Het bevrijde Nijmegen als frontstad

In de WO2-zoekmachine Oorlogsbronnen.nl komen miljoenen bronnen uit tientallen verschillende erfgoedcollecties samen. Iedere bron kent een eigen verhaal en achter elk verhaal schuilen verschillende bronnen. Onderzoek uitgelicht richt elke editie de schijnwerper op een bron die verband houdt met het besproken thema. Dit keer in ‘Oorlogsbron uitgelicht’: het bevrijde Nijmegen als frontstad tijdens Operatie Market Garden.

Als het gaat over Operatie Market Garden ligt de focus vaak op de militaire mislukking bij Arnhem – een brug te ver. Maar terwijl de geëvacueerde Arnhemse bevolking in spanning wachtte op de aanstaande bevrijding, hadden de Nijmegenaren het ondertussen ook zwaar te verduren. Het bevrijde Nijmegen veranderde namelijk in een frontstad, met de bevolking in de vuurlinie.

Na het bombardement van 22 februari 1944 was de oorlogsschade in Nijmegen immens. Foto: Fotopersbureau Gelderland – Regionaal Archief Nijmegen – © J.F.M. Trum (CC-BY-SA) 

De stad was al zwaar geteisterd door het geallieerde bombardement van 22 februari 1944. Hierbij werd een deel van de Nijmeegse bevolking dakloos. De nog overeind staande gebouwen in de binnenstad werden tijdens de bevrijdingsgevechten alsnog grotendeels verwoest, deels doordat terugtrekkende Duitse troepen opzettelijk brand stichtten. Dit vergrootte het al bestaande ernstige woningtekort nog verder en maakte dat een deel van de bevolking zijn heil zocht in de schuilkelders.

20 november 1944: een volgeladen truck met vluchtelingen en fietsen, geëvacueerd vanuit het zuiden van Arnhem, arriveert in Nijmegen. Foto: Capt. Frank L. Dubervill –Library and Archives Canada 

Ingekwartierde soldaten

Na een dagenlange strijd werd de stad op 20 september 1944 bevrijd. Maar nog hield de oorlog niet op. De stad kwam met haar bevolking pal aan de frontlinie te liggen. Nijmegen bleef voor de periode van ongeveer een halfjaar het doel van Duitse bommen en granaten. Dit dwong een deel van de bevolking om een veilig onderkomen te zoeken in de schuilkelders, terwijl de ingekwartierde geallieerde soldaten de stad alleen maar voller maakten.

Neveneffect van de Operatie Market Garden: burgers vluchten uit Arnhem richting Nijmegen. Foto: NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies 

De grote geallieerde militaire aanwezigheid werd veroorzaakt door het gevaar van de Duitse beschietingen en eventuele tegenaanvallen. Ook de geallieerde voorbereidingen voor de doorstoot naar Duits grondgebied tijdens Operatie Veritable droeg hieraan bij. De stad mocht dan bevrijd zijn, de bewoners waren niet vrij om zomaar de straten op te gaan. Ze kampten met grote woningnood, voedseltekorten en de blijvende oorlogsdreiging.

Oktober 1944: Nijmegenaren zoeken een schuilplaats in de kelder van het Rondeel, gelegen in het Kronenburgerpark. Foto: Regionaal Archief Nijmegen

Video-opnamen

Regionale geschiedenis biedt de kans om dit onderbelichte verhaal over de burgers van Nijmegen in het bredere geschiedenisverhaal van Operatie Market Garden op te nemen en voor het voetlicht te brengen. Daarmee wordt het mogelijk om op den duur steeds meer puzzelstukjes samen te voegen en daarmee het verhaal van Operatie Market Garden zo compleet mogelijk te maken.

De collectie-portal Oorlogsbronnen.nl bevat een schat aan bronnen met betrekking tot Operatie Market Garden en de Nijmeegse rol in het bevrijdingsproces. Er zijn bijvoorbeeld video-opnamen die gemaakt werden tijdens de bevrijding van Nijmegen en allerhande foto’s van een verwoest Nijmegen. Ook biedt de portal naoorlogse bronnen zoals herinnerings- en herdenkingsobjecten en een fotoserie van een veteranenbijeenkomst in 1998.

Over Netwerk Oorlogsbronnen

Het Netwerk Oorlogsbronnen wordt gefaciliteerd door het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies en gefinancierd door het ministerie van VWS, vfonds en VSBfonds.


Foto bovenaan artikel: Nijmegen kende tal van particuliere schuilkelders, zoals die onder het schildersbedrijf J.P.W. Lauran aan de Van Welderenstraat 93. Bron: Regionaal Archief Nijmegen 

 

 

Beladen archief

In het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR) liggen de dossiers van ruim 300.000 personen die na de Tweede Wereldoorlog zijn onderzocht omdat ze werden verdacht van ‘collaboratie’: samenwerking met de Duitse bezetter, het in dienst treden bij de vijandelijke krijgsmacht, verraad of NSB-lidmaatschap. De inhoud van dit archief roept tot op de dag van vandaag sterke emoties op. Welke rol speelt het CABR in de individuele en maatschappelijke verwerking van het oorlogsverleden? Onderzoek uitgelicht-redacteur Froukje Demant sprak hierover met oud-archivaris Sierk Plantinga en programmamanager Netwerk Oorlogsbronnen Edwin Klijn.

Het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging stamt uit 1950. Vanaf dat jaar bracht het ministerie van Justitie de dossiers van alle verschillende instanties die zich bezighielden met collaboratieverdenkingen bijeen. Een halve eeuw later, in 2000, werd het bijna vier kilometer lange archief van het ministerie overgebracht naar het Nationaal Archief (toen nog Algemeen Rijksarchief). De voorwaarden voor inzage bleven ongewijzigd: men kon alleen de dossiers inzien van personen die waren overleden of die toestemming hadden verleend voor inzage, of voor wetenschappelijk onderzoek. Toch nam het aantal aanvragen een ongekende vlucht. Tot dat moment werden circa 700 dossiers per jaar aangevraagd. Inmiddels staat de teller op gemiddeld 3000 aanvragen per jaar, variërend van één tot honderden dossiers per aanvraag. Wat zorgde voor de explosieve toename van de interesse voor deze dossiers sinds de eeuwwisseling?

Studiezaal van Nationaal Archief in Den Haag. Hier ligt het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging sinds 2000 opgeslagen. Foto: Nationaal Archief – Anne Reitsma

Emotionele geladenheid

Plantinga, tot zijn pensionering in 2013 werkzaam bij het Nationaal Archief, was als archivaris dagelijks betrokken bij het CABR. ‘‘Wij hadden na de overdracht opeens huilende mensen aan de telefoon. Veel van de mensen die contact met ons zochten hadden een enorme drive om uit te vinden wat de bron van de ellende in hun familie was. We hebben geprobeerd deze mensen als archivaris zo goed mogelijk bij te staan door hun context te bieden bij de dossiers die ze kwamen inzien. We gaven uitleg over de afkortingen die ze tegen konden komen en over de verschillende soorten dossiers binnen het CABR. Maar de emotionele geladenheid van het archief kwam ook op andere manieren tot uitdrukking. Het kwam vaak voor dat mensen een verzoek indienden, maar niet kwamen opdagen wanneer we hen lieten weten dat de stukken klaarlagen. Soms duurde het jaren voordat je weer iets hoorde. Mensen die wel kwamen en in de dossiers lazen dat er inderdaad het nodige aan de hand was geweest, waren vaak intens verdrietig. Maar omgekeerd herinner ik mij ook twee broers van het Groningse platteland die bij het dossier van hun vader zoiets hadden van: ‘Is dat nu alles? Hebben we ons daar al die jaren met z’n allen nu zo druk om gemaakt?”’

 

Taboedoorbrekend

Het CABR speelt voor individuen en families dus een belangrijke rol in de verwerking van een gevoelig aspect van de eigen geschiedenis. Maar de enorme groei in belangstelling vanaf 2000 reflecteert ook een ontwikkeling op maatschappelijk niveau. Blijkbaar was de tijd rijp om als samenleving met elkaar het gesprek aan te gaan over collaboratie tijdens de Tweede Wereldoorlog en de erfenis daarvan. Plantinga: “De toestroom was volgens mij vooral het gevolg van het doorbreken van een taboe. Voor die tijd was het toch zo dat als je vader een NSB’er was geweest, je zelf ook in dat hokje werd gestopt. Als gevolg van de overdracht van het archief van het ministerie naar het Nationaal Archief ontstond grote publiciteit: iedereen las erover in de krant of zag iets op televisie. Meer mensen werden zich daardoor bewust van het bestaan van dit archief, maar er gebeurde ook iets met de beeldvorming. Bij Barend & Witteman kwamen bijvoorbeeld drie vrouwen met ‘foute’ ouders aan het woord. Maar ook de reuring rond het voorgenomen huwelijk van Willem-Alexander en Maxima speelde een rol. Er verschenen regelmatig ingezonden brieven in de krant met de strekking ‘doe haar niet aan wat ons is aangedaan’. Het publieke gevoel veranderde: je kunt kinderen niet aanrekenen wat hun ouders hebben gedaan.”

 

Waarom-vragen

Edwin Klijn is NSB-specialist en coördinator van het TRIADO-project dat onderzoekt hoe digitale methoden kunnen worden ingezet om archieven zoals het CABR beter doorzoekbaar te maken. Hij sluit zich aan bij de analyse van Plantinga. “Ik herken de beweging naar meer openheid in de publieke sfeer. Ik heb voor mijn onderzoek naar de NSB veel gebruikgemaakt van het CABR. Rond de publiciteit van dat onderzoek kwamen soms kinderen van NSB’ers naar mij toe. Ze waren vaak een beetje schuchter, maar toch had je al snel een open gesprek. Ik heb nooit meegemaakt dat zij zich over het verleden van hun ouders verontschuldigden en dat vind ik heel goed.” Mensen stellen het ook op prijs dat onderzoekers oprecht willen begrijpen waarom de NSB zo veel mensen heeft aangetrokken, signaleert Klijn. “Die waarom-vragen werden vroeger niet gesteld. Voor wetenschappelijk onderzoek gold namelijk lange tijd hetzelfde als voor de maatschappelijke discussie: op de thema’s daderschap en collaboratie rustte een enorm taboe. Het idee was dat het fascisme fout was en je het dus niet hoefde te onderzoeken. Zonde, want onderzoek kan zaken soms juist heel mooi scherp stellen.”

Dringen voor een plekje op de publieke tribune bij het Bijzonder Gerechtshof in Amsterdam, dat in 1945 werd opgericht. Foto: Nationaal Archief – Spaarnestad Photo

TRIADO

In januari 2017 ging TRIADO – Tribunaalarchieven als Digitale Onderzoeksfaciliteit – van start. In dit project wordt verkend hoe het CABR beter doorzoekbaar en bruikbaar kan worden gemaakt voor nieuw wetenschappelijk onderzoek. Klijn: “We kijken nu vooral hoe nieuwe digitale technologie kan worden ingezet om het archief fijnmaziger te ontsluiten. Deze technologie kan mogelijk in een later stadium worden ingezet, mocht het archief inderdaad gedigitaliseerd worden.” Het project, dat loopt tot juli 2019, wordt uitgevoerd door het Netwerk Oorlogsbronnen in samenwerking met het NIOD, Huygens ING en het Nationaal Archief en is mogelijk gemaakt door het KNAW-onderzoeksfonds. Projectcoördinator Klijn: “Het CABR is een ongelooflijk rijk archief, omdat er veel meer te vinden is dan alleen informatie over de daders. Omdat het veel getuigenverklaringen bevat, kun je er ook prachtige dingen uithalen over de context, bijvoorbeeld wanneer iemand de sfeer op een hoofdkantoor van de politie beschrijft. Maar omdat het archief enkel op naam van de dader toegankelijk is, is dat soort informatie nu nog lastig te vinden. We onderzoeken nu of het mogelijk is om het archief digitaal doorzoekbaar te maken via verschillende ingangen: wie, wat, waar en wanneer.”

 

Privacy

Het CABR zal in de toekomst niet alleen beter doorzoekbaar worden. Ook de restricties voor inzage zullen worden opgeheven: het archief wordt in principe in 2025 geheel openbaar. Niet iedereen is daar blij mee. Plantinga: “In Nederland geldt de bescherming van de privacy alleen voor levende personen. Binnen afzienbare tijd zullen alle daders overleden zijn, maar ook voor de tweede generatie is het dan nog een gevoelig archief. Je hebt immers ook nog zoiets als het hooghouden van de goede naam van de familie. Ondanks de gegroeide openheid is er nog steeds veel schaamte. Ik herinner me een vrouw die samen met haar zonen het dossier van haar vader in kwam zien. Zij vroeg me daarna wat er met het dossier zou gebeuren, want wat haar betreft kon het nu wel vernietigd worden. Zij hadden het immers ingezien en verder hoefde niemand de inhoud te weten te komen wat haar betreft.”

 

De dynamiek van digitalisering

Klijn: “Als onderzoeker is het mijn wens dat het archief volledig digitaal doorzoekbaar en openbaar wordt. Maar ik begrijp ook de gevoeligheden. We moeten goed nadenken over de dynamiek die digitalisering met zich meebrengt. Als in een zoektocht naar een bepaalde familie de eerste hit op internet een verwijzing naar een NSB-krant is, dan is dat natuurlijk heel vervelend. Bovendien kunnen mensen daar in hun interpretatie helemaal de mist mee ingaan – denk aan scholieren die een werkstuk schrijven. Ik ben er daarom voor om mensen ook digitaal goed uit te leggen waar ze naar kijken, vergelijkbaar met de uitleg die Plantinga gaf aan personen die dossiers kwamen inzien. Je hebt als erfgoedinstelling toch een bepaalde verantwoordelijkheid om context te bieden. Daarbij moet overigens wel consequent te werk worden gegaan. Het kan niet zo zijn dat de ene collectie wel wordt voorafgegaan door een introductie en de andere niet. Het archief moet immers niet bepalen wat ‘fout’ is en daarom introductie behoeft.”

Digitalisering moet de CABR-dossiers beter doorzoekbaar maken. Foto: Netwerk Oorlogsbronnen

In het reine

Het is niet moeilijk de houding ten opzichte van het CABR te beschouwen als graadmeter voor de maatschappelijke omgang met collaborateurs. En die kent overduidelijk twee kanten. Enerzijds is de erfenis van daderschap een minder beladen onderwerp geworden en is er meer wetenschappelijke aandacht voor de betekenis van collaboratie. Anderzijds bestaat binnen veel families nog volop schaamte en voelen kinderen en kleinkinderen zich niet vrij om zich publiekelijk te uiten over een ‘fout’ familielid. Maar Plantinga en Klijn zijn het er roerend over eens dat archiefinstellingen los van maatschappelijke discussies en gevoeligheden een eigen taak te vervullen hebben: de bestaande collectie zo goed mogelijk ter beschikking stellen. Plantinga: “Weten is tenslotte beter dan niet weten. Weten is een eerste stap om met het verleden in het reine te komen.”

Een kijkje achter de schermen bij het CABR? Het Nationaal Archief biedt o.a. een speciale Tweede Wereldoorlog-rondleiding voor groepen tot 15 personen aan. Hierbij bezoekt u ook het CABR-archief. Het verhaal over het archief wordt verteld aan de hand van originele archiefstukken. Te boeken via www.gahetna.nl.

 

Over de auteur en de geïnterviewden

Edwin Klijn (1970) is programmamanager van het Netwerk Oorlogsbronnen en coördinator van het TRIADO-project. Samen met Robin te Slaa werkt hij aan een driedelig naslagwerk over de geschiedenis van de Nationaal-Socialistische Beweging. Het eerste deel hiervan verscheen in 2009.

Sierk Plantinga (1948) was van 1973 tot 2013 als archivaris werkzaam bij het Algemeen Rijksarchief / Nationaal Archief in Den Haag. Sinds 2015 is hij vrijwilliger bij het Engelandvaardersmuseum in Noordwijk.

Froukje Demant (1980) is senior onderzoeker bij het Nationaal Comité 4 en 5 mei en redacteur van Onderzoek uitgelicht.

Edwin Klijn. Foto: Anne Reitsma

Sierk Plantinga. 

Ook de zwarte bladzijden s.v.p.

Wat moeten we met dadererfgoed? Veel plekken en voorwerpen die herinneren aan de daders van oorlogsgeweld worden niet langer bewust genegeerd of verwaarloosd, maar krijgen een plaats in musea en zijn nu cultureel erfgoed. Het Rijksmuseum kocht in 2007 het schilderij De Nieuwe Mensch van NSB’er Henri van de Velde. Herinneringscentrum Kamp Westerbork plaatste in 2015 een glazen kap over de voormalige villa van de kampcommandant. Deze aandacht is zeer omstreden. Dat illustreert de discussie rondom de zogenaamde ‘Muur van Mussert’. Ad van Liempt pleit voor behoud van dit erfgoed. “Het helpt het verhaal van oorlog en bezetting te vertellen, het héle verhaal.”

19 mei 1942: Himmler begroet Mussert. Foto: Bpk Bildagentur

Er zijn maar weinig foto’s bekend waarop Anton Mussert, de leider van de NSB, zo intens gelukkig lacht als hier: het is dinsdag 19 mei 1942 en Mussert is in Lunteren, op de Goudsberg, op het Hagespraakterrein. Hij heeft een bijzondere gast, de hoogste die hij ooit op bezoek heeft gehad. Heinrich Himmler, de Reichsführer SS, een paar dagen op tournee in Nederland, heeft op deze dinsdag een NSB-dag gepland. In het programma staat dat het merendeel van het gezelschap vanmiddag zal worden rondgeleid door Musserts tweede man Kees van Geelkerken, maar dat Mussert zelf een-op-een Himmler over het terrein zal leiden. Hij glundert ervan.

Het is toch al een dag geweest om niet gauw te vergeten. Die ochtend reed een glanzende limousine de ventweg van de Utrechtse Maliebaan op, in een voor normale mensen verboden richting trouwens. Daar stapte Himmler uit, met opvallend kwieke pas. Na inspectie van de erewacht van SS’ers betrad hij het NSB-hoofdkwartier op Maliebaan 35 voor overleg met de leider der Nederlandse nationaalsocialisten. De cameraman van Polygoon filmde de aankomst – een week later was een verslag te zien in de bioscopen. Na dit overleg nog een hoogtepunt: Mussert en Himmler in dezelfde auto op weg naar de Kromme Nieuwegracht, een paar honderd meter in de richting van het stadscentrum. Daar gebruikten de hoge nazi’s gezamenlijk de lunch, destijds plechtig het noenmaal genoemd. Mussert kon voor dat soort gelegenheden gebruikmaken van het decorum en de voortreffelijke catering van Paushuize, het provinciehuis, hem ter beschikking gesteld door de Commissaris der Provincie Willem Engelbracht, vooraanstaand NSB’er. Mussert had een half jaar tevoren diens benoeming erdoor gekregen – voor wat hoort wat.

Mussert had zelf achter het stuur gezeten toen hij daarna Himmler naar Lunteren reed. Zo hadden ze eindelijk eens wat uitvoeriger kunnen praten. Mussert hoopte door een persoonlijk contact met de oppermachtige SS-leider zijn positie te versterken en de hinderlijke concurrentie van de voorman van de Nederlandse SS, Henk Feldmeijer, in te dammen. Veel heeft dat niet geholpen. Toen Himmler weer naar huis was, ging het zagen aan Musserts stoelpoten in volle hevigheid verder.

Op 22 juni 1940 schonk Mussert de bronzen klok van de NSB aan de Duitse luchtmachtchef Goering om er munitie van te maken. Foto: Beeldbank WO2 – NIOD

Massabijeenkomsten
Maar dat weet de NSB-leider nog niet als hij Himmler die middag rondleidt. Hij vertelt trots over het Hagespraakterrein, ontworpen naar Duits model. Of eigenlijk naar het voorbeeld van oude Germaanse Thingstätten: gewijde plaatsen in de open lucht waar de oude Germanen bij elkaar kwamen om te vergaderen en recht te spreken.1 De nazi’s hadden op allerlei plaatsen in de natuur zulke accommodaties aangelegd om er Thingspiele te laten opvoeren, voorstellingen waarin het nationaalsocialistische gedachtegoed werd verheerlijkt en het massaal toegestroomde publiek een actieve rol kreeg. Na veel interne discussie en gedoe met de gemeentelijke autoriteiten had de NSB zo’n plek in Lunteren gerealiseerd, voorzien van een enorme muur en een buitenmodel podium waar massabijeenkomsten konden worden gehouden. De bekendste is die van 22 juni 1940, waar Mussert, zes weken na de Duitse inval, de bronzen klok van de beweging schonk aan Goering, chef van de Duitse luchtmacht, om er munitie van te maken.

Het is moeilijk te zeggen of Himmler een onvergetelijke middag heeft gehad, daar in Lunteren. Vermoedelijk niet. De dag zat vol met overleg. Hij had ook nog een speciale SS-dag gehouden, met gesprekken met zijn hoogste man in Nederland Hanns Albin Rauter en de Nederlandse SS-voorman Feldmeijer. Allemaal hoogst interessant en nuttig, maar het ging Himmler in mei 1942 maar om één ding, namelijk controleren of Nederland klaar was voor de grote operatie die kort erna van start moest gaan: de deportatie van meer dan 100.000 Joden. Himmler kwam tot de conclusie dat alle posten in de gewenste staat van paraatheid waren. Minder dan twee maanden later zou de eerste trein van Westerbork naar Auschwitz rijden.

In Lunteren organiseerde de NSB op het speciaal daarvoor ontworpen Hagespraakterrein geregeld massabijeenkomsten. Op de rug gezien: NSB-leider Anton Mussert. Foto: Beeldbank WO2 – NIOD

Collaboratiekruispunt Maliebaan
Het is vandaag de dag hoogst interessant om vast te stellen dat Himmler op die 19e mei van 1942 op twee plekken was waarvan veel Nederlanders nu vinden dat ze als ‘dadererfgoed’ kunnen worden beschouwd. Ten aanzien van de bouwsels op het Hagespraakterrein duurt de discussie of ze behouden moeten blijven al enkele jaren. Het gaat dan vooral om de Muur van Mussert, het enorme bouwwerk op de Lunterse Goudsberg, dat in slechte staat verkeert en waarvan sommigen, vooralsnog tevergeefs, vinden dat het tot rijksmonument moet worden verklaard. Historicus en NIOD-medewerker René van Heijningen wijdde er in 2015 een studie aan waarin hij concludeert: “Het is opmerkelijk dat er onder de duizenden plaatsen die in Nederland aan de oorlog herinneren – aan de militaire strijd, aan onderdrukking, vervolging en verzet – niet één is die herinnert aan collaboratie.”2 Van Heijningen vindt dan ook dat de muur behouden moet worden, zodat ook een “verhaal over het andere Nederland van voor en tijdens de bezetting zichtbaar blijft”.

Hetzelfde geldt in feite voor die andere plek waar Heinrich Himmler zich die 19e mei 1942 ophield: de Maliebaan in Utrecht. Hij bracht de ochtend door op nummer 35, het hoofdkwartier van de NSB en het belangrijkste van een lange rij panden die de schatrijke organisatie tijdens de bezetting had verworven. Ook nummer 66 (waar de Nederlandse – later Germaanse – SS haar intrek had genomen) en nummer 76-78 (waar de WA – Weer Afdeling – zat en het blad De Zwarte Soldaat vervaardigde) kun je moeiteloos als plaatsen van herinneringen aan collaboratie bestempelen.

Alleen: aan niets kun je op de statige Maliebaan zien wat er in de oorlog allemaal gebeurd is. O ja, er is een plaquette op de muur van nummer 72, die herinnert aan het werk van de daar wonende Marie-Anne Tellegen, die als ‘Dr. Max’ een vitale rol speelde in het verzet. Maar al die panden waar collaborateurs werkten of oorlogsmisdadigers (zoals op nummer 74, het bureau van de Sicherheitspolizei), zijn aan niets te herkennen. Utrecht heeft zich altijd voor z’n verleden geschaamd, heeft het proberen te verdringen. Er zijn inmiddels tientallen verhalen bekend over wat zich op die Maliebaan allemaal heeft afgespeeld 3, maar een plek om die verhalen te verzamelen en om stil te staan bij dit verleden, die heeft de vierde stad van het land nog niet kunnen realiseren.

De ‘Muur van Mussert’ staat nog overeind, maar verkeert in slechte staat en zal zonder ingrijpen op termijn instorten. Foto: Roger Veringmeier op Wikimedia Commons

Machtshongerige meelopers
Een argument tegen het in stand houden van dadererfgoed is altijd de vrees geweest dat die plekken als bedevaartsoorden voor neonazi’s zouden kunnen gaan dienen. Het realiteitsgehalte van die vrees laat zich uiteraard lastig meten. Veel ervaring is er in Nederland niet mee. Er loopt hier en daar weleens een verdwaasde geest met een nazisymbool rond op een demonstratie, maar nostalgie naar de NSB valt in ons land zelden te noteren. Dat heeft alles te maken met het hoge loser-gehalte dat de reputatie van de nationaalsocialisten aankleeft. Een treurig, weinig inspirerend stelletje, met Mussert als de burgerlijke leider, parmantig rondstappend in een zwart uniform, omringd door machtshongerige meelopers, voortdurend marcherend of parades afnemend.

Maar of dat vaak wat sullige, slome imago van de Nederlandse collaborateurs terecht is, valt te betwijfelen. Moderne studies naar de NSB brengen vooral elementen van sterke radicalisering aan het licht. Deze blijkt zowel uit close reading van de nazi-pers als uit de bestudering van strafdossiers van veroordeelde handlangers van de bezetter. Steeds duidelijker wordt dat de NSB in feite fungeerde als ‘uitzendbureau’ voor de Duitsers: een reservoir van arbeidskrachten die op allerhande niveaus (van burgemeester tot Jodenjager tot bestrijder van het verzet) bereid waren vuil werk te verrichten. Maar ook dat vernieuwde beeld maakt de NSB niet tot een organisatie die de neofascist van vandaag als inspiratiebron dient. Er is dus weinig reden om het Nederlandse collaboratieverleden te blijven verstoppen.

 

Geroofd bestek
De belangrijkste reden om het dadererfgoed te bewaren en voor nieuwe generaties beschikbaar te stellen, is dat er zo veel verhalen mee verbonden zijn die het waard zijn om verteld te blijven worden. Mij schiet een voorbeeld te binnen van een heel bijzonder stukje dadererfgoed dat in 2012 in het bezit kwam van Herinneringscentrum Kamp Westerbork. Het is een twaalfdelige cassette van zwaar verzilverd bestek. Het werd afgestaan door een vrouw die er thuis haar hele jeugd van had gegeten, maar pas op latere leeftijd had gehoord dat het kostbare bestek door haar vader geroofd was van een gedeporteerde Joodse familie. Mevrouw B. wist dat haar vader tot het beruchte gezelschap van Amsterdamse Jodenjagers had behoord, maar pas nadat haar moeder was overleden en het bestek haar werd toebedeeld, hoorde ze wat de herkomst was. Mevrouw B. vond het geen goed idee om het op de vuilstort te gooien. Ze besloot het aan Herinneringscentrum Kamp Westerbork af te staan, waar het al meermalen tentoongesteld is als een unieke herinnering aan de roofzucht van deze groep Nederlanders die zich in de oorlog aan het allerergste schuldig heeft gemaakt.4

En zo zijn er tal van voorwerpen die de herinnering aan de zwarte bladzijden uit de bezettingsgeschiedenis levend kunnen houden. Op de tentoonstelling De Tweede Wereldoorlog in 100 voorwerpen in 2014 in de Kunsthal in Rotterdam hadden we er flink wat verzameld. Mij is uit die tijd bijgebleven hoeveel indruk dat soort voorwerpen en de ermee verbonden verhalen maakten op de bezoekers, vooral op de jongere generatie. De laarzen van de meedogenloze commandant Karl Berg van kamp Amersfoort bijvoorbeeld. Of de SS-vlag die ooit wapperde aan de gevel van het beruchte Scholtenhuis in Groningen. Of een kwitantie waarop je kunt lezen hoe een Jodenjager vijf keer “7,50 gulden” incasseerde voor het arresteren van vijf onschuldige landgenoten. Het zijn objecten waarvan je de aanblik niet gauw meer vergeet.

Het geroofde zilveren bestek dat een Jodenjager naliet aan zijn dochter. Zij schonk het in 2012 aan Herinneringscentrum Kamp Westerbork. Foto: Diederik Schiebergen

Nota’s aan Hitler
Langzamerhand beginnen oorlogs- en verzetsmusea oog te krijgen voor de zwarte bladzijden uit de bezettingsgeschiedenis en de verhalen erover door te vertellen. Maar met de gebouwen die ons aan die bladzijden herinneren, wil het nog niet opschieten. Een uitzondering vormt natuurlijk de woning van de commandant van doorgangskamp Westerbork. Daar is een spectaculaire glazen overkapping overheen gezet, zodat het bijna ingestorte houten huis kan worden geconserveerd en er een échte lieu de mémoire is ontstaan. Wat nog meer? Er hoeft van mij geen Mussertmuseum te komen. Maar als je in het boek van René van Heijningen leest dat de NSB-leider zijn nota’s aan Hitler het liefst schreef in het kamertje dat bij het podium op de Goudsberg was gebouwd (“Wat was hij er graag te vinden, de Leider”, schrijft Van Heijningen), dan zou je dat plekje toch wel graag ooit, na restauratie, willen bezoeken. De bureaustoel waarop hij in zijn werkkamer op Maliebaan 35 placht te zitten, is ook bewaard – te zien in Oorlogsmuseum Overloon. En het 15 kilo (!) zware boek dat hij op zijn 48e verjaardag van Seyss-Inquart kreeg – in leer gebonden, met documenten over vier eeuwen Nederlandse-Duitse verhoudingen – hebben ze bij het NIOD in de kelder. Ze helpen het verhaal van oorlog en bezetting te vertellen, het héle verhaal.

 

Over de schrijver
Ad van Liempt (1949) werkte bijna veertien jaar in de regionale dagbladjournalistiek voor hij overstapte naar de televisie, waar hij onder meer medeoprichter en eerste eindredacteur van het geschiedenisprogramma Andere Tijden was. Van Liempt schreef diverse boeken, waaronder Kopgeld, over de betaalde Jodenjacht in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. In 2009 schreef hij een begeleidend boek bij de tv-serie De Oorlog en in 2013 een boek bij de serie Na de Bevrijding. In 2015 verscheen van zijn hand Aan de Maliebaan. In 2014 was hij curator van de tentoonstelling De Tweede Wereldoorlog in 100 voorwerpen in de Kunsthal in Rotterdam.

Ad van Liempt

Noten:

1 Van Heijningen, De Muur van Mussert, p. 64.

2 Van Heijningen, De Muur van Mussert, p. 163.

3 Zie daarvoor www.aandemaliebaan.nl.

4 Het bestek was ook te zien op de tentoonstelling De Tweede Wereldoorlog in 100 voorwerpen (Kunsthal Rotterdam, 2014). link