershaw het meest nadrukkelijk dat er van de geschiedenis geleerd is. Weliswaar was het land in 1945 – anders dan in 1918 – aanvankelijk bezet, maar dat West-Duitsland (en daarna het verenigde Duitsland) het meest ‘Europese’ land is geworden, is met name te danken aan het feit dat de liberale democratie deze keer wél werkte. Door het economische wonder dat zich in West-Duitsland afspeelde en doordat West-Duitsland onder druk van de Koude Oorlog allianties sloot binnen West-Europa en met de VS, ontstond een democratie waarbinnen het sterkst in het Europese ideaal geloofd werd en wordt en men een verantwoordelijkheid voelt om Europa tot een succes te maken.

In die nieuwe rol van Duitsland en in het verankeren van de voormalige aartsvijanden Duitsland, Oostenrijk en Italië in het West-Europese systeem, ziet Kershaw de grootste geleerde les uit het verleden. In dit kader benadrukt hij ook de immense betekenis van de Marshall-hulp, het grootschalige Amerikaanse investeringsprogramma in West-Europa. Dat deze hulp aan de andere zijde van het gordijn onder druk van de Sovjet-Unie werd afgewezen, leidde tot het ontstaan van twee zeer verschillende samenlevingen: een collectivistische in het oostelijke deel van het continent en een op massaconsumptie gerichte kapitalistische in het westelijke deel.

Marshall-hulp in Berlijn, 1952. Foto: National Archives and Records Administration op Wikimedia Commons

Thatcher, Kohl en Gorbatsjov

Vrede op het continent zelf (niet in de voormalige koloniën, waar bloedige conflicten werden uitgevochten – denk aan Algerije en Angola) leek in de tweede helft van de 20e eeuw lange tijd vanzelfsprekend. De welvaart groeide ondertussen in het westelijk deel van Europa naar een jaloersmakend peil; het welvaartspeil voor de inwoners van de landen in Oost-Europa bleef lange tijd ver achter.

Ook zegevierden, eerst opnieuw alleen in West-Europa en tegen de eeuwwisseling aan ook in Oost-Europa, de liberale democratie en de rechtsstaat en eisten minderheden met succes hun plek op in de maatschappij.

Maar na de achtbaanrit volgde, toen de 21e eeuw eenmaal goed onderweg was, de overstap op een nieuwe vlucht: een duikvlucht in een tijdperk van spanning, veroorzaakt door globalisering, klimaatverandering, de dreiging van terrorisme, populisme en massamigratie. Dit alles tegen de achtergrond van een nieuwe verhouding tot Rusland (ontstaan nadat in 2014 de oorlog in Oost-Oekraïne begon en Rusland de Krim annexeerde), de verschuiving in de jaren tien naar autoritaire regimes in Hongarije en Polen, de keuze voor de Brexit en de verkiezing van Trump die de vanzelfsprekendheid van de Amerikaans-Europese samenwerking ondergroef.

Dit is een heleboel om te verhapstukken, en toch is het boek geen droge opsomming. Dankzij de goed uitgewerkte compositie wordt de lezer moeiteloos langs bijna zeventig jaar geschiedenis van een heel continent geloodst.

Kershaw wisselt daarbij continu af tussen gebeurtenissen in West- en Oost-Europa en reflecteert op de verschillen die daarbij zichtbaar zijn. Een aanpak die inhoudelijk van meerwaarde is en bekende gebeurtenissen meer reliëf geeft.

Kershaw is geen historicus van de ‘kleine geschiedenis’ en de anekdote, maar analyseert op zakelijke toon de grote politieke, economische, maatschappelijke en culturele ontwikkelingen in Europa. Daarbij heeft hij wel volop aandacht voor de beslissende rol van bepaalde hoofdrolspelers. Dit komt met name naar voren in zijn beschrijving van het Gorbatsjov-tijdperk, maar geldt evenzeer voor waar hij Helmut Kohl en Margaret Thatcher ten tonele voert.

500 bij 500 meter

Voor de gemotiveerde docent en de educatief medewerker die hiervoor de tijd kan vrijmaken, vormen beide boeken van Kershaw een mooie basis om met leerlingen de Europese geschiedenis van de afgelopen decennia te verkennen. Afdaling in de hel en Een naoorlogse achtbaan beschrijven de historische context op een manier die toont dat je gelijkenissen tussen heden en verleden kunt ontwaren, maar dat je ook steeds oog moet houden voor de onvermijdelijke verschillen.

In elke historische context zijn er andere bepalende politieke, economische, sociale en culturele factoren. Het benoemen van mechanismen, met aandacht voor de gelijkenissen én de verschillen, vormt de belangrijkste uitdaging voor de geschiedenis- en museumles. Bij Herinneringscentrum Kamp Westerbork, waar ik werkzaam ben als coördinator Educatie, geldt dit voor de hele bewoningsgeschiedenis van de 500 bij 500 meter die bekendstaan als ‘kamp Westerbork’.

Bevrijding van Kamp Westerbork door de Canadezen. Foto: Beeldbank WO2 – NIOD

Even in vogelvlucht: het kamp, in 1939 ontstaan als Centraal Vluchtelingenkamp Westerbork, werd op 1 juli 1942 door de nazi’s overgenomen. De naam werd gewijzigd in Polizeiliches Judendurchgangslager Westerbork. Veertien dagen later vertrok het eerste transport met 1137 Joodse mannen, vrouwen en kinderen uit het kamp. Meer dan 107.000 mensen werden via Westerbork gedeporteerd naar de concentratie- en vernietigingskampen – 5000 van hen overleefden. Op 12 april 1945 werden de gevangenen die op dat moment in Westerbork zaten door de Canadezen bevrijd.

Twaalf dagen later arriveerden de eerste bewoners van Interneringskamp Westerbork: van collaboratie verdachte Nederlanders en van oorlogsmisdaden verdachte Nederlanders en Duitsers. Tot 1948 bleef het kamp het grootste gevangenenkamp voor collaborateurs in Noord-Nederland. Nadat de laatste geïnterneerden het kamp verlaten hadden, werd het terrein in gebruik genomen als legerplaats voor dienstplichtigen die in afwachting waren van hun uitzending naar het voormalige Nederlands-Indië, om daar deel te nemen aan de koloniale oorlog.

Onder de naam ‘De Schattenberg’ deed het kampterrein vervolgens dienst als opvangkamp voor gerepatrieerden uit de voormalige kolonie. In 1951 kregen de barakken van Westerbork hun laatste functie: woonoord voor enkele duizenden Molukkers. Ruim twintig jaar vormden die samen een gemeenschap op de Drentse heide, tot in 1971 de laatste Molukse bewoners gedwongen het kamp moesten verlaten en de laatste barakken met bulldozers tegen de grond geschoven werden.

Archetypische bezoekers

In 2014 ontving Herinneringscentrum Kamp Westerbork het Europees Erfgoedlabel vanwege de gelaagde geschiedenis van de plek. In Westerbork komen immers veel onderwerpen uit de Europese geschiedenis samen: de nasleep van de Tweede Wereldoorlog, de verwerking van de Holocaust, omgang met collaborateurs in de naoorlogse samenleving, de wederopbouw, het gewelddadige afscheid van de voormalige koloniën en de manier waarop groepen mensen van buiten Europa hier hun plaats hebben moeten vinden.

Inmiddels is het Europees Erfgoedlabel een vast onderwerp van scripties en onderzoeken door studenten. Onlangs nog legde een student mij deze vragen voor, met het verzoek deze door onze bezoekers te laten beantwoorden: “In hoeverre verandert een bezoek aan het Herinneringscentrum Kamp Westerbork uw visie op waarden als vrede, mensenrechten, respect voor het menselijk leven, democratie, individuele vrijheid, gelijkheid en culturele diversiteit?” en “In welke mate voelde u zich Europees voor en na afloop van het bezoek aan het Herinneringscentrum Kamp Westerbork?”

Ga er maar aan staan als bezoeker. Helemaal als je de archetypische bezoeker bent die vooral komt voor de periode 1939-1945 en eventueel nog de interneringskampperiode, maar die slechts weinig interesse heeft voor de verdere naoorlogse geschiedenis van ‘Westerbork’ of activiteiten rondom de herinnering aan de genocide in Srebrenica. Kondigden wij speciale thema-rondleidingen aan over de naoorlogse periodes, dan sloot zich maar een enkele bezoeker aan.

Bij ‘de Molukse markering’ vertellen originele raampartijen van een woonbarak en een replica van een hutkoffer het verhaal van het langdurige verblijf van Molukkers in ‘kamp Westerbork’. Orpa Goegoerem groeide als dochter van een KNIL-militair op in Woonoord Schattenberg en deelt haar verhaal met docenten. Foto: Nationaal Herinneringscentrum Kamp Westerbork

Ontmoetingen als aanknopingspunt

Om de gelaagde geschiedenis van de plek zichtbaar te maken, zetten we nu in op ontmoetingen. Op dit moment nog voor specifieke groepen zoals docenten, maar gezien de positieve ervaringen tot nu toe wordt er nagedacht over verdere uitbreiding. Het gaat om ontmoetingen met mensen voor wie de 500 bij 500 meter van Westerbork van bijzondere betekenis zijn.

Omdat hun (groot)ouders er ondergebracht werden na hun vlucht uit nazi-Duitsland. Omdat hun (groot)ouders er als (gezinsleden van) militairen van de KNIL terechtkwamen op bevel van de Nederlandse overheid. Omdat het de laatste plek was in Nederland waar iemand gevangen zat voordat deportatie volgde en men voor altijd afscheid nam van dierbaren. Omdat iemands vader of moeder na de oorlog in het kamp werd opgesloten als collaborateur of oorlogsmisdadiger.

Tijdens deze ontmoetingen plaatsen we de gebeurtenissen eerst in de tijd zelf en voorzien we deze van context. Hierna kan – ook in reactie op vragen en opmerkingen van deelnemers – reflectie plaatsvinden op thema’s als ‘mensenrechten’, ‘individuele vrijheid’ en ‘onderdeel uitmaken van de (Europese) samenleving’. Bij deze manier van werken is een naslagwerk als Een naoorlogse achtbaan onontbeerlijk.

Want voor- en nadat op microniveau naar persoonlijke verhalen kan worden geluisterd, is het wezenlijk om de grote lijnen te blijven zien en te belichten. Om te bespreken waarom op een plek als kamp Westerbork zoveel lijnen uit de Europese geschiedenis samenkomen. Waarom het Europa van 2020 van belang is: voor de bescherming van democratie en rechtsstaat, gegrondvest op het principe van ‘nooit-meer-oorlog’. En om daarmee te leren van de (Europese) geschiedenis.

Over de auteur

 

Christel Tijenk

Christel Tijenk is historica. Ze is werkzaam als coördinator Educatie bij Herinneringscentrum Kamp Westerbork.


Foto bovenaan artikel

De eerste bres in het IJzeren Gordijn, Hongarije, 1989. De Hongaarse Minister van Buitenlandse Zaken Gyula Horn (rechts) en de Oostenrijkse Minister van Buitenlandse Zaken Alois Mock (links) knippen het prikkeldraad door dat oost van west scheidt in Sopron, Hongarije. Bron: ANPFOTO/AP Photo/Bernhard J. Holzner

Van bevrijding naar vrijheid

Hoe weten musea de verbinding te leggen tussen de historische context van 1945 en vrijheid vandaag de dag? Hoe verbeelden ze ‘vrijheid’? En hoe worden bezoekers aangezet om over dat begrip na te denken in verschillende museale contexten – een oorlogsmuseum en een provinciaal museum? Met die vragen in het achterhoofd bezocht ik het nieuwe Vrijheidsmuseum in Groesbeek en de tijdelijke tentoonstelling Tekens van vrijheid in het Limburgs Museum te Venlo.

Op de avond van 4 mei 1945 accepteerde veldmaarschalk Montgomery op de Lüneburger Heide de onvoorwaardelijke capitulatie van de Duitse legers in Nederland, Noordwest-Duitsland, Sleeswijk-Holstein en Denemarken. Afgesproken werd dat de Duitse troepen de vijandelijkheden de volgende ochtend vanaf 8 uur zouden staken. Zo kwam er op 5 mei een einde aan vijf lange oorlogsjaren. Sinds 1946 vieren we op deze historische datum de bevrijding van de Duitse bezetting in Nederland.

Montgomery leest het overgavedocument voor aan Duitse officieren op de Lüneburger Heide, 4 mei 1945. Foto: Imperial War Museum op Wikimedia Commons

Maar in de loop van de jaren verschoof wel het accent, van de historische context van 5 mei naar het algemene belang van vrijheid en de noodzakelijke voorwaarden daarvoor. Dat blijkt ook uit de doelen die het Nationaal Comité 4 en 5 mei zich voor ‘75 jaar vrijheid’ heeft gesteld. Daarbij gaat het er niet alleen om de betekenis van de bevrijding onder de aandacht te brengen, maar ook om het besef te vergroten dat vrijheid vandaag de dag kwetsbaar is en een inzet van iedereen vraagt.

Bevrijdingsmuseum wordt Vrijheidsmuseum

Op 31 augustus 2019 luidde Z.M. Koning Willem-Alexander in Terneuzen het jubileumjaar ‘75 jaar vrijheid’ in. Een dag later opende het voormalig Bevrijdingsmuseum in Groesbeek zijn deuren. Het museum kreeg niet alleen een gloednieuw onderkomen, maar voert voortaan ook een nieuwe naam: Vrijheidsmuseum.

“Bevrijding was voor ons al jaren een te nauw begrip. Het gaat uit van een nationaal perspectief, terwijl wij ook het internationale perspectief van de Tweede Wereldoorlog aan de orde willen stellen”, licht conservator Rense Havinga de ommezwaai toe. Het feit dat het Vrijheidsmuseum vlakbij Duitsland ligt en ook bezoekers van over de grens trekt, speelt hierbij zeker een rol.

“In het nieuwe museum hebben we, met de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog als insteek, het thema vrijheid als rode draad gekozen”, aldus Havinga. “Het begrip vrijheid biedt veel meer mogelijkheden om over de grenzen van 1945 heen te kijken en een link met de actualiteit te maken. Voor ons is 1945 geen eindpunt, want vrijheid is nooit af.”

In het Vrijheidsmuseum valt het kleurrijke naaiwerk van restjes stof te bewonderen waarmee meisjes en vrouwen kort na de oorlog de bevrijding vierden. Foto: Flip Franssen

Vormen van vrijheid

De nieuwe vaste opstelling in Groesbeek neemt de bezoeker mee op een chronologische tocht door de Europese geschiedenis, vanaf de Eerste Wereldoorlog tot het heden, verdeeld in 5 tijdvakken. De meeste aandacht gaat uit naar de Tweede Wereldoorlog, die in het museum twee tijdvakken beslaat. Op diverse plekken in het museum worden bezoekers geprikkeld na te denken over het begrip vrijheid.

Zoals bijvoorbeeld in de eerste zaal met de naam ‘Vrijheid omstreden’, waar de ontwikkelingen in de jaren twintig van de vorige eeuw aan de orde komen. Aan de wand hangen zes (verkiezings)affiches van uiteenlopende Duitse politieke partijen, van nationaalsocialisten tot communisten. Wat ze gemeen hebben is het begrip ‘Freiheit’ waarmee ze allen hun ideologie aanprijzen.

Het roept de vraag op over welke vrijheid en wiens vrijheid het hier eigenlijk gaat. Maar diezelfde vraag blijft tegelijk wat boven de markt hangen in het museum. Want hoewel al wandelend door de zalen impliciet verschillende soorten vrijheid de revue passeren, zoals persoonlijke vrijheid en politieke vrijheid, blijft het begrip ‘vrijheid’ ongedefinieerd. De ene keer lijkt er vrijheid van meningsuiting mee bedoeld te worden, terwijl het de andere keer vrij zijn van oorlog – dus vrede – lijkt te betreffen.

Wel heeft ‘vrijheid’ als leidraad het voordeel dat de verbinding tussen de historische context van 5 mei en vrijheid vandaag de dag soepel verloopt. Na het oorlogstijdvak ‘Strijd en vrijheid’, waarin de uitbundigheid van de bevrijding onder meer getoond wordt door middel van een collectie kleurrijke bevrijdingsrokken, geeft een verlicht bord met de tekst ‘Vrij?’ in de volgende zaal de naoorlogse ontwikkelingen aan. Wie waren er in 1945 vrij en wie niet?, zo luidt de vraag die het museum hier oproept. Aan de Tweede Wereldoorlog was een einde gekomen, maar het verhaal van vrijheid was in 1945 niet af.

Zo snijdt het museum behalve de koloniale geschiedenis ook thema’s aan als de binnenlandse ontwikkelingen op het gebied van vrouwenemancipatie en de strijd van LHBTI’s voor gelijke rechten. In de presentatie ‘Voor en Tegen’ komen daarnaast voor- en tegenstanders van Europese samenwerking aan het woord en worden bezoekers uitgedaagd om een eigen mening te vormen. Dit naast elkaar plaatsen van verschillende perspectieven met betrekking tot één onderwerp is een terugkerend element in de vaste opstelling.

Grote, boze mensen

Ook op het ‘Vrijheidsplein’, in de laatste zaal van het museum, staan vragen centraal. Wat betekent het begrip vrijheid nu voor mensen? Geïnspireerd door de door het museum zelf ontwikkelde film Leven in vrijheid, waarin beelden van verschillende vormen van vrijheid elkaar zonder commentaar afwisselen, kunnen bezoekers met krijt hun gedachten en meningen delen op een meters breed en hoog schoolbord dat de hele wand beslaat.

“Grote, boze mensen” heeft iemand geschreven onder de vraag ‘Wat bedreigt vrijheid?’. “NATO” en “Door niet onverschillig te zijn” en “Respect voor elkaar” zijn een paar reacties op de vraag ‘Hoe beschermen we vrijheid?’ De vraag ‘Wat is vrijheid?’ levert eveneens uiteenlopende antwoorden op, van “Je veilig voelen” en “Vrijheid van denken” tot “Een volgetankte Mercedes”.

“We willen bezoekers de boodschap meegeven dat het verhaal van vrijheid nooit af is”, vertelt Rense Havinga terwijl hij op het Vrijheidsplein wijst op de objecten in de twee laatste vitrines van het museum. Blauwe helmen van een VN-vredesmacht liggen naast reddingsvesten die vluchtelingen droegen op hun vlucht over de Middellandse Zee.

Beeldende blik

In Venlo, bij de tijdelijke tentoonstelling Tekens van vrijheid, geeft men een heel andere blik op vrijheid. In dit samenwerkingsproject van het Limburgs Museum en Museum van Bommel van Dam draait het om beelden van vrijheid zoals gezien door de ogen van (onder meer Limburgse) beeldend kunstenaars. In de tentoonstelling is kunst te zien uit naoorlogse stromingen als CoBrA, Vrij Beelden en de Nul-beweging, met onder meer werk van Ger Lataster, Aad de Haas, Armando, Wim de Haan, Melle, Jan Schoonhoven, Wim Oepts, Herman Berserik en Shinkichi Tajiri.

Wim de Haan, Three men in the fire, 1962. Foto: Rian Verhoeven

Tijdens de oorlogsjaren was de stijl en expressie van kunstenaars aan banden gelegd. Zo voldeed abstracte kunst niet aan de nationaalsocialistische eisen en werd deze zelfs als entartet (ontaard, gedegenereerd) bestempeld. Na jaren vol censuur en onderdrukking bracht de bevrijding in 1945 daarom ook onder kunstenaars een besef van nieuwe vrijheid teweeg.

Vier zalen vol kunstwerken laten in het Limburgs Museum zien hoe verschillende kunstenaars na 1945 op de herwonnen vrijheid reflecteerden en hoe ze het vrijheidsgevoel in kunst omzetten: kleuren die van het doek afspatten, abstracte beelden en grenzeloos optimisme. De taal van kunstenaars veranderde en ze veroorloofden zich veel meer vrijheden in hun uitingsvormen.

Tegelijkertijd bleven de herinneringen aan verdriet, onderdrukking en geweld bestaan. De Tweede Wereldoorlog was weliswaar voorbij, maar de sporen ervan zijn in sommige werken in de tentoonstelling sterk zichtbaar. Zoals in het tweeluik Schuldige Landschaft (olieverf op doek, 1987) van Armando: een indrukwekkend abstract landschap rond het voormalige concentratiekamp Amersfoort, circa 2 bij 2 meter, geschilderd in zwart, grijs en wit.

Of neem Three men in the fire van Wim de Haan, een abstracte weergave van een verbrandingsoven zoals gebruikt in concentratiekampen. “De herinnering aan de oorlog is blijvend. Niet alle wonden worden door de tijd geheeld”, luidt een citaat van kunstenaar Aad de Haas dat wordt aangehaald in de expositie.

In tegenstelling tot wat het Vrijheidsmuseum en andere verzets- en oorlogsmusea doen, wordt in Tekens van vrijheid geen educatief verhaal met een boodschap verteld waarbij objecten vooral als illustratie dienen. In deze tentoonstelling staan kunstwerken centraal die de zintuigen prikkelen en sfeer en emotie oproepen. Al slenterend door de zalen kunnen bezoekers geïnspireerd door kleuren, vormen en beelden hun gedachten de vrije loop laten.

De ‘Puinfilm’ toont hoe Venlo door het bevrijdingsoffensief totaal verwoest werd. Foto: Flip Franssen

Het is een verademing om zelf een eigen invulling te kunnen geven aan begrippen als oorlog en vrijheid, zonder dat dit voor jou als bezoeker wordt ingevuld. Van deze toegevoegde waarde van kunst zouden oorlogs- en verzetsmusea meer gebruik kunnen maken.

De link met de historische betekenis van 5 mei wordt in het volgende gedeelte van de tentoonstelling gemaakt. Een remix van een klassieke documentaire van Dré Brenneker en Baer Thiery uit de zomer van 1945, in de volksmond ‘Puinfilm’ genoemd, toont op zes grote schermen beelden van een totaal verwoest Venlo. Die verwoesting was het dramatische resultaat van het bevrijdingsoffensief aan de Maas van oktober 1944 tot maart 1945. De film maakt duidelijk dat de eerder getoonde kunstwerken op de puinhopen van de Tweede Wereldoorlog tot stand zijn gekomen en er zonder de oorlogsjaren waarschijnlijk nooit waren geweest.

Filmende jongeren

Het Limburgs Museum was ook benieuwd hoe jongeren tegen vrijheid aankijken. Om die reden nodigde het ook jonge filmmakers uit om hun visie op vrijheid vandaag de dag te verbeelden. In de laatste zaal is het resultaat te zien: een serie korte films van 5 tot 10 minuten waarin studenten Audiovisuele Productie van het Vista College hun persoonlijke relatie met vrijheid tot uiting brengen.

In hun films proberen ze een link te leggen tussen vrijheid toen en nu en stellen ze zich vragen als Wanneer ben je vrij? Hoe ziet vrijheid eruit? Wat betekent het voor mij? Historisch beeldmateriaal van de Tweede Wereldoorlog vormt hierbij hun vertrekpunt of inspiratie. Terwijl een studente in haar documentaire In their footsteps met een ooggetuige en een historicus in het hedendaagse Maastricht op zoektocht gaat naar de geschiedenis van bezetting, Jodenvervolging en bevrijding, onderzoekt een andere student in Muziek verbindt vooral zijn eigen gedachten en keuzes met betrekking tot persoonlijke vrijheid.

De visies van deze twee jonge studenten illustreren het continuüm waarop de vele activiteiten in Nederland in het kader van ‘75 jaar vrijheid’ geplaatst kunnen worden. Met als ene pool de historische context van de bevrijding van de Duitse bezetting als uitgangspunt, en als andere het veelomvattende begrip ‘vrijheid’ dat steeds meer losgezongen wordt van de geschiedenis van mei 1945.

De verandering van de naam van het Bevrijdingsmuseum in Vrijheidsmuseum is wellicht een voorbode van een steeds verdergaande verschuiving van de aandacht richting ‘vrijheid’ in de toekomst. Dat is een interessante ontwikkeling die natuurlijk ook vragen oproept. Bijvoorbeeld: in hoeverre toekomstige generaties zonder het besef dat 5 mei 1945 een historische datum is, zich zullen blijven interesseren voor de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog en de viering van de bevrijding.

Over de auteur

 

Rian Verhoeven. Foto: Bob Bronshoff

Rian Verhoeven studeerde geschiedenis aan de Vrije Universiteit, ontwikkelde tentoonstellingen en museumconcepten voor vele organisaties in binnen- en buitenland en schreef diverse boeken over de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog, waarvan Anne Frank was niet alleen. Het Merwedeplein 1933-1945 het meest recente is.


Foto boven aan artikel

Op de wand met (verkiezings)affiches die het Vrijheidsmuseum toont, wordt zichtbaar hoe uiteenlopende politieke partijen in de periode 1930-1940 allemaal met het woord ‘Freiheit’ schermden. Foto: Flip Franssen.

Vrijheid anno 2020

Maart 2020: ‘De lente kunnen ze niet annuleren’. Die boodschap, bij een tekening van ontluikende narcissen, zet de Britse beeldend kunstenaar David Hockney op Instagram om mensen overal ter wereld een hart onder de riem te steken. Velen zitten gedwongen thuis, alleen, of juist dicht op de huid van geliefden en gezinsleden. Ik kijk uit het raam en vraag me af: wat betekent vrijheid nu, in 2020?

Februari 2019: ik zit met een groep onderzoekers van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) en het Nationaal Comité 4 en 5 mei samen om te spreken over een gezamenlijk onderzoeksproject in het kader van het naderende lustrumjaar ‘75 jaar vrijheid’. Is het mogelijk om met verschillende onderzoekers, met ieder hun eigen expertise en onderzoeksgegevens, een bundel samen te stellen rond de vraag wat vrijheid nu betekent, in het Nederland van 75 jaar na de bevrijding?

Iedereen is enthousiast: vanuit verschillende langlopende studies van het SCP en uit het Nationaal Vrijheidsonderzoek van het Nationaal Comité is een schat aan onderzoeksdata beschikbaar om een antwoord op die vraag te geven.

Maar hoe gaan we dit onderzoek precies aanpakken? Vrijheid is immers een veelzijdig begrip. Onder de noemer ‘vrijheid’ kunnen heel verschillende zaken vallen – van politieke grondrechten zoals de vrijheid van meningsuiting en persvrijheid tot sociale en economische rechten als het recht op onderwijs en op een behoorlijke levensstandaard. We besluiten dat we ons zullen richten op de beleving van vrijheid in het alledaagse leven.

Bijvoorbeeld de mate waarin bewoners van Nederland trots zijn op vrijheid en waarin ze vrijheid typerend vinden voor de Nederlandse identiteit, en hoe de opvattingen over de vrijheid van meningsuiting zich door de afgelopen decennia hebben ontwikkeld. En hoe personen met een recente oorlogsgeschiedenis aankijken tegen de vrijheid in Nederland.

Maar vrijheid speelt niet alleen in de hoofden van mensen een rol, maar ook in hoe zij zich gedragen en wat zij doen. Juist in die praktijk kan vrijheid gaan schuren en tot spanningen, dilemma’s of tegenstellingen leiden. Daarom verkennen we ook hoe vrijheid er in hedendaags Nederland in de praktijk uitziet, bijvoorbeeld door te kijken hoe Nederland handen en voeten geeft aan mensenrechten en hoe het recht op privacy zich verhoudt tot het recht op veiligheid.

Januari 2020: de hoofdstukken zijn af. Op basis van de verschillende invalshoeken en data kunnen we concluderen dat de fundamenten van de vrijheid in Nederland stevig zijn, 75 jaar na de bevrijding. Een overgrote meerderheid van de burgers voelt zich verbonden met Nederland vanwege vrijheden als de vrije meningsuiting en de vrijheid van religie, maar ook vanwege de garanties op mensenrechten en de verboden op bijvoorbeeld ongelijke behandeling en discriminatie.

Cover De stand van vrijheid. Vrijheid in Nederland 75 jaar na de bevrijding.

Zowel ouderen als jongeren blijken tradities zoals de Dodenherdenking en viering van de Bevrijding belangrijk te vinden. Ook behoort vrijheid tot de kern van wat Nederlanders onder hun identiteit verstaan. Zij associëren vrijheid vooral met persoonlijke autonomie: kunnen gaan en staan waar je wilt, kunnen zeggen wat je denkt, jezelf kunnen zijn.

Maar we zien ook dat achter de ervaren vrijheid onzekerheid schuilt. Onzekerheid die voortkomt uit het besef dat de vrijheid die we in Nederland genieten niet op zichzelf staat, maar samenhangt met allerlei moeilijk te voorspellen en te beïnvloeden (internationale) ontwikkelingen zoals klimaatverandering, terrorisme, grote groepen mensen die wereldwijd op de vlucht zijn.

En we zien spanningsvelden rond vrijheid. Het is moeilijk om als individu een evenwicht te vinden tussen persoonlijke ontplooiing en inzet voor de vrijheid van de ander. Om als samenleving gemeenschappelijkheid te bieden en tegelijk het individu de ruimte te laten om zichzelf te zijn. Zeker in een op sociaal en cultureel gebied steeds diverser wordende samenleving.

In Nederland is bijvoorbeeld de overgrote meerderheid voorstander van gelijke rechten voor mannen en vrouwen en voor LHBTI’s. Zowel de acceptatie als de tolerantie zijn in de loop der jaren toegenomen. Tegelijk doen zich structurele ongelijkheden en incidenten voor – denk aan de ondervertegenwoordiging van vrouwen in bedrijfsleven en politiek en aan geweld tegen homo’s. Personen met een migratieachtergrond geven bovendien vaak aan dat zij zich niet vrij voelen om zichzelf te zijn. In al die gevallen schuurt de vrijheid van de één met de sociale normen of vooroordelen van de ander.

Ondanks die onzekerheden en spanningsvelden, concluderen we, kan vrijheid een gedeelde waarde zijn. Vrijheid is blijvend werk in uitvoering; vraagt erom rekening met elkaar te houden, om nieuwsgierigheid en een luisterend oor.

April 2020: de tekst van de bundel ligt bij de vormgever. Ik vergader met de anderen per conference call over de manier waarop we deze publicatie moeten presenteren. Wat betekent vrijheid op dit moment, nu we geconfronteerd worden met een pandemie, na 75 jaar vrij te zijn geweest van oorlog op het eigen grondgebied in Europa? We beseffen dat het te vroeg is voor duiding: we kunnen op dit moment alleen nieuwe vragen stellen.

We zitten in wat professor Ismee Tames een ‘liminale fase’ noemt: een situatie waarin we niet kunnen terugvallen op het oude, maar het nieuwe zich nog moet vormen. 75 jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog is de wereld stilgevallen. We weten niet voor hoe kort of hoe lang. We weten niet hoe de wereld er daarna uit zal zien.

Wat we wel weten: dat we in die 75 jaar een robuuste democratische rechtsstaat hebben opgebouwd in Nederland. Dat we nu verschillende vormen van persoonlijke vrijheid tijdelijk opgeven omwille van het collectieve belang. Dat de meeste mensen zich willen inzetten voor dat belang, maar ook dat we de democratische rechtsstaat nodig hebben om te garanderen dat we die vrijheden op redelijke termijn weer terugkrijgen.

We hebben de vrijheid om elkaar bij te staan, de eenzaamheid van de ander te verlichten en met een kritisch oog en woord de kaders van de democratische rechtsstaat te bewaken.

Ik kijk uit het raam en zie dat de lente inmiddels in volle bloei is.

Over de auteur

 

Froukje Dement. Foto: Rebke Klokke

Froukje Demant is senior onderzoeker bij het Nationaal Comité 4 en 5 mei en redacteur van WO2 Onderzoek uitgelicht.


De bundel De stand van vrijheid. Vrijheid in Nederland 75 jaar na de bevrijding is nu online beschikbaar.


Foto boven aan artikel

“Do remember they can’t cancel the spring.”Bron: David Hockney op Instagram

Uitzonderlijke bevrijdingskinderen

Langs een ‘liberation route’ worden kinderen geboren. Dat is altijd zo geweest en dat was ook zo toen ons land 75 jaar geleden werd bevrijd, te beginnen in Zuid-Limburg. Iets meer dan negen maanden na 12 september 1944 begon een heuse babyboom.

In ons land zijn circa 8.000 bevrijdingskinderen geboren. Van een langdurige vaste relatie tussen hun ouders of voorgenomen huwelijken was geen sprake, laat staan van geplande zwangerschappen. De biologische vaders verdwenen vaak nog voor de zwangerschap goed en wel duidelijk was richting Duitsland of terug naar Amerika of Canada. De meesten wisten niet dat ze een kind hadden verwekt.

Kinderen met een kleurtje

Naar schatting 100 bevrijdingskinderen hadden een kleurtje. Het gros van hen werd geboren in Zuid-Limburg, verwekt door zwarte Amerikaanse bevrijders die daar voor korte tijd waren gestationeerd. Deze mannen werden net als hun witte kameraden hartelijk onthaald in Limburg, maar aan de bevrijdingsfeesten mochten ze niet deelnemen. Op last van het Amerikaanse leger waren die ‘for whites only’ – de rassensegregatie in het Amerikaanse leger zou nog tot 1948 duren. Dat betekende niet dat de zwarte soldaten geen omgang hadden met Limburgse vrouwen. In volkswijken en dorpen vierden ze hun eigen bevrijdingsfeestjes. Maar zodra de legerleiding er weet van kreeg dat een zwarte soldaat een witte vriendin had, werd hij meteen overgeplaatst, zelfs als er een kind op komst was.

Omslag van het in 2017 verschenen boek Kinderen van zwarte bevrijders van Mieke Kirkels (Uitgeverij Vantilt).

900.000 Afro-Amerikaanse soldaten

Voor mij was het in 2008, tijdens mijn werkzaamheden voor het oral history project Akkers van Margraten, nieuw om te horen dat Afro-Amerikanen deel hadden uitgemaakt van het Amerikaanse bevrijdingsleger. Langzaam verdween het stereotype van de witte Yankee van mijn netvlies, terwijl me duidelijk werd dat het Amerikaanse leger uit twee aparte organisaties had bestaan. De ene organisatie bestond uit gevechtstroepen, de andere uit zwarte service troops. Deze ‘all black units’ stonden onder leiding van witte officieren en sliepen, aten en recreëerden gescheiden van hun witte landgenoten.

Maar liefst 900.000 Afro-Amerikanen hielpen at home and abroad mee aan de bevrijding van Europa. In ons land werkten er vanaf september 1944 honderden als grafdelver op de Amerikaanse begraafplaats in Margraten en bij de in Limburg geconcentreerde Rest Centers (‘for whites only’). Bij de ‘Red Ball Express’, een gigantische bevoorradingslijn van 6.000 trucks die vanuit de havens van Cherbourg en Antwerpen richting Duitse grens reden, waren 15.000 zwarte Amerikaanse militairen als chauffeur actief.

Uitzondering in een witte omgeving

Huub Schepers zocht jarenlang in archieven naar gegevens over de stationering van zwarte troepen in ons land, omdat zijn vader daar deel van had uitgemaakt. Informatie bleek echter nauwelijks te vinden. In 2014 nam hij contact met mij op naar aanleiding van mijn boek over de Afro-Amerikaanse grafdelver Jefferson Wiggins. Schepers was bijna 70 en had tot dan gezwegen over zijn jeugd. Nu wilde hij dat mensen zijn verhaal kenden. Na uitgebreide interviews in de Volkskrant en De Limburger kwam ik in contact met circa 20 andere kinderen van zwarte bevrijders.

Voormalig grafdelver Jefferson Wiggins, over wie Mieke Kirkels in 2014 een boek publiceerde. Foto: Jean-Pierre Geusens

Sommige van hen vertelden me te zijn opgegroeid in een liefdevolle omgeving, bij hun alleenstaande moeder, in het gezin van hun moeder of bij opa en oma. Anderen hadden te lijden gehad onder een vreselijke stiefvader of het regime van een katholiek internaat. Voor ál deze kinderen was het lastig geweest om als uitzondering – met een kleurtje in een verder witte omgeving – op te groeien. Als baby waren ze als heel aaibaar en exotisch ervaren; in hun latere jeugd werden ze vooral nagekeken. Zelf als babyboomer opgegroeid in een wit, katholiek dorp, kan ik me maar al te goed herinneren hoe er in de regel over uitzonderingen gezwegen werd. Althans: openlijk gepraat werd er niet, maar ondertussen had iedereen het erover.

Liefdevol verwelkomd

Nadat ik besloot een nieuw oral history project te starten, sprak ik diverse malen met een aantal Limburgse bevrijdingskinderen met Afro-Amerikaanse vaders alvorens hun verhaal op te tekenen. Het was voor hen moeilijk de pijn uit hun jeugd onder woorden te brengen. Op hun verzoek bracht ik hen met elkaar in contact, wat in de loop der jaren tot een mooie lotgenotenband leidde. Ondertussen maakte het boek dat ik over hen schreef dat heel wat media ‘een zwart bevrijdingskind’ voor de camera wilden interviewen. Van mijn twaalf respondenten was maar de helft daartoe in staat. Een van hen vertelt in mijn boek haar verhaal ook onder pseudoniem, om te voorkomen dat er negatief over haar inmiddels al lang overleden moeder zou worden gesproken. Vier van hen zijn er inmiddels in geslaagd contact te leggen met hun biologische vader en familieleden in de Verenigde Staten, die hen van harte in de familie hebben opgenomen.

Over de auteur

 

Mieke Kirkels. Foto: Robin Smit

Mieke Kirkels is research fellow bij het Sociaal Historisch Centrum voor Limburg. Ze leidde twee oral history projecten en schreef diverse boeken. Samen met Sebastiaan Vonk werkt Kirkels momenteel aan het oral history project ‘The 172 African Americans of Margraten’. In september 2019 wordt blackliberators.nl gepresenteerd: een digitaal (les)boek gebaseerd op Kirkels’ eerdere publicaties en resultaten van een lopend onderzoek in de Verenigde Staten.


Verder lezen

  • Mieke Kirkels, Jo Purnot & Frans Roebroeks, Van boerenakker tot soldatenkerkhof: ooggetuigenverhalen over de aanleg van de Amerikaanse begraafplaats in Margraten (2009).
  • Mieke Kirkels, Van Alabama naar Margraten: Herinneringen van grafdelver Jefferson Wiggins (2014).
  • Mieke Kirkels, Kinderen van zwarte bevrijders. Een verzwegen geschiedenis (2017).

Foto bovenaan artikel

Mieke Kirkels te midden van enkele ‘uitzonderlijke bevrijdingskinderen’ bij de boekpresentatie in april 2017.

Vluchtelingen in het land van dominees en kooplieden

Een ‘grande arche des fugitifs’, zo werd de Republiek der Verenigde Nederlanden ooit wel genoemd nadat protestanten uit zuidelijke buurlanden hier massaal een veilig heenkomen zochten en vonden. Maar niet altijd was Nederland even gastvrij in de opvang van vluchtelingen. Na de oorlog werd zelfs vrij kil en berekenend gekeken welke vluchtelingen van pas zouden komen en welke niet.

Nederland kent een lange traditie van vluchtelingenmigraties. Zo is het ontstaan van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden aan het einde van de 16e eeuw nauwelijks denkbaar zonder de massale komst van Zuid-Nederlanders, zowel uit Antwerpen als uit de huidige Frans-Belgische grensstreek rondom Lille. De protestanten en calvinisten, op de vlucht voor de Spaanse legers van Philips II, hadden een grote economische en ideologische invloed op de vorming van het huidige Nederland. Bijna gelijktijdig arriveerden er enige duizenden Sefardische Joden uit het Iberisch schiereiland. Aan het einde van de 17e eeuw volgden zo’n 50.000 Hugenoten uit Frankrijk.

In 1675 lieten Sefardische Joden in Amsterdam de Portugese synagoge verrijzen. Hier de synagoge vlak na de bouw zoals geschilderd door Gerrit Adriaensz Berckheyde (1638-1698). Bron: Joods Historisch Museum

Het is verleidelijk om vervolgens een rechte lijn te trekken van de vroegmoderne periode naar de huidige tijd en Nederland te typeren als een doorlopende ‘grande arche des fugitifs’, zoals de beroemde Franse filosoof Pierre Bayle de republiek aan het einde van de Gouden Eeuw noemde. Maar zo’n lineaire voorstelling van zaken zou geen recht doen aan de complexere werkelijkheid. Zo was er tot na de Tweede Wereldoorlog geen wetgeving voor vluchtelingen en waren zij voor steun en opvang afhankelijk van de welwillendheid van de autoriteiten in andere landen. Daar kwam bij dat ook de protestantse vluchtelingen van weleer – hoewel ideologisch en religieus zeer verwant met de opstandelingen in de Noordelijke Nederlanden – geacht werden hun eigen broek op te houden. Bij de bereidheid vluchtelingen op te nemen speelden economische motieven steeds een belangrijke rol. Het feit dat veel Antwerpenaren goede handelscontacten hadden, textielarbeiders uit de regio Lille hun expertise en ervaring hier te gelde konden maken en veel Hugenoten goed opgeleid waren en veel militaire ervaring hadden, was minstens zo belangrijk als hun religieuze affiliatie.

Ontbrak een wederzijdse religieuze of ideologische identificatie en konden vluchtelingen niet zomaar ingepast worden in de arbeidsmarkt, dan waren de reacties een stuk minder enthousiast. Dat ervoeren vooral de Joodse Duitsers vanaf 1933. Door de economische crisis en het latente antisemitisme werden Joodse vluchtelingen vanaf 1938 zelfs per definitie als ongewenste vreemdelingen verklaard, die aan de grens tegengehouden moesten worden en teruggestuurd naar nazi-Duitsland, ook na de ‘Kristallnacht’ in november dat jaar.

Voordat Kamp Westerbork door de nazis als doorgangskamp werd gebruikt, diende het als plek om Joodse vluchtelingen uit Duitsland op te vangen. In 1939 werd daarvoor een commandantswoning gebouwd). Foto: Beeldbank WO2 – Herinneringscentrum Kamp Westerbork

Humanitaire Wende

Na de oorlog zou het tij keren. Geschokt door de enorme verwoestingen en tientallen miljoenen doden, de industriële vernietiging van Joodse Europeanen en de massale vervolging van andersdenkenden door het naziregime, ontstond er een politiek klimaat dat leidde tot een mondiale humanitaire Wende. De oprichting van de Verenigde Naties (1945), het aannemen van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (1948) en de totstandkoming van het Vluchtelingenverdrag (1951) creëerden een nieuwe situatie, met name voor vluchtelingen die asiel hoopten te krijgen. Het verdrag beperkte zich weliswaar in eerste instantie tot Europeanen en kreeg pas in 1967 een mondiale dekking, maar zette wel een nieuwe standaard neer.

Toch ging er nog wel wat tijd overheen voordat de grondbeginselen van dit nieuwe humanitaire regime ook in de praktijk werden gebracht. Hoewel verreweg de meeste landen binnen enkele jaren lid werden van de Verenigde Naties, duurde het daarna nog behoorlijk lang voordat deze landen het Vluchtelingenverdrag ondertekenden. Nederland deed dit bijvoorbeeld pas in 1955. Gedurende de eerste tien jaar na de oorlog gold in principe dus nog het oude stelsel, waarbij vluchtelingen volledig afhankelijk waren van de goedertierenheid van de landen waar ze aanklopten en maar moesten afwachten of ze toegelaten werden en zo ja, onder welke voorwaarden.

Op 28 juli 1951 ondertekenen de afgevaardigden van twaalf staten tijdens een conferentie in Geneve de Conventie omtrent de status van vluchtelingen. Foto: UN Photo ES

Opvang in de regio

In Nederland circuleerden er vlak na de capitulatie van Duitsland in mei 1945 instructies voor grensambtenaren. Joodse vluchtelingen die in de jaren dertig naar Nederland waren gevlucht, vervolgens in de oorlog naar vernietigingskampen in Duitsland en Polen waren weggevoerd en deze hadden overleefd, moesten door hen bij terugkeer aan de grens worden tegengehouden. Dit waren immers geen Nederlanders en bovendien hadden zij zich voor de oorlog mogelijk als illegalen in Nederland opgehouden. Volgens de hoogste ambtenaar van het ministerie van Justitie hoorden deze Joden in door de geallieerden bewaakte kampen in Duitsland. Een soort opvang in de eigen regio dus.

Volgens een hoofd van het Militair Gezag was het sowieso onwenselijk om Nederland open te stellen voor personen, omdat deze “krachtens hun afkomst en krachtens de opvoeding, die zij genoten hebben, niet zonder meer tot de Nederlandsche volksgemeenschap gerekend kunnen worden” (Berghuis 1999, p.25). Hoewel deze maatregelen al snel op protest stuitten en deels werden teruggedraaid – al was dat alleen voor degenen die konden aantonen dat zij vóór 10 mei 1940 een verblijfsvergunning hadden gekregen – kenmerken ze de weinig empathische en licht xenofobisch-antisemitische sfeer die in die jaren tegenover immigranten en vluchtelingen bestond.

Displaced persons

Niet alleen voormalige Joodse vluchtelingen die in Nederland onderdak hadden gevonden, maar ook nieuwe vluchtelingen, destijds aangemerkt als displaced persons – van wie er miljoenen in kampen in Duitsland en Oostenrijk verbleven – hoefden niet te rekenen op veel enthousiasme. De verschillende naoorlogse regeringen beschouwden Nederland als overbevolkt. Men wees daarbij op het feit dat het land zich geconfronteerd zag met een zwaar beschadigde infrastructuur en kampte met een enorme woningnood en weinig florissante economische vooruitzichten. Binnen de in 1946 opgerichte International Refugee Organization (IRO), voorloper van de UNHCR, stelde Nederland zich dan ook zeer terughoudend op.

Bovendien meenden vertegenwoordigers van de IRO, zoals Hilda Verwey-Jonker en Bastiaan Wouter Haveman, dat de meeste displaced persons (DP’s) alleen maar naar Nederland wilden komen om er materieel beter van de worden. Deze vooral uit Oost-Europese landen afkomstige personen waren in hun ogen helemaal geen vluchtelingen. Dat velen van hen door de nazi’s waren gedeporteerd en gedwongen tewerkgesteld, maakte hen nog geen vluchtelingen, zo stelde de IRO. Die status gold alleen voor degenen die bij terugkeer vervolging te duchten hadden.

Het DP-kamp F in Duitsland in 1946, waar telkens nieuwe vluchtelingen arriveerden. Foto: Collectie Museums Victoria

Onder druk van de IRO ging Nederland in 1946 niettemin nadenken over de vraag of er 8.500 DP’s opgenomen konden worden die wél als vluchteling gezien werden, onder wie zo’n 5.000 Joden. In beginsel was daar wel steun voor binnen de regering, maar dan alleen onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat ze geschikt moesten zijn om de tekorten op de arbeidsmarkt op te lossen. De selectiecommissie die de opdracht kreeg om kampen met DP’s in Duitsland te bezoeken, diende bij de selectie dan ook terdege rekening te houden met de vraag naar arbeid in specifieke sectoren.

Selectie aan de poort

Toen de selectieteams met vertegenwoordigers van de Rijksvreemdelingendienst en het Rijksarbeidsbureau naar de kampen afreisden, op zoek naar geschikte kandidaten, werd over Joden en humanitaire principes nauwelijks meer gerept. Men was vooral op zoek naar ongehuwde mannen die direct inzetbaar waren in de mijnen, de metaal en de textiel. Gehuwden (laat staan kinderen) waren ongewenst, vanwege het beslag dat zij zouden leggen op huisvesting. In de Engelse zone bleken er echter maar weinig alleenstaande mannen te vinden. Ook vrouwen die ingezet konden worden voor huishoudelijke diensten en ziekenhuizen waren er ternauwernood. In de Amerikaanse zone had men meer succes en waren er enige duizenden mannen en een klein aantal vrouwen die zich zonder partner in Nederland wilden vestigen. In december 1951 stond de teller op 4355 personen, van wie verreweg de meesten uit Polen kwamen. Van hen was slechts zo’n tien procent van Joodse origine, een fractie van de oorspronkelijk beoogde 5000 Joodse DP’s die toegelaten zouden worden.

Dit weinig heroïsche hoofdstuk in de Nederlandse migratiegeschiedenis laat goed zien dat de effecten van de humanitaire Wende die na de Tweede Wereldoorlog inzette, nog wel even op zich lieten wachten. Zelfs bij het enthousiaste onthaal van Hongaarse vluchtelingen in 1956 eisten achter de schermen arbeidsmarktoverwegingen een hoofdrol op. Hoewel het kabinet-Drees naar buiten toe uitstraalde dat deze slachtoffers van het perfide communisme van harte welkom waren in het vrije, democratische Nederland, probeerden ambtenaren de groep zo klein mogelijk te houden en vooral diegenen te selecteren die qua opleiding en werkervaring aansloten bij de behoeften van de Nederlandse arbeidsmarkt. Uiteindelijk zou Nederland slechts 3300 Hongaren een nieuw thuis bieden, aanzienlijk minder dan de omringende landen.

In de jaren vijftig werden in heel Nederland acties gestart om de Hongaarse vluchtelingen te helpen. Begin 1957 laat de Arnhemse burgemeester Matser zich de snert die Nederlandse soldaten voor de vluchtelingen maakten, goed smaken. Foto: Wim van Rossem – Anefo – Nationaal Archief

Arbeidsmarktkansen

Gelukkig zijn de rechten van vluchtelingen vanaf de jaren zestig stevig verankerd in wetgeving en is hun toelating – in ieder geval officieel – niet meer afhankelijk van de stand van de arbeidsmarkt. De opvang van vluchtelingen dient immers geen business case te zijn, maar een humanitair gebaar om mensen die de bescherming van hun eigen land hebben verloren, de kans te geven weer een nieuw bestaan op te bouwen.

De enige les die we wellicht nog wel uit de naoorlogse periode kunnen trekken, is dat er wel meer aandacht voor een plek op de arbeidsmarkt voor vluchtelingen zou mogen komen. Zo verzuchtte de 24-jarige Syrische vluchteling Mohammed Badran in de NRC van 29 mei 2018 dat hij zich een nummer voelt en zijn werkervaring in Syrië er helemaal niet toe lijkt te doen. Zonder te vervallen in de puur utilitair en zelfzuchtige opstelling van weleer, kunnen huidige beleidsmakers nog wel wat leren van de voortvarende wijze waarop hun voorgangers in de onmiddellijke naoorlogse periode in nauwe samenwerking met het bedrijfsleven vluchtelingen aan het werk hielpen.

Over de auteur

 

Leo Lucassen

Leo Lucassen is directeur Onderzoek van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis en hoogleraar aan de Universiteit Leiden.


Verder lezen

Corrie Berghuis, Geheel ontdaan van onbaatzuchtigheid. Het Nederlandse toelatingsbeleid voor vluchtelingen en displaced persons van 1945 tot 1956, Amsterdam: Thela Thesis, 1999.

Corrie van Eijl, Al te goed is buurmans gek. Het Nederlandse vreemdelingenbeleid 1840-1940, Amsterdam: Aksant, 2005.

Henk van Houtum & Leo Lucassen, Voorbij Fort Europa. Een nieuwe visie op migratie, Amsterdam: Atlas Contact, 2016.

Leo & Jan Lucassen, Vijf eeuwen migratie. Een verhaal van winnaars en verliezers, Amsterdam: Atlas Contact, 2018.


Foto bovenaan artikel: De emigratie van Hugenoten in 1566, verbeeld door Jan Antoon Neuhuys (1832-1891). Bron: Wikimedia Commons.

Vluchtelingen zijn van alle tijden (maar elke crisis is uniek)

Vluchtelingen zijn van alle tijden. Maar omdat de wereld om ons heen verandert – door politieke trends, de publieke opinie en technologische ontwikkelingen – is elke vluchtelingencrisis uniek. Toch vallen er uit het verleden wellicht lessen te trekken voor de omgang met de huidige vluchtelingenproblematiek. Wat kunnen we bijvoorbeeld leren van de opvang van Belgische vluchtelingen tijdens de Eerste Wereldoorlog of de vluchtelingenstromen in de jaren dertig en veertig? En wat is er nu echt anders dan toen, wanneer we kijken naar de miljoenen vluchtelingen die sinds 2015 naar Europa, en daarmee ook naar Nederland, komen? We raadpleegden een aantal onderzoeken en spraken met hoogleraar Ismee Tames.

Om meteen maar te beginnen met het meest in het oog springende verschil tussen vluchtelingen nu en in de 20e eeuw: die van nu hebben de beschikking over online communicatie. Voor zowel vluchtelingen als migranten spelen huidige digitale communicatietechnieken een grote rol. Wereldwijde online netwerken op platforms als Facebook en Instagram hebben op verschillende manieren invloed op de keuzes van mensen die serieus overwegen te vertrekken uit eigen land. Uit een onderzoek van Rianne Dekker, Godfried Engbersen en Marije Faber komt naar voren dat deze online ‘many-to-many’ communicatie met name invloed heeft op het keuzeproces van mensen die al meerdere transnationale contacten hebben.1 Op online communicatieplatforms kom je in aanraking met kennissen én grote groepen onbekenden. Op deze manier kan iemand via zijn of haar telefoon een beeld vormen van een gebied ver weg en afwegingen maken over een eventuele migratie of vlucht.

Telefoons opladen: van levensbelang voor vluchtelingen. Het is vaak de enige manier om onderling en met achtergebleven en vooruit getrokken familieleden en vrienden in contact te blijven.  Foto: Reuters – Alexandros Avramidis

Mirjam van Reisen, hoogleraar aan de Universiteit Tilburg en Universiteit Leiden, vond ook nog een heel ander effect. Zij deed met een team onderzoek in Egypte, Soedan, Ethiopië en Libië en ontdekte tijdens het veldwerk dat online communicatie voor vluchtelingen ook zeer negatieve dingen met zich meebracht. Zo bleken migranten en vluchtelingen door hun mobiele telefoon kwetsbaar voor mensenhandelaars. Die martelden hen om hen te dwingen via hun telefoon bij familieleden geld in te zamelen.2 Online communicatie kan dus een raam naar een betere wereld bieden, maar net zo goed ernstig misbruikt worden, met name in noodsituaties en risicogebieden waar weinig bescherming is.

Telefoonboek

Vroeger communiceerde men uiteraard anders. Mensen waren afhankelijk van (verre) familie en (kennissen van) kennissen en moesten maar hopen dat adressen, telefoonnummers en contactpunten niet achterhaald waren geraakt. Een illustratief verhaal is afkomstig uit een onderzoek naar Engelandvaarders van Joodse komaf tijdens de Tweede Wereldoorlog, verricht door enkele studenten van prof. dr. Ismee Tames, hoogleraar aan de Universiteit Utrecht en onderzoeker bij het NIOD. Een groepje Engelandvaarders was ergens in Frankrijk beland en had geen onderdak en geen idee hoe verder te gaan. In een telefooncel zochten ze in het telefoonboek willekeurige Joodse namen op. Vervolgens bezochten ze de bijbehorende adressen om daar om hulp te vragen. Tames noemt het een interessant voorbeeld van de keuzes die mensen maken op momenten dat de nood het hoogst is en alle opties lijken te zijn verdwenen. “Die zijn ontzettend interessant om te onderzoeken, omdat het laat zien hoe mensen risico’s inschatten en hoe zij op zoek gaan naar betrouwbare bronnen en mensen. Ik houd mij in mijn onderzoeksactiviteiten ook veel met dergelijke vragen bezig.”3

Volgens Tames zijn geweld en vluchtelingenstromen onderdeel van een continu proces in de 20e eeuw. Kennis van de golfbewegingen op dit gebied in de afgelopen honderd jaar kan een context bieden voor de uitdagingen waarmee we in de huidige tijd mondiaal geconfronteerd worden. Wat kunnen we in de ogen van Tames van die golfbewegingen leren?

Registratie en identificatie

Wat betreft de opvang van de Belgische vluchtelingen tijdens de Eerste Wereldoorlog zag Nederland dit als een manier om iets goeds bij te dragen aan de wereld en, aldus Tames, “op die manier zijn humanitaire gezicht te laten zien”. Verder uitzoomend zie je dat de bereidheid en het beleid ten opzichte van vluchtelingen in de loop van de 20e eeuw vele verschillende vormen aannam. Tijdens en na de Eerste Wereldoorlog bouwden Europese staten stapje voor stapje aan een systeem om de vluchtelingenproblematiek te reguleren en zo meer grip te krijgen op de mensen die zij wel en liever niet binnen hun grenzen hadden. Er kwam een bureaucratisch systeem tot stand dat mensen en hun migratiegedrag in de gaten moest houden, maar tegelijkertijd een steeds verdere beperking inhield van de aantallen mensen die grenzen overstaken.

1914: Belgische vluchtelingen in de kleine vergaderzaal van de Diamantbeurs in Amsterdam. Foto:Gemeente Amsterdam Stadsarchief: Collectie Leenheer, Martelhoff, Jansen op Wikimedia Commons

Een belangrijk onderdeel van dit bureaucratische systeem was registratie door middel van het identiteitsbewijs. In de loop van de 20e eeuw is de regulering rondom persoonlijke papieren en identificatie steeds efficiënter geworden. Wij weten vandaag de dag niet anders dan dat wij ons identiteitsbewijs bij ons moeten dragen, maar aan het begin van de 20e eeuw was een dergelijk concept nog lang geen standaard. Tames stelt dat deze bureaucratisering en registratie het wij/zij-denken en processen van in- en uitsluiting ook sterk beïnvloed hebben. De bijbehorende documenten geven immers aan wie bij wie hoort, wie er niet bij hoort, en ook waar mensen mogen zijn. Hoe makkelijk deze vorm van bureaucratie verwordt tot een machtig wapen, hebben we kunnen zien aan de registratie en organisatie van de vervolging van Joden door de nazi’s in de jaren dertig en veertig.

Cultuurfundamentalisme

Vandaag de dag zien veel mensen vluchtelingen als vreemdelingen die fundamenteel anders zijn. Zo heerst in Nederland onder sommigen het idee dat de islamitische cultuur een bedreiging vormt voor de Nederlandse cultuur en identiteit. Tames noemt die stellingname problematisch omdat geen enkele cultuur te definiëren is, ook de Nederlandse niet. “Het is niet eens aan te wijzen waar de ene cultuur eindigt en de andere begint.” Volgens Tames is cultuur een impliciet systeem van onderling begrip en vertrouwen en is er geen enkele reden om te veronderstellen dat je iemand uit een andere cultuur a priori niet zou kunnen vertrouwen.

De opmars van het cultuurargument binnen dergelijke kwesties rondom vluchtelingen en nationale identiteit weerspiegelt de mate waarin racisme als concept in diskrediet is geraakt, aldus Tames. “De hedendaagse discussies waarin dit cultuurargument wordt opgevoerd, lijken qua structuur soms erg op argumentaties die in eerdere tijden vanuit rassentheorie werden gebruikt. Het argument wordt in beide gevallen gebruikt vanuit een behoefte om anderen te kunnen uitsluiten, en dan is geweld nooit ver weg.”

Campagnevoerders van het International Rescue Committee bedekten in 2016 het Parliamentairy Square in Londen met meer dan 2500 zwemvesten, als symbool voor de vele vluchtelingen die per boot Europa proberen te bereiken. Foto:Howard Lake op flickr.com: CC BY-SA 2.0

Afstomping

Mede door nieuwe media zijn wij tegenwoordig snel en redelijk goed op de hoogte van aspecten van gebeurtenissen over de hele wereld. De kranten staan vol met vreselijke verhalen en beelden van vluchtelingen, van de opgejaagde Rohingya uit Myanmar tot aan de overladen rubberbootjes in de Middellandse Zee. Het valt Tames op hoezeer de connectie met dergelijke ervaringen die men veertig jaar geleden nog had in Europa, verdwenen lijkt te zijn. “In West-Europa zijn veel mensen niet meer bekend met de angst en onzekerheid die oorlog en conflict met zich meebrengen en men lijkt goed in staat zichzelf ervan te overtuigen dat het óns niet zo snel zal overkomen.” Caroline de Gruyter noemt dit in een column in de NRC ‘afstomping’ en laat zien dat bepaalde patronen uit het recente verleden nu toch wel erg dichtbij komen:

“In Velika Kladusa, in Bosnië, staat een enorm tentenkamp. Het zit vol mensen uit Pakistan, Marokko en andere landen. Sommigen proberen al jaren de EU in te komen. […] Kampen in Europa. Met mensen die niets te verliezen hebben. Wie had dat gedacht? Maar alles went schijnbaar na een tijdje.”4

AZC

Kennis van het verleden kan een belangrijke rol spelen in de beeldvorming rondom mensen die in het heden in nood zijn en bij het krijgen van inzicht in de rol die men kan spelen om de situatie te helpen verbeteren. Elke historische crisis biedt een mogelijkheid tot introspectie en groei, ook (of juíst) wanneer men niet behoort tot de slachtoffergroep.

2014: tijdelijke woonunits in asielcomplex Ter Apel. Foto: Directie voorlichting op Flickr.com: CC BY-NC-ND 2.0

Misschien moeten we het in hedendaagse publieke debatten minder hebben over cultuurverschillen en nationale identiteit en meer over universele waarden en gedeelde humanitaire verantwoordelijkheid. Misschien moeten schoolkinderen naast het Rijksmuseum ook eens een dag een AZC bezoeken. De korte reflectie hierboven op enkele verschillen tussen vluchtelingensituaties van toen en nu, laat namelijk bovenal zien hoe belangrijk het is om zowel met elkaar als met het verleden in gesprek te blijven. Hoe anders de ander op het eerste gezicht ook lijkt.

Over de auteur

 

Lucia Hoenselaars

Lucia Hoenselaars is freelance onderzoeker op het gebied van geschiedenis, herinnering en digitalisering. Ze haalde haar master Publieksgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam en studeerde af op een onderzoek naar de 100-jarige herdenking van de Eerste Wereldoorlog en de Nederlandse historische cultuur. Lucia werkte eerder bij het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies en het Nationaal Comité 4 en 5 mei aan verschillende projecten.


Noten

1 Rianne Dekker, Godfried Engbersen & Marije Faber, ‘The Use of Online Media in Migration Networks’, Population, Space and Place 22 (2016), p. 539-551.

2 Mirjam van Reisen & Conny Rijken, ‘Sinai Trafficking: Origin and Definition of a New Form of Human Trafficking’Cogitatio, vol. 3 (2016), no. 1.

3 Zie hier voor een overzicht van publicaties van prof. dr. Ismee Tames.

4 Caroline de Gruyter, ‘In Europa: Afstomping’, NRC, 7 en 8 juli 2018.

Verder lezen

NPO Focus, Vluchtelingen in Nederland: de feiten en verhalen, samengesteld door Anne Verwaaij.

VluchtelingenWerk, Vluchtelingen in getallen 2017.


Foto bovenaan artikel: In 2017 en 2018 sloegen Rohingya massaal op de vlucht voor geweld in Myanmar. Velen kwamen terecht in vluchtelingenkampen in Bangladesh. Foto: UN Women/Allison Joyce op Flickr.com (CC BY-NC-ND 2.0).