De nationale zelfonderzoeken van Nederland en België vergeleken

Een uitgebreidere versie van dit artikel is eerder verschenen in het tijdschrift De Lage Landen.

In Nederland ligt een onderzoeksrapport op tafel waaruit blijkt dat de krijgsmacht structureel en extreem geweld heeft gebruikt tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog in 1945-1949. Ook België deed aan zelfonderzoek naar zijn koloniale geschiedenis, maar bewandelde met de Congo-commissie een andere weg. Anne-Lot Hoek, historica en auteur van De strijd om Bali, onderzoekt wat hun verschillende routes betekenen voor de omgang met een beladen verleden.

In Nederland kwamen op 17 februari 2022 de langverwachte resultaten uit van het vierjarige onderzoeksproject naar de koloniale oorlog in Indonesië: Onafhankelijkheid, dekolonisatie, geweld en oorlog in Indonesië 1945-1950, uitgevoerd door drie onderzoeksinstituten. In België werd in 2020 een commissie belast met onderzoek naar de Congo-Vrijstaat en het Belgische koloniale verleden in Congo, Burundi en Rwanda, de impact daarvan, en de gevolgen die eraan gegeven moeten worden. Hun expertteam kwam eind 2021 al naar buiten met aanbevelingen aan de politiek, in de vorm van een driedelig rapport.

Beide landen onderwerpen zich dus aan een grondig zelfonderzoek, wat ook nodig is gezien de geringe kennis over deze verledens onder beider bevolkingen. Als historica en commentator op het Nederlandse debat, auteur van het boek De strijd om Bali. Imperialisme, verzet en onafhankelijkheid 1846-1950 (De Bezige Bij, 2021) en deelnemer aan het deelproject Regiostudies van het Nederlandse onderzoek ga ik in op de verschillen tussen de Nederlandse en Belgische aanpak op de route naar een betere omgang met hun koloniale verledens.

Een onbegrepen koloniaal verleden

In Nederland brak een hevige maatschappelijke discussie los in 1969, toen veteraan Joop Hueting op de nationale televisie getuigde over oorlogsmisdaden tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog tussen 1945 en 1949. De regering liet een officieel onderzoek uitvoeren, de zogenaamde Excessennota, en trok de conclusie dat het militaire geweld “incidenteel” was geweest. Het was een sterk dempende boodschap die ook een uitwerking had op de geschiedschrijving. Propagandistisch taalgebruik zoals “politionele acties” en “excessen” droeg bij aan de maskering van de aard en omvang van het geweld.

Dat extreem geweld in Indonesië structureel was verlopen, werd in 2015 aan de Universiteit Bern bevestigd met het proefschrift van de Zwitsers-Nederlandse historicus Rémy Limpach. De publicatie van zijn proefschrift een jaar later was voor de regering de laatste druppel om over te gaan tot groot onderzoek, nadat Indonesische nabestaanden in 2011 een rechtszaak tegen de Nederlandse staat hadden gewonnen door toedoen van Jeffry Pondaag en advocate Liesbeth Zegveld, en zelfstandige onderzoekers, onder wie ikzelf, met nieuwe feiten kwamen in de media. Zo startte er in 2017 een onderzoek naar de oorlog in Indonesië onder de vlag van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV), het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) en het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust en Genocidestudies.

Die focus op het gewelddadige afscheid van “Indië” is ook meteen een belangrijk verschil met het debat en het onderzoek in België, waarin niet het afscheid van de kolonie centraal staat, maar de gehele imperiale tijdspanne, die begon met de Congo-Vrijstaat van Leopold II in 1885 en eindigde met Belgisch-Congo van 1908 tot 1960. In Nederland wordt nog steeds onvoldoende benadrukt dat de oorlog in Indonesië in 1945-1949 is geworteld in een gewelddadig koloniaal bestel, terwijl dat juist cruciaal is om beter te begrijpen waarom de oorlog zo gewelddadig verliep. Zo ontdekte ik tijdens mijn eigen onderzoek dat er veel verklaring was te vinden in de al honderd jaar strijd die de Balinese bevolking tegen onderdrukking voerde en hoe diep de koloniale geweldscultuur bij het gezag zat verankerd. Tijdens de 19e-eeuwse Atjeh-oorlogen ging het om het vernietigen van de vijand, en dat was in 1946 niet anders. Je las dat ook terug in genocidale retoriek, zoals het gebruik van de term ‘liquideren.’

Standbeeld ter nagedachtenis aan de Puputan Badung van 1906 waarbij ten minste 1.100 Balinezen door het KNIL zijn gedood. Foto: Anne-Lot Hoek

Impact op het heden

Wat in Nederland ook niet sterk in het nationale bewustzijn leeft, is dat het koloniale verleden impact heeft op het heden. De aanpak van de Belgische commissie besteedt daar anders dan in het Nederlandse onderzoek veel aandacht aan. Het zwaartepunt van de commissie in België ligt op aanbevelingen van experts om op een betere wijze met het koloniale verleden en de erfenis daarvan om te gaan. Naast geschiedenis zijn de relatie tussen kolonialisme met hedendaags racisme en verzoening en herstel expliciet onderdeel van de Belgische opdracht. Net als de economische impact op de gekoloniseerde landen, een onderwerp waar Nederland aan voorbij gaat. Die insteek zal ook te maken hebben met de directe aanleiding tot de parlementaire commissie in België: de Black Lives Matter-protesten in 2020 en de bekladding van het beeld van Leopold II in Brussel, protesten die in de Congolese diaspora in België veel weerklank vonden. In België speelt racisme daarom ook een belangrijke rol in de uitgangspunten van het rapport, naast de gruweldaden in Congo onder Leopold II, de kwestie van de ontvoerde gemengde kinderen, de moord op de eerste Congolese premier Patrice Lumumba, onder aanvoering van België, en roofkunst.

Die bredere Belgische kijk heeft er vermoedelijk ook mee te maken dat er daar meer consensus lijkt te zijn over feiten dan in Nederland. Toen Nederland in de jaren 1990 nog een debat voerde over het “uitzonderlijke” karakter van Nederlands imperialisme in Indonesië, werd in België al geschreven over kolonialisme in Congo als racistisch en gebaseerd op uitbuiting, wat er ook mee te maken had dat het ongekend wrede bewind van Leopold II al veel langer onder de publieke aandacht was. Toch klinkt er ook in België kritiek op de inrichting van het Belgische zelfonderzoek, zowel op het politieke karakter ervan, als ook op de politieke onwil. Maar racisme, kolonialisme als bezetting en als gewelddadig systeem vormen in tegenstelling tot de Nederlandse insteek wel de uitgangspunten.

Een Nederlands probleem

Een van de manco’s van historisch onderzoek in Nederland is lang de geringe aandacht voor Indonesische perspectieven, oral history en onderzoek in Indonesië geweest. De herinneringen van gewone Indonesiërs worden ten onrechte door sommige leidende historici nog als particuliere “ervaring” gezien in plaats van als een belangrijk onderdeel van onderzoek, wat ook naar voren komt in de Nederlandse projectopzet. Met meer dan honderd interviews en onderzoek ter plaatse bracht ik in De strijd om Bali niet alleen Balinees verzet en de strijd van onderop naar voren, maar ook een systeem van gevangenkampen, waarbij gevangenen stelselmatig werden gemarteld en vaak geëxecuteerd. Zo’n systeem valt buiten het koloniale archief, en is zonder onderzoek ter plaatse vrijwel niet in kaart te brengen.

Een van de portretfoto’s die in het veteranenkantoor van Gianyar op Bali hangen van omgekomen verzetsstrijders uit Gianyar. Deze is van Tjokorde Gede Rai, de aanvoerder van de verzetsorganisatie in Gianyar. Foto: Anne-Lot Hoek

Veteraan Ketut Mebeh uit Tabanan die was aangesloten bij een lokale strijdorganisatie en die Anne-Lot Hoek in 2016 sprak. Foto: Anne-Lot Hoek

Binnen het Nederlandse onderzoek is er met Indonesische onderzoekers samengewerkt, maar die samenwerking voltrok zich slechts in twee van de negen deelprojecten en Nederlandse historici schreven – op de epiloog na – het slotwerk. Die opzet  verschilt van die van het Belgische onderzoeksrapport waaraan een multidisciplinair team werkte, onder wie Congolese en Congolees-Belgische historici.

Het gebrek aan Indonesische inbreng in de Nederlandse opzet had er ongetwijfeld ook mee te maken dat de Indonesische historici “geweld” vooral als een Nederlands probleem zagen. Zij wilden een dialoog met Nederlandse historici over een breder koloniaal verhaal en ook het frame van hun eigen nationale geschiedenis uitdagen. De Indonesiërs kozen wel voor deelname aan het project, maar ze verklaarden zichzelf onafhankelijk onder een eigen naam: Proclamatie van onafhankelijkheid, Revolutie en Oorlog in Indonesië 1945-1950. De ironie van deze situatie kan vrijwel niemand ontgaan.

Moeizame omgang met kritiek

Er kwam na de start van het Nederlandse project eind 2017 al snel vanuit verschillende kanten kritiek op de onderzoeksopzet. Kritische wetenschappers en activisten vonden de opzet te koloniaal en de inbreng van Indonesiërs te gering. Veteranengroepen en stemmen vanuit de Indische gemeenschap waren dan weer van mening dat de opzet te politiek vooringenomen antikoloniaal was.

De “discussie” over het onderzoek intensiveerde en pogingen tot publieke intimidatie door activisten tegen deelnemende onderzoekers werden een veelvoorkomend verschijnsel. Er ontstond hevig debat over de Bersiap, geweld van Indonesiërs tegen Nederlanders, Chinezen, Molukkers en ook Indonesiërs dat in 1945 losbarstte. De Bersiap als onderzoeksthema was als eis vanuit de regering aan het onderzoek gesteld. De ene groep critici vond dat met die eis ten onrechte werd gedaan alsof de oorlog met de Bersiap begon en de andere groep vond juist dat het geweld van Indonesiërs in de projectopzet onvoldoende werd benadrukt. De gemoederen liepen in februari 2022 opnieuw hoog op over de invulling van de term Bersiap in de tentoonstelling Revolusi in het Rijksmuseum (11 februari tot 5 juni). Nog voordat ze was geopend was er van verschillende kanten aangifte gedaan tegen zowel een Nederlandse als een Indonesische (gast)conservator en het hoofd van het museum.

Binnen het onderzoek werd ondertussen op moeizame wijze met kritiek omgegaan. Een discussie over het solo-auteurschap van de synthese – het samenvattende slotwerk – door een van de projectdirecteuren moest onder druk van een aantal onderzoekers worden opengebroken. Deelname aan het publieke debat leidde niet zelden tot afkeuring van bovenaf. Het bezwaar dat ik in 2019 in De Groene Amsterdammer uitte – dat er ondanks alle kritiek nog steeds geen internationale onderzoekers bij de synthese waren betrokken – werd scherp veroordeeld door de projectleiding. Die houding stond in mijn beleving niet op goede voet met het door de directie zelf vaak gebezigde woord “meerstemmigheid”.

Wat in de kritiek doorklonk is dat de onderzoeksopzet en eindverantwoordelijkheid in hoofdmoot in handen lag van een drietal Nederlandse instellings- en projectdirecteuren. In België was het expertteam minder van bovenaf georganiseerd en werd ook bij de inleiding van de historische synthese een belangrijke rol vervuld door (vrouwelijke) historici die afkomstig waren van universiteiten, zoals Sarah Van Beurden (Ohio State University) en Gillian Mathys (Universiteit Gent). In het Belgische onderzoeksteam zat ook een activistische expert, Anne Wetsi Mpoma. Nadia Nsayi, politicologe en auteur van het boek Dochter van de dekolonisatie (EPO, 2020) vindt het opvallend dat het in Nederland mogelijk is dat een aantal instituties zo’n belangrijk onderzoek naar eigen wens inrichtten.

Misdaden én een koloniaal bestel

Het in oktober 2021 uitgekomen Belgische expertrapport kon niet op veel maatschappelijke aandacht rekenen, wat anders verliep met de resultaten van het Nederlandse onderzoek die op 17 februari 2022 met het slotwerk Over de grens werden bekendgemaakt. Ik had daar zelf al in 2020 afstand van genomen vanwege mijn positie als zelfstandig onderzoeker. De hoofdconclusie klonk dat de krijgsmacht structureel en extreem geweld had gebruikt en dat de regering wegkeek, waarmee definitief werd afgerekend met het idee dat er slechts sprake was van “excessen”, zoals dat in de Excessennota van 1969 werd voorgesteld. Dat is belangrijk, omdat sommige groepen de oude perspectieven nog steeds blijven oprakelen.

Maar tegelijkertijd ontstond er al snel discussie over het ontbreken van het woord (oorlogs)misdaden in de hoofdconclusies. Daardoor is het Nederlandse zelfbeeld volgens verschillende experts en critici, waaronder ikzelf, nog steeds niet bijgesteld en blijft het idee bestaan dat Nederland zich niet en andere landen zich wel aan misdaden schuldig maken. Ook als het aankomt op het voorkomen van herhaling van strafbare feiten door het Nederlandse leger van vandaag is het belangrijk om in termen van misdaden te spreken. Dat de Nederlandse autoriteiten ook nog eens langdurig de verantwoordelijkheid voor die misdaden uit de weg zijn gegaan, maakt het niet benoemen ervan extra wrang.

De Belgische experts spreken ook niet over misdaden, maar stellen in hun conclusies voorop dat koloniaal geweld vanuit een koloniaal systeem afkomstig is en in de kern over uitbuiting en racisme gaat. De kerk, de staat, het koningshuis en handelsondernemingen waren verantwoordelijk. Volgens onderzoeker Gillian Mathys wilden de experts vooral benadrukken “dat al het geweld systematisch was, en dus een fundamenteel en intentioneel onderdeel van het koloniale bestel.” Maar dat geweld voortkwam vanuit een koloniaal bestel en systematisch van aard was, wat ik zelf ook benadruk, dat staat niet op gespannen voet met het benoemen van misdaden.

De jaarlijkse herdenking van de Puputan Margarana bij het oorlogsmonument in Marga, 2014. Foto: Anne-Lot Hoek

Verzoening: oprecht engagement

De Nederlandse regering maakte, anders dan de Belgische, officiële excuses. Dat leek qua vorm alleen meer op een snelle afhechtingsoperatie, op Nederlandse bodem, dan op een weloverwogen verzoeningspoging richting Indonesië en betrokkenen in Nederland. Inhoudelijk gingen de excuses alleen over de periode 1945-1949 en ook werd er niet gesproken van misdaden. De Indonesische onafhankelijkheidsdatum van 17 augustus 1945 is nog altijd niet geheel erkend.

In Nederland zijn mogelijke politieke en andere vervolgstappen, zoals financieel herstel, bij tijd van schrijven (oktober 2022) nog onduidelijk, wel zijn er commissies ingesteld voor onderwijs en teruggave van roofkunst. In België is men onder andere begonnen met het ontsluiten van koloniale archieven, en is ook een commissie gestart over de teruggave van roofkunst, bestaande uit Congolezen en Belgen. Op 20 juni 2022 gaf de Belgische premier de tand van de vermoorde Patrice Lumumba na decennia eindelijk terug aan zijn nazaten.

Al in 2020, in hetzelfde jaar waarin de Nederlandse koning Willem-Alexander excuses maakte voor buitensporig geweld gedurende de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog, betuigde de Belgische koning Filip, in tegenstelling tot zijn voorgangers, spijt aan Congo en de Congolese diaspora. De spijtbetuiging was dan wel geen officiële excuses, hij schreef wel een inhoudelijke brief aan de Congolese president Félix Tshisekedi waarin hij het leed van de gehele koloniale periode erkende, en de impact van het koloniale verleden op de samenleving van vandaag. “Hij liet zien dat het niet stopte met de dekolonisatie, en dat is voor heel veel mensen een hele belangrijke erkenning geweest”, aldus Nadia Nsayi. Tijdens een bezoek aan Congo om de Congolese onafhankelijkheid te vieren op 8 juni 2022 noemde koning Filip het kolonialisme racistisch en paternalistisch. Het is die expliciete veroordeling en het oprechte engagement die in de excuses van premier Mark Rutte ontbraken. Het Nederlandse zelfonderzoek is dan ook, net als het Belgische, geen eindstation, maar wel een stap vooruit in een belangrijk maatschappelijk proces.

Over de auteur

 

Anne-Lot Hoek. Foto: Keke Keukelaar

Anne-Lot Hoek is historica en auteur. Haar boek De strijd om Bali. Imperialisme, verzet en onafhankelijkheid 1846-1950 (2021) stond op de shortlist voor de Libris Geschiedenis Prijs 2022. Voor haar werk in de media over het koloniale verleden in Indonesië won ze als promovenda aan de UvA de Valorisation Price 2020. Met Arco Gnocchi maakte ze de 4-delige podcastserie Oorlog in het Paradijs over de strijd die is gevoerd op Bali tijdens de onafhankelijkheidsoorlog.


Foto boven aan pagina

Het oorlogsmonument in Marga voor de Puputan Margarana van 1946, waarbij de belangrijke Republikeinse leider I Gusti Ngurah Rai en ongeveer 100 van zijn strijdtroepen zijn gedood. Foto: Anne-Lot Hoek

Kanteling in de kijk op het koloniale verleden

In 2022 stond het koloniale verleden volop in de schijnwerpers. Het nieuws dat het Rijksmuseum het woord ‘Bersiap’ niet zou gebruiken in zijn tentoonstelling Revolusi leidde begin 2022 tot scherpe reacties op sociale media en opinieartikelen, en zelfs tot Kamervragen en aangiftes. Veel Nederlanders gebruiken het Indonesische woord (dat ‘weest paraat’ betekent) voor het aanduiden van een periode van Indonesisch geweld tegen burgers aan Nederlandse kant, vlak na het einde van de Tweede Wereldoorlog.

Niet lang na deze ‘rel’ werden de resultaten gepubliceerd van Onafhankelijkheid, dekolonisatie, geweld en oorlog in Indonesië 1945-1950, een groot onderzoek waaraan  ikzelf ook bijdroeg. De conclusies in het onderzoeksrapport waren hard: het extreme geweld van Nederlandse militairen in deze oorlog in Indonesië was structureel en werd door de politiek, de krijgsmacht en het justitiële apparaat van hoog tot laag toegedekt. Premier Rutte verontschuldigde zich op 17 februari 2022 voor dit geweld. Enkele maanden later maakte het Nationaal Comité 4 en 5 mei bekend dat Indonesische slachtoffers van de koloniale oorlog op 4 mei ook herdacht zouden worden. Bovendien kreeg de Indonesische ambassadeur tijdens de Indië-herdenking op 15 augustus een prominentere plek.

Heldenepos

De kanteling in de kijk op het koloniale verleden die al enige tijd gaande is, lijkt te versnellen. Er komt steeds meer ruimte voor het Indonesische perspectief in verschillende domeinen. In de museumwereld bijvoorbeeld, zoals Iris van Huis laat zien in haar artikel over de nieuwe tentoonstelling Onze koloniale erfenis in het Tropenmuseum. In deze tentoonstelling is zowel aandacht voor de lange traditie van Indonesisch verzet tegen het kolonialisme als ruimte voor andere Indonesische perspectieven dan het nationalistische heldenepos.

Anne-Lot Hoek wijst in haar bijdrage op het belang van oral history door middel van interviews bij onderzoek in Indonesië. Mondelinge verhalen vormen een tegenwicht tegen schriftelijke bronnen uit koloniale archieven waarin telkens het perspectief van de overheerser centraal staat. Hoeks artikel bevat een kritische vergelijking van recente onderzoeken naar het koloniale verleden in Nederland en België. Ze laat zien dat het Nederlandse onderzoek zich concentreert op het gewelddadige afscheid van de kolonie, waar het Belgische onderzoek de gehele koloniale periode en de impact van dit verleden op het heden erbij betrekt.

Persoonlijke verhalen

Wanneer in Nederland wordt gesproken over de gebrekkige kennis over de koloniale geschiedenis van Nederland, wordt vaak met de beschuldigende vinger naar het onderwijs gewezen. Toch proberen docenten en auteurs van schoolboeken deze complexe materie al enige tijd meer voor het voetlicht te brengen, laat Tina van der Vlies zien. Dit blijkt niet zo eenvoudig, onder meer vanwege het beperkte aantal uren geschiedenisonderwijs. Van der Vlies doet een aantal handige suggesties voor docenten om dit onderwerp in de klas te behandelen, zoals het gebruik van persoonlijke verhalen.

Ook Suze Zijlstra schrijft in haar column over het belang van persoonlijke verhalen. Die van familieleden kunnen een mooie ingang bieden tot het verleden, maar kunnen de blik ook beperken als men daardoor niet voorbij de ellende van de eigen familie kan kijken. Andere perspectieven zijn van belang om de eigen familiegeschiedenis in de context te plaatsen en de blik te verbreden, stelt Zijlstra.

Dat kan lastig zijn, zoals de ophef over de door het Rijksmuseum gebruikte term ‘Bersiap’ toont. Decennialang was er in Nederland nauwelijks aandacht voor de ervaringen van Indische en Molukse mensen tijdens de Japanse bezetting. Binnen het Indische verhaal was het geweld van de naoorlogse Bersiap lang een ondergeschoven kind, terwijl de herinneringen aan het verdrietige verleden voor veel direct betrokkenen en hun nakomelingen nog springlevend zijn. Het was voor velen een pijnlijke ervaring dat ze het woord nu kennelijk niet meer mochten gebruiken. Verbreding van het perspectief op het koloniale verleden is toe te juichen, maar dit voorbeeld maakt duidelijk hoezeer dit vraagt om de nodige voorzichtigheid. Mensen staan nu eenmaal eerder open voor andere perspectieven als er ook ruimte is voor hun eigen perspectief.

Over de auteur

 

Onno Sinke

Onno Sinke werkt als senior beleidsonderzoeker/adviseur voor ARQ Kenniscentrum Oorlog, Vervolging en Geweld. Hij promoveerde op een proefschrift over Radio Oranje en publiceerde daarna meerdere boeken over de Tweede Wereldoorlog.


Foto boven aan pagina

De Indonesische ambassadeur H.E. Mayerfas legt een krans tijdens de Nationale Herdenking 15 augustus 1945 in Den Haag, 2022. Bron: Marco de Swart

De Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog in de klas

Hoe staat het met het ‘koloniaal besef’ in Nederland? In onderzoeken naar collectieve herinnering en historisch besef over voormalig Nederlands-Indië worden tegenvallende resultaten vaak verklaard door te wijzen naar het geschiedenisonderwijs, terwijl veel docenten en schoolboekauteurs zelf al langere tijd proberen om deze complexe geschiedenis voor het voetlicht te brengen. Tina van der Vlies onderzocht de paradox. Bovendien schetst ze hoe docenten gevoelige geschiedenis zoals de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog het beste kunnen bespreken in de klas.

Op 29 november 2020 kopte Trouw dat de Vlaamse auteur David Van Reybrouck ‘verbijsterd’ was over het gebrek aan historisch besef in Nederland. Hij schreef het boek Revolusi, over de onafhankelijkheidsstrijd van Indonesië, om zodoende het inzicht in deze geschiedenis en het ‘Nederlands koloniaal besef’ te vergroten. In de inleiding van zijn boek verwees Van Reybrouck naar een rapport van het Britse marktonderzoeksbureau YouGov uit 2020, waaruit bleek dat Nederland in vergelijking met andere voormalige kolonisatoren zoals België, Frankrijk of het Verenigd Koninkrijk het meest trots en het minst beschaamd is over het koloniaal verleden.1 Een opmerkelijk resultaat als je bedenkt dat twintig jaar eerder uit ander onderzoek bleek dat velen de koloniale overheersing als de zwartste bladzijde uit de Nederlandse geschiedenis zagen.2 In oktober 2021 verscheen opnieuw een rapport: EenVandaag had onderzocht hoe ‘wij’ terugkijken op de VOC-tijd en de koloniale tijd van Nederlands-Indië. In dit onderzoek gaf niet de helft van de respondenten zoals bij YouGov aan trots terug te kijken, maar slechts 35%.3

Zijn de verschillen te verklaren door het verschil in tijd, de geformuleerde vraagstelling, of het aantal en type respondenten? Of bijvoorbeeld door het feit dat naast 30.000 leden van het EenVandaag Opiniepanel ook ruim 1000 Indische en Molukse Nederlanders de vragen voorgeschoteld kregen? Dit laatste lijkt een logische verklaring, maar als we de cijfers erbij pakken, blijkt 36% van deze groep met trots terug te kijken, tegen 35% van het totaal. Het betreft een gemiddelde, want de groep Indische en Molukse Nederlanders bleek onderling erg verdeeld in de manier waarop ze terugkeken op het verleden en welke argumenten ze aandroegen om dit uit te leggen.4

Screenshot uit de uitzending van de bijeenkomst ‘De Indonesische blik op 350 jaar Nederlandse overheersing’ in de Balie van 29 januari 2022. Bron: De Balie

Van trots of schaamte naar begrip en inzicht

Op 18 januari 2022 publiceerde de Volkrant een artikel met de vraag ‘Hoe kijken Indonesiërs terug op de koloniale tijd?’ De krant baseerde het artikel op een enquête onder 15 miljoen bezoekers van de Indonesische website Historia. 5 Dit onderzoek werd in dezelfde maand besproken in De Balie in Amsterdam, tijdens een bijeenkomst waarbij het geschiedenisonderwijs in Indonesië en Nederland onder de loep werd genomen.6

Vaak worden resultaten van onderzoeken naar historisch besef en collectieve herinnering verklaard door te verwijzen naar geschiedenisonderwijs. Bovendien gaat dit meestal gepaard met een appel op geschiedenisleraren om de blinde vlekken in de historische kennis van leerlingen aan te pakken of vergeten zwarte bladzijden te belichten. Nieuwe generaties maken tijdens geschiedenislessen verplicht kennis met het verleden en dus maakt het uit welke lesstof tijdens deze uren behandeld wordt.

In oktober 2021 werd in Nederland de commissie ‘Versterking kennis geschiedenis voormalig Nederlands-Indië’ ingesteld. Deze commissie onder leiding van oud-minister Jet Bussemaker moet de Rijksoverheid vóór 2023 adviseren over effectieve manieren om meer aandacht voor en kennis over dit onderwerp te genereren op bijvoorbeeld scholen en in musea. Niet trots of schaamte, maar begrip en inzicht zijn daarbij belangrijke sleutelwoorden. De commissie is onderdeel van een extra impuls ter waarde van 20,4 miljoen euro die het kabinet in 2020 besloot te geven aan de collectieve erkenning van de Indische gemeenschap in Nederland. In dat jaar was het 75 jaar geleden dat de Tweede Wereldoorlog in Zuidoost-Azië eindigde.

Staatssecretaris Paul Blokhuis (VWS) en Jet Bussemaker tijdens de startbijeenkomst van de commissie ‘Versterking kennis geschiedenis voormalig Nederlands-Indië’ op 25 oktober 2021. Bron: Koen van Weel / ANP Foto

Paradox

Even terug naar het EenVandaag-onderzoek. Opmerkelijk feit: jongeren waren kritischer dan gemiddeld over de koloniale tijd en 55% van de jongeren gaf aan veel of redelijk veel te weten over deze geschiedenis. Dit kán natuurlijk te maken hebben met jeugdige overmoed, maar wellicht ook met het feit dat veel schoolboekauteurs, docenten en didactici al langer aandacht vragen voor deze complexe geschiedenis, net als de overheid trouwens. In 1993 is de Wet op de Basisvorming ingevoerd, bedoeld om leerlingen in de onderbouw van het voortgezet onderwijs kennis te laten maken met bepaalde kerndoelen. Kerndoel negen werd als volgt omschreven: ‘Leerlingen kunnen met voorbeelden de koloniale en postkoloniale verhouding tussen Nederland en Oost- en West-Indië karakteriseren, met gebruikmaking van de aspecten: kolonialisme, imperialisme en politieke onafhankelijkheid.’ 7 Ook was Nederlands-Indië en de koloniale relatie tussen Nederland(ers) en Indonesië al regelmatig een examenonderwerp voor het schoolvak geschiedenis: in 2008, 2007, 2002, 2001, 1989, 1988 en 1976.

Toch is er de actuele roep om verbetering van het ‘Nederlands koloniaal besef’ en de vraag aan scholen om meer inzicht en begrip te genereren. Hoe kan dit? Ik zet een aantal mogelijke verklaringen op een rij.

Tijdgebrek en de ‘textbook time lag’

De eerste verklaring is het gebrek aan tijd, of preciezer gezegd: het aantal uren en jaren dat leerlingen tegenwoordig gemiddeld geschiedenisonderwijs krijgen. In Vlaanderen krijgen leerlingen in het algemeen, technisch en kunstzinnig onderwijs bijvoorbeeld gedurende hun hele middelbareschooltijd geschiedenis; alleen in het beroepsonderwijs bestaat er geen autonoom schoolvak geschiedenis. In Nederland ligt dit anders en is geschiedenis – mooie schoolboeken en opgeleide docenten ten spijt – enkel een verplicht vak in de onderbouw en een keuzevak in de bovenbouw. Er zijn dus hele generaties scholieren die slechts een paar jaar geschiedenis krijgen en dit vak dan kunnen laten vallen. Zij hoeven geen eindexamen geschiedenis te doen, ook al staat Nederlands-Indië op het programma. Het aantal uren dat gereserveerd wordt voor geschiedenisonderwijs in de onderbouw staat bovendien onder druk. Op diverse scholen krijgen leerlingen meer uren les in kernvakken – Nederlands, Engels en wiskunde – en minder in vakken als geschiedenis. Bovendien is geschiedenis soms samen met economie, aardrijkskunde en vaak ook levensbeschouwing geïntegreerd in het vak Mens en Maatschappij. Dit combinatievak krijgt meestal maar vier uur in de week, terwijl de vakken apart in totaal voor ongeveer zeven uur op de lessentabel stonden.

Een andere verklaring is te omschrijven als de textbook time lag, oftewel de kloof of afstand in tijd die er is tussen historiografische vernieuwingen en hun inbedding in schoolboeken. In de praktijk blijkt het vaak een paar jaar te duren voordat nieuwe wetenschappelijke inzichten in schoolboeken terechtkomen. Bovendien moeten deze pedagogisch en didactisch ‘vertaald’ worden, zodat leerlingen er goed mee uit de voeten kunnen. Schoolboeken zijn niet slechts een samenvatting van de laatste stand van zaken in de wetenschap, maar een complex amalgaam van politieke, maatschappelijke, pedagogische, didactische en disciplinaire contexten die samenkomen in een boek dat niet te veel bladzijden mag tellen. De formuleringen die leerlingen uiteindelijk voorgeschoteld krijgen – niet alleen in hun boek, maar ook tijdens het eindexamen – moeten dan ook zorgvuldig gekozen worden. In het eindexamen geschiedenis en staatsinrichting uit 2007 voor het vmbo wordt bijvoorbeeld ingegaan op de gevoeligheid van de excuuskwestie en de precieze datum van onafhankelijkheid, maar de term ‘politionele acties’ wordt niet bevraagd en zonder reflectie gehanteerd. Juist in de historiografie is die laatste term stevig bekritiseerd en vaak vervangen door bijvoorbeeld ‘koloniale oorlog’ of ‘militaire operatie’, vanwege de verzachtende en misleidende werking van de term en het feit dat deze impliceert dat het om een legitiem politieoptreden ging.

Framing

Een derde verklaring sluit hierop aan en betreft hoe er over Nederlands-Indië of de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog wordt gesproken en geschreven. Daarbij gaat het niet enkel over gekozen woorden of de in- en uitsluiting van bepaalde gebeurtenissen of personen binnen een geschiedverhaal. Het gaat ook over betekenisgeving en samenhang: over de vraag hoe gebeurtenissen en personen worden ingekaderd, oftewel ‘geframed’.8 Door bijvoorbeeld te benadrukken dat leerlingen in Nederlands-Indië kennismaakten met Nederlandse geschiedenis en in hun strijd voor onafhankelijkheid geïnspireerd raakten door de Opstand tegen Filips II, krijgt Nederland indirect een heldenrol toebedeeld als ‘bevrijder’, naast de rol van ‘bezetter’.

Framing gaat dus niet over het presenteren van onjuistheden die lijnrecht tegenover ‘de waarheid’ staan, maar om de accenten die gelegd worden en hun effecten op hoe geschiedenis wordt doorgegeven aan volgende generaties. Dit toont hoe belangrijk het is om niet te blijven hangen in een nationaal frame of polariserende en versimpelde tegenstellingen, zoals trots-schaamte, wij-zij, zwart-wit of goed-fout. Het gaat immers over een complexe wereldgeschiedenis, zoals Van Reybrouck terecht benadrukt, en individuele verhalen zijn een betekenisvolle aanvulling op de uitleg van het koloniaal systeem. Zorgvuldig onderzoek blijft bovendien een belangrijk wapen tegen framing: er moet bijvoorbeeld worden opgemerkt dat slechts een kleine groep elitaire Indonesische leerlingen hetzelfde op Nederland georiënteerde onderwijs kreeg als Nederlandse (merendeels Indo-Europese) leerlingen, terwijl andere Indonesische kinderen inlands onderwijs kregen met aandacht voor regionale geschiedenis.

Multiperspectiviteit

Dit alles in ogenschouw nemend: hoe kunnen docenten een complexe en gevoelige geschiedenis als de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog het beste bespreken in de klas? Allereerst is het van belang dat er een veilig leerklimaat aanwezig is in de klas. Bovendien is het belangrijk om als docent oog te hebben voor de emotionele betrokkenheid van leerlingen. Het is heel goed mogelijk dat leerlingen in dezelfde klas zich met verschillende groepen identificeren. Ook kunnen zij reeds een sterke mening hebben over een bepaald onderwerp, onder invloed van thuis of de media, en in eerste instantie niet bereid zijn tot een open dialoog of een kennismaking met een andere interpretatie van de gebeurtenissen. In dit geval kan het goed werken om niet direct te beginnen met een grote schets, maar met individuele, persoonlijke geschiedverhalen.9 Op de basisschool zouden leerkrachten bijvoorbeeld kinderen in voormalig Nederlands-Indië centraal kunnen stellen, omdat die een belangrijk speerpunt in het koloniaal beleid waren. Goed om te weten in dit verband is dat onderzoekers Marit Monteiro, Maaike Derksen en Marleen Reichgelt, die in 2021 de Radboud Science Award wonnen, samen met onderwijsexperts lesmateriaal gaan ontwikkelen voor kinderen uit groep 7 en 8.10

Maaike Derksen, Marleen Reichelt en Marit Monteiro (vlnr) tijdens de uitreiking van de Radboud Science Awards 2021. Bron: Wetenschapsknooppunt Radboud Universiteit

Het is daarnaast belangrijk om leerlingen expliciet kennis te laten maken met verschillende perspectieven op geschiedenis. In het verleden probeerden Palestijnse en Israëlische onderzoekers eens om samen een schoolboek te schrijven om op die manier wederzijds begrip te bevorderen. Maar daders en slachtoffers waren aan beide kanten te vinden en het lukte maar niet om tot een gezamenlijk geschiedverhaal te komen. Uiteindelijk kwam er een schoolboek met drie kolommen. Links stond ‘het’ Joods-Israëlische verhaal, rechts stond ‘het’ Palestijnse verhaal en in het midden was een kolom met lege regels opgenomen, waar leerlingen hun eigen commentaar konden opschrijven. Didacticus en educatief auteur Tom van der Geugten nam hieruit fragmenten op in een Nederlands schoolboek (Geschiedeniswerkplaats 2020). Hij gaf leerlingen zo een belangrijke les over geschiedenis mee, namelijk dat verschillende perspectieven naast elkaar kunnen bestaan. Het kritisch bevragen van elkaars perspectief is eveneens mogelijk: argumenten, bewijzen en betrouwbaarheid van de bronnen spelen hierbij een cruciale rol. Een dergelijke oefening over de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog zou zeker ook leerzaam zijn.

Pagina uit het boek Side by Side, Parallel Histories of Israel-Palestine. Bron: The New Press

Historische schoolplaten als opstap

Niet alleen bronnen hebben te maken met standplaatsgebondenheid, maar ook leerlingen en docenten zelf. Meera Sabaratnam – een wetenschapper op het gebied van educatie, dekolonisatie en eurocentrisme aan de SOAS University of London – roept docenten op om zich bewust te zijn van hun ‘gedeelde’ veronderstellingen over hoe de wereld in elkaar steekt, en nodigt hen uit om deze veronderstellingen kritisch te onderzoeken en te bevragen. Dit kan bijvoorbeeld in het Nationaal Onderwijsmuseum te Dordrecht. Daar is een rijke collectie aan historische schoolplaten aanwezig: afbeeldingen die het wereldbeeld van diverse generaties gevormd en gekleurd hebben en op die manier nog steeds doorwerken in het heden.11 Deze historische visuele leermiddelen maken zichtbaar hoe koloniale verhoudingen in de infrastructuur van het onderwijs doorwerkten. Hier samen naar kijken en erover praten kan de deur openen voor een inspirerende dialoog over het hedendaags geschiedenisonderwijs.

Over de auteur

 

Tina van der Vlies

Dr. Tina van der Vlies is universitair docent bij de geschiedenisafdeling van de Erasmus Universiteit Rotterdam en lid van de wetenschappelijke adviesraad van het Nationaal Onderwijsmuseum. In 2022 verscheen haar boek Echoing Events. The Perpetuation of National Narratives in English and Dutch History Textbooks, 1920-2010. Voor haar nieuwe onderzoek naar publieke debatten over de doelen van geschiedenisonderwijs sinds de Eerste Wereldoorlog is ze verbonden aan de University of Cambridge (NWO Rubicon).


Noten

1. https://yougov.co.uk/topics/international/articles-reports/2020/03/11/how-unique-are-british-attitudes-empire (geraadpleegd op 10 oktober 2022).
2. Tom van der Geugten, ‘Schaamte en trots. Het Nederlands beeld van een koloniaal verleden’. Fibula 4 (2000), p. 4-7.
3. https://eenvandaag.assets.avrotros.nl/user_upload/PDF/Rapportage%20onderzoek%20koloniale%20geschiedenis_Nederlands_Indie.pdf
4. Het zou interessant zijn om verder onderzoek te doen naar deze groep. Wie zijn zij? Waar hebben zij onderwijs gevolgd, in Nederland of in Indonesië, en in welke periode? In Indonesië moeten de schoolboeken voldoen aan een uitgebreid verplicht curriculum. Volgens Hieronymus Purwanta, werkzaam bij de Universitas Sanata Dharma in Yogyakarta, laten geschiedenisschoolboeken in Indonesië na 1975 een verandering zien. Na 1975 leggen de boeken een duidelijker koloniaal perspectief aan de dag dan in de periode ervoor: verhalen over het Nederlands kolonialisme en imperialisme worden niet zozeer verbonden aan leed en ellende, maar aan begrippen zoals ontwikkeling en modernisering. Zie: Hieronymus Purwanta, ‘The representation of colonial discourse in Indonesian secondary education history textbooks during and after the New Order (1975–2013)’. History of Education 47, nr. 3 (2018), p. 349-361.
5. Noël van Bemmel, ‘Hoe kijken Indonesiërs terug op de koloniale tijd? “De Nederlanders waren wrede onderdrukkers’’’. De Volkskrant, 18 januari 2022.
6. Zie: https://debalie.nl/programma/de-indonesische-blik-op-350-jaar-nederlandse-overheersing-29-01-2022/
7. Zie ook: Tom van der Geugten, ‘Het einde van Indië in schoolboeken’. Moesson (1995), p. 11-17.
8. Tina van der Vlies, Echoing Events. The Perpetuation of National Narratives in English and Dutch History Textbooks, 1920-2010. Göttingen: Brill | V&R unipress, 2022.
9. Geerte Savenije, Albert Logtenberg & Bjorn Wansink, ‘Conflicterende perspectieven in het klaslokaal, onderzoek naar gevoelige geschiedenis’, Kleio 5 (2019), p. 5-7; Devon Abbey & Bjorn G. J. Wansink, ‘Brokers of multiperspectivity in history education in post-conflict societies’, Journal of Peace Education 19, nr. 1 (2022), p. 67-90.
10. Voor meer informatie, zie: ‘Children as Objects and Agents of Change Network’ (COAC), https://ash.uva.nl/content/projects/coac/coac.html?cb
11. Evelien Walhout & Jacques Dane, ‘Picturing the East. A Visual Analysis of Dutch Late-Nineteenth and Early Twentieth-Century Educational Tools from the Collection of the Dutch National Museum of Education.’ Yearbook for Women’s History: Gendered Empire 39, p. 157-187. Hilversum, Verloren, 2020.


Foto boven aan artikel

Een schoolplaat uit 1933 van Johan Gabriëlse met als titel ‘Muskaatnotenbedrijf op de Banda eilanden. Molukken.’ De schoolplaat was uitgegeven door J.B. Wolters’ Uitgevers-maatschappij N.V. Bron: Museon

Omgang met het koloniale verleden

Jaargang 11, nummer 5, december 2022

In 2022 stond het koloniale verleden volop in de schijnwerpers. Naar aanleiding van de resultaten van een grootschalig onderzoeksproject naar de koloniale oorlog in Indonesië volgden ‘diepe excuses’ van het kabinet. In deze WO2 Onderzoek uitgelicht aandacht voor de impact van deze recente ontwikkelingen.

Geschiedenis over de grens. Verstript koloniaal verleden als exportproduct?

Kunst kan de complexiteit van ingrijpende oorlogsverschrikkingen zeer aansprekend in beelden vatten én ons beeld van de geschiedenis doen kantelen. In deze rubriek belichten we daarom steeds een theaterstuk, tentoonstelling, film of andere kunstuiting waarin de herinnering aan 20e-eeuwse oorlogen een belangrijke rol speelt. Dit keer aandacht voor een Franse editie van Peter van Dongens striproman Familieziek.

Onlangs verscheen onder de titel Fichue famille een Franse vertaling van Peter van Dongens stripbewerking van Familieziek. Het fraai getekende beeldverhaal Familieziek is gebaseerd op de gelijknamige roman van Adriaan van Dis en toont het verhaal van vader Van Dis. Na terugkeer uit Nederlands-Indië probeert die in het Nederland van kort na de oorlog moeizaam een plek in de samenleving  te veroveren met zijn samengestelde gezin.

Cover Familieziek. Foto: Scratch

Zowel het in 2017 verschenen stripverhaal – vrucht van negen jaar intensief werk – als de daaraan voorafgaande roman kenden in Nederland een enthousiaste ontvangst. De uitgave kreeg diverse herdrukken.

Door de toegenomen vertrouwdheid met koloniale voorouders in de familiegeschiedenis van veel Nederlanders, kon het verhaal in ons land rekenen op een zekere herkenning. Het verloop van de Tweede Wereldoorlog in Nederlands-Indië en de daaropvolgende dekolonisatiestrijd die uiteindelijk de onafhankelijkheid van Indonesië zou bevestigen, zijn de meeste Nederlanders niet onbekend. Voor veel lezers in Frankrijk en Wallonië echter zal de stripbewerking van Van Dongen vermoedelijk hun eerste kennismaking met deze thematiek zijn.

Al eerder kon het Franstalige publiek werk van Van Dis, Hella Haasse en Pramoedya Ananta Toer tot zich nemen waarin de Indische/Indonesische oorlogsjaren een belangrijke rol speelden. Maar vermoedelijk zal de beeldende kracht van het zorgvuldig gecomponeerde tekenwerk van Van Dongen voor een veel groter lezersbereik zorgen.

Algerijnse onafhankelijkheidsstrijd

De ontwikkeling van de strip tot medium voor een volwassen publiek is in Nederland een betrekkelijk recent verschijnsel. Anders is het in de Franstalige wereld, waar het beeldverhaal al langere tijd een serieuze status geniet. Zodoende is er ook meer ruimte voor verhalen over dekolonisatie.1

Vanaf de vroege jaren tachtig verschenen er met name – deels fictieve – verhalen over de Algerijnse onafhankelijkheidsstrijd. De afgelopen jaren wordt in toenemende mate ook de dekolonisatie van Vietnam verwerkt in beeldverhalen, door auteurs als Clément Baloup en Marcelino Truong, die evenals Van Dongen een familiegeschiedenis delen met de voormalige koloniën.

Het is niet de eerste keer dat Van Dongen een Franstalig publiek door een stripuitgave in het Frans de complexe Nederlands-Indonesische geschiedenis voorschotelt. Zijn pakkende tweeluik Rampokan verscheen in 2005 ook in Frankrijk. Hierin gaat een in Indië geboren Nederlandse militair, die vanaf 1946 deel uitmaakt van de strijdkrachten die de Indonesische onafhankelijkheidsstrijders bevechten, op zoek naar zijn baboe die voor hem als kind zo belangrijk was.

Een confronterende zoektocht die – te midden van de gewelddadige ontwikkelingen – heel anders verloopt dan hij had gedacht wanneer zij tot de vrijheidsstrijders blijkt te behoren.

Cover RampokanFoto: Dupuis Uitgeverij

Verbijstering

De uitgebeelde persoonlijke ervaringen in overrompelende tijden brengen de netelige politieke en raciale verhoudingen, de onzekerheden, de worstelingen en de botsende perspectieven van de uiteenlopende betrokkenen inzichtelijk in beeld. Het was het besef “dat ik niks wist van de geschiedenis van het land van mijn moeder” – terwijl hij in geschiedenislessen op school wél vertrouwd was gemaakt met de Nederlandse oorlogsgeschiedenis – dat Van Dongen bewoog tot het maken van Rampokan.

Inmiddels blijkt Van Dongens ambitie om “het verleden waarde te geven voor een groter publiek” door middel van zijn strips, ook buiten de Nederlandse grenzen vruchten af te werpen.2 Via de insteek van een familieverhaal raken lezers, geleidelijk of abrupt, vertrouwd met de schok en verbijstering die het onafhankelijkheidsstreven veelal teweegbracht, met de bewustwording van wat de koloniale praktijk inhield en met de lange, niet zelden bittere nawerking van koloniale erfenissen.

Het is vooralsnog uitzonderlijk dat Nederlandse striplezers kennis kunnen nemen van de Algerijnse onafhankelijkheidsstrijd of dat Franse stripliefhebbers iets kunnen leren over de dekolonisatie-erfenis van de Nederlanders en Indonesiërs. Het bereik van dekolonisatiestrips blijft merendeels beperkt tot lezers in het land waar het stripboek oorspronkelijk verscheen.3

Het besef dat meerdere Europese landen een moeizame omgang kennen met krampachtige dekolonisatieprocessen, en de erkenning dat onderlinge vergelijking en uitwisseling kan bijdragen aan een beter en genuanceerder inzicht, dringt mede hierdoor slechts druppelsgewijs door in bredere kring. Maar elke vertaling is winst en verbreedt de blik.

Een gedeelte uit Familieziek. Foto: Scratch

Clichés bevragen

Het is gissen of de historische thematiek van Van Dongens werk de doorslag heeft gegeven bij het besluit van de uitgever om Familieziek in het Frans te publiceren. Waarschijnlijk niet. Ondanks een positief onthaal van het eerder vertaalde Rampokan-tweeluik berust Van Dongens faam onder Franse stripliefhebbers vooral op zijn tekenwerk voor de beroemde stripverhalen van Blake & Mortimer.

Een paar jaar terug raakte hij met twee collega-stripmakers betrokken bij de voortzetting van deze klassieke stripserie die in 1946 door de Belgische stripmaker Edgar P. Jacobs werd gelanceerd en tegen een achtergrond van Koude Oorlog en Brits kolonialisme speelt. Hoewel die serie oorspronkelijk tal van politieke en koloniale stereotypen bevestigde, blijkt populaire cultuur inmiddels een veel minder eenduidig fenomeen, dat heel goed clichés kan relativeren en bevragen door historische gebeurtenissen te plaatsen in een breder, transnationaal perspectief. Zo kan uitwisseling van populaire verbeeldingen verder bijdragen aan een genuanceerde blik op complexe geschiedenissen.

Over de auteur

 

Kees Ribbens

Kees Ribbens is senior onderzoeker bij het NIOD en hoogleraar Populaire historische cultuur & oorlog aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Daarnaast is hij redacteur van WO2 Onderzoek uitgelicht.


Noten

1. In de Nederlandse strip is dekolonisatie een onderbelicht thema, al duikt het thema bijvoorbeeld wel op in De Terugkeer van Eric Heuvel (Indisch Herinneringscentrum, 2010).
2. In 75 jaar vrijheid, Nationaal Comité 4 en 5 mei, p. 53.
3. Van Rampokan is overigens ook een Indonesische editie verschenen.


Foto boven aan artikel

Een gedeelte uit Familieziek. Bron: Scratch

We waren en zijn hier: meerstemmigheid in musea

Kort geleden bezocht ik HIER. Zwart in Rembrandts tijd. Op deze tentoonstelling in Museum Het Rembrandthuis zijn voor het eerst in de geschiedenis de portretten samengebracht die Rembrandt en zijn tijdgenoten maakten van zwarte mensen. Ik ging langs om praktijkvoorbeelden van meerstemmigheid te analyseren en raakvlakken te zoeken met oorlogserfgoed in musea. Welke methodes zijn inspirerend? Hoe meerstemmig ontsluiten zij het verleden?

Musea spelen een grote rol in de vorming van identiteit en dominante narratieven. Zoals erfgoed dynamisch is – met dank voor dit inzicht aan historicus Willem Frijhoff – is ook identiteit geen statisch construct.1 Dit houdt in dat de betekenis of waarde van erfgoed kan veranderen en dat ook nieuwe vormen van erfgoed kunnen ontstaan. Musea vervullen in deze veranderingsprocessen een cruciale functie.

Een belangrijk onderdeel van tentoonstellen en ontsluiten van collecties is representatie. Volgens museoloog Nina Simon is de overgrote meerderheid van musea ontstaan vanuit wit privilege: ze vertellen louter verhalen over de veroveringen door witte mannen, presenteren vooral meesterwerken van witte mannelijke kunstenaars en tonen bijna uitsluitend uitvindingen van witte mannelijke wetenschappers en theorieën van academici.2 Zelfs als je daar niet omheen kunt omdat je collectie nu eenmaal die basis heeft, is er werk aan de winkel.

De beslissingen die museummedewerkers nemen omtrent het gebruik van narratief en thematiek hebben allerlei sociaalmaatschappelijke effecten.3 Het maakt uit wiens erfgoed wordt getoond, welk erfgoed, en door wie de verhalen verteld worden.

Meerstemmigheid kan daarin een sleutelrol vervullen. Het begrip verwijst naar een proces van bewustwording waarin het dominante narratief wordt verbreed, aangevuld of bijgesteld met andere perspectieven. Dit is een schurend proces van verkenning, erkenning, verbinden, accepteren en accommoderen. Schurend omdat de conservatieve en gevestigde orde vaak niet mee lijkt te bewegen.

Museum Het Rembrandthuis ging de uitdaging wél aan, met initiatiefnemers Stephanie Archangel en Elmer Kolfin. En met de hulp van historicus Mark Ponte, de creatieve breinen Brian Elstak en Raul Balai en vele externe adviseurs.

De realiteit versus stereotyperingen

De eerste zaal van HIER. Zwart in Rembrandts tijd maakt duidelijk dat Amsterdam al in de 17e eeuw een multiculturele stad was. Tussen circa 1630 en 1660 was er een kleine gemeenschap van vrije zwarte mensen in de omgeving van de Jodenbreestraat, in de buurt waar ook Rembrandts huis en atelier zich bevonden. Op een kaart uit 1625 zie je precies waar zijn zwarte buurtgenoten woonden.

Ik ontdek hier bijvoorbeeld dat Antonio Manuel van St. Jago van Capo Verde en Hester Jans van Capo Verde op een steenworp afstand van Rembrandt woonden. Geen wonder dat Rembrandt en zijn tijdgenoten hen portretteerden. Kunstenaars gingen immers de straat op, op zoek naar levende modellen om zo realistisch mogelijk na te tekenen.

Een kaart uit de tentoonstelling. Foto: Museum Het Rembrandthuis

Het valt op dat zwarte mensen begin 17e eeuw het vaakst zonder negatieve stereotypering in de kunst zijn weergegeven. Ik loop langs fraai ingelijste olieverfschilderijen van statige zwarte individuen: de Congolese gezant Dom Miguel de Castro en Koning Caspar. Beiden in vol ornaat en in een houding die getuigt van zelfvertrouwen. De tentoonstelling brengt hier een belangrijke boodschap naar buiten: We waren en zijn hier. Wij zijn onderdeel van de Nederlandse samenleving.

Verderop in de zaal hangen heel andere werken: voorbeelden van portretten die getuigen van misplaatste witte superioriteit en exotisme. In de tweede helft van de 17e eeuw werden zwarte mensen ingezet in de promotie van koloniale producten. De tentoonstelling toont allerlei vormen van reclame voor thee en tabak waarin zwarte figuren met buitenproportionele roodgekleurde lippen en een extra brede neus figureren. In dit deel van de tentoonstelling zie ik ook vele portretten van de witte elite met hun zwarte bedienden.

Eeuwenlange reproductie van deze beelden heeft gezorgd voor een oneerlijke, onrealistische representatie, waarbij zwarte mensen enkel als onderdanig en minderwaardig worden neergezet. Deze gedachtegang is in de wereld gebracht ter legitimering en rechtvaardiging van de slavernij. Hedendaags racisme is hier een hardnekkige nawee van.

Dit eerste deel van de tentoonstelling is een goed voorbeeld van hoe je representatie bespreekbaar kan maken in een museale context, en tegelijkertijd bijdraagt aan de verbetering hiervan. De kern: leren waar stereotypen vandaan komen en deze ontleren.

Tronie van een jonge zwarte man. Gerrit Dou, 1630/1635. Foto: Niedersächsisches Landesmuseum

Identiteit en representatie

De tweede zaal toont een eregalerij van portretten van zwarte mensen, thematisch ingedeeld in verhalen, portretten en tronies – portretstudies van naamloze modellen. De studies voor de portretten werden later vaak verwerkt in schilderijen over de bijbel of klassieke mythologie. Het schilderij dat in deze zaal alle aandacht steelt is Tronie van een jonge zwarte man van Gerrit Dou.

Prachtig hoe het licht weerkaatst op zijn bruine glanzende huid, de zijden tulband, het kobaltblauwe gewaad en de opvallende glinstering in de zilveren creool in zijn oor. Hij kijkt je recht aan en heeft qua blik en houding opvallend veel weg van Meisje met de parel van Johannes Vermeer.

Als aanvulling op de historische, door witte kunstenaars gemaakte werken worden er ook hedendaagse werken getoond van zwarte kunstenaars, zoals Iris Kensmil, Hedy Tjin, Dion Rosina en Jaasir Linger. Zij portretteerden familie, vrienden en belangrijke politici. Daarnaast maakten Raul Balai en Brian Elstak speciaal voor de tentoonstelling samen een schilderij van een zwarte Jezus, als tegengeluid bij de vele schilderijen met Jezus als witte man.

Het uiterlijk dat Jezus in al die portretten wordt aangemeten, komt niet overeen met dat van zijn tijdgenoten uit Palestina. Volgens Balai en Elstak is dit whitewashing van de geschiedenis: het vooropstellen van westerse kenmerken in de geschiedschrijving.

Don Miguel de Castro, geschilderd door Jasper of Jeronimus Becx in 1643. Foto: Statens Museum for Kunst

Met hun werk reflecteren de hedendaagse kunstenaars die meededen aan HIER. Zwart in Rembrandts tijd op hun eigen identiteit, vanuit hun eigen perspectief. Zo dragen zij bij aan een inhaalslag die ook veel andere musea te wachten staat.

Zoals de nieuwe verhalen en beelden uit HIER. Zwart in Rembrandts tijd de lacunes van museale representatie aanvullen, hoop ik ook een genuanceerder en completer verhaal over de Tweede Wereldoorlog tegen te gaan komen in musea. Bijvoorbeeld over de onmisbare rollen van de voormalige koloniën ten tijde van oorlogvoering. Tachtig procent van de geallieerde vliegtuigen werd gemaakt van aluminium uit Suriname en zestig procent van de vliegtuigen vloog met brandstof geraffineerd in de voormalige Antillen.

Ik hoop op musea waar bezoekers zich met trots kunnen identificeren met verzetsstrijders als Boy Ecury, George Maduro en Anton de Kom. Niet lukraak in een tijdelijke tentoonstelling, maar in de vaste presentaties. Zodat iedereen, ook jij of je buurman, zich gerepresenteerd voelt.

Over de auteur

 

Guinevere Ras

Guinevere Ras is een erfgoedprofessional met een expertise in meerstemmigheid. Ze werkt bij het Nederlands Fotomuseum als junior curator en draagt met haar onderneming Museale Meerstemmigheid projectmatig en door middel van workshops en advies bij aan een inclusievere erfgoedsector.


Noten

1. W. Frijhoff, Dynamisch erfgoed. Amsterdam: Uitgeverij SUN, 2007.
2. N. Simon, ‘On White Privilege and Museums’, 6 april 2013.
3. G. Black, Transforming Museums in the Twenty-first Century. London: Routledge, 2012.


Foto boven aan artikel

Black Jesus aka Fuck Cracker Christ. Raul Balai & Brian Elstak, 2020. Bron: Museum Het Rembrandthuis

Elizabeth Buettner: “Activisme rond het koloniale verleden dwingt de erkenning van een nieuwe realiteit af”

Historica Elizabeth Buettner is specialist op het gebied van dekolonisatieprocessen. Zij werkt nu bijna zeven jaar in Nederland. Hoe kijkt zij naar de Nederlandse omgang met het koloniale verleden en de effecten van het actuele antiracistische activisme? En waarin verschillen wij daarin van andere Europese landen?

Het interview met Elizabeth Buettner over de nawerking van het koloniale verleden in Europa stond al gepland toen begin deze zomer een wereldwijde protestbeweging tegen racisme ontstond, waarin ook monumenten voor koloniale figuren het moesten ontgelden. De van oorsprong Amerikaanse Buettner maakte in 1997 de overstap naar het Verenigd Koninkrijk, waar toen de impact van het koloniale verleden op het land fel bediscussieerd werd.

In 2014 vertrok ze naar Nederland, waar inmiddels een soortgelijke ontwikkeling in volle gang was. Als hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam (UvA) werkte de historica aan het staartje van haar boek Europe after Empire (2016). Hierin onderzocht ze de effecten van het dekolonisatieproces op vijf Europese ‘moederlanden’: Nederland, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, België en Portugal. De hamvraag: is Europa zelf eigenlijk wel gedekoloniseerd?

De herinnering aan het koloniale verleden leeft in Nederland. Maar welke specifieke herinnering aan de dekolonisatie hebben wij?
“De historische herinneringscultuur in Nederland draait primair om de dubbele bezetting van Nederland en Nederlands-Indië tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het is echter een moeilijk proces geweest om de Indische ervaringen een plaats te geven naast de herinnering aan de oorlog in Nederland, waarin thema’s als de Holocaust, collaboratie en verzet centraal stonden.

Monumenten voor de Indische oorlogservaringen zijn bijvoorbeeld veel later opgericht dan voor de Nederlandse. En nog steeds zijn 4 en 5 mei veel prominenter aanwezig in de publieke opinie dan de herdenking van het einde van de Japanse bezetting op 15 augustus. Voor Indische Nederlanders voor wie de oorlog door ervaring of familieband nog een nabij verleden is, is dat natuurlijk anders. Het was interessant geweest om te zien hoe de herdenkingen en alle media-aandacht er dit jubileumjaar hadden uitgezien, 75 jaar na dato, als ze in hun oorspronkelijke vorm hadden kunnen doorgaan.”

In het kader van 75 jaar vrijheid werd op 15 augustus 2020 een bijeenkomst over het einde van de Tweede Wereldoorlog en de oorlog in Nederlands-Indië georganiseerd. Ook was er een live-televisieprogramma. Foto: Martijn Beekman

Wat betekenen de excuses die koning Willem-Alexander in maart maakte voor het Nederlandse geweld tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog voor het debat over het Nederlandse koloniale verleden?
“Excuses zijn natuurlijk in principe een goede zaak. Maar het gevaar is dat excuses gebruikt worden om een onwelgevallig verleden weg te kunnen zetten.

Dankzij de Excessennota van 1969 kon het ongemakkelijke verhaal van Nederlands geweld tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog bijvoorbeeld worden afgedaan als uitzondering. In mijn onderzoek zag ik dat excuses vaak louter gebaren zijn, die gaan over een specifieke gewelddadige episode, maar weinig echte verandering teweegbrengen.

Natuurlijk zijn gebaren belangrijk, maar ze leiden ertoe dat de grotere koloniale geschiedenis niet ter discussie hoeft te worden gesteld. In het Verenigd Koninkrijk hebben recente rechtszaken over het Britse optreden in Kenia in de jaren vijftig geleid tot schadevergoedingen, maar dit wordt verder niet in verband gebracht met het Britse kolonialisme in het algemeen. In Nederland laat de uitspraak dat de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog verschrikkelijk was, mijns inziens ruimte voor het idee dat het vóór 1942 wel prima was in Nederlands-Indië.”

Een gevangengenomen lid van de Mau Mau-beweging wordt aan een stok gebonden. De Mau Mau was een guerillabeweging die vocht tegen de Britse overheersing in Kenia in de jaren 1950. Foto: ANP Photo / CAMERA PRESS / Terence Spencer

De focus op Indonesië maakt het beeld bovendien incompleet, zegt Buettner. Nu de Indonesische dekolonisatie een plaats krijgt in de Nederlandse herinnering, dient zich immers een nieuw hiaat aan: Nederlands kolonialisme in ‘de Oost’ is nog altijd veel prominenter in beeld dan dat in het voormalige West-Indië.

Buettner: “Het beeld van het Nederlandse kolonialisme in Suriname en op de Antillen wordt gedomineerd door slavernij en slavenhandel. Er is bijvoorbeeld relatief weinig aandacht voor de grote migratiebewegingen van Hindoestanen en Javanen naar Suriname na afschaffing van de slavernij.

Dat geldt ook voor ontwikkelingen in de twintigste eeuw. Er wordt fantastisch onderzoek gedaan naar Nederlands West-Indië tussen 1945 en de jaren zeventig, als onderdeel van het Koninkrijk der Nederlanden. Maar dit verleden speelt weinig in het publieke debat. En dat terwijl het een veel recenter verleden is – Suriname werd pas in 1975 onafhankelijk en de Nederlandse Antillen vormen nog steeds een residu van het Nederlandse imperium.

Natuurlijk ging het om een ander soort dekolonisatie dan in Indonesië. Maar toch: het is onterecht dat Indonesië een veel grotere rol speelt in het Nederlandse zelfbegrip dan Suriname en de Antillen, zeker omdat zoveel Nederlanders van Surinaamse en Antilliaanse komaf zijn.”

Is er door het huidige maatschappelijke debat over racisme en discriminatie niet juist meer aandacht voor de koloniale geschiedenis van Suriname en de Antillen?
“Daardoor wint die geschiedenis voor veel mensen inderdaad aan belang. Jarenlang zijn migranten uit de koloniën in Europa als tweederangsburgers behandeld. In de periode na de Tweede Wereldoorlog kwamen de meesten als Frans, Brits, Portugees of Nederlands staatsburger naar Europa. Maar op basis van hun afwijkende etniciteit, ras of religie hebben ze overal moeten strijden om voor vol aangezien te worden.

Indische Nederlanders hebben actief gewerkt om hun herinnering aan ‘Indië’ in het nationale Nederlandse verhaal te integreren. Surinaamse en Antilliaanse Nederlanders doen dat nu ook, ze willen een meer inclusief beeld bewerkstelligen waar ook hun ervaringen deel van uitmaken. De jaarlijks terugkerende slavernijherdenkingen zijn onderdeel van deze beweging, net als het protest tegen Zwarte Piet. Afro-Nederlanders laten van zich horen, uit de voormalige Nederlandse koloniën én daarbuiten.

Maar zij niet alleen: ik zie onder mijn studenten dat het protest tegen Zwarte Piet inmiddels veel breder gevoerd wordt. En docent maatschappijleer Zawdie Sandvliet ontwikkelde in 2018 voor de UvA en de Hogeschool van Amsterdam bijvoorbeeld een vak over ‘Afro-Nederlandse Studies’, dat zeer populair was onder zowel zwarte als witte studenten. Voor hen gaat koloniale geschiedenis echt niet alleen over Indonesië, merkte ik als docent, maar ook over Suriname en de Antillen.

Als voorbereiding van de onafhankelijkheid in Suriname tonen premier Arron (rechts) en oppositieleider Lachmon de nieuwe vlag van de Republiek Suriname. Foto: Nationaal Archief / Fotocollectie Anefo

Hun interesse komt deels voort uit wat de bekende Britse wetenschapper Paul Gilroy een convivial culture noemt: vooral jongeren zijn allang gewend aan de alledaagse multiculturele realiteit en staan doorgaans meer open voor de perspectieven van anderen. Dat zal ook gevolgen hebben voor de herinnering aan kolonialisme. Het dominante beeld van ‘Indië’ als tempo doeloe is bij de jongere generaties al achterhaald. Zij associëren het steeds meer met oorlogsmisdaden of met een lange geschiedenis van verovering, uitbuiting en racisme.”

Hoe verhouden de Nederlandse herinneringen aan de dekolonisatie zich tot die in andere landen?
“Het grote verschil is dat de herinnering aan de dekolonisatie in andere Europese landen niet zo verbonden is met de Tweede Wereldoorlog, en daarom meer gefragmenteerd is. Voor het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk bijvoorbeeld was de oorlog, net als de Eerste Wereldoorlog, een imperiale oorlog waarin koloniale troepen juist een cruciale bijdrage leverden.

Voor de onafhankelijkheid van het voormalige Brits-Indië in 1947 was de oorlog zeker doorslaggevend. Maar dat was slechts een vroeg geval binnen een lange serie dekolonisaties, die zich in bijvoorbeeld Rhodesië – het huidige Zimbabwe – voortsleepte tot 1980. Sterker nog, met sommige koloniën ging het Britse bestuur zich na de oorlog alleen maar meer bezighouden. Voor het Britse zelfbeeld werd het gezichtsverlies van de Suezcrisis van 1956 een belangrijkere waterscheiding dan de Tweede Wereldoorlog.

In Frankrijk ligt het iets anders. Dat moest net als Nederland een traumatische bezetting verwerken, en net als Nederland probeerde Frankrijk zijn koloniale rijk te gebruiken om nog een zekere machtspositie te handhaven in de naoorlogse wereldorde. Hoewel het uit elkaar vallen van het Franse rijk geleidelijker ging dan het Nederlandse, is er voor Fransen ook één oorlog het sleutelmoment geworden dat altijd veel wordt besproken: die in Algerije. De dekolonisatie van het voormalige Indochina speelt amper een rol in het publieke bewustzijn.”

Wat is de waarde van zo’n vergelijkend Europees perspectief op het koloniale verleden?
“Imperialisme is onderdeel van een brede Europese geschiedenis. Ook van de geschiedenis van de Europese Unie. Vergeet niet dat de EU via lidstaten als Nederland en Frankrijk nog altijd allerlei overzeese gebiedsdelen in de Caraïben en de Stille Oceaan heeft. Toen in 1957 de Europese Economische Gemeenschap werd opgericht, beschouwde men Algerije nog als onderdeel van Frankrijk en dus als onderdeel van de EEG. Sommige lidstaten stelden zich in de late jaren vijftig zelfs een permanente rol van de EEG in Afrika voor.

Daarnaast bestrijden internationale vergelijkingen exceptionalisme in de geschiedenis. Ze laten de overeenkomsten zien tussen het koloniale denken van Europese landen. Elke koloniale macht dacht van zichzelf dat ze bijzonder goed was in het onderhouden van harmonieuze rassenrelaties, of dat ze bijzonder tolerant naar haar onderdanen was. Iets soortgelijks geldt ook voor de nawerking van het koloniale verleden: Europese landen voeren over hun nationale geschiedenis hun eigen debatten, terwijl die eigenlijk heel vergelijkbaar zijn.”

Een tank van het Nederlandse leger wordt in 1948 in Nederlands-Indië ontscheept.Foto: Nationaal Archief / Marine Voorlichtingsdienst

Kun je zeggen dat het wereldwijde activisme uit de samenleving dat we nu zien ons beter met de neus op de feiten drukt dan de officiële, institutionele initiatieven zoals herdenkingen en excuses?
“Ik denk dat je beide kanten nodig hebt en ze niet kunt scheiden. Beide zijn onderdeel van de conversatie. Officiële instellingen geven aanvankelijk misschien niet zo veel aandacht aan activisme, maar toch beïnvloedt het debat ook hun aanpak – het activisme dwingt de erkenning van een nieuwe realiteit af.

Sinds ik in Nederland ben, is bijvoorbeeld het grote, door de overheid gefinancierde onderzoeksproject naar de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog tot stand gekomen. Je zult concurrerende verhalen en spanningen nodig hebben om tot een productieve discussie te komen. En die spanningen zullen in onze heterogene samenlevingen voorlopig niet verdwijnen.”

Over de auteur

 

Miel Groten

Miel Groten is een historicus die gespecialiseerd is in koloniale geschiedenis, moderne Europese geschiedenis en architectuurgeschiedenis. Hij combineert deze thema’s aan de Vrije Universiteit Amsterdam in een proefschrift over de aanwezigheid van de koloniale wereld in de straten en steden van Europa, in de vorm van bijvoorbeeld fabrieken, kantoren en zendingshuizen.


Foto bovenaan artikel

Koning Willem-Alexander biedt excuses aan aan de president van Indonesië Joko Widodo op 10 maart 2020. Bron: ANP Photo/Robin Utrecht 

Een serieuze autopsie van de Belgische kolonisatie van Congo

Dit artikel verscheen eerder in de lage landen (voormalig Ons Erfdeel), een driemaandelijks tijdschrift dat context biedt bij cultuur in Vlaanderen en Nederland.

Veroverd, bezet, gekoloniseerd van Mathieu Zana Etambala is een gedegen academische studie zonder polemische ambitie. Maar dat houdt de auteur niet tegen om gehakt te maken van Leopold II en zijn Congo-beleid. In de eerste plaats draagt dit boek bij aan de ontsluiting van de koloniale geschiedenis en biedt het stevig voer voor het maatschappelijke debat daarover.

Er zijn boeken die snel door de actualiteit worden ingehaald, maar die na hun publicatie toch meteen een monumentaal karakter krijgen. Veroverd, bezet, gekoloniseerd. Congo 1876 -1914 van Mathieu Zana Etambala lijkt zo’n boek. Het verschijnt in een België waar recent het AfricaMuseum in Tervuren is gerenoveerd, een Lumumbaplein in Brussel is ingehuldigd, Canvas de veelbesproken documentaire Kinderen van de kolonie heeft uitgezonden en een VN-commissie de Belgische staat heeft opgeroepen excuses aan te bieden voor het koloniale verleden.

Bron: Sterck & De Vreese

Deze ontwikkelingen hebben een brede bewustwording gecreëerd en een maatschappelijk debat aangewakkerd over de erfenis van de Belgische koloniale geschiedenis in Congo en in België. Etambala’s boek geeft dit debat de verdieping – voorbij de clichés en de ophef – die het verdient.

Door de consultatie van duizenden bronnen en door honderden daarvan ongefilterd aan het woord te laten slaagt de aan het AfricaMuseum verbonden historicus erin om met uitgebreide details en descriptieve precisie een autopsie te doen van de “imaginaire geschiedenis van de schepping van Congo”.

Dat realiseert hij door in vier hoofdstukken (die elk een streek in Congo behandelen) in beeld te brengen hoe België de basis legde voor de kolonisatie van het immense Congo, en hoe de autochtone bevolking daarop reageerde – lees: daartegen protesteerde. Etambala tracht de “exogene dynamieken van verovering, bezetting en exploitatie” te plaatsen tegenover de “endogene dynamiek op politiek, economisch, religieus en cultureel vlak”.

De strategie van de kolonisator wordt krachtig samengevat door de titel van het boek: Veroverd, bezet, gekoloniseerd. Congo, en dan precies in die volgorde. Eerst moest de lokale bevolking worden veroverd. Lokale chefs moesten documenten tekenen waarin ze hun soevereiniteit afdroegen aan de Europese bezetters, waardoor de weg werd vrijgemaakt voor kolonisatie. “Ontdekkingsreizigers” zoals Henry Morton Stanley en George Greenfell speelden hier een cruciale rol.

Henry Morton Stanley. Foto: Wikimedia Commons / Smithsonian Libraries

In ruil voor prullaria zoals belletjes, spiegeltjes en afgedankte westerse kleren droegen de lokale chefs hun territorium, eigendomsrecht en exploitatie van natuurlijke grondstoffen over aan de Europese kolonisator. Na de verovering werd de bevolking bezet, door iedere vorm van protest de kop in te drukken. Daarna werd Congo een koloniale werkelijkheid, met bevolkingsgroepen die in alle opzichten van elkaar verschilden, maar die door koloniale instituties (leger, administratie, de kerk) met elkaar werden verenigd.

In het hele boek krijgt de lezer de indruk mee dat er daders en slachtoffers zijn. Het regime van Leopold II, ofwel de kolonisator, is de dader en daarmee ook de protagonist van het verhaal. Dat verklaart ook waarom het boek in 1876 begint: dat is het jaar waarin Henry Morton Stanley door Afrika reisde. Drie jaar later belandde hij op de loonlijst van Leopold II.

Het verklaart ook het jaar dat de auteur als cesuur neemt voor de kolonisatie van Congo: 1914, het begin van de Eerste Wereldoorlog. Door die keuze, maar ook door de honderden Europese personages en instituties die uitgebreid aan bod komen, laat de auteur zien dat Congo in eerste instantie een Europese constructie is.

De “Congolees” blijkt in dit verhaal het slachtoffer te zijn. Hij of zij wordt veroverd, bezet en gekoloniseerd. De Congolees is een slachtoffer, niet alleen omdat Etambala uitgebreid documenteert welke wreedheden de autochtone bevolking moest ondergaan, maar evenzeer omdat uit zijn boek blijkt dat de Congolezen geen enkele zeggenschap hadden in de ontstaansgeschiedenis van hun land.

Die slachtofferpositie moet niet worden verward met passiviteit. Het tegenovergestelde blijkt juist het geval – over het hele land heeft de autochtone bevolking geprotesteerd tegen de exogene krachten. Die bevolking heeft ondanks de koloniale repressie regelmatig geweigerd om het koloniale gezag te erkennen, belasting te betalen of rubber te oogsten. Ook heeft de bevolking regelmatig vergeldingsacties op de kolonisten uitgevoerd.

De Openbare Weermacht (Force Publique) met een Belgische officier in Boma, 1899. Foto: British Library

Maar deze en andere vormen van protest in de vier besproken gebieden waren niet in staat om de kolonisator tegen te houden. Het leopoldiaanse koloniale regime bleek een ingenieus, alles overmeesterend monster dat iedere vorm van verzet de kop indrukte. Bij elke vergeldingsactie van de lokale bevolking volgde er een brute strafexpeditie door de Openbare Weermacht, met soms honderden doden als gevolg.

In de publieke en vaak sensationele discussies wordt Leopold II afgeschilderd als het gezicht van de brute Congolese kolonisatie. Etambala’s boek laat echter overtuigend zien dat de verovering, bezetting en kolonisatie van Congo een geïnstitutionaliseerde praktijk was met winst als primair doel. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat in Congo-Vrijstaat honderden Belgische en Europese maatschappijen actief waren in de handel van ivoor, kobalt, rubber en andere plantaardige grondstoffen.

Om maar een paar te noemen: Domaine Privé (DP) Compagnie du Kasai (CK) Avesoire, ABIR, Comité Spécial du Katanga (CSK) en Comptoir Commercial Congolais (CCC).

Het mag ook niet vergeten worden dat Leopold II al vanaf 1882 twee verenigingen strategisch inzette voor de kolonisatie van Congo: Association Internationale Africaine en de Comité d’Études du Haut-Congo. Deze handelsmaatschappijen en verenigingen kun je vergelijken met hedendaagse multinationals en start-ups. Hun handelingen in Congo hadden niets met liefdadigheid te maken of de drang om “beschaving” naar de zwarte medemens te brengen.

Als het rubberquotum in een dorp niet gehaald werd, moesten soldaten deze persoon executeren en een hand afhakken om aan hun commandant te laten zien dat die persoon was doodgeschoten. Later hakten de inwoners zelf handen af omdat zij niet konden voldoen aan het veel te hoge quotum, om te voorkomen dat ze doodgeschoten zouden worden. Dorpen overvielen elkaar zelfs om handen te verzamelen. Foto: AAMBZ

Het draaide in de eerste plaats om maximale winst – ook wanneer dat betekende dat de autochtone bevolking gedwongen werd om rubber te innen. Of zoals Etambala het formuleert: “Het personeel dat de maatschappijen aanwierven, blonk bijna nergens uit in menselijkheid.” Hij doelt daarmee niet alleen op het geweld dat de autochtone bevolking werd aangedaan, maar ook op de racistische en neerbuigende houding van de Europeaan tegenover de Afrikaan.

“Ginder hebben wij te maken met de meest barbaarse en de meest achterlijke volkeren op aarde”, citeert de auteur Victorien Lacourt, medeoprichter van de Compagnie du Kasai, een fusie van twaalf rubbermaatschappijen in het Kasaï-bekken. Lacourt schreef die woorden in een brochure waarin hij de wandaden van Europeanen vergoelijkte, en stelde dat Afrikanen niet evenveel rechten verdienden als Europeanen. “Net deze opvattingen in de hoofden van de blanke kolonisator lagen aan de basis van de vele wreedheden tegen Afrikaanse bevolking”, schrijft Etambala.

Kortom, Leopold II mag er dan het gezicht van zijn geweest, het koloniale project was vele malen groter dan hemzelf. Zo speelde de kerk een cruciale rol in de kolonisatie van Congo. Etambala laat zien dat in sommige gevallen missionarissen nauw samenwerkten met handelsmaatschappijen. In ruil voor financiële steun mocht de kerk de bevolking in toom houden.

Belgische missionarissen in een trein in Congo, ca. 1900-1915. Foto: USC Libraries / Wikimedia Commons

De kerk, handelsmaatschappijen en de koloniale administratie vormden zo een heilige drievuldigheid. Niet alleen de fantasieën van Leopold II in zijn Brusselse paleis maakten de kolonisatie van Congo een feit, maar ook de nauwe samenwerking van de genoemde drie-eenheid.

De verleiding is groot om te stellen dat Etambala’s Congolese origine het boek van een extra dimensie voorziet, en het is ook geen geheim dat er meer Afro-Belgische intellectuelen nodig zijn in het publieke en academische debat. Maar deze etnische accentuering zou de auteur tekortdoen. Etambala’s boek is in eerste instantie een gedegen academische studie zonder enige polemische ambitie. Dat houdt de auteur echter niet tegen om gehakt te maken van het leopoldiaanse regime en een normatieve positie aan flarden te scheuren, integendeel.

Etambala’s boek is relevant vanwege de gedegen historische aanpak van de auteur, en zijn kracht om heel gedetailleerd te zijn. Namen, plaatsen en de tijd van de gebeurtenissen komen soms zonder disclaimer voorbij. Op die manier verhoudt de auteur zich niet tot de onwetende lezer, maar neemt hij wel de geïnformeerde lezer en de geschiedenis zelf serieus. Het nadeel is dat de auteur zo het brede publiek verliest – de vraag is hoe belangrijk dat is.

Etambala’s studie draagt bij aan de ontsluiting van de koloniale geschiedenis, maar het is geen boek dat je naar het strand zult meenemen. Wie Veroverd, bezet, gekoloniseerd goed leest, krijgt dan weer wel rijke informatie én voldoende munitie om in het maatschappelijke debat de erfenis van de koloniale geschiedenis aan het brede publiek over te brengen.

Over de auteur

 

Kiza Magendane

Kiza Magendane is een politicoloog, schrijver en strategisch beleidsadviseur die zich bezighoudt met burgerschap, identiteit, globalisering, technologie en de positie van Afrika in de wereld.


Foto bovenaan artikel

Philippe Madimba in Kinderen van de Kolonie. Bron: VRT

 

 

 

Simon(e) van Saarloos: “Voor mij is verandering altijd gelieerd aan activisme”

“De meeste herdenkingsrituelen zoals ik die ken in Nederland, creëren geen vervoering. Je wordt niet opgezweept om te rouwen, ratelend te praten, te zingen of te dansen. Het draait om rust, ruimte en veiligheid. Een kaars branden in plaats van vuur.” Van Simon(e) van Saarloos (1990) mag het allemaal wel wat rumoeriger en activistischer. Een gesprek met haar – of hen, of hem; ze gebruikt het zelf door elkaar – over nieuwe manieren van herdenken en herinneren. 

Het is de laatste week van de ‘intelligente lockdown’. De zon schijnt. We zitten in het Amsterdamse Westerpark aan de kade, croissants en koffie bij de hand, Van Saarloos heeft haar eigen thermoskan mee. Ik vraag haar hoe zij Dodenherdenking 2020 heeft beleefd, dit jaar toch anders dan anders door de stille Dam en de toespraak van de koning. Zo héél anders vond de filosoof het niet. “Het idee was: ‘We laten het ons niet afpakken’, alsof corona tegen de herdenking is. Blijkbaar heeft men gauw het gevoel dat bestaande, grote, bekende herdenkingsrituelen worden bedreigd.

Ik vond het eigenlijk een vrij ‘normale’ herdenking, ondanks coronatijd. Het idee dat iets gewoon door zou moeten gaan, of dat standbeelden gewoon zouden moeten blijven staan, dat begrijp ik niet. Mensen geven pas om een ritueel of standbeeld als het wordt verstoord. Dat is interessant.”

Een lege Dam tijdens de Nationale Herdenking 2020. Foto: Mischa Schoemaker

In Van Saarloos’ essay Herdenken herdacht uit 2019 pleit ze voor een nieuwe, ‘lossere’ manier van herdenken. Die kan wat haar betreft best dagelijks, op individuele basis. En een monument hoeft niet ‘in steen gegoten te zijn’, maar kan ook best bestaan uit gedachtes op papier. ‘Chaotisch’ herdenken mag ook, zonder één ijkmoment te benoemen. Doen onze ‘stille rituelen’ waarin statigheid en vastomlijnde handelingen voorop staan wel recht aan ‘de chaos van de gebeurtenissen’ zelf, vraagt ze zich al schrijvend af. De vraag stellen is het antwoord geven: nee.

Ze schrijft in haar essay: “Niet voor niets worden demonstraties als het tegendeel van herdenkingen gezien: daar klinken trommels en wapperen leuzen. Toch heb ik zelf vaak demonstraties meegemaakt die als een herdenking zouden kunnen worden gezien. Het ging dan om het herdenken van die mensen die anders niet zouden worden herdacht – de 99 procent tijdens Occupy Wall Street, het leven van zwarte burgers tijdens Black Lives Matter-demonstraties.”

Op de plek waar George Floyd gedood werd ontstonden protesten onder de noemer ‘Black Live Matters’. Deze protesten vonden al snel ook buiten Minneapolis plaats.Foto: Lorie Shaull op Wikimedia Commons (CC BY-SA 2.0).

Kom bij Van Saarloos dus niet aan met gangbare definities over herdenken, waarin volgens een draaiboek gewerkt wordt en gezagsdragers zoals burgemeesters, politici, voormannen en -vrouwen van belangenorganisaties of leden van het Koninklijk Huis een hoofdrol spelen. Ze zal je een beetje spottend aankijken en vragen of ‘categorisatie’ nodig is, wie überhaupt bepaalt wat ‘een historisch moment’ is en of de lineaire tijdsindeling die we aanhouden wel de enige moet zijn. De filosoof deconstrueert algemene aannames achter herdenken en herinneren en daagt haar lezers uit na te denken over nieuwe vormen.

Van Saarloos: “Ik vind het frappant dat er meteen al over een ‘historisch moment’ werd gesproken toen de coronacrisis net was losgebarsten en de economie min of meer werd stopgezet. Wat voor agenda zit er achter die kwalificatie? Dat bedoel ik niet paranoïde, maar wat moet er gewonnen worden bij het feit dat deze pandemie met zulke grote woorden gemarkeerd wordt? Is dat omdat de witte bovenklasse, de elite, door deze crisis nu ook wordt geraakt? Juist zij moeten thuisblijven en raken beperkt in hun bewegingsvrijheid.

Terwijl je aan de andere kant mensen hebt wier levens maar nauwelijks worden erkend in het heden. Dit was indertijd de reden van de demonstraties in Ferguson in 2014, naar aanleiding van de moord op Michael Brown. In protestbewegingen zoals Black Lives Matter zie je dat de beelden van demonstraties in de straten van Ferguson op sociale media werden vergeleken met oude foto’s van de Civil Rights Movement. Die vergelijking wordt door demonstranten gemaakt, omdat het hoop biedt en omdat het de aandacht opeist: ‘Mis dit niet, dit is historisch’. Bij een protestbeweging biedt de verwijzing naar zo’n historisch moment kracht en zichtbaarheid.”

Een vergelijking tussen de Civil Rights Movement uit de jaren ’60 en de Black Live Matters demonstraties van dit jaar. Foto: Facebook

Maar kun je niet juist van ‘historisch’ spreken omdat de coronacrisis iedereen treft? Niemand ontkomt eraan, het is wereldwijd…
“Het gaat mij om de verbintenis van autoriteit met historiciteit: wanneer wordt iets historisch genoemd en door welke autoriteit? Stel dat de hele zwarte bevolking in de VS door iets geraakt wordt, dan spreken we niet van ‘ons allemaal’.

Maar als in Nederland 200 witte mensen die een stem hebben in de media iets meemaken, dan wordt dat groot naar voren gebracht. Voor mij is herdenken altijd gelieerd aan activisme, aan het vraagstuk wie er bepaalt wat er in het heden als belangwekkend wordt gezien en wat er wordt gerepresenteerd én gedocumenteerd. Herdenken is dus nauw verbonden met de vraag welke toekomst we willen zien.

Ik begrijp wel dat mensen een gevoel van ‘een historisch moment’ nodig hebben om gebeurtenissen belangwekkend te laten zijn en ze te kunnen plaatsen in een langere geschiedenislijn. Maar vaak is dat een steriele opvatting van geschiedenis, waarbij gebeurtenissen zogenaamd helder aan te wijzen zijn en feiten allesbepalend zijn.”

Volgens Van Saarloos gaat herdenken ook over de verhalen die niet verteld worden. “En om de vraag: hoe zouden we een manier kunnen vinden om te leven met dat wat niet verteld wordt? Het standbeeld, het boek met oorlogsherinneringen: voor mij is het niet zo dat je pas herdacht hoeft te worden als je jezelf zichtbaar maakt.

Eigenlijk moeten we steeds in ons hoofd houden dat er uitsluitingsmechanismes zijn en dat er een exclusieve vorm is die zichtbaar maakt wat we ons herinneren en wat niet. Het besef dat lang niet alles dat niet verteld is, alsnog verteld kan worden. Al was het maar omdat sommige dingen werkelijk verdwenen zijn en ondanks dat tóch nog hun invloed kunnen hebben.

 

 

We zouden een meer lichamelijk uitgangspunt kunnen nemen, waarbij je ook het gevoelsmatige, het sensitieve betrekt. Je hebt niet per se bewijs nodig om iets te ervaren. De ooit in zeeën overboord gegooide mensen, tot slaaf gemaakt, zijn er niet meer, maar ze waren er ooit wél en dat water vertegenwoordigt ook een stukje geschiedenis, is ook een monument. Het is alleen niet te vatten wie en wat precies en hoe die mensen van elkaar gescheiden zijn. Het mooiste zou zijn als we hen kunnen herdenken zonder dat we hun bestaan moeten bewijzen door hun namen te kennen. Simpelweg omdat dat soort kennen vaak niet mogelijk is.”

Om schaarste (‘je kunt niet alles herdenken’) en competitie (‘sommige verhalen zijn belangrijker dan andere’) tegen te gaan, pleit je voor dagelijks, lichamelijk herdenken. Hoe zie je dat voor je?
“De heersende overtuiging in Noord-Europa is dat gebeurtenissen in eeuwige vorm moeten verschijnen om als herdenking te worden gezien. In steen gegoten, een monument. Terwijl het lichamelijke natuurlijk tijdelijk is. De heersende overtuiging is ook: de geest is waar het gebeurt, daar vindt het herdenken plaats. Het lichaam, dat is organisch, dat gaat dood, daar heb je niks aan.

Maar van mij mag de voorbijgaande herinnering die een lichaam kan ervaren net zo belangrijk zijn als het eeuwenoude monument. Door lichamelijk en dagelijks herdenken als mogelijkheid op te werpen, hoop ik een aanzet te doen voor herdenken zonder indeling van tijd – zonder verleden, heden, toekomst. Herdenken is betekenisgeving en die vindt altijd plaats.”

Rituelen zijn in de ogen van Van Saarloos ontworpen om een gemeenschappelijke ervaring te creëren en op te leggen. “Ze herbestendigen het idee van een bepaalde gemeenschap. Het idee is dat er maar één soort ervaring is. Maar herdenken kan juist op een verspreide manier en in meerstemmigheid. Waarom moet de stilte op 4 mei precies 2 minuten zijn, waarom dat kader?”

Van Saarloos deed onlangs een open uitnodiging (‘Open Call’) waarin ze oproept om herinneringen op te sturen die deze coronatijd typeren, hoe eenieder ‘geschiedenis ervaart’. Het maakt onderdeel uit van een onderzoekstraject dat ze uitvoert samen met TAAK, een vernieuwend Amsterdams collectief dat kunstprojecten in het publieke domein initieert en in opdracht produceert.

Van Saarloos: “Mijn verzoek in deze Open Call luidt: Stuur je monument in, zodat er een overvloedige hoeveelheid herinneringen samenkomt. Ik doe niet aan selectie of categorisatie, alles telt mee. Ik gebruik in mijn oproep de termen memorial (gedenkplaats) en monument heel losjes en door elkaar. In het academisch gebruik verschillen de termen van elkaar, maar voor mij kan een ‘monument’ van alles zijn: een bepaalde plek, een stuk papier met een paar zinnen of gedachtes. Al vind ik het ook én-én: meerdere manieren van herdenken, ook de meer traditionele, kunnen naast elkaar bestaan.”

Nationaal Comité 4 en 5 mei/ARQ Nationaal Psychotrauma Centrum.

Het Nationaal Comité 4 en 5 mei heeft samen met het Kenniscentrum Oorlog, Vervolging en Geweld van ARQ Nationaal Psychotrauma Centrum in de jaren 2016-2019 grootschalig onderzoek gedaan naar herdenken en hoe Nederlanders daartegenaan kijken. Een van de uitkomsten was dat jongeren, vaak ook met een migratieachtergrond, bij de Tweede Wereldoorlogherdenkingen regelmatig de wens uitspraken om op 4 mei ook andere onderwerpen te herdenken, zoals vluchtelingen wereldwijd of de Syrië-oorlog. Ook gaven jongeren vaak aan dat ze herdenken en vieren meer inclusief, actueel en voelbaar willen maken. Graag je reactie op deze opvallende uitkomsten.
“Zeker begrijp ik die wens. Ik wil wel benadrukken dat het niet gaat om ‘invoegen’. Minderheden hoeven niet ‘in te voegen’. 4 en 5 mei krijgen enorm veel media-aandacht, die dagen zijn zowat het ‘nationaalste moment’ van het jaar. Dat is niet per se slecht, maar het zou mooi zijn als we juist ook zouden oefenen met nieuwe herdenkingsmomenten die je ook nationaal zou kunnen uitvoeren. Dat bijvoorbeeld een van die jongeren die heeft gereageerd in dit onderzoek mag zeggen: deze dag gebruik ik om dit te herdenken. Er hoeft geen bewijs te zijn hoe erg dingen waren, er hoeft geen onderzoek, vergelijking of collectief erkende moraal achter te zitten.

Herdenken nu gaat hand in hand met een bepaald nationalisme. We bakenen grenzen af, het gaat over díe groep doden of de slachtoffers uit dát land of tijdvak. We moeten denken voorbij een wereld met natiestaten, dus daarin past ook het herdenken van alle mensen en niet alleen ‘de Nederlandse oorlogsslachtoffers’ of ‘allen die gevallen zijn onder Nederlandse vlag’.”

Echt allemaal?
“Ja, waarom niet? Mijn ideeën worden vaak als ‘heel filosofisch’, ‘ontoegankelijk’ of ‘ontwrichtend’ beschouwd, maar de grap is dat de manier waarop we nu herdenken – eentje die volledig geaccepteerd is door een grote meerderheid – ook stoelt op abstracte begrippen als collectiviteit en de natiestaat. Het is maar net wat je kiest en welk gedachtegoed je aanhangt.”

En toch, mag je niet vinden dat de Tweede Wereldoorlog een uitzonderlijke periode was waarin extreem veel gruweldaden plaatsvonden en dat je enkel die oorlog wil herdenken? 
“Ik blijf pushen op het idee dat én-én bestaat. Oude en nieuwe vormen van herdenken kunnen goed naast elkaar bestaan. Ik daag iedereen uit om deze filosofische oefening te doen: probeer echt waarde te voelen in wat of wie je herdenkt, zonder dat je prioriteit, categorisatie en hiërarchie nodig hebt.

Ik liep drie maanden mee bij een nanoscience-instituut in Delft en merkte dat het daar precies hetzelfde werkte: door prioriteit, categorisatie en hiërarchie aan te brengen komt men tot kennis. Die ordening zit superdiep in de samenleving, het heilige geloof in het rationalisme.”

Je hoeft niet exclusief de Tweede Wereldoorlog te herdenken op 4 mei, je zou ook langer terug kunnen gaan. De industriële, georganiseerde kant van de gaskamers met transporten en hun organisatiestructuur is verwant met het slavernijverleden, met de kennis die is opgedaan met transporten van grote groepen, het ontmenselijken van mensen, rangordes aanbrengen.

Ik wil niemand een monument afnemen. Ik vraag alleen wanneer en waarom we iets definiëren als betekenisvol? Herdenken verwijst al gauw naar de rituelen die er zijn, terwijl het voor mij ook gaat om het denken. Uiteindelijk gaat het over de vraag hoe we iets naar de voorgrond van onze geest halen en onze lichamelijke ervaring erbij betrekken.”

Een lang fragment uit Van Saarloos’ Herdenken herdacht is te lezen op Lilith Mag.

Over de auteur

 

Larissa Pans Foto: Merlijn Doomernik

Larissa Pans (1976) is journalist, historicus en moderator. Daarnaast is ze auteur: in 2018 verscheen Onbeperkt vruchtbaar, en onlangs kwam Oorlogsgesprekken uit. Dat laatste boek schreef ze samen met Leonard Ornstein. 


Foto bovenaan artikel

Simon(e) van Saarloos – Foto: Ashley Röttjers.

 

Vergangenheitsbewältigung en culturele dekolonisatie

Zoals nazi’s een bepaalde taal gebruikten om Joden te ontmenselijken en Duitse burgers mee te krijgen in het nazistische wereldbeeld – Hitler en Goebbels gebruikten het woord Jood niet zonder daar de kwalificaties listig, verraderlijk of laf aan toe te voegen – zo heeft ook het eeuwenlange kolonialisme zijn sporen in onze taal en cultuur nagelaten. Maar waar de genazificeerde Duitse samenleving na de beëindiging van het Derde Rijk stap voor stap door een proces van Vergangenheitsbewältigung – analyse en verwerking van het verleden – is gegaan, staat de culturele dekolonisatie in postkoloniaal Nederland nog in de kinderschoenen. Groeiend bewustzijn van de culturele erfenis van het kolonialisme leidt geleidelijk tot verandering.

De joodse filoloog Victor Klemperer hield tijdens de twaalf jaar die het Derde Rijk duurde (1933-1945) een dagboek bij. Op basis van zijn dagboeken schreef hij kort na de oorlog zijn boek De taal van het Derde Rijk. Hij betoogde hierin dat de nazi’s in korte tijd een uniek idioom en specifieke zinsstructuur ontwikkelden, die bijdroegen aan de dehumanisering van delen van de bevolking, het genocidale geweld en de dood van de democratie in Duitsland.

Victor Klemperer. Foto: Bundesarchiv, Bild 183-16552-0002 op Wikimedia Commons (CC-BY-SA 3.0)

Voor Klemperer was het vanzelfsprekend om de taal van een tijdperk te zien als de geest van de tijd. In de twaalf jaar dat het Derde Rijk had bestaan had het niet alleen de grootste genocide uit de geschiedenis uitgevoerd en een wereldwijde oorlog gevoerd, maar ook diepe sporen getrokken in wat er restte van de Duitse cultuur. In de taal van het Derde Rijk vinden we volgens Klemperer de essentie van het nazisme. Dat betekent dat het begrijpen en ontleden van die taal in zijn ogen een belangrijke en noodzakelijke stap was op weg naar culturele denazificatie.

Het waren specifieke woorden en zinsstructuren die maakten dat het nazisme door kon dringen tot het “vlees en bloed van het volk”, zo liet Klemperer zien. Dat het nazisme na 1945 misschien verslagen was, nam niet weg dat de taal – en daarmee de essentie van de cultuur – er nog altijd van doordrongen was. Na de militaire nederlaag en de vernietiging van de greep van de nazi’s op de Duitse staat was er dus een cultureel proces nodig om het Duitse volk het nazisme te ontleren, betoogde Klemperer overtuigend in zijn boek.

Kolonialiteit en cultuurkritiek

Het belang dat Klemperer hechtte aan filologie als middel om het nazisme te begrijpen—en de erfenis ervan op een cultureel niveau te bestrijden—lijkt op het belang dat hedendaagse emancipatiebewegingen zijn gaan hechten aan taal. Er is de afgelopen jaren regelmatig aandacht gevraagd voor de erfenissen van het kolonialisme in onze cultuur en taal, van het sinterklaasfeest tot keuzes van vertalers en beschrijvingen van kunstwerken en objecten in musea. Hoogleraar Wayne Modest vatte dit met zijn co-auteurs samen in het boek Words Matter over de koloniale wortels van taalgebruik in musea en de noodzaak dit taalgebruik aan te passen.

De filosofische stroming die het meest stellig de sporen van het koloniale verleden in de huidige samenleving terugziet, is de van oorsprong Zuid-Amerikaanse decolonial school. Deze school ziet kolonialiteit in tal van maatschappelijke structuren terug en pleit voor de ‘dekolonisatie’ van de samenleving. Dekoloniale filosofen betogen steevast dat hedendaagse maatschappelijke en mondiale verhoudingen een uitvloeisel zijn van processen van kolonisatie. De overzeese kolonisatie is volgens deze school slechts één aspect daarvan. In hun ogen wordt de moderne wereld gekenmerkt door een reeks van onteigeningen, toe-eigeningen, uitzettingen en vernietigingen. Zij zien het geloof in de verworvenheden van de moderne tijd als de vergoelijking van racisme, seksisme, uitbuiting en ongelijkheid. Het nazisme en de genocide op de Joden is voor dekoloniale denkers een voortzetting geweest van wat zich in de koloniale wereld al had voltrokken.

Het eerste woord

Het zien van gelijkenissen tussen koloniaal racisme en antisemitisme en tussen koloniaal geweld en aspecten van de Holocaust is niet nieuw. Echter, zoals Tom Menger in dit tijdschrift al betoogde, zijn er goede redenen om te twijfelen aan de continuïteit tussen bijvoorbeeld de genocide op de Herero in Zuidwest-Afrika en de genocide op de Joden in Oost-Europa. De genocide op de Herero moet volgens Menger eerder gezien worden als typisch voor westerse koloniale oorlogsvoering destijds.

Klemperer wijst in zijn boek echter op meer indirecte continuïteiten tussen het geweld en het racisme in de koloniën en het nazisme in Europa. Hij noemt het woord ‘strafexpeditie’ het eerste woord van de taal van het Derde Rijk. Het woord “was de belichaming van wrede arrogantie en minachting voor mensen die enigszins anders waren, het klonk zo koloniaal. Je kon het omsingelde negerdorpje zien”, zo schreef hij. Om de suggestie te wekken dat ze nietsontziend hun tegenstanders zouden uitroeien riepen de nazi’s volgens Klemperer beelden op van koloniale oorlogspraktijken die onder Europese mogendheden gemeengoed waren geworden tijdens het opdelen van Afrika en het ‘pacificeren’ van de Indische Archipel. Hier zien we een duidelijke overeenkomst tussen de redenaties van de dekoloniale denkers en de observatie van Klemperer over het eerste woord in de taal van het Derde Rijk.

Een monument ter nagedachtenis aan de genocide op de Herero, Windhoek, Namibië. Foto: Pemba.mpimaji op Wikimedia Commons (CC BY-SA 4.0)

Zijn de taal van het Derde Rijk en die van de koloniale expansie aan elkaar verwant? Ik ben geen filoloog en een gedegen analyse van het taalgebruik in verschillende delen en periodes van het Nederlandse wereldrijk is voor zover ik weet nog niet gemaakt. Wat wel duidelijk is, is dat in de koloniale context woorden werden gebruikt die uitbuiting, verdrijving en vernietiging rechtvaardigden. In 1777 vaardigde de VOC in de Kaap een wet uit die de kolonisten het recht gaf de San straffeloos te doden. Aan dat besluit ging een proces van ontmenselijking vooraf, inclusief de inburgering van het scheldwoord ‘Hottentot’ voor de San. Datzelfde gebeurde ook elders in het rijk. Zoals de historicus Lodewijk Hulsman liet zien kwam met het verslechteren van de relaties tussen kolonisten en de inheemse bevolking in de Amazone en Guiana de term ‘bokken’ in zwang.1 De verslechterde verstandhouding mondde uit in oorlog en verdrijving.

Zo’n proces van ontmenselijking in woord en daad voltrok zich ook ten aanzien van mensen van Afrikaanse afkomst. Terwijl men eerder nog wel verwees naar specifieke etniciteiten of het meer descriptieve ‘swart’ gebruikte, werden zij in de taal van de slavenhandelaren en slavendrijvers uiteindelijk allemaal gereduceerd tot ‘negers’ en ‘negerinnen’. Het omgekeerde, het bewieroken van de koloniale dadendrang, zit ook diep in de taal verankerd. Termen als ‘blank’, ‘zeeheld’, ‘pacificatie’ of ‘politionele actie’ zijn zo ingeburgerd dat we er zelfs nu, decennia na de ontmanteling van het koloniale rijk, nog moeite mee hebben om de koloniale lading er van te zien. Terwijl er na de Tweede Wereldoorlog een proces van Vergangenheitsbewältigung in Duitsland op gang kwam, begint nu pas een soortgelijk proces voor het koloniale verleden in een stroomversnelling te raken.

Discussie over taal

In Nederland begint men langzaam tot het besef te komen dat het in de huidige wereld nodig is om de koloniale waas van de bril te poetsen. Daarnaast is er de terugkerende vraag hoe een bevolking een eenheid in verscheidenheid kan vormen, zonder nodeloze hiërarchieën van in- en uitsluiting. Dat gaat minder grondig en radicaal dan de dekoloniale activisten en denkers graag zouden zien, maar een echo van hun cultuurkritiek is wel degelijk herkenbaar in het huidige publieke debat. Taalgebruik of cultuuruitingen die raciale categorisering of zelfs hiërarchieën normaliseren worden aan de kaak gesteld, zoals Zwarte Piet in het sinterklaasfeest of het aanduiden van mensen als ‘neger’ vanwege afkomst of fenotypische kenmerken. Ook is de term ‘Hottentot’ inmiddels op zijn retour in Nederlandse musea. De beweging voor dekolonisatie wijst ons erop hoe moeilijk het is om binnen een cultuur zicht te krijgen op erfenissen van uitsluiting en geweld. Culturele interventies kunnen bijdragen aan bewustwording, maar dat blijkt zeker niet vanzelf te gaan.

Tijdens de dekolonisatieoorlog in Indonesië werd ook een felle, politieke strijd in Nederland gevoerd. De Voorlichtingsdienst van Handhaving Rijkseenheid hield bijeenkomsten. Dit was op opening van de wintercampagine 1947 in Den Haag. Op het spandoek staat: Repoeblik Indonesia betekent onvrijheid, chaos en Ellende! Spreken met deze bendes is verraad. Foto: Beeldbank WO2 – NIOD

De dekoloniale cultuurkritiek vindt weerklank in delen van het bedrijfsleven en de overheid, waar men de analyse heeft gemaakt dat een voortzetting van het politieke systeem en de economische dynamiek gebaat is bij een insluiting van meer burgers, van maatschappelijke marges en nog onbekende markten. In het bedrijfsleven is het bewustzijn ontstaan dat de luiken open moeten, dat restanten van koloniale arrogantie niet alleen misplaatst zijn, maar ook internationale samenwerking in de weg staan. In het Rijksmuseum en vele andere musea denkt men na over de manieren waarop de taal van het museum ‘gedekoloniseerd’ kan worden. Bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed loopt een project dat De Collectie Nederland doorlicht op het gebied van sporen van het koloniale en slavernijverleden. In de Amsterdamse gemeenteraad stelde raadslid Sylvana Simons dat haar partij aan de slag zou gaan met het ‘dekoloniseren van de publieke ruimte’. Op universiteiten volgt eenzelfde beweging: ‘diversity officers’ werken hier niet alleen aan diversiteit en inclusiviteit, maar agenderen ook de dekolonisatie van het curriculum.

Dit gaat echter niet vanzelf en de botsingen in het publieke debat zijn vaak stevig. Historici hebben een prominente plaats in het debat over deze kwestie. Ze werpen zich op als het geweten van de samenleving, zowel van het deel dat verandering wenst als van degenen die hechten aan het oudere taalgebruik en het daarbij horende perspectief op het verleden. Iedere poging om dehumaniserend of juist verhullend taalgebruik aan te passen, kan rekenen op kritiek. Een bekend voorbeeld betreft de discussie over het gebruik van de termen ‘slaafgemaakten’ of ’tot slaaf gemaakten’ in plaats van ‘slaven’. De historici Piet Emmer en Henk den Heijer betoogden recent meermaals in landelijke media dat de term ‘slaafgemaakten’ niet zou moeten worden gebruikt omdat deze afkomstig is van activisten. De term zou niet verhelderen maar eerder een impliciete beschuldiging in zich dragen: “ze zijn door Europeanen tot slaaf gemaakt”. Die implicatie zou volgens Emmer en Den Heijer weer afbreuk doen aan de gedeelde Europese en Afrikaanse rol in deze geschiedenis. De keuze voor of tegen een term zou volgens de historici dus gebaseerd moeten zijn op de mogelijke implicaties die het gebruik van de term heeft voor een eventuele schuldvraag. De term zou daarnaast ook leiden tot het onjuiste idee dat mensen niet ook als slaven geboren werden, en dus niet ‘tot slaven’ waren ‘gemaakt’. Die laatste redenering gaat er van uit dat slavernij een natuurlijke staat kan zijn en niet een die door menselijk handelen gevestigd en bevestigd moet worden.

Voorstanders van de aanpassing betogen echter dat de term ‘slaaf’ in het verleden zo vaak is gebruikt dat het zicht op de inhoud van de relatie tussen slaaf en meester is verdwenen. De term doet de status van de mensen die in slavernij werden gehouden als een vanzelfsprekend gegeven voorkomen. ‘Slaaf’ werd in de literatuur over de koloniale geschiedenis gebruikt alsof het om een vaststaande identiteit van de betreffende persoon ging, een natuurlijke staat van zijn. De term, zo stelt men, verhulde daarmee de dwang die nodig was om iemand in slavernij te houden en daarmee het feit dat slavernij te allen tijde een (gewelddadige) relatie was tussen een slavenhouder en een als slaaf gehouden mens. De term ‘slaafgemaakte’ dient dus om een bewustzijn over het actieve proces van onderwerping op te wekken, en dus koloniale verhulling te bestrijden.

De nazi’s wisten grote groepen mensen in haar greep te krijgen. Niet op z’n minst door de redevoeringen van Adolf Hitler. In 1941 sprak hij in het Sportpaleis in Berlin 9.000 cadetten van de officiersopleiding toe. Foto: Beeldbank WO2 – NIOD

Over de auteur

 

Karwan Fatah-Black. Foto: Jussi Puikkonen

Karwan Fatah-Black is docent aan de Universiteit Leiden. Zijn specialisme is vroegmoderne globalisering, kolonialisme en slavernij. In 2018 publiceerde hij het boek Eigendomsstrijd over de geschiedenis van slavernij en emancipatie in Suriname.


Noot

1 Martijn van den Bel, Lodewijk Hulsman, Lodewijk Wagenaar, The Voyages of Adriaan van Berkel to Guiana: Amerindian-Dutch Relationships in 17th-century Guyana (Leiden: Sidestone Press, 2014) 65.