De herinneringspolitiek van digitale platformen

Welke video’s over de oorlog in Syrië zijn er op YouTube te vinden, en welke komen er boven aan de lijstjes met voorgestelde filmpjes te staan als je een gerichte zoekopdracht geeft? Het antwoord hierop laat zien dat online platformen de documentatie van oorlogen en conflicten niet alleen faciliteren, maar ook op allerlei manieren sturen en modereren.

In de zomer van 2017 verwijderde YouTube van de een op de andere dag duizenden video’s die tijdens de almaar voortdurende oorlog in het land waren opgenomen en geüpload door Syrische activisten en burgers. Hoe dat kwam? Het videoplatform veranderde iets in zijn algoritme dat voortdurend scant of er videomateriaal op het platform geüpload is dat er volgens de regels van het platform niet op hoort te staan. In de verwijderde video’s waren schokkende beelden te zien die horen bij deze oorlog: verminkte lichamen, dode kinderen, mensen die happen naar adem doordat ze in aanraking zijn gekomen met zenuwgas.

Chris Woods, de directeur van Airwars, een organisatie die luchtaanvallen op burgers monitort, reageerde in de New York Times op de plotselinge verdwijning van de ooggetuigenvideo’s. Hij zei: “Wat er recht voor onze ogen verdwijnt, is de geschiedenis van deze verschrikkelijke oorlog.”1

In dit artikel zet ik uiteen hoe het samenspel tussen een platform en platformgebruikers ertoe leidt dat bepaalde representaties van het verleden dominant worden en andere worden vergeten of zelfs verdwijnen. Het betreft een proces dat belangrijk is om te snappen én te monitoren, omdat de commerciële platformen die wereldwijd als communicatiemiddel worden gebruikt, geen enkele verantwoording hoeven af te leggen over wat bewaard blijft en wat niet. En dat terwijl ze voor veel gebruikers, waaronder burgerjournalisten, activisten en mensenrechtenorganisaties, wel als archief fungeren.2

Aan de hand van het voorbeeld van de oorlog in Syrië en de manier waarop deze wordt gedocumenteerd op YouTube, wil ik laten zien hoe herinnering verstrengelt met de manier waarop dit platform werkt. Eerst zal ik echter kort stilstaan bij onderzoek dat gedaan wordt naar digitale herinnering, waaronder mijn eigen onderzoek.

Retorische oorlogen

Ook al zette YouTube na groot protest van gebruikers veel video’s terug, het bovenstaande voorbeeld laat zien hoe digitale platformen de documentatie van oorlog faciliteren en tegelijkertijd ook enorme invloed kunnen uitoefenen op wat we zien en wat bewaard blijft. Steeds meer wetenschappelijk onderzoek binnen het veld van digitale herinneringsstudies (digital memory studies) richt zich op deze dynamiek.

Zo hebben Ellen Rutten en collega’s bijvoorbeeld onderzoek gedaan naar web wars over herinneringen aan conflicten in postsocialistische staten.3 Deze online retorische oorlogen beïnvloeden de constructie van nationale identiteit in sterke mate, aldus Rutten c.s. Rutten bouwt voort op het werk van onder anderen Andrew Hoskins.4 Hoskins beargumenteert dat online digitale media ervoor hebben gezorgd dat het makkelijker is bij te dragen aan de representatie van het verleden. Hoskins meent daarom dat het collectieve geheugen meer fluïde, bottom-up en diffuus is geworden en minder institutioneel.

Voor mijn eigen onderzoek ontwikkelde ik het concept ‘digitaal herinneringswerk’ (digital memory work) om deze dynamiek beter te begrijpen. Herinneringswerk is al zo oud als de mensheid en verscheidene technologieën en technieken maken al lang deel uit van dit fenomeen, van grottekeningen en rituelen tot het schrift en televisie. Herinneringswerk kan persoonlijke vormen aannemen (denk aan het schrijven van een dagboek) of collectief zijn (zoals bij nationale herdenkingsdagen).

Beginscherm van de livestream op YouTube van de herdenking van de razzia in Putten, 2 oktober 2020. Een voorbeeld van herinneringswerk. Foto: YouTube

Herinneringswerk omvat dus de overlevering en reconstructie van kennis en ervaringen van verleden naar heden en de toekomst, maar ook het vergeten hiervan. Vandaag de dag spelen digitale platformen zoals YouTube, Facebook en Wikipedia een groeiende rol in dit proces. Platformen faciliteren, vormen en beperken herinneringswerk op eigen wijze, net als eerdere mediatechnologieën zoals de krant of televisie dat deden en doen. Platformen zijn dus geen neutrale instrumenten (hoewel ze vaak claimen dat wel te zijn). Ze maken actief deel uit van het herinneringswerk. Hoe werkt dit in de praktijk?

Tags, views en categorieën

YouTube-gebruikers uploaden gezamenlijk ongeveer 500 uren aan videomateriaal per minuut.5 De inhoud van deze video’s kan variëren van de eerste stapjes van een kind tot een opname van de heimelijke lancering van een raket. Zolang de video’s zich houden aan YouTubes ‘Regels voor Beleid, Veiligheid en Auteursrecht’ en ‘Communityrichtlijnen’ mag alles gedeeld worden op het platform.

Om hun materiaal zoek- en vindbaar te maken, moeten gebruikers hun video’s rudimentair archiveren, ordenen en categoriseren. Dat wil zeggen dat video’s titels, beschrijvingen en tags nodig hebben. In termen van de vind- en zoekbaarheid van een video is dit zelfs belangrijker dan de populariteit van een video (gemeten in het aantal views). Dit is de reden waarom YouTubers veel tags geven, uitgebreide beschrijvingen plaatsen bij hun video’s of lange titels gebruiken. Het rudimentair archiveren van video’s zorgt ervoor dat een zoekalgoritme (in het geval van YouTube: die van Google) zijn werk kan doen.

Daarnaast kunnen gebruikers videomateriaal ordenen door afspeellijsten te maken van (hun eigen) video’s. Sommige YouTubers zijn beter in het ‘archiveren’ van hun video’s dan andere, waardoor hun video’s zichtbaarder worden en ook jaren later nog vindbaar zijn.

Daarnaast speelt YouTube zelf een actieve rol in wat een gebruiker te zien krijgt, op ten minste vijf manieren. Ten eerste zijn zoekresultaten gesorteerd op basis van relevantie. Onder relevantie wordt hier verstaan hoe goed zoekresultaten matchen met titels, tags en beschrijvingen. Ten tweede laat YouTube gebruikers kiezen tussen voorgedefinieerde categorieën zoals ‘nieuws en politiek’ of ‘activisme’. Dit helpt het ordenen, maar stuurt natuurlijk ook. Ten derde degradeert YouTube algoritmisch video’s die bloederig of aanstootgevend worden bevonden, en zorgt er zo voor dat ze minder zichtbaar zijn. Ten vierde anticipeert Google op zoekgedrag door automatisch zoekopdrachten af te maken (autocomplete genaamd).

Maar het belangrijkste geautomatiseerde proces dat bepaalt wat gebruikers te zien krijgen op het platform is het vijfde: personalisatie. Iedere YouTube-gebruiker krijgt andere zoekresultaten te zien die gebaseerd zijn op eerder zoekgedrag, locatie en gebruikersprofiel.

Burgers, activisten, journalisten

Samen met twee collega’s heb ik onderzocht hoe de hierboven beschreven mechanismen het herinneringswerk ten aanzien van de oorlog in Syrië beïnvloeden.6 Dit conflict wordt sterk gemedieerd, niet door professionele journalisten, maar vooral door burgers en activisten, die met hun smartphones video’s maken van (de nasleep van) militair geweld en deze uploaden op YouTube.

Kaart waarop de aanvallen van 21 augustus 2013 zijn ingetekend. Foto: Wikimedia Commons

We vroegen ons in dit onderzoek af wiens video’s van de chemische wapenaanval op de wijk Ghouta op 21 augustus 2013 zichtbaar werden in de door ons geanonimiseerde zoekopdrachten. Daarnaast waren we benieuwd welke verhaalkaders (frames) gebruikt werden in de vaakst getoonde video’s. Dit gaf ons een goed beeld wiens herinneringswerk eigenlijk het effectiefst was, hoe dit bewerkstelligd werd en welke rol YouTube hierin speelde.

In eerste instantie was onze verwachting dat video’s van getuigen boven aan de zoekresultaten zouden staan en dat vooral hun herinneringswerk effectief zou zijn. In de literatuur wordt namelijk vol hoop gekeken naar het democratiserende potentieel van digitale media: iedereen zou nu zijn of haar kijk (letterlijk) kunnen toevoegen aan het verhaal van het verleden. We vonden iets anders, namelijk dat de populairste en meest zichtbare video’s over deze aanval compilaties waren van getuigenvideo’s, gemaakt door professionele, commerciële media. Op zich hoeft dit geen probleem te zijn, maar toen we keken naar de frames die gebruikt werden in de video’s vonden we dat vooral een sceptisch, bevragend frame overheerste: had de aanval wel echt plaatsgevonden?

Ook hierbij kan je je afvragen of dit zo erg is. Immers, er worden ook incidenten in scène gezet en op YouTube geüpload. Het echte probleem werd pas duidelijk aan het eind van het onderzoek. De originele video’s van getuigen die zichtbaar waren en die wij hadden opgenomen in onze dataset verdwenen na verloop van tijd van YouTube, terwijl de compilaties met de bevragende frames bleven bestaan. Dit viel deels te verklaren door de grote geautomatiseerde ‘opschoonactie’ die ik beschreef in het begin van dit artikel.

Uit ons onderzoek trokken we een aantal conclusies. Ten eerste werd duidelijk dat de manier waarop video’s door gebruikers worden ‘gearchiveerd’, doorslaggevend is voor de zichtbaarheid van bepaalde versies van het verleden. Wat voor de video van een vlogger of influencer geldt, geldt ook voor in potentie belangrijk historisch materiaal. Daarnaast kan dezelfde getuigenvideo worden hergebruikt voor verschillende politieke doeleinden. Welke compilatie zichtbaar blijft, heeft voor een groot deel te maken met de digitale vaardigheid van een uploader.

Bovendien werd duidelijk dat YouTube herinneringswerk niet alleen faciliteert, maar ook stuurt of er deel van uitmaakt. Het automatisch rangschikken van video’s op basis van ‘relevantie’ is een mild voorbeeld, terwijl het automatisch verwijderen van videomateriaal een sterke interventie is in herinneringswerk.

#4mei

Digitaal herinneringswerk manifesteert zich in veel meer vormen dan hierboven beschreven. Denk bijvoorbeeld aan het gezamenlijk reconstrueren van historische gebeurtenissen op Wikipedia, stilstaan bij het oorlogsverleden via #4mei op Twitter of het herbeleven van het verleden middels een digitale game. Wat echter voor bijna al het digitale herinneringswerk geldt, is dat platformen dit steeds meer faciliteren en vormen, en middels hun onderliggende (algoritmische) technologie ook steeds meer zelf aan herinneringswerk doen.

Screenshot uitCall of Duty WWII (Activision, 2017). Foto: Mobygames

Als ‘levend archief’7 faciliteert YouTube het doorgeven van kennis, ervaringen, ooggetuigenverslagen, culturele uitingen en gebruiken. Maar de ene partij weet simpelweg beter hoe zichtbaarheid en vindbaarheid vergroot kunnen worden dan de andere. Bovendien verandert YouTube constant zijn gebruikersvoorwaarden en laat algoritmen deze voorwaarden en richtlijnen afdwingen. Zo wordt het platform zelf een speler in plaats van een neutraal instrument in herinneringswerk.

Platformen bieden mogelijkheden voor de democratisering van de herinnering en geschiedenis, maar we moeten niet vergeten dat ze hypercommercieel zijn en geen enkele verantwoording hoeven af te leggen over wat bewaard blijft en wat niet. Dit terwijl ze wel steeds meer beïnvloeden hoe en wat we ons herinneren, als samenleving en als digitaal genetwerkte individuen. Laten we daarom vooral kritisch onderzoek blijven doen naar deze platformen en de manieren waarop zij collectieve en individuele herinnering faciliteren en beïnvloeden.

Over de auteur

 

Rik Smit

Rik Smit is universitair docent en onderzoeker bij het Center for Media and Journalism Studies (CMJS) van de Rijksuniversiteit Groningen. Zijn onderzoek richt zich op de intersecties van memory studies, digitale cultuur en nieuwe media.


Noten

1. M. Browne, ‘YouTube removes videos showing atrocities in Syria’, New York Times, 22 augustus 2017.

2. A.V. Banchik, ‘Disappearing acts: Content moderation and emergent practices to preserve at risk human rights-related content’. New Media & Society, 2020.

3. E. Rutten, J. Fedor & V. Zvereva (red.), Memory, Conflict and New Media: Web Wars in Post Socialist States. London/New York: Routledge, 2013.

4. A. Hoskins, ‘Digital network memory’, in: A. Erll & A. Rigney, Mediation, Remediation, and Dynamics of Cultural Memory (p. 27-43). Berlijn en New York: Walter de Gruyter, 2009.

5. J. Hale, ‘More Than 500 Hours Of Content Are Now Being Uploaded To YouTube Every Minute’, 7 mei 2019.

6. R. Smit, A. Heinrich & M. Broersma, ‘Witnessing in the new memory ecology: memory construction of the Syrian conflict on YouTube’, New Media & Society, jrg. 19 (2017) nr. 2, p. 289–307.

7. Susan Aasman, ‘Finding Traces in YouTube’s Living Archive: Exploring Informal Archival Practices’, TMG Journal for Media History, jrg. 22 (2019) nr. 1, p 35–55.


Foto boven aan artikel

Screenshot uit een video over de aanval op de wijk Ghouta, 2013. In de video is te zien hoe vaten met gifgas vanaf vrachtwagens worden weggeschoten. Bron: YouTube-kanaal Human Rights Watch

“Holocaust-educatie op locatie maakt de geschiedenis tastbaar”

Met busladingen tegelijk komen scholieren naar historische locaties zoals Nationaal Monument Kamp Vught en de Hollandsche Schouwburg. De schokkende geschiedenis van deze plaatsen raakt hen vaak diep. Maar weten ze daarna echt meer over de Holocaust? Een paar betrokken deskundigen reflecteren op die vraag.

De IHRA – de International Holocaust Remembrance Alliance – noemt in het onlangs verschenen Recommendations for Teaching and Learning about the Holocaust een aantal belangrijke doelen van Holocaust-onderwijs: het kennisniveau van leerlingen over deze geschiedenis vergroten en de herinnering aan de vervolgde en vermoorde groepen levend houden. Ten slotte dienen scholieren te leren reflecteren op de relevantie van de geschiedenis van de Holocaust voor bepaalde belangrijke politieke en morele thema’s vandaag de dag.1

Marc van Berkel, docent aan de lerarenopleiding geschiedenis van de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen, vertelt dat docenten steeds meer de nadruk leggen op dat laatste aspect. Ze willen dat hun leerlingen lessen trekken uit de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog  – leren van. En leerlingen zelf willen dat ook, zo blijkt uit onderzoek van Van Berkel. 56 procent van de jongeren is geïnteresseerd in de Tweede Wereldoorlog en zeven op de tien menen dat ze ervan kunnen leren. Maar: ze hebben vaak weinig feitenkennis – het ontbreekt dus aan leren over.

IHRA Recommendations for Teaching and Learning about the Holocaust. Foto: IHRA

Lichtpuntjes

Docenten kiezen dikwijls voor een bezoek aan een locatie als Nationaal Monument Kamp Vught, een van de drie voormalige Nederlandse concentratiekampen die nu te bezoeken zijn als herinneringscentrum, om hun leerlingen meer over de oorlog te leren. Maar wat voor soort kennis kunnen deze bezoeken bijdragen, en hoe wordt die kennis overgebracht?

“Scholen komen hier graag omdat een authentieke plek als deze echt iets toevoegt aan hun beleving en hen in staat stelt een brug naar het verleden te slaan,” vertelt directeur Jeroen van den Eijnde. “Kinderen vertonen soms uitgelaten schoolreisjesgedrag als ze hier aankomen, maar tijdens de rondleiding worden ze geraakt door de plek en het verhaal.” Alle nadruk ligt op de locatie, dat is volgens hem ook de wens van de scholen. “Ze komen hier voor de plek; die willen ze ervaren. De rondleiding voor scholen is daarom helemaal daaraan gewijd.

Per niveau kijken we wat passend is. Aan basisschoolkinderen vertellen we niet over de 74 vrouwen die hier een nacht werden opgesloten in één krappe cel. We vertellen het verhaal ook nooit zo dat het alleen maar naargeestig is. Er zijn ook lichtpuntjes: mensen toonden moed en solidariteit, en er ontstonden vriendschappen.”

Van Berkel stelt dat het belangrijk is om de historische context goed uit te leggen en dat kan bij jongeren heel goed aan de hand van dergelijke persoonlijke verhalen. Ook Kamp Vught werkt zo. Van den Eijnde: “We vertellen het verhaal van deze plek aan de hand van persoonlijke belevenissen van kinderen. Een daarvan is Roosje Mozes, een meisje dat hier echt heeft verbleven. Dat maakt het heel concreet voor leerlingen. De naam van Roosje op het kindermonument glimt door de vele vingers die eroverheen hebben gewreven.”

Een gedeelte van het terrein van Nationaal Monument Kamp Vught met onder meer het Kindermonument en een replica van een wachttoren. Foto: Bertknot op Wikimedia Commons (CC BY-SA 2.0)

Geen gruwelijke beelden

In reguliere jaren ontvangt Kamp Vught ruim 70.000 bezoekers, waarvan de helft uit scholieren bestaat. Er zijn aparte programma’s voor zevende- en achtstegroepers en voor middelbare scholieren. Het expositiegebouw van het kamp is in 2019 helemaal vernieuwd met drie aparte ontvangstruimtes voor scholieren.

Individuele bezoekers maken ook een rondgang door het hoofdgebouw, terwijl de scholieren een eigen route volgen en zich concentreren op de buitenruimte. Juist daar staan de elementen die grote indruk maken, zoals de wachttorens, een nagebouwde barak en een monument ter herdenking van de 1269 kinderen die in juni 1943 vanuit het kamp naar Sobibor werden gedeporteerd.

De interactieve tentoonstelling Kind onder Vuur, oorlog en vrijheid in Nationaal Monument Kamp Vught. Foto: Max Kneefel

Maar hoe vertel en verbeeld je die vaak gruwelijke verhalen op een passende manier? Bij de nieuwe indeling van Kamp Vught is gebruikgemaakt van de eigen educatieve ervaringen en van de adviezen van twee panels van experts, één voor educatie en één voor museale aspecten. Van den Eijnde: “Op hun advies tonen we geen gruwelijke foto’s, maar benoemen de vreselijke gebeurtenissen in toelichtende teksten. Ook ervaringen elders leren dat dat beter is: bij het Washington Memorial hadden ze aanvankelijk afscheidingswanden gezet bij gruwelijke foto’s, maar al gauw trokken die juist mensen aan.”

Van Berkel ondersteunt deze aanpak. “Gruwelijkheden kunnen traumatiserend zijn voor kinderen, zeker als ze zelf uit een oorlogsregio komen of andere geweldservaringen hebben. Verschillende onderzoekers menen daarnaast dat het gebruik van horrorbeelden het tegenovergestelde effect kan hebben van wat wordt beoogd. Jongeren kunnen hierdoor juist ‘verdoofd’ raken.” Van Berkel noemt hierbij onder meer het onderzoek van Elaine Culbertson uit 20162 en dat van Cornelia Brink uit 2000,3 naast het werk van Shulamit Imber, Holocaust-expert van Yad Vashem.

Tien fasen van genocide

Ook het Nationaal Holocaust Museum, onderdeel van het Joods Cultureel Kwartier in Amsterdam, trekt veel schoolklassen. Het museum heeft drie jaar proefgedraaid en gaat in 2022 officieel open. “We streven naar 150.000 bezoekers,” zegt educatief medewerker Inger Schaap, “van wie er ongeveer 20.000 scholieren tussen de tien en zestien jaar zullen zijn.”

Het museum omvat deportatieplaats de Hollandsche Schouwburg en de voormalige Hervormde Kweekschool ertegenover, vanwaar 600 Joodse kinderen werden weggesmokkeld en zo aan de vernietigingskampen ontkwamen. Een geschiedenis die diepe indruk maakt op de scholieren, vooral als ze op de plek staan waar de Joodse kinderen werden overgedragen aan het verzet.

Ontwerp van het nieuwe Nationaal Holocaust Museum. Foto: Nationaal Holocaust Museum

Bij de educatieve opzet gebruikt het museum de theorie van de Amerikaanse jurist Gregory Stanton als kapstok. Stanton vatte het proces van genocide samen in een model dat tien ‘voorspelbare, maar niet onomkeerbare’ stappen onderscheidt.  Onderzoek heeft aangetoond dat een stapsgewijze uitleg de Holocaust beter te begrijpen maakt. Anders blijft het voor veel leerlingen toch te abstract.

Schaap: “Tijdens de pilotfase hebben we jongeren opdrachten laten uitvoeren met behulp van Stantons model. We vroegen hen de verschillende fasen te onderzoeken en de mogelijkheden tot verzet te benoemen. Daarna legden we de link naar de actualiteit. Wat zien ze vandaag de dag? Wat kunnen ze doen? Jongeren zien zo bijvoorbeeld dat wij-zij-denken een eerste stap is. We proberen het natuurlijk niet te veel te vereenvoudigen. Pesten bijvoorbeeld leidt niet automatisch tot genocide.”

Het bezoek aan het Nationaal Holocaust Museum is voor veel scholen onderdeel van een lessenreeks. Het museum biedt een voorbereidend programma dat context geeft, al maken lang niet alle docenten daar gebruik van – vaak kiezen ze een eigen aanpak. De leerlingen worden ontvangen door educatief medewerkers en rondleiders die uitgaan van de zogeheten I ASK-methode, die erop is gericht een dialoog tussen de rondleider en de toehoorders te bereiken. Vervolgens stemmen de rondleiders hun verhaal af op het kennisniveau en de vragen van de groep.

Ongepaste opmerkingen

Volgens terugkerende berichten in de media hebben docenten moeite om in lessen de Holocaust nog ter sprake te brengen omdat sommige groepen daar niet over zouden willen horen. “Dat is niet aangetoond in onderzoek”, zegt Van Berkel. Hij promoveerde in 2017 op de weergave van de Holocaust in Nederlandse en Duitse leermiddelen. Momenteel doet hij onderzoek naar de relevantie van Holocaust- en oorlogseducatie voor het burgerschaps- en geschiedenisonderwijs. Daarvoor heeft hij inmiddels 60 docenten en 1500 leerlingen ondervraagd.

“Van de docenten die ik heb gesproken, heeft bijna niemand te maken met Holocaust-ontkenning. Er zullen kinderen zijn die thuis met anti-Joodse gevoelens worden opgevoed, maar die gedragen zich over het algemeen niet militant. Misschien geloven ze gewoon niet dat de Holocaust heeft plaatsgevonden. Als ze zich toch afwijzend opstellen, zou ik aanraden met hen in gesprek te gaan.”

Ook Van den Eijnde en Schaap merken weinig van Holocaust-ontkenning. Van den Eijnde: “Wel krijgen we soms ongepaste opmerkingen. Dan noemen ze de ovens in het crematorium bijvoorbeeld ‘pizza-oven’. Een deel van onze vrijwillige rondleiders heeft trainingen van de Anne Frank Stichting gevolgd om hiermee om te gaan. Ze werken volgens de LSD-methode: Luisteren, Samenvatten en Doorvragen. Ze herhalen en herformuleren zo’n opmerking, vragen een bevestiging van hun samenvatting en stellen daar een vraag over. Zo proberen ze erachter te komen waarom een leerling zich op deze manier uitlaat. Vervolgens bespreken ze waarom deze opmerking als kwetsend kan worden ervaren of ongepast is.”

In het Holocaustmuseum wordt ook daarvoor de I ASK-methode ingezet. Schaap: “Het Israëlisch-Palestijnse conflict roept soms reacties van jongeren op. In zulke gevallen stellen we vragen, maar we veroordelen hen niet. We laten leerlingen altijd in hun waarde.”

Leerlingen raadplegen het Joods Monument, een online monument voor de Nederlandse slachtoffers van de Holocaust. Foto: David Rozing

Tastbare geschiedenis

De vraag blijft wat Holocaustlessen op locatie nu precies opleveren. De impact van deze vorm van educatie is moeilijk vast te stellen, erkent Schaap. “De verwachtingen zijn torenhoog, net als bij het burgerschapsonderwijs. Het streven is ‘betere burgers’ te maken, maar dat kan nooit in één bezoek. Het gaat meer om kleine speldenprikjes tijdens het hele onderwijstraject, waarin leerlingen worden gewezen op hun eigen verantwoordelijkheid en het belang van democratische waarden.”

Omdat Holocaust-onderwijs tegenwoordig vaak wordt ingezet voor andere zaken, zoals maatschappelijke bewustwording, boeten leerlingen volgens haar in aan kennis. “Om de Holocaust echt te begrijpen, moeten ze ook de feiten kennen. We moeten waken voor de instrumentalisering van de Holocaust.”

Van den Eijnde en Van Berkel beamen dat. Maar leveren lessen op locatie ook meer kennis op – de eerste aanbevolen stap in de richtlijnen van de IHRA? Volgens Van Berkel niet per se.  “Als ik leerlingen vraag wat hun kennisbronnen zijn als het over de Holocaust gaat, verwijzen ze meestal naar het onderwijs en speelfilms. Ze noemen musea en herdenkingsinstellingen veel minder.”

Toch betekent dat volgens hem niet dat het onderwijs op een historische locatie zinloos is. Ze leren er misschien niet altijd over, maar zeker wel van de Holocaust. “Vaak komen er scholen uit de regio op bezoek. De leerlingen ondervinden daardoor dat de vreselijke geschiedenis van vervolgingen zich ook in hun buurt heeft afgespeeld. Dat maakt geschiedenis tastbaar. Dat is heel belangrijk, want steeds minder jongeren hebben opa’s en oma’s die de oorlog nog hebben meegemaakt. Zo gaat de oorlog toch voor hen leven.”

Over de auteur

 

Mirjam Janssen. Foto: Anne van Gelder

Mirjam Janssen heeft geschiedenis gestudeerd en is medewerker van Historisch Nieuwsblad. Ze schreef Liefde in de Lage Landen. Een portret van Nederland in 15 huwelijken (Spectrum, 2020). Daarnaast verzorgt ze schrijfcursussen, onder meer de workshop “Schrijven over geschiedenis”.


Noten

1 IHRA, Recommendations for Teaching and Learning about the Holocaust (International Holocaust Remembrance Alliance, 2015). Binnenkort verkrijgbaar in het Nederlands. Hier gratis te downloaden.

2  Elaine Culbertson, ‘A Reflection on the Use of Iconic Holocaust Resources’. In Essentials of Holocaust Education: Fundamental Issues and Approaches, red. Samuel Totten en Stephen Feinberg. Routledge/Taylor & Francis Group, 2016.

3  Cornelia Brink, ‘Secular Icons: Looking at Photographs from Nazi Concentration Camps’. History and Memory 12, nr. 1 (2000).


Verder lezen

M.L.F. van Berkel, Wat weten Nederlandse jongeren over de Tweede Wereldoorlog? Een onderzoek naar kennis, kennisbronnen en attitudes van Nederlandse scholieren in het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs (2018).

Marc van Berkel, ‘De toekomst van educatie over de Holocaust: zijn de lessen van Auschwitz geschikt voor burgerschapsvorming?’. In: Kennisbasis Lerarenopleiders, katern 6: vorming in de lerarenopleiding (VELON 2018), p. 149-160.


Foto boven aan artikel

De nieuwe vaste tentoonstelling in Nationaal Monument Kamp Vught met aandacht voor het bunkerdrama. Bron: Nationaal Monument Kamp Vught / DigiDaan

4 en 5 mei als immaterieel erfgoed

Het lijkt bijna een trend: rituelen rondom herdenken en herinneren streven steeds vaker naar het predicaat ‘immaterieel erfgoed’. Naast de Nationale Herdenking op 4 mei en de Nationale Viering van de Bevrijding op 5 mei, die in 2019 gezamenlijk werden bijgeschreven in de Inventaris Immaterieel Erfgoed in Nederland, kregen ook de viering van het Leidens Ontzet en de Keti Koti-viering in Rotterdam een plek. Wat betekent het om ‘erkend’ te worden als immaterieel erfgoed? Waar liggen kansen, waar uitdagingen?

Als hoofd Kennisontwikkeling van Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed Nederland is immaterieel erfgoed mijn dagelijks werk. Ons centrum is verantwoordelijk voor de implementatie van het UNESCO-verdrag inzake de bescherming van het Immaterieel Cultureel Erfgoed, dat door Nederland in 2011 werd ondertekend.

Voor een goed begrip is het belangrijk om je te realiseren dat herdenkingen op zichzelf geen immaterieel erfgoed zijn. Het gaat UNESCO om de rituele uitingsvormen die tijdens de herdenking plaatsvinden en die de deelnemers ‘een gevoel van identiteit en continuïteit’ geven, zoals het in het verdrag staat geformuleerd. Bij 4 en 5 mei moet je dan bijvoorbeeld denken aan het ritueel van twee minuten stilte, het blazen van de Taptoe en het ontsteken van het Bevrijdingsvuur.

Het UNESCO-verdrag biedt een helder en inspirerend kader voor een dynamische omgang met immaterieel erfgoed. Zo betekent ‘immaterieel erfgoed behouden’ volgens UNESCO dat je het soms moet veranderen om het op die manier een toekomst te geven. Met andere woorden: immaterieel erfgoed moet steeds weer opnieuw herijkt worden, en daarbij passen soms nieuwe rituele vormen die beter aansluiten bij onze tijd.

Een tweede belangrijke notie van het verdrag is dat UNESCO de verantwoordelijkheid voor dit immaterieel erfgoed legt bij clubs of organisaties als het Nationaal Comité 4 en 5 mei, die als organisatoren of hoeders van dit immaterieel erfgoed willen optreden om het een toekomst te geven. In Nederland bieden organisaties zoals het Kenniscentrum daarbij ondersteuning. Ook doen wij onderzoek.

UNESCO biedt vooral een ondersteunend platform voor nationale en internationale uitwisseling. Zo kan het bijvoorbeeld voor het Nationaal Comité 4 en 5 mei interessant zijn om ervaringen uit te wisselen met de mensen en instellingen die betrokken zijn bij de traditie van The Last Post in Ieper, die op de Vlaamse Inventaris Immaterieel Erfgoed staat.

Leidens Ontzet 1953 (3 oktoberfeest). Er wordt haring en wittebrood uitgedeeld. De viering van Leidens Ontzet is zelf ook een traditie geworden, sinds 1886 tot de dag van vandaag gevierd. Foto: Fotocollectie Anefo/ Nationaal Archief

Toekomstbestendig maken

Bij een herdenking van een historische gebeurtenis als de Tweede Wereldoorlog is naar mijn mening de grote vraag hoe je rituelen zoals de Taptoe of het ontsteken van het Bevrijdingsvuur relevant kan houden voor nieuwe generaties die de oorlog niet hebben meegemaakt. Of voor wie heel andere oorlogen verser in het geheugen liggen – neem een Syrische vluchteling die de burgeroorlog in eigen land ontvluchtte.

Er wordt gelukkig al druk geëxperimenteerd met nieuwe rituele vormen. Om mensen met vele verschillende achtergronden bijeen te brengen, werden bijvoorbeeld in 2012 in Amsterdam de zogenoemde Vrijheidsmaaltijden geïntroduceerd, geïnspireerd op de Pesach-maaltijden uit de joodse traditie. De bedoeling was om mensen met uiteenlopende achtergronden met elkaar in gesprek te laten gaan over de betekenis van vrijheid.

Het is mijn stelling dat dergelijke gezamenlijke maaltijden, waarin uiteenlopende ervaringen kunnen worden gedeeld, bij uitstek passen bij een diverse samenleving. Ze hebben ook een plek gekregen in andere herdenkingen, zoals de viering van Leidens Ontzet en Keti Koti. Met name bij deze laatste herdenking is gebleken dat dergelijke ontmoetingsmomenten ruimte bieden om pijnlijke herinneringen te delen op een manier die voor onze samenleving relevant is.

Corona

Dit jaar moest er om andere redenen worden geïmproviseerd en vernieuwd. Want hoe kun je bij elkaar komen in een tijd van social distancing? Het was fascinerend om te zien hoe geëxperimenteerd werd met rituelen ‘op afstand’. Zelf was ik zeer onder de indruk van de gezamenlijke Taptoe, ieder op een eigen locatie, maar toch in verbondenheid met elkaar dankzij televisie en internet. Corona als nieuw crisismoment maakte 4 en 5 mei misschien wel intenser dan ooit.

Daarbij is natuurlijk de vraag in hoeverre deze nieuwe rituelen zullen beklijven. Mogelijk zullen, al dan niet gedwongen door epidemieën zoals corona, digitale vormen meer en meer het aanzien van onze rituelen gaan bepalen.

Een jonge vrouw voert puja uit voor een klein huisaltaar gewijd aan de god Shiva, die gesymboliseerd wordt door een drietand naast het altaar. Foto: Woudloper op Wikimedia Commons (CC BY-SA 4.0)

Speciaal voor 4 en 5 mei zou dit zeker moeten kunnen, want was de herdenking op de Dam niet altijd al een nationaal televisiemoment? Religiewetenschappers die onderzoek hebben gedaan naar de opkomst van ‘online religion’ beweren echter dat rituelen zonder fysiek contact een dimensie missen en dat je rituelen niet alleen moet zien en horen om ze werkelijk te kunnen beleven, maar ook moet kunnen voelen en aanraken. Een voorbeeld dat vaak genoemd wordt, is de viering van het hindoeïstische Puja-ritueel met de kenmerkende kamfervlam, waarbij ook zintuigen als tast, reuk en geur worden aangesproken.

Maar geldt iets dergelijks niet eveneens voor de Vrijheidsmaaltijd, waarin naast verhalen ook gerechten van uiteenlopende smaak worden gedeeld? Dat ervaren en beleven minstens zo belangrijk is als een beroep doen op de cognitieve zintuigen, blijkt uit het Leidens Ontzet, met de traditionele hutspot- en haringmaaltijd waarmee de honger van toen invoelbaar wordt gemaakt.

Hoe het ook zij, één ding is duidelijk: immaterieel erfgoed wordt altijd gestuurd door hedendaagse betekenissen en bekommernissen. De confrontatie tussen heden en verleden bepaalt bij uitstek de dynamiek van immaterieel erfgoed.

Over de auteur

 

Albert van der Zeijden

Albert van der Zeijden is historicus en hoofd Kennisontwikkeling van Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed Nederland. Het kenniscentrum coördineert de Inventaris Immaterieel Erfgoed Nederland en doet aan kennisontwikkeling via onderzoekslijnen als ‘immaterieel erfgoed en superdiversiteit’ en ‘controversieel immaterieel erfgoed’.


Foto bovenaan artikel

Herdenken en vieren op 4 en 5 mei bijgeschreven in de Inventaris Immaterieel Erfgoed. Foto: Martijn Beekman

Tastbare herinneringen. De rol van materieel oorlogserfgoed

De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, onderdeel van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, zet zich actief in voor het beschermen, beheren en toegankelijk maken van materieel erfgoed met betrekking tot de Tweede Wereldoorlog. Dat erfgoed – van gebouwd erfgoed en archeologie tot cultuurlandschap en collecties – vertelt immers verhalen over wat er in Nederland tijdens de oorlog is gebeurd. Verhalen die blijvend opgetekend, bewaard, gekoesterd en doorgegeven moeten worden. Hoe ziet dat er in de hedendaagse erfgoedpraktijk uit?

Nu de oorlogsgeneratie ons bijna is ontvallen, komt het moment in zicht dat mensen ons niet langer verhalen uit eerste hand kunnen vertellen en ooggetuigen ons niet langer kunnen waarschuwen voor een herhaling van het drama dat hen toen is overkomen. Erfgoed – of het nu gebouwen zijn, of plekken, foto’s, dagboeken of voorwerpen uit die tijd – speelt daarbij een cruciale rol. Uit respect voor het gedeelde verleden zet de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), waar ik werkzaam ben, de nodige stappen om dit materieel erfgoed veilig te stellen en door te geven aan nieuwe generaties.

Bij oorlogserfgoed moet ik zelf onmiddellijk aan mijn vader denken, met zijn 89 jaar een van die laatste ooggetuigen. Hij vertelde me laatst nog dat hij als 9-jarige jongen op 21 mei 1940, vlak na de capitulatie, met zijn ouders vanuit hun huis in Bennekom naar de Grebbeberg fietste. Zij woonden daar de allereerste dodenherdenking van Nederland bij, op een geïmproviseerd oorlogskerkhof. Zijn vader, mijn opa, zat bij de hulppolitie en had de dagen ervoor het Rode Kruis geholpen bij het verzamelen, identificeren en begraven van honderden Duitse en Nederlandse gesneuvelde militairen, wiens graven toen nog bij elkaar lagen.

Mijn vader ziet de vers gedolven graven nog zo voor zich, met kruizen van dennentakken, soms met een helm erop. In het open veld staken nog geweren met de loop in de grond als markering. Nu, tachtig jaar later, zijn enkele kazematten en delen van stellingen op de Grebbeberg uitgegraven. Dat maakt het verhaal van deze dodenakker tastbaar en beleefbaar.

De betonnen mitrailleurkazemat van het type S3 is in 1939-1940 gebouwd in het kader van de versterking van de Valleistelling en is vrijstaand gelegen achter het Hoornwerk aan de Grebbe. Het is één van de in totaal 4 kazematten uit deze periode die op dit gedeelte van de Valleistelling nog resteren en is een Rijksmonument. De toegangsloopgraaf is gereconstrueerd. Foto: HenkvD op Wikimedia Commons (CC BY-SA 3.0)

Duitse oorlogsgraven. Hauptmann von der Dechen brengt de Hitlergroet na de begrafenis van enkele Duitse kameraden, omgekomen tijdens de slag om de Grebbeberg. 22 mei 1940. Foto: Beeldbank WO2 – Spaarnestad Photo

Kom met verhalen

Voor jongeren en nieuwkomers is de Tweede Wereldoorlog lang geleden. Voor hen is het soms niet meer dan een hoofdstuk in een geschiedenisboek. Maar het zijn juist déze generaties die in de toekomst de vrijheid, rechtszekerheid en tolerantie in onze samenleving moeten blijven garanderen. Minister van OCW Ingrid van Engelshoven schreef de Tweede Kamer het afgelopen voorjaar een brief waarin zij aangaf het erfgoed uit deze periode in al zijn facetten blijvend te willen beschermen, zodat juist de toekomstige generaties kunnen zien wat zich hier heeft afgespeeld en daarvan kunnen leren.

Daarbij vroeg ze ook expliciet aandacht voor het belang van het vertellen van verhalen als een aanvullend middel.1 Want wie de verhalen achter het erfgoed kent, kan ze verder vertellen. Zo ondersteunt erfgoed het levend houden van het verhaal en het verhaal het levend houden van erfgoed.

Storytelling, zeker in nieuwe en creatieve vormen, helpt niet alleen bij het betuigen van respect aan de slachtoffers van de oorlog, maar ook bij het aan bod laten komen van verschillende perspectieven op de oorlog. Neem bijvoorbeeld de levensverhalen van drie jonge Nederlandse militairen die op de Grebbeberg vochten voor hun leven, te beluisteren in het informatiecentrum in een hoek van het militaire ereveld.

Of de verhalen die horen bij de recente selectie van de 100 meest aansprekende foto’s uit de Tweede Wereldoorlog van Nederland. Eén foto daaruit maakte op mij met name veel indruk: een groepsfoto van onschuldig ogende Utrechtse politiemannen. Het is nauwelijks voorstelbaar dat zij in werkelijkheid fanatieke Jodenjagers waren. Zijn zij meegesleept door de ontwikkelingen? Hadden ze een keuze? Zulke oorlogsbeelden blijven lang hangen.

Vijf rechercheurs van de Centrale Controle poseren op het hoofdbureau van de politie. Dit is de afdeling van de Utrechtse politie die vanaf najaar 1942 is belast met het opsporen en arresteren van Joden. Foto: Beeldbank WO2 – NIOD

Herinneringserfgoed

Natuurlijk moeten we bij het beschermen van oorlogserfgoed ook de verhalen en tastbare herinneringen aan wat er buiten Nederland gebeurde niet vergeten. Ook in voormalig Nederlands-Indië woedde immers de Tweede Wereldoorlog. Het einde ervan wordt jaarlijks op 15 augustus herdacht, binnenkort precies 75 jaar geleden.

Het ‘Koloniaal Militair Invalidenhuis’ en museum Bronbeek in Arnhem, dat in zijn vaste expositie Het verhaal van Indië aandacht schenkt aan de oorlog in Azië, herbergt op zijn omringende landgoedterrein verschillende monumenten die herinneren aan de slachtoffers van de Birma-Siam en Pakan Baroe spoorlijnen, Japanse zeetransporten, Japanse jongens- en vrouwenkampen en de Slag in de Javazee. Jaarlijks vinden bij deze monumenten herdenkingen plaats. Minister Van Engelshoven was er in augustus 2019 aanwezig bij de herdenkingsplechtigheid rond de bevrijding van Japanse vrouwenkampen.

Een andere bijzondere vorm van Nederlands-Indisch oorlogserfgoed bieden de wrakken van enkele Nederlandse oorlogsschepen in de Javazee bij Indonesië, vergaan in de Tweede Wereldoorlog. Deze scheepswrakken, tevens oorlogsgraven, zijn onlangs als gevolg van grootschalige illegale bergingsactiviteiten bijna geheel verdwenen. Dat leidde in Nederland tot grote publieke verontwaardiging. De betrokken ministeries van OCW, Defensie en Buitenlandse Zaken zijn met de nabestaanden en met Indonesië in gesprek over hoe ze gezamenlijk de wraklocaties alsnog als plek van herinnering kunnen duiden en markeren.

Sonarbeelden laten zien dat het wrak van de Hr. Ms. De Ruyter in de Javazee is verdwenen. Een groot gat in de zeebodem is het enige wat nog rest van het wrak. Foto: Defensie

Rijksmonumenten

Op het Nederlandse grondgebied zijn in de afgelopen jaren door de RCE diverse lieux de mémoire aangewezen als rijksmonument.2 Daartoe behoren gedenkwaardige plaatsen die zijn ingedeeld naar verschillende groepen oorlogsslachtoffers. Zo is de Hollandsche Schouwburg in Amsterdam de stille getuige van de Joodse slachtoffers die van hieruit werden weggevoerd naar vernietigingskampen. De verwoeste stad, het dramatische beeld van de Franse beeldhouwer Ossip Zadkine, herinnert aan de inwoners die het leven lieten bij het allesverwoestende bombardement dat Rotterdam in 1940 in het hart trof.

De Herdenkingshof in Putten heeft een beschermde status gekregen vanwege zijn sterke zeggingskracht van buxushaagjes in zes kwadranten van elk honderd vakken, één voor elk slachtoffer van de Duitse razzia in Putten in oktober 1944. De ommuurde Eerebegraafplaats in Bloemendaal memoreert met zijn gelijkvormige grafstenen de verzetsstrijders die hier voor het vuurpeloton stierven. Voor de militaire slachtoffers kreeg de Amerikaanse militaire begraafplaats in Margraten met de lange, gebogen rijen witte kruizen en davidsterren het predicaat rijksmonument.

En natuurlijk werd ook het Nationaal Monument op de Dam aangewezen als rijksmonument, als plek voor de jaarlijkse herdenking op 4 mei van álle oorlogsslachtoffers. Al deze locaties staan aan de bakermat van de publieke herdenkingscultuur zoals die opkwam in de eerste decennia na de oorlog. Door de aanwijzing als rijksmonument kregen ze de erkenning die ze verdienen. Ze maken onderdeel uit van ons collectieve geheugen.

Dadererfgoed

Eind vorig jaar heeft de RCE een rapport uitgegeven als resultaat van de Verkenning Militair Erfgoed, waarin zij concludeert dat er sprake is van een rijk en omvangrijk bestand aan erfgoed uit de Tweede Wereldoorlog, dat over het algemeen goed is beschermd.3 Daarin staan behalve herdenkingsplaatsen ook omvangrijke verdedigingswerken als de Peel-Raamstelling, de Stelling van Kornwerderzand en Fliegerhorst Deelen. Met de huidige collectie van zo’n 550 rijksmonumenten die betrekking hebben op strijd, bezetting en vervolging kan het verhaal van de oorlog in bijna al zijn facetten worden verteld.

Toch constateerde de RCE nog een paar lacunes op de rijksmonumentenlijst, zoals onderduikplekken (met interieurs), dropping zones, landingsterreinen, locaties waar intensief is gevochten en plekken die herinneren aan het verzet. De minister van OCW heeft daarom onlangs besloten om het ‘Oranjehotel’ en de Waalsdorpervlakte de status van rijksmonument te verlenen.4 Deze twee monumenten van verzet zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Duizenden verzetsstrijders zaten in de oorlog in Scheveningen gevangen in het Oranjehotel – de bijnaam voor de Polizeigefängnis in het Huis van Bewaring. Sommige zaten hier in dodencellen in afwachting van hun lot. Uiteindelijk zijn meer dan 200 van hen in de duinen geëxecuteerd, op de Vlakte van Waalsdorp. Met recht kun je dit emotioneel geladen plaatsen van herinnering noemen.5

Een andere recente ontwikkeling is de ‘LinieVisie Atlantikwall’ die de RCE in samenwerking met belanghebbenden gaat ontwikkelen. Voor deze verdedigingslinie die de Duitse bezetter langs de West-Europese kust aanlegde, werden destijds veel inwoners uit hun huizen verdreven. Weliswaar zijn afzonderlijke bunkers die onderdeel uitmaken van de Atlantikwall goed beschermd, maar een centrale visie op het gehele, Europese linielandschap ontbreekt.

Het verhaal van de Atlantikwall kan beter worden verteld als er meer oog is voor de overkoepelende betekenis ervan. Een landschapsbiografie kan daarbij helpen. En Europese samenwerking rondom dit dadererfgoed kan eveneens uitkomst bieden. Want juist erfgoed heeft de kracht om te binden en te verbinden.

Muur van Mussert

Het is evident dat het bij het beschermen van dergelijk oorlogserfgoed niet altijd om bescherming van het monument zelf gaat, maar vooral om een respectvolle omgang en betekenisgeving.6 Dit werd bijvoorbeeld duidelijk bij de discussies rond de Muur van Mussert. Deze openlucht-vergaderplaats met een 150 meter lange, licht gebogen muur werd speciaal voor de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) onder leiding van Anton Mussert gebouwd. De NSB hield in dit ‘Nationaal Tehuis’ op de Goudsberg bij Lunteren tussen 1936 en 1940 massabijeenkomsten ofwel Hagespraken.

De muur kwam in 2018 in het nieuws toen de eigenaar hem wilde slopen. Inmiddels heeft minister Van Engelshoven de muur aangewezen als rijksmonument, omdat hij ons confronteert met de zwarte bladzijden die nadrukkelijk ook deel uitmaken van onze geschiedenis. Niet iedereen was verheugd over dit besluit. Immers, de NSB collaboreerde actief met de Duitse bezetter en dat lijkt dan niet te passen bij zo’n eervolle status.

Maar zoals de minister zei in haar speech toen ze ter plekke het rijksmonumentschildje overhandigde: “Het dwingt ons juist die bladzijden te lezen en te hérlezen. Dat is pijnlijk en beschamend. Maar het is altijd beter dan de muur weg te halen en ons beladen, schuldige verleden te vergeten. Want dan vervallen we in herhaling”. Natuurlijk is het een moeilijke plek want “de muur praat niet, dus moeten betrokkenen haar een beetje helpen het verhaal te vertellen”. De herontwikkelingsplannen zijn nog niet definitief, maar een educatiecentrum lijkt voor de hand te liggen.

Op 22 juni 1940 organiseerde de NSB op haar partijterrein in Lunteren de ‘Hagespraak der Bevrijding’, de eerste massale bijeenkomst van de beweging na de Duitse inval. Mussert spreekt voor de ‘Muur van Mussert’. Na de oorlog is dit terrein onder andere in gebruik genomen door de padvinderij. Foto: NIOD op Wikimedia Commons

Archeologie van de oorlog

Een laatste erfgoeddomein waarbinnen steeds meer aandacht is voor de Tweede Wereldoorlog is de professionele archeologie. In het oog springend zijn de verschillende archeologische onderzoeken die onlangs in de kampen van Westerbork, Vught en Amersfoort zijn uitgevoerd.

Bij het onderzoek in kamp Westerbork zijn de vondsten van de vuilnisstort net buiten het kampterrein gedetermineerd in de vorm van community archaeology, waarbij geïnteresseerden samenwerkten met de archeologen. Een ander voorbeeld is het archeologisch onderzoek naar ‘zachte’ sporen van de Slag om de Grebbeberg, zoals loopgraven. Bovendien zijn daar restanten van twee gietstalen koepelkazematten op de flanken van de Grebbeberg bouwfysisch onderzocht.7

Zeker, er is nog geregeld discussie over de wetenschappelijke meerwaarde van archeologisch onderzoek naar de Tweede Wereldoorlog.8 Mede hierom roept de RCE een platform in het leven waar vrijwilligers, professionele archeologen en gemeenten kennis en ervaringen kunnen uitwisselen over archeologisch onderzoek naar de oorlog. Tot slot zal de RCE samen met de partners in het veld en de vakwereld een kenniskader of kennisagenda over conflictarcheologie gaan opstellen.9

Wat deze selectie aan voorbeelden laat zien, is dat de Tweede Wereldoorlog in essentie alle erfgoeddomeinen raakt: van gebouwd erfgoed en archeologie tot cultuurlandschap en collecties. Wat het ook toont, is hoezeer erfgoed de drager van verhalen en gebeurtenissen is. Erfgoed maakt herinneringen aan de oorlog tastbaar en deelbaar, voor nu en voor later.

Over de auteur

 

Ben de Vries

Drs. Ben de Vries is historicus en werkzaam bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in Amersfoort. Momenteel is hij als projectleider betrokken bij militair erfgoed, herinneringserfgoed en beladen erfgoed.


Noten

1. Kamerbrief met beleidsreactie op verkenningen erfgoedthema’s archeologie, militair erfgoed, herinneringserfgoed en erfgoed van na 1965, van de minister van OCW, 28 april 2020. Deze brief sluit aan bij de beleidsbrief Erfgoed Telt (2018) die de maatschappelijke en verbindende waarde van erfgoed onderstreept. De Canon van Nederland biedt hierbij een leidraad. Bovendien sluit dit aan bij het Verdrag van Faro (2005) dat de minister van OCW van plan is te ondertekenen.

2.  D. van Hoogstraten en B. de Vries, Monumenten van de Wederopbouw, Nederland. Opbouw en Optimisme, 1940-1965, NAi010 (2016), p. 261-276.

3. Rapportage Verkenning Militair Erfgoed: Op Verkenning 2.0. Twee eeuwen militair erfgoed in het vizier (2019), p. 14.

4. Kamerbrief over visie Erfgoed uit de Tweede Wereldoorlog, van de minister van OCW, 5 november 2019.

5. B. de Vries, ‘Monumenten van verzet: Oranjehotel en Waalsdorpervlakte’, Tijdschrift van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, 2, 2020, p. 12-14.

6. Rapportage Verkenning Herinneringserfgoed: Erfgoed van betekenis. Verkennend onderzoek naar de relatie tussen onroerend erfgoed en de herinnerings- en herdenkingscultuur in Nederland (april 2019).

7. Zie RAAP.nl.

8. Rapportage Verkenning Archeologie: In situ 2100. De betekenis en vormgeving van de bescherming van archeologische vindplaatsen (2019).

9. Kamerbrief visie Erfgoed uit de Tweede Wereldoorlog.


Foto boven aan artikel

Een kazemat in de Stelling van Kornwerderzand. Bron: Archangel12 op Wikimedia Commons (CC BY 2.0)

 

 

Erevelden tonen de prijs van vrijheid

Monumenten op voormalige slagvelden of voor grote legeraanvoerders zijn van alle tijden. Dat geldt niet voor de erevelden die alle gesneuvelde militairen elk een eigen graf geven. Hoe gebruikelijk die ons nu mogen voorkomen: als verschijnsel zijn ze amper een eeuw oud. Natuurlijk waren er wel voorlopers, zoals de begraafplaatsen op slagvelden uit de Amerikaanse burgeroorlog en de namenmonumenten in Europa en Nederlands-Indië waarop de gesneuvelden uit een stad of regio samengebracht werden. Maar de imposante oorlogsbegraafplaatsen met kruizen of graven tot zover het oog reikt, dateren allemaal van na de Eerste Wereldoorlog.

Het was de confrontatie in de Eerste Wereldoorlog tussen legers die niet meer uit vrijwilligers maar uit dienstplichtige burgers bestonden, die dit nieuwe gebruik in gang zette. Het minste dat de overheid kon doen voor hen die het leven lieten, zo besefte men, was ze een persoonlijke rustplaats geven en ze blijvend gedenken. Inmiddels zijn de indrukwekkende erevelden in Noord-Frankrijk en België een beeldbepalend onderdeel van het landschap geworden. Hoewel oorspronkelijk bedoeld voor herdenking en rouwende nabestaanden, zijn ze tegenwoordig vooral reisdoel van een nog altijd groeiende stroom toeristen.

Achter de frontlinie

In Nederland is het verschijnsel ‘oorlogsbegraafplaats’ nog lang geen eeuw oud – Nederland liep immers een wereldoorlog achter. Pas in 1946, na de Tweede Wereldoorlog, werd hier de Oorlogsgravenstichting (OGS) opgericht, met als doel Nederlandse oorlogsbegraafplaatsen in te richten en te onderhouden. De OGS beheert 50.000 graven in Nederland en elders in de wereld, waarbij bijzonder is dat ze naast militairen ook burgers bevatten.

De slachtoffers van de slag om de Grebbeberg werden in 1940 op locatie begraven. Foto: Nationaal Archief/Fotocollectie Anefo op Wikimedia Commons (CC0 1.0)

Op het kleinste ereveld, dat op de Grebbeberg, zijn bijna alle Nederlandse militairen samengebracht die sneuvelden in de meidagen van 1940. De geallieerde militairen die voor onze vrijheid sneuvelden, treft men vooral op Britse, Canadese en Amerikaanse begraafplaatsen; Nederland was gedurende 1944-1945 bijna een jaar lang slagveld. Het Russisch ereveld bij Amersfoort, waar Russische krijgsgevangenen hun laatste rustplaats vonden, herinnert aan het treurige feit dat in de Tweede Wereldoorlog de meeste slachtoffers niet in de frontlinie omkwamen, maar daarachter. Ook het Nationaal Ereveld in Loenen (Gld.) is daar getuige van; het merendeel van de graven betreft burgers, al liggen hier ook de gesneuvelden van recente militaire missies.

25.000 oorlogsgraven op Java

Wat veel mensen niet zullen weten, is dat de meeste Nederlandse oorlogsgraven, 25.000 in totaal, echter niet in Nederland liggen, maar op het Indonesische eiland Java. Daar zijn in de loop van de tijd op zeven erevelden de graven van alle eilanden samengebracht. Zij worden nog ieder jaar door duizenden bezocht – naast veel nabestaanden komen er ook volop andere belangstellenden. Sommige touroperators voorzien een bezoek aan een van de erevelden in hun programma. Terecht, want het zijn oases van rust en herdenking, en veelzeggende monumenten van het Nederlandse verleden in Indonesië.

Wat dat laatste betreft is het bijzonder dat het aantal Indonesische bezoekers, dat altijd laag was, de laatste jaren enorm is gegroeid. Dit komt mede door het feit dat de informatievoorziening in het Bahasa Indonesia, de officiële taal van Indonesië, sterk is verbeterd. Het toont een stijgende belangstelling van Indonesiërs voor de gecompliceerde geschiedenis van de verbondenheid van Nederland met hun land, waarvan de erevelden getuige zijn.

Door elkaar

Typerend voor de erevelden op Java is dat de slachtoffers van de Japanse aanval in 1942 en van de kampen en de onderdrukking daarbuiten, er zij aan zij liggen met de slachtoffers van de Bersiap, de Indonesische vrijheidsstrijd, en de confrontatie rond Nieuw-Guinea. Moslims, hindoes, christenen en joden liggen door elkaar, alleen te onderscheiden naar geloofsafkomst door het onderscheid in soort gedenkstenen. Zo vervullen erevelden hun echte functie, als gedenkplaatsen die ons stil doen staan bij de kosten van gewelddadige conflictbeslechting.

De Duitse begraafplaats in Ysselsteyn. Foto: Steve Severs op Wikimedia Commons (Publiek domein)

Oorlogsbegraafplaatsen zijn meer dan een plek om terug te blikken. Ze herinneren ons boven alles aan de prijs van vrijheid. Erevelden zijn er niet om oude tegenstellingen in ere te houden, maar om het besef te voeden dat voor alle partijen uiteindelijk slechts verdriet, gemis en verlies resten. Dat voelt men ook bij een bezoek aan de grootste oorlogsbegraafplaats in Nederland, de Duitse begraafplaats in Ysselsteyn. Weinigen kennen die, maar er liggen meer dan 31.000 graven; ook van Duitse burgers uit de grensstreek. Herdenken krijgt pas zin als we de herinnering aan het verleden in het heden benutten om aan een gemeenschappelijke leefbare toekomst te bouwen.

Over de auteur

Piet Hein Donner (1948) bekleedde tussen 2002 en 2011 drie ministersposten en was van 2012 tot 2019 vicepresident van de Raad van State. In 2014 werd Donner benoemd tot president van de Oorlogsgravenstichting. Sinds december 2018 is hij minister van Staat.


Foto bovenaan artikel

Piet Hein Donner op het Nederlands ereveld Pandu te Bandung tijdens een inspectiereis in 2019. Foto: Oorlogsgravenstichting

In de voetsporen van helden en daders

Al jaren een groot toeristisch succes: de diverse battlefield tours langs belangrijke plekken uit de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog. Steeds vaker proberen organisatoren of gidsen van dergelijke reizen verschillende perspectieven te laten zien en ook het ‘Duitse verhaal’ zichtbaar te maken. Met wisselend succes.

“(…) ik begrijp wel dat de Duitse begraafplaatsen soberder zijn, natuurlijk. Het is de hele andere kant van het verhaal en degenen die ons bevrijd hebben, dat zijn toch wel echt de helden.” (vrouw, 24 jaar, deelneemster battlefield tour)

Dit citaat is een mooie weerspiegeling van een breed gedragen perceptie van het oorlogsverleden. Hierin vervulden de geallieerde troepen een heldenrol in de bevrijding van Europa en verdient het Duitse leger als verslagen dader eigenlijk geen aandacht. Hoe wijdverspreid ook, het is natuurlijk niet de enige manier om met de herinnering aan het oorlogsverleden om te gaan. Er zijn ook andere perspectieven, en een aantal daarvan worden in de oorlogstoerismesector ook expliciet getoond. Een interessante vraag is waarom producenten in deze sector ervoor kiezen ook minder gebruikelijke perspectieven te laten zien?

Invasiestranden-tour

In dit artikel zoom ik in op twee zogenaamde battlefield tours langs de Liberation Route Europe, de herdenkingsroute die voert langs locaties die belangrijk waren in de Tweede Wereldoorlog en de opmars van de geallieerden, en zo mijlpalen in de bevrijding van Europa met elkaar verbindt. In beide reizen staat het concept van de multiperspectiviteit centraal. De eerste tour betreft de reis die de Vrienden van het Airborne Museum van 30 september tot 2 oktober 2016 organiseerden naar het Duitse Hürtgenwald. Deze vereniging biedt haar leden een paar keer per jaar battlefield tours aan die langs de Liberation Route voeren en streeft ernaar om het oorlogserfgoed rondom Market Garden te behouden. De leden hebben meer dan een gemiddelde interesse in de militaire geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog.

Overal langs de Liberation Route Europe vindt de aandachtige reiziger informatie over gebeurtenissen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Foto: Arnhemcity12 (CC BY-SA 4.0)

De andere battlefield tour betreft de Oad-reis ‘Invasiestranden van Normandië, Caen’, die van 15 tot 19 mei 2017 georganiseerd werd in samenwerking met de Stichting Liberation Route Europe (SLRE). Met deze Invasiestranden-tour neemt Oad het mulitperspectieve principe van de SLRE over, maar richt men zich wel op een breed publiek dat voornamelijk geïnteresseerd is in het perspectief van de bevrijders.

Ik nam zelf deel aan beide reizen. Dat deed ik in het kader van mijn promotieonderzoek aan de Erasmus Universiteit over de popularisering van de Tweede Wereldoorlog in Nederland sinds 2000. Voor dit onderzoek is het van belang om zowel het perspectief van de producenten van populaire producten en gidsen van battlefield tours te belichten, als dat van deelnemers. Tijdens de twee reizen heb ik daarom verschillende toeristen en gidsen geïnterviewd.1

Pelgrimages

Maar laten we eerst even teruggaan naar het ontstaan van het oorlogstoerisme. Deze bijzondere vorm van toerisme kreeg vorm na de Eerste Wereldoorlog, toen familieleden en andere belangstellenden massaal de begraafplaatsen in België en Frankrijk gingen bezoeken om de slachtoffers te herdenken. Het gevolg was dat er een infrastructuur van pelgrimages en battlefield tours ontstond. In beide landen werd deze na de Tweede Wereldoorlog voortgezet en verder uitgebreid.

Door de neutraliteit van Nederland in de Eerste Wereldoorlog, ontwikkelde het oorlogstoerisme in ons land zich pas na 1945. In het begin was het vooral gericht op de militaire aspecten van de oorlog, en speelde het zich met name af rondom het Oorlogsmuseum in Overloon. Vervolgens breidde het zich langzaam over geheel Nederland uit en werden ook andere onderwerpen – zoals de Jodenvervolging – belicht. Dit betekende echter niet dat de populariteit van de militaire aspecten van de oorlog onder oorlogstoeristen afnam. Met name in Gelderland, Noord-Brabant en Limburg besteden musea nog steeds veel aandacht aan Operation Market Garden en de bevrijding door de geallieerden. Net als in Normandië worden in deze regio verschillende (commerciële) battlefield tours georganiseerd, waarbij toeristen de oorlogssporen in het landschap kunnen ontdekken.

In 1960 opende Prinses Irene het Oorlogsmuseum Overloon, waar ook een foto van haar grootmoeder te zien was. Foto: Harry Pot / Anefo op Wikimedia Commons (CC0 1.0)

Transnationale aanpak

Inmiddels komt er, bijna 75 jaar na het einde van de oorlog, steeds meer ruimte voor het Duitse perspectief. Niet alleen heeft dit perspectief een plek gekregen in onderzoek en de erfgoedsector en wordt het steeds meer betrokken bij herdenkingen. Ook op transnationaal niveau wordt gereflecteerd op dit aspect van het verleden.

De Stichting Liberation Route Europe, die in 2011 in Nederland is opgericht, is een duidelijke representant van de transnationale en multiperspectivische aanpak. De SLRE probeert op transnationaal niveau een verbinding te maken tussen het historisch onderzoek, de erfgoedsector en het toerisme. Dit doen zij door de route die de geallieerden gevolgd hebben tijdens de bevrijding, zichtbaar te maken voor toeristen in verschillende Europese landen.

Daarnaast beoogt de SLRE het verleden vanuit een multiperspectief te tonen. Dit betekent dat het verleden en heden belicht worden vanuit verschillende historische perspectieven (landen, personen, invalshoeken) en dat bezoekers die perspectieven kunnen herkennen, in context plaatsen en definiëren. Touroperators en gidsen die samenwerken met de SLRE volgen deze lijn. Maar hoe doen ze dit in de praktijk en hoe ervaren deelnemers deze verschillende perspectieven?

Gewone jongens

Tijdens de reis naar het Hürtgenwald draaide het om de slag om dit bos die midden september 1944 begon en op 9 februari 1945 eindigde met een overwinning voor de Amerikanen. Tegenwoordig wordt deze strijd omschreven als een zinloos gevecht om een onbelangrijk stuk bos waarbij de Amerikanen zware verliezen hebben geleden. De gidsen probeerden tijdens de reis zowel het Amerikaanse als het Duitse perspectief te belichten en herdenkingsplekken van beide partijen te bezoeken. Dit laatste werd door een deelnemer op de volgende manier verwoord:

“(…) maar er werd ook wel duidelijk de nuance gelegd dat de Duitsers bijzonder goed georganiseerd waren, ondanks dat ze zwaar onder[be]mand waren en niet echt voorbereid, maar daar bleek weer uit dat ze toch strategisch veel slimmer waren als die domme Amerikanen, dat haalde je er wel uit.” (man, 60 jaar)

Tijdens de slag om het Hürtgenwald namen de Amerikanen een huis in gebruik als commandopost. De soldaten noemden het zwaar beschadigde huis spottend het Hurtgen Hotel. Foto: Wikimedia Commons

Ook tijdens het bezoek aan de Duitse begraafplaatsen in Vossenack en Hürtgen identificeerden de deelnemers zich met de Duitse militairen. Dit was vooral op een persoonlijk emotioneel niveau, omdat het ‘gewone’ jongens waren die moesten vechten.

“Er zaten natuurlijk een aantal grote rotzakken bij, maar gewoon de arme gemiddelde soldaat die ook zwaar de pest er in had dat hij op allerlei verschrikkelijke fronten moest vechten, terwijl hij het liefst in Duitsland bij zijn familie was geweest …. Ik vind het goed dat daar ook aandacht aan besteed wordt.” (man, 69 jaar)

Heldenverhalen

De deelnemers aan de Normandië-reis die ik sprak, hadden een andere mening over de multiperspectieve kijk op de geschiedenis. De Oad-reis stond in het teken van de geallieerde invasie in Normandië – Operation Overlord – die op 6 juni 1944 begon om een doorbraak te forceren in de strijd met het Duitse leger en Europa te bevrijden. Toch maakte de chauffeur/reisleider tijdens de reis ook ruimte voor andere perspectieven door bijvoorbeeld de Duitse begraafplaats te bezoeken. De meeste deelnemers verwachtten echter dat het geallieerde perspectief zou domineren. Zij waren vooral geïnteresseerd in de grote lijnen van geschiedenis en bleken vaak op zoek naar de heldenverhalen die zij kennen uit de films The Longest Day (Darryl F. Zanuck, 1962) en Saving Private Ryan (Steven Spielberg, 1998).

Dit kwam met name tot uitdrukking tijdens het bezoek aan de Amerikaanse begraafplaats bij Colleville-sur-Mer, waar 9.387 Amerikaanse soldaten begraven liggen. De imposante architectuur van de begraafplaats vergrootte het besef bij de deelnemers hoeveel Amerikanen er gesneuveld zijn voor ‘onze’ vrijheid.

In Colleville-sur-Mer kreeg de Amerikaanse begraafplaats een imposante oprijlaan mee. Foto: Dennis Jarvis op Wikimedia Commons (CC BY-SA 2.0)

Ondanks hun duidelijke focus hadden sommige deelnemers wel degelijk oog voor het contrast tussen de Amerikaanse begraafplaats en de Duitse begraafplaats in La Cambe, die later op die dag op het programma stond. Anders dan de Amerikaanse begraafplaats, was de Duitse niet zichtbaar vanaf de weg. Toeristen moeten echt goed zoeken om deze begraafplaats in het landschap te vinden, omdat de ingang heel sober is en niet zo groots als bij de Amerikaanse begraafplaats. Een van de deelnemers zei hierover:

“Ik vond alleen één ding storend: dat het Duits kerkhof niet gezien mocht worden. Waarom? Voor mij mag het net als een ander kerkhof ook duidelijk worden aangegeven, ik wil het zien.” (man, 62 jaar)

Weigering

Deze deelnemer voelde zich dus, net als bij de deelnemers aan de Hürtgenwald-reis het geval was, op een persoonlijke emotionele manier betrokken bij deze herinneringsplaats. Maar er waren ook geïnterviewde deelnemers die weigerden om deze begraafplaats te bezoeken. Zij vonden het niet nodig dat het Duitse perspectief werd getoond tijdens de reis. Dit gevoel kwam vaak voort uit hun specifieke familiegeschiedenis, uit eigen oorlogservaringen of uit het feit dat zij vooral naar Normandië waren gekomen om te zien wat de geallieerden gedaan hadden voor ‘onze’ vrijheid.

“Op de Duitse begraafplaats ben ik niet geweest, daar kan ik niet tegen. Omdat daar dus Duitse soldaten begraven liggen, terwijl er van zoveel mensen van mijn familie ook geen graf of wat dan ook bekend is. Daar begin ik niet aan.” (vrouw, 74 jaar)

De Duitse begraafplaats in La Cambe heeft een veel soberder ingang dan de geallieerde begraafplaatsen in de omgeving. Foto: Chatsam op Wikimedia Commons (CC BY-SA 3.0)

Deze verschillende reacties laten zien dat er grenzen zitten aan multiperspectiviteit. De doelstelling die gidsen op dit terrein hebben, komt niet altijd overeen met de wil van het publiek. Natuurlijk zijn er uitzonderingen, zoals de reactie van de deelnemers aan de reis naar Duitsland toont; zij waren wel ontvankelijk voor het verhaal over het Duitse perspectief op de slag rond het Hürtgenwald. Toch blijkt uit mijn verdere promotieonderzoek dat er 75 jaar na de oorlog tijdens dergelijke reizen of andersoortige evenementen nog steeds volop discussies plaatvinden over de vraag of en hoe het Duitse perspectief een plek moet krijgen. Het Duitse perspectief is in het oorlogstoerisme om die reden ook nog steeds marginaal aanwezig (en eigenlijk alleen interessant voor niet-commerciële stichtingen zoals de Vrienden van het Airborne Museum). De meeste deelnemers zijn op zoek naar de heldenverhalen van de geallieerden en bezoeken slechts terloops de Duitse begraafplaatsen.

Over de auteur

 

Laurie Slegtenhorst. Foto: Roy Borghouts Fotografie

Laurie Slegtenhorst (1987) is als promovenda voor het project ‘War! Popular Culture and European Heritage of Major Armed Conflicts’ verbonden aan de Erasmus School of History, Culture and Communication (EUR).


Noot

1 Tijdens de reis naar het Hürtgenwald heb ik 14 deelnemers en 2 gidsen semigestructureerd
geïnterviewd. In Normandië heb ik 7 reizigers elke dag na de tours geïnterviewd. Daarbij heb ik de chauffeur/reisleider geïnterviewd en op de terugweg 5 individuele bezoekers en 2 vader-zoonkoppels een
keer gesproken over hun ervaringen tijdens de reis.


Verder lezen

  • Pieter de Bruijn, Bridges to the Past. Historical Distance and Multiperspectivity in English and Dutch Heritage Educational Resources (Rotterdam 2014).
  • John Eade en Mario Katić eds., Military Pilgrimage and Battlefield Tourism. Commemorating the Dead (Londen, New York 2018).
  • Maria Grever en Carla van Boxtel, Verlangen naar tastbaar verleden. Erfgoed, onderwijs en historisch besef (Hilversum 2014).
  • Dienke Hondius, Oorlogslessen. Onderwijs over de oorlog sinds 1945 (Amsterdam 2010).
  • Bjorn Wansink, Sanne Akkerman, Itzél Zuiker & Theo Wubbels, ‘Where does Teaching Multiperspectivity in History Education begin and end? An analysis of the uses of temporality’, Theory and Research in Social Education (2018).

Foto bovenaan artikel

In Vossenack, niet ver van het Hürtgenwald, verrees een Duitse erebegraafplaats. Foto: Raimond Spekking op Wikimedia Commons (CC BY-SA 3.0)

‘Daar zijn waar het gebeurd is’

Al jaren bezoeken mensen voormalige concentratiekampen uit de Tweede Wereldoorlog. Hun aantallen lijken jaarlijks te stijgen. Auschwitz-Birkenau beleefde met 2,15 miljoen bezoekers in 2018 een absoluut recordjaar. Wat drijft al deze mensen? Jeroen Nawijn zet het wetenschappelijk onderzoek hiernaar op een rijtje.

Voor alle herinneringscentra die na de Tweede Wereldoorlog zijn ingericht op de locaties van voormalige concentratiekampen, geldt dat ze al lange tijd bijhouden hoeveel bezoekers er jaarlijks komen. Daardoor weten we vrij goed hoe deze specifieke tak van herdenkingstoerisme zich door de decennia heen kwantitatief heeft ontwikkeld. Maar naar de vraag wat mensen motiveert tot een bezoek, hoe ze het ervaren, hoe ze terugkijken op het bezoek en wat hen van het bezoek bijblijft, wordt pas relatief recent wetenschappelijk onderzoek gedaan, sinds 2009.

De beschikbare onderzoeken werden uitgevoerd in meerdere Europese landen en op verschillende locaties, en gebruiken verschillende methoden. Toch leveren ze een verrassend consistent beeld op. Wat leren ze ons zoal?

Toeristen luisteren naar een audiotour terwijl ze  de gaskamer van Auschwitz I binnenwandelen. Foto: L-BBE op Wikimedia Commons (CC BY 3.0)

Motivaties en verwachtingen

Er is relatief veel onderzoek verricht naar motivaties van bezoekers. Dit onderzoek toont allereerst dat de motieven voor het bezoeken van voormalige concentratiekampen sterk lijken op de motieven voor bezoek aan cultureel erfgoed in het algemeen. Educatie – de wil om iets te leren, in dit geval om meer te weten te komen over de Holocaust in het algemeen en het voormalige kamp in het bijzonder – is een van de belangrijkste motieven die mensen noemen. Dat geldt ook voor ‘het zien met eigen ogen’, om je er een voorstelling van te kunnen maken. Mensen met een persoonlijke band met de Holocaust zoeken duidelijk ook een emotionele beleving, bijvoorbeeld vanuit het verlangen om een gevoel van verbinding met een overleden familielid te krijgen of te versterken.

Interessant is dat uit onderzoek blijkt dat deze laatste groep bezoekers voorafgaand aan hun bezoek sterker dan andere bezoekers verwachten dat zij positieve emoties zullen ervaren, zoals trots, liefde, compassie of opwinding. Maar over het algemeen verwachten bezoekers met name walging en verdriet het sterkst te voelen. De verschillende verwachtingen zijn wel enigszins afhankelijk van het perspectief waarin mensen zichzelf denken te plaatsen tijdens een bezoek. Als bezoekers denken dat ze vooral de daders voor ogen zullen krijgen en geconfronteerd zullen worden met het perspectief van de nazi’s, dan verwachten ze overwegend negatieve emoties zoals boosheid, woede of angst te gaan voelen. Als ze denken dat de focus op de slachtoffers ligt, verwachten ze juist meer positieve emoties tijdens het bezoek, zoals bijvoorbeeld compassie, maar ook verdriet.

Beleving

Wat mensen ten tijde van hun bezoek daadwerkelijk ervaren, is ook onderwerp van diverse onderzoeken. Een belangrijk aspect van de bezoekersbeleving blijkt te zijn dat de Holocaust ‘tastbaar’ wordt. Men heeft sterk de ervaring ‘daar te zijn waar het gebeurd is’. Een bezoek aan een voormalig concentratiekamp wordt als heel betekenisvol ervaren. Bezoekers komen tijdens hun bezoek veel te weten over de plek zelf, over de slachtoffers en de daders, over de Tweede Wereldoorlog in het algemeen en over de Holocaust in het bijzonder.

Herinneringscentrum Kamp Westerbork: tussen het herinneringscentrum en het voormalig kampterrein kunnen bezoekers gebruik maken van een pendelbus. Foto: Hanno Lans op Wikimedia Commons (CC BY 4.0)

Door diverse onderzoekers is ook onderzocht welke emoties mensen ondergaan tijdens hun bezoek aan een voormalig concentratiekamp. Als je de uitkomsten vergelijkt met die uit onderzoek naar bezoekersbeleving en ervaren emoties op andere toeristische locaties, wordt een duidelijk verschil zichtbaar. Een bezoek aan een voormalig Lager roept zowel in negatieve als in positieve zin uitgesproken emoties op. Daarmee vergeleken is de emotiebeleving op andere toeristische cultuurbestemmingen meer eenduidig en voelen mensen bijna nooit binnen een kort tijdsbestek zowel positieve als negatieve emoties, wat bij een bezoek aan een voormalig concentratiekamp wel vaak voorkomt.

Verder inzoomend op de negatieve emoties zien we bij ‘gewone’ toeristenbestemmingen dat deze met name veroorzaakt worden door ontevredenheid met de dienstverlening. Bij een bezoek aan een voormalig kamp speelt dergelijke ontevredenheid amper een rol. Negatieve emoties worden daar vooral opgeroepen door de aard van de plek en de verhalen die daarbij horen. Onderzoek onder bezoekers van voormalige concentratiekampen laat zien dat zij niet alleen emoties ervaren die uitgesproken negatief of positief zijn. Ze scoren ook buitengewoon sterk op een emotiecluster dat een mix bevat van positieve en negatieve emoties, namelijk compassie, afgunst, verdriet en ontzag. Dit lijkt duidelijk veroorzaakt te worden door de aard van een voormalig concentratiekamp, waarbij de verhalen van de slachtoffers nadrukkelijk aanwezig zijn.

Reflectie achteraf

Bezoekers kijken doorgaans positief terug op hun bezoek, zo laat het beschikbare onderzoek zien. Niet in de zin dat ze een ‘goede tijd’ hebben gehad, maar in de zin dat ze hun bezoek als zeer waardevol hebben ervaren en als zeer betekenisvol zien. Dit uit zich onder andere in positieve mond-tot-mondreclame. Men is sterk geneigd anderen een bezoek aan te raden en te overtuigen van het belang van een bezoek aan een voormalig concentratiekamp. Ook blijken de gevoelens die tijdens een bezoek worden opgeroepen, bezoekers nog lang bij te blijven. Of de opgedane kennis bijblijft, is niet bekend.

De poort van Auschwitz I is waarschijnlijk een van de meest gefotografeerde objecten in het kamp. Foto: Hanno Lans op Wikimedia Commons (CC BY 4.0)

Het is daarnaast duidelijk dat een bezoek vragen oproept bij bezoekers. Sommigen denken na afloop na over de zin van het leven en krijgen een hernieuwde waardering voor het leven, voor vrijheid en voor kwaliteit van leven.

Ondanks de hoge waardering is het animo tot een herhaalbezoek aan dezelfde herinneringsplek of een ander kamp echter relatief laag. De oorzaak hiervan is niet geheel duidelijk. Wellicht vinden bezoekers het bezoek emotioneel te heftig. Het kan ook simpelweg zo zijn dat ze het nut niet inzien van een tweede bezoek, omdat ze niet verwachten een andere ervaring te hebben of iets anders te leren.

Virtual reality

Samenvattend schetsen de bestaande onderzoeken een behoorlijk duidelijk beeld van de motieven voor het bezoeken van een voormalig concentratiekamp, de ervaringen ter plaatse en de reflectie op het bezoek achteraf. Mensen bezoeken een voormalig concentratiekamp voornamelijk om iets te leren en unieks te beleven. Na afloop kijken ze positief terug op dit bezoek, maar hebben ze geen sterke intentie om terug te gaan. Een belangrijk punt van aandacht voor de toekomst is om na te gaan waarom de intentie tot herhaalbezoek relatief laag is en wat eraan gedaan zou kunnen worden om deze intentie te verhogen. Een geringe herhaalbezoekratio is voor herinneringscentra natuurlijk financieel nadelig – de subsidiekraan wordt immers steeds verder dichtgedraaid – maar is ook vanuit educatief perspectief spijtig. Wisselende tentoonstellingen bieden immers de mogelijkheid om telkens net weer andere verhalen en perspectieven mee te geven.

Waar het gaat om bezoekersbeleving, zien we dat veel herinneringscentra de laatste jaren aan de slag zijn gegaan met het reconstrueren of herplaatsen van objecten, om bezoekers een duidelijker beeld te laten vormen van de situatie in het kamp tijdens de Tweede Wereldoorlog. Er wordt ook volop gewerkt met moderne toepassingen zoals virtual reality en augmented reality.

Staatssecretaris Martin van Rijn (kabinet Rutte II) bekijkt met eigen ogen het virtuele Sobibor in Nationaal Monument Kamp Vught. Foto: Screenshot van de NOS

Soms is het zelfs mogelijk een ander kamp te ‘ervaren’ via een virtual reality-toepassing. Zo was het in 2016 mogelijk om virtueel Sobibor te ‘bezoeken’, terwijl men zich fysiek in Kamp Vught bevond. Hoe zulk soort toepassingen de bezoekersbeleving beïnvloeden is nog niet bekend; daarvoor is specifiek onderzoek vereist.

Naast deze technische aanvullingen wordt op de diverse locaties het bestaande scala aan verhalen uitgebreid, gedocumenteerd en geprofessionaliseerd. Deze innovaties zullen hopelijk de intentie tot herhaalbezoek verhogen en de waardering van het bezoek, die al hoog is, alleen nog maar vergroten. Als deze aanvullingen goed aansluiten bij de motieven tot bezoek, dan kunnen we ook verwachten dat de beoogde kennisoverdracht succes zal hebben.

Over de auteur

 

Jeroen Nawijn

Jeroen Nawijn is senior docent/onderzoeker toerisme aan Breda University of Applied Sciences. Hij heeft ruime ervaring op het gebied van bezoekersonderzoek en panelonderzoek. Zijn expertise betreft thema’s als welbevinden, bezoekervaring, duurzaam toerisme en cultureel erfgoed.


Verder lezen

  • A. Biran, Y. Poria & G. Oren, Sought Experiences at (Dark) Heritage Sites. In: Annals of Tourism Research, 38(3), 2011, p. 820-841.
  • R.K. Isaac & E. Çakmak, Understanding Visitor’s Motivation at Sites of Death and Disaster: The Case of Former Transit Camp Westerbork, the Netherlands. In: Current Issues in Tourism, 17(2), 2014, p. 164-179.
  • R. K Isaac, J. Nawijn, A. van Liempt & K. Gridnevskiy, Understanding Dutch Visitors’ Motivations to Concentration Camp Memorial Sites. In: Current Issues in Tourism, 2017, online ahead of print.
  • C.A. Kidron, Being There Together: Dark Family Tourism and the Emotive Experience of Copresence in the Holocaust. In: Annals of Tourism Research, 41, 2013, p. 175-194.
  •  S. Liyanage, A. Coca-Stefaniak & R. Powell, Dark Destinations – Visitor Reflections from a Holocaust Memorial Site. In: International Journal of Tourism Cities, 1(4), 2015, p. 282-298.
  • J. Nawijn, M. Brüggemann & O. Mitas, The Effect of Sachsenhausen Visitors’ Emotions on Meaning and Word-of-Mouth. In: Tourism Analysis, 22(3), 2017, p. 49-359.
  • J. Nawijn & M.C. Fricke, Visitor Emotions and Behavioral Intentions: The Case of Concentration Camp Memorial Neuengamme. In: International Journal of Tourism Research, 17(3), 2015, p. 221-228.
  • J. Nawijn, R.K. Isaac, K. Gridnevskiy & A. van Liempt, Holocaust Concentration Camp Memorial Sites: An Exploratory Study into Expected Emotional Response. In: Current Issues in Tourism, 21(2), 2018, p. 175-190.
  • J. Nawijn, R.K. Isaac, A. van Liempt & K. Gridnevskiy, Emotion Clusters for Concentration Camp Memorials. In: Annals of Tourism Research, 61, 2016, p. 244-247.
  • T.P. Thurnell-Read, Engaging Auschwitz: An Analysis of Young Travellers’ Experiences of Holocaust Tourism. In: Journal of Tourism Consumption and Practice, 1(1), 2009, p. 26-52.

Foto bovenaan artikel

Toeristen staan in de rij om Auschwitz I binnen te gaan. Adrian Grycuk op Wikimedia Commons (CC BY-SA 3.0 PL)

Begraven op de Grebbeberg

Transnationaal herdenken als propagandamiddel

 

In de WO2-zoekmachine Oorlogsbronnen.nl komen miljoenen bronnen uit honderden verschillende erfgoedcollecties samen. Iedere bron kent een eigen verhaal en achter elk verhaal schuilen verschillende bronnen. Dit keer in ‘Oorlogsbron uitgelicht’: hoe op de begraafplaats op de Grebbeberg tijdens de oorlog zowel Nederlandse als Duitse gevallenen werden herdacht.

Tijdens de meidagen van 1940 werd het Nederlands leger binnen vijf dagen verslagen. De hevigste gevechten vonden tussen 11 en 13 mei plaats tijdens de slag om de Grebbeberg. De gesneuvelde militairen werden begraven op de Grebbeberg zelf. Ruim 400 Nederlandse militairen en ongeveer 150 Duitse militairen vonden hier vlak na de slag hun laatste rustplaats. De graven werden voorzien van houten kruizen, die later geleidelijk vervangen werden door grafstenen.

De Duitse graven lagen vooraan met de SS’ers op een ereplaats, terwijl de Nederlanders achteraan begraven lagen. Tijdens de begrafenissen verzorgden zowel protestantse als katholieke geestelijken een plechtigheid, waarbij afgesloten werd met een eresalvo en het Onze Vader. Vervolgens werd de militaire begraafplaats overgedragen aan de lokale burgemeester, met de plechtige belofte van de Duitse Hauptmann Lessmann dat het een bedevaartsoord voor zowel Nederlanders als Duitsers zou worden.

Begraafplaats op de Grebbeberg in mei 1940. Bron: collectie NIOD, Beeldbank WO2, fotonr. 68384, fotograaf onbekend

Herdenkingen van Duitse en Nederlandse slachtoffers

Al heel snel vonden op de Grebbeberg herdenkingen plaats. Tijdens de eerste plechtigheid op 21 mei 1940, nadat alle slachtoffers waren begraven, legde de Duitse legervoorlichter Von der Decken twee kransen. Dit deed hij ter nagedachtenis aan zowel de Nederlandse als de Duitse slachtoffers. Ook de Nederlandse luitenant Wiardi Beckmann sprak hier, als afgevaardigde van generaal Winkelman. Hij bracht een laatste groet aan de Nederlandse gevallenen namens het Nederlandse volk en leger. Deze herdenking werd vastgelegd door Nederlandse journalisten en diende de Duitse propagandadoeleinden.

De eerste officiële herdenking met belangrijke hoogwaardigheidsbekleders – onder wie de Höhere SS- und Polizeiführer Hanns Albin Rauter en Rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart – vond plaats in juni 1940. Ondertussen kwamen Nederlandse oud-strijders naar de begraafplaatsen om hun omgekomen kameraden te eren en trok ook de Nederlandse bevolking massaal naar het bekende slagveld en de bijbehorende begraafplaats, die enorm tot de verbeelding spraken. Zowel rouwende families als nieuwsgierige toeristen maakten een dagtocht naar de Grebbeberg.

Hanss Albin Rauter en Arthur Seyss-Inquart tijdens de eerste officiële herdenking op de Grebbeberg in juni 1940. Bron: collectie NIOD, Beeldbank WO2, fotonr. 70073, fotograaf onbekend

19 november 1942: Joseph Goebbels heeft een krans gelegd voor de gevallenen op de Grebbeberg en brengt de Hiltergroet. Op de achtergrond kinderen van de Nationale Jeugdstorm. Bron: collectie NIOD, Beeldbank WO2, fotonr. 50018, fotograaf onbekend

Heldengedenktag

Gedurende de Tweede Wereldoorlog zetten de nationaalsocialisten de bijzondere variant van transnationaal herdenken die op de Grebbeberg ontstond in voor eigen gewin tijdens Heldengedenktag. Deze Duitse feestdag was oorspronkelijk een dodenherdenking, maar werd tijdens de Tweede Wereldoorlog omgevormd naar een heldenverering van omgekomen nazi’s. Tijdens Heldengedenktag werd jaarlijks een herdenkingsbijeenkomst gehouden bij de Grebbeberg. Foto’s uit 1943 en 1944 tonen hoe de Duitse autoriteiten en de NSB samen optrekken om de Nederlandse en Duitse gevallenen te herdenken op de begraafplaats, daarbij gebruik makend van groot militair vertoon.

Heldengedenktag op de Grebbeberg in aanwezigheid van de NSB, de Duitse Wehrmacht en nabestaanden van Duitse gesneuvelde militairen, maart 1943. Bron: collectie NIOD, Beeldbank WO2, fotonr. 99180, Fotodienst der N.S.B. vervaardiger G.H. Cino

Heldengedenktag op de Grebbeberg op 12 maart 1944. Bron: collectie NIOD, Beeldbank WO2, fotonr. 41732, vervaardiger S. Fritz

Broedervolk

Het transnationale herdenken op de Grebbeberg paste goed binnen het nationaalsocialistische denkbeeld waarin Nederlanders werden gezien als broedervolk. Dit kwam ook tot uiting in de groeiende nazistische ideologisering van de Grebbeberg. Als reactie op Nederlandse uitingen van vaderlandsliefde die er ook wel te zien waren, zoals het uitsluitend langs de Nederlandse graven lopen, eigenden de nationaalsocialisten zich de plek steeds meer toe. Dit uitte zich in de uniformering van de grafzerken en het verplicht verwijderen van de wapens welke in graven waren gestoken.

De Nederlandse gevallenen werden in toenemende mate geëerd als in essentie Germaanse strijders waarbij herdenkingen steeds meer in het teken stonden van nationaalsocialistische retoriek. De Nederlandse nationaalsocialistische organisaties legden de nadruk op de Groot-Germaanse gedachte, waarbij zowel de Duitse als Nederlandse gesneuvelde militairen tot hetzelfde broedervolk behoorden. Ook werd de aanwezigheid van Nederlandse militairen vanaf april 1943 vrijwel onmogelijk gemaakt door de herinvoering van het krijgsgevangenschap. Deze militairen waren aanvankelijk enkele weken na de meidagen van 1940 vrijgelaten. Na de oproep tot herinvoering werden ze weggevoerd of voelden ze zich genoodzaakt onder te duiken.

Toegangspoort tot de begraafplaats op de Grebbeberg. Links op de poort staat RI 8, 19 en 46, rechts SS DF 322: een verwijzing naar de belangrijkste Nederlandse en Duitse eenheden die vochten op en rond de berg. Bron: collectie NIOD, Beeldbank WO2, fotonr. 68391, fotograaf onbekend

Ruiming van Duitse graven

Na het einde van de oorlog veranderde de vorm van herinneren op de Grebbeberg radicaal. Een letterlijk en symbolisch nationaliseringsproces moest het transnationale herinneren op nationaalsocialistische leest vervangen. De nationalisering van de herinnering begon met het verwijderen van de nationaalsocialistische gedenktekens en werd in 1947 voltooid door het letterlijk scheiden van de Nederlandse en Duitse slachtoffers. Alle Duitse graven werden geruimd en de stoffelijke overschotten werden verplaatst naar de Duitse militaire begraafplaats in Ysselsteyn. De begraafplaats bij de Grebbeberg veranderde in Militair Ereveld Grebbeberg en werd zo van zijn wat verwrongen transnationalistische opzet ontdaan.

Meer over de Grebbeberg

De collectie-portal Oorlogsbronnen.nl bevat een schat aan bronnen met betrekking tot de Grebbeberg en de herdenkingen die daar hebben plaatsgevonden. Bekijk bijvoorbeeld de tientallen foto’s van herdenkingen of Heldengedenktagen op de Grebbeberg.

Over Netwerk Oorlogsbronnen

Het Netwerk Oorlogsbronnen wordt gefaciliteerd door het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies en gefinancierd door het ministerie van VWS, vfonds en VSBfonds.

Het bevrijde Nijmegen als frontstad

In de WO2-zoekmachine Oorlogsbronnen.nl komen miljoenen bronnen uit tientallen verschillende erfgoedcollecties samen. Iedere bron kent een eigen verhaal en achter elk verhaal schuilen verschillende bronnen. Onderzoek uitgelicht richt elke editie de schijnwerper op een bron die verband houdt met het besproken thema. Dit keer in ‘Oorlogsbron uitgelicht’: het bevrijde Nijmegen als frontstad tijdens Operatie Market Garden.

Als het gaat over Operatie Market Garden ligt de focus vaak op de militaire mislukking bij Arnhem – een brug te ver. Maar terwijl de geëvacueerde Arnhemse bevolking in spanning wachtte op de aanstaande bevrijding, hadden de Nijmegenaren het ondertussen ook zwaar te verduren. Het bevrijde Nijmegen veranderde namelijk in een frontstad, met de bevolking in de vuurlinie.

Na het bombardement van 22 februari 1944 was de oorlogsschade in Nijmegen immens. Foto: Fotopersbureau Gelderland – Regionaal Archief Nijmegen – © J.F.M. Trum (CC-BY-SA) 

De stad was al zwaar geteisterd door het geallieerde bombardement van 22 februari 1944. Hierbij werd een deel van de Nijmeegse bevolking dakloos. De nog overeind staande gebouwen in de binnenstad werden tijdens de bevrijdingsgevechten alsnog grotendeels verwoest, deels doordat terugtrekkende Duitse troepen opzettelijk brand stichtten. Dit vergrootte het al bestaande ernstige woningtekort nog verder en maakte dat een deel van de bevolking zijn heil zocht in de schuilkelders.

20 november 1944: een volgeladen truck met vluchtelingen en fietsen, geëvacueerd vanuit het zuiden van Arnhem, arriveert in Nijmegen. Foto: Capt. Frank L. Dubervill –Library and Archives Canada 

Ingekwartierde soldaten

Na een dagenlange strijd werd de stad op 20 september 1944 bevrijd. Maar nog hield de oorlog niet op. De stad kwam met haar bevolking pal aan de frontlinie te liggen. Nijmegen bleef voor de periode van ongeveer een halfjaar het doel van Duitse bommen en granaten. Dit dwong een deel van de bevolking om een veilig onderkomen te zoeken in de schuilkelders, terwijl de ingekwartierde geallieerde soldaten de stad alleen maar voller maakten.

Neveneffect van de Operatie Market Garden: burgers vluchten uit Arnhem richting Nijmegen. Foto: NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies 

De grote geallieerde militaire aanwezigheid werd veroorzaakt door het gevaar van de Duitse beschietingen en eventuele tegenaanvallen. Ook de geallieerde voorbereidingen voor de doorstoot naar Duits grondgebied tijdens Operatie Veritable droeg hieraan bij. De stad mocht dan bevrijd zijn, de bewoners waren niet vrij om zomaar de straten op te gaan. Ze kampten met grote woningnood, voedseltekorten en de blijvende oorlogsdreiging.

Oktober 1944: Nijmegenaren zoeken een schuilplaats in de kelder van het Rondeel, gelegen in het Kronenburgerpark. Foto: Regionaal Archief Nijmegen

Video-opnamen

Regionale geschiedenis biedt de kans om dit onderbelichte verhaal over de burgers van Nijmegen in het bredere geschiedenisverhaal van Operatie Market Garden op te nemen en voor het voetlicht te brengen. Daarmee wordt het mogelijk om op den duur steeds meer puzzelstukjes samen te voegen en daarmee het verhaal van Operatie Market Garden zo compleet mogelijk te maken.

De collectie-portal Oorlogsbronnen.nl bevat een schat aan bronnen met betrekking tot Operatie Market Garden en de Nijmeegse rol in het bevrijdingsproces. Er zijn bijvoorbeeld video-opnamen die gemaakt werden tijdens de bevrijding van Nijmegen en allerhande foto’s van een verwoest Nijmegen. Ook biedt de portal naoorlogse bronnen zoals herinnerings- en herdenkingsobjecten en een fotoserie van een veteranenbijeenkomst in 1998.

Over Netwerk Oorlogsbronnen

Het Netwerk Oorlogsbronnen wordt gefaciliteerd door het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies en gefinancierd door het ministerie van VWS, vfonds en VSBfonds.


Foto bovenaan artikel: Nijmegen kende tal van particuliere schuilkelders, zoals die onder het schildersbedrijf J.P.W. Lauran aan de Van Welderenstraat 93. Bron: Regionaal Archief Nijmegen 

 

 

Beladen archief

In het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR) liggen de dossiers van ruim 300.000 personen die na de Tweede Wereldoorlog zijn onderzocht omdat ze werden verdacht van ‘collaboratie’: samenwerking met de Duitse bezetter, het in dienst treden bij de vijandelijke krijgsmacht, verraad of NSB-lidmaatschap. De inhoud van dit archief roept tot op de dag van vandaag sterke emoties op. Welke rol speelt het CABR in de individuele en maatschappelijke verwerking van het oorlogsverleden? Onderzoek uitgelicht-redacteur Froukje Demant sprak hierover met oud-archivaris Sierk Plantinga en programmamanager Netwerk Oorlogsbronnen Edwin Klijn.

Het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging stamt uit 1950. Vanaf dat jaar bracht het ministerie van Justitie de dossiers van alle verschillende instanties die zich bezighielden met collaboratieverdenkingen bijeen. Een halve eeuw later, in 2000, werd het bijna vier kilometer lange archief van het ministerie overgebracht naar het Nationaal Archief (toen nog Algemeen Rijksarchief). De voorwaarden voor inzage bleven ongewijzigd: men kon alleen de dossiers inzien van personen die waren overleden of die toestemming hadden verleend voor inzage, of voor wetenschappelijk onderzoek. Toch nam het aantal aanvragen een ongekende vlucht. Tot dat moment werden circa 700 dossiers per jaar aangevraagd. Inmiddels staat de teller op gemiddeld 3000 aanvragen per jaar, variërend van één tot honderden dossiers per aanvraag. Wat zorgde voor de explosieve toename van de interesse voor deze dossiers sinds de eeuwwisseling?

Studiezaal van Nationaal Archief in Den Haag. Hier ligt het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging sinds 2000 opgeslagen. Foto: Nationaal Archief – Anne Reitsma

Emotionele geladenheid

Plantinga, tot zijn pensionering in 2013 werkzaam bij het Nationaal Archief, was als archivaris dagelijks betrokken bij het CABR. ‘‘Wij hadden na de overdracht opeens huilende mensen aan de telefoon. Veel van de mensen die contact met ons zochten hadden een enorme drive om uit te vinden wat de bron van de ellende in hun familie was. We hebben geprobeerd deze mensen als archivaris zo goed mogelijk bij te staan door hun context te bieden bij de dossiers die ze kwamen inzien. We gaven uitleg over de afkortingen die ze tegen konden komen en over de verschillende soorten dossiers binnen het CABR. Maar de emotionele geladenheid van het archief kwam ook op andere manieren tot uitdrukking. Het kwam vaak voor dat mensen een verzoek indienden, maar niet kwamen opdagen wanneer we hen lieten weten dat de stukken klaarlagen. Soms duurde het jaren voordat je weer iets hoorde. Mensen die wel kwamen en in de dossiers lazen dat er inderdaad het nodige aan de hand was geweest, waren vaak intens verdrietig. Maar omgekeerd herinner ik mij ook twee broers van het Groningse platteland die bij het dossier van hun vader zoiets hadden van: ‘Is dat nu alles? Hebben we ons daar al die jaren met z’n allen nu zo druk om gemaakt?”’

 

Taboedoorbrekend

Het CABR speelt voor individuen en families dus een belangrijke rol in de verwerking van een gevoelig aspect van de eigen geschiedenis. Maar de enorme groei in belangstelling vanaf 2000 reflecteert ook een ontwikkeling op maatschappelijk niveau. Blijkbaar was de tijd rijp om als samenleving met elkaar het gesprek aan te gaan over collaboratie tijdens de Tweede Wereldoorlog en de erfenis daarvan. Plantinga: “De toestroom was volgens mij vooral het gevolg van het doorbreken van een taboe. Voor die tijd was het toch zo dat als je vader een NSB’er was geweest, je zelf ook in dat hokje werd gestopt. Als gevolg van de overdracht van het archief van het ministerie naar het Nationaal Archief ontstond grote publiciteit: iedereen las erover in de krant of zag iets op televisie. Meer mensen werden zich daardoor bewust van het bestaan van dit archief, maar er gebeurde ook iets met de beeldvorming. Bij Barend & Witteman kwamen bijvoorbeeld drie vrouwen met ‘foute’ ouders aan het woord. Maar ook de reuring rond het voorgenomen huwelijk van Willem-Alexander en Maxima speelde een rol. Er verschenen regelmatig ingezonden brieven in de krant met de strekking ‘doe haar niet aan wat ons is aangedaan’. Het publieke gevoel veranderde: je kunt kinderen niet aanrekenen wat hun ouders hebben gedaan.”

 

Waarom-vragen

Edwin Klijn is NSB-specialist en coördinator van het TRIADO-project dat onderzoekt hoe digitale methoden kunnen worden ingezet om archieven zoals het CABR beter doorzoekbaar te maken. Hij sluit zich aan bij de analyse van Plantinga. “Ik herken de beweging naar meer openheid in de publieke sfeer. Ik heb voor mijn onderzoek naar de NSB veel gebruikgemaakt van het CABR. Rond de publiciteit van dat onderzoek kwamen soms kinderen van NSB’ers naar mij toe. Ze waren vaak een beetje schuchter, maar toch had je al snel een open gesprek. Ik heb nooit meegemaakt dat zij zich over het verleden van hun ouders verontschuldigden en dat vind ik heel goed.” Mensen stellen het ook op prijs dat onderzoekers oprecht willen begrijpen waarom de NSB zo veel mensen heeft aangetrokken, signaleert Klijn. “Die waarom-vragen werden vroeger niet gesteld. Voor wetenschappelijk onderzoek gold namelijk lange tijd hetzelfde als voor de maatschappelijke discussie: op de thema’s daderschap en collaboratie rustte een enorm taboe. Het idee was dat het fascisme fout was en je het dus niet hoefde te onderzoeken. Zonde, want onderzoek kan zaken soms juist heel mooi scherp stellen.”

Dringen voor een plekje op de publieke tribune bij het Bijzonder Gerechtshof in Amsterdam, dat in 1945 werd opgericht. Foto: Nationaal Archief – Spaarnestad Photo

TRIADO

In januari 2017 ging TRIADO – Tribunaalarchieven als Digitale Onderzoeksfaciliteit – van start. In dit project wordt verkend hoe het CABR beter doorzoekbaar en bruikbaar kan worden gemaakt voor nieuw wetenschappelijk onderzoek. Klijn: “We kijken nu vooral hoe nieuwe digitale technologie kan worden ingezet om het archief fijnmaziger te ontsluiten. Deze technologie kan mogelijk in een later stadium worden ingezet, mocht het archief inderdaad gedigitaliseerd worden.” Het project, dat loopt tot juli 2019, wordt uitgevoerd door het Netwerk Oorlogsbronnen in samenwerking met het NIOD, Huygens ING en het Nationaal Archief en is mogelijk gemaakt door het KNAW-onderzoeksfonds. Projectcoördinator Klijn: “Het CABR is een ongelooflijk rijk archief, omdat er veel meer te vinden is dan alleen informatie over de daders. Omdat het veel getuigenverklaringen bevat, kun je er ook prachtige dingen uithalen over de context, bijvoorbeeld wanneer iemand de sfeer op een hoofdkantoor van de politie beschrijft. Maar omdat het archief enkel op naam van de dader toegankelijk is, is dat soort informatie nu nog lastig te vinden. We onderzoeken nu of het mogelijk is om het archief digitaal doorzoekbaar te maken via verschillende ingangen: wie, wat, waar en wanneer.”

 

Privacy

Het CABR zal in de toekomst niet alleen beter doorzoekbaar worden. Ook de restricties voor inzage zullen worden opgeheven: het archief wordt in principe in 2025 geheel openbaar. Niet iedereen is daar blij mee. Plantinga: “In Nederland geldt de bescherming van de privacy alleen voor levende personen. Binnen afzienbare tijd zullen alle daders overleden zijn, maar ook voor de tweede generatie is het dan nog een gevoelig archief. Je hebt immers ook nog zoiets als het hooghouden van de goede naam van de familie. Ondanks de gegroeide openheid is er nog steeds veel schaamte. Ik herinner me een vrouw die samen met haar zonen het dossier van haar vader in kwam zien. Zij vroeg me daarna wat er met het dossier zou gebeuren, want wat haar betreft kon het nu wel vernietigd worden. Zij hadden het immers ingezien en verder hoefde niemand de inhoud te weten te komen wat haar betreft.”

 

De dynamiek van digitalisering

Klijn: “Als onderzoeker is het mijn wens dat het archief volledig digitaal doorzoekbaar en openbaar wordt. Maar ik begrijp ook de gevoeligheden. We moeten goed nadenken over de dynamiek die digitalisering met zich meebrengt. Als in een zoektocht naar een bepaalde familie de eerste hit op internet een verwijzing naar een NSB-krant is, dan is dat natuurlijk heel vervelend. Bovendien kunnen mensen daar in hun interpretatie helemaal de mist mee ingaan – denk aan scholieren die een werkstuk schrijven. Ik ben er daarom voor om mensen ook digitaal goed uit te leggen waar ze naar kijken, vergelijkbaar met de uitleg die Plantinga gaf aan personen die dossiers kwamen inzien. Je hebt als erfgoedinstelling toch een bepaalde verantwoordelijkheid om context te bieden. Daarbij moet overigens wel consequent te werk worden gegaan. Het kan niet zo zijn dat de ene collectie wel wordt voorafgegaan door een introductie en de andere niet. Het archief moet immers niet bepalen wat ‘fout’ is en daarom introductie behoeft.”

Digitalisering moet de CABR-dossiers beter doorzoekbaar maken. Foto: Netwerk Oorlogsbronnen

In het reine

Het is niet moeilijk de houding ten opzichte van het CABR te beschouwen als graadmeter voor de maatschappelijke omgang met collaborateurs. En die kent overduidelijk twee kanten. Enerzijds is de erfenis van daderschap een minder beladen onderwerp geworden en is er meer wetenschappelijke aandacht voor de betekenis van collaboratie. Anderzijds bestaat binnen veel families nog volop schaamte en voelen kinderen en kleinkinderen zich niet vrij om zich publiekelijk te uiten over een ‘fout’ familielid. Maar Plantinga en Klijn zijn het er roerend over eens dat archiefinstellingen los van maatschappelijke discussies en gevoeligheden een eigen taak te vervullen hebben: de bestaande collectie zo goed mogelijk ter beschikking stellen. Plantinga: “Weten is tenslotte beter dan niet weten. Weten is een eerste stap om met het verleden in het reine te komen.”

Een kijkje achter de schermen bij het CABR? Het Nationaal Archief biedt o.a. een speciale Tweede Wereldoorlog-rondleiding voor groepen tot 15 personen aan. Hierbij bezoekt u ook het CABR-archief. Het verhaal over het archief wordt verteld aan de hand van originele archiefstukken. Te boeken via www.gahetna.nl.

 

Over de auteur en de geïnterviewden

Edwin Klijn (1970) is programmamanager van het Netwerk Oorlogsbronnen en coördinator van het TRIADO-project. Samen met Robin te Slaa werkt hij aan een driedelig naslagwerk over de geschiedenis van de Nationaal-Socialistische Beweging. Het eerste deel hiervan verscheen in 2009.

Sierk Plantinga (1948) was van 1973 tot 2013 als archivaris werkzaam bij het Algemeen Rijksarchief / Nationaal Archief in Den Haag. Sinds 2015 is hij vrijwilliger bij het Engelandvaardersmuseum in Noordwijk.

Froukje Demant (1980) is senior onderzoeker bij het Nationaal Comité 4 en 5 mei en redacteur van Onderzoek uitgelicht.

Edwin Klijn. Foto: Anne Reitsma

Sierk Plantinga.